Cassation appeal dismissed as inadmissible due to lack of jurisdictional motivation under constitutional and immigration law.
Synthèse Legislator
Généré par l'IAThe cassation appeal was declared inadmissible because the lower court failed to explicitly address the applicant's specific arguments regarding his situation in Romania. The applicant claimed a clear appreciation error and misapplication of national and supranational laws, arguing the Refugee Board did not sufficiently examine his case. The court ruled that while the lower court provided a general response, it did not meet the strict jurisdictional motivation requirements of the Constitution and the Immigration Act, rendering the appeal inadmissible.
Regeste Legislator
Généré par l'IAArticles 149 of the Constitution and 39/65 of the Immigration Act: A court decision is considered motivated if the judge clearly and unambiguously sets out the reasons leading to the decision, and it is not relevant whether these reasons are legally or factually correct, provided the judge explicitly or implicitly answers every question, exception, and plea raised by the parties.
Mots-clés
Généré par l'IADispositions légales citées
Généré par l'IATexte complet
RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK
VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER
BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID
IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE
nr. 13.030 van 11 oktober 2018
in de zaak A. 226.251/XIV-37.820
In zake : XXXXX
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Julien Hardy kantoor houdend te 1400 Nijvel rue des Brasseurs 30
bij wie woonplaats wordt gekozen
tegen :
de COMMISSARIS-GENERAAL VOOR DE VLUCHTELINGEN EN
DE STAATLOZEN
Het cassatieberoep, ingesteld op 24 september 2018, strekt tot de cassatie van het arrest nr. 207.876 van 20 augustus 2018 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen.
Het administratief dossier is op 1 oktober 2018 aangekomen ter griffie.
Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatieprocedure bij de Raad van State’.
Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.
1. Verzoeker werpt in een enig middel een “kennelijke appreciatiefout”
en miskenning van een reeks nationale en supranationale bepalingen op. Hij citeert deze bepalingen en de motieven van het bestreden arrest, waarna hij aanvoert dat de Raad voor
XIV-37.820-1/4
Vreemdelingenbetwistingen op zijn argumentatie “niet op voldoend[e] duidelijke wijze [heeft] geantwoord, en de situatie in Roemenië niet zorgvuldig [heeft] onderzocht”.
2. De vraag of verzoekers argumentatie op voldoende duidelijke wijze is beantwoord, heeft betrekking op de in artikel 149 van de Grondwet en artikel 39/65 van de vreemdelingenwet bepaalde jurisdictionele motiveringsplicht. Deze heeft het karakter van een vormvereiste. Een uitspraak is gemotiveerd in de zin van de voornoemde bepalingen wanneer de rechter duidelijk en ondubbelzinnig de redenen uiteenzet die hem ertoe brengen die beslissing te nemen. Om te voldoen aan de jurisdictionele motiveringsplicht is het niet relevant of die motieven in rechte of in feite juist zijn. Wel moet de rechter expliciet of impliciet antwoorden op elke vraag, elke exceptie, elk middel en elk verweer van de partijen.
In het bestreden arrest wordt overwogen dat verzoekers verwijzing naar een Duitse rechterlijke uitspraak over een Syrische vrouw niet dienstig is omdat dergelijke beslissingen geen precedentswaarde hebben en omdat het andere individuele omstandigheden betrof, met name die van een Syrische vrouw die alleen verantwoordelijk was voor de zorg voor haar kinderen van 2, 4 en 5 jaar oud en wier mogelijkheden om op de Roemeense arbeidsmarkt aan de slag te gaan derhalve aanzienlijk werden beperkt. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen merkt op dat verzoeker daarentegen een alleenstaande man is die slechts kort in Roemenië verbleef. Vervolgens overweegt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen dat verzoeker enkel op algemene wijze verwijst naar algemene informatie, zonder deze concreet op zijn situatie te betrekken. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen leidt uit verzoekers verklaringen af dat zijn fundamentele rechten verzekerd waren in Roemenië en gaat daartoe concreet in op verzoekers verblijf in een Roemeens opvangcentrum. Hij merkt in het bestreden arrest op dat verzoeker een (vervang-)medicijn heeft gekregen toen hij medicatie nodig had, dat verzoeker volgens zijn eigen verklaringen wel begeleiding van de sociaal assistente kreeg in het opvangcentrum hoewel hij eerst verklaarde van niet, dat verzoeker zich buiten het opvangcentrum mocht bewegen maar nooit moeite deed om contact te leggen met de plaatselijke bevolking, dat verzoeker geen enkel initiatief heeft genomen om werk te zoeken en dat zijn uitleg daarvoor ongeloofwaardig wordt geacht, zoals uitvoerig gemotiveerd in de aanvankelijk bestreden beslissing en niet afdoende ontkracht door verzoeker, en dat verzoeker slechts twee maanden in Roemenië heeft verbleven en reeds 15 dagen nadat hij er werd erkend als vluchteling is doorgereisd naar België. Hierna wijst de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen erop dat Roemenië als lidstaat van de Europese Unie is gebonden door het Unierecht, in het bijzonder
XIV-37.820-2/4
wat betreft verzoekers erkenning als vluchteling. Volgens de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen toont verzoeker niet aan dat hem de toegang zou worden geweigerd tot Roemenië noch dat hij er persoonlijke problemen zou hebben gekend. Dat de levensomstandigheden moeilijk zijn in Roemenië, betreft volgens het bestreden arrest problemen van louter socio-economische aard die niet vallen onder het toepassingsgebied van de artikelen 48/3 en 48/4 van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ (hierna: de vreemdelingenwet).
Met deze concrete motivering antwoordt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen duidelijk op verzoekers algemene kritiek tegen de aanvankelijk bestreden beslissing betreffende de mogelijkheid om werk te vinden in Roemenië en op de algemene externe informatie waarop verzoeker zich steunde.
Het enige middel is kennelijk ongegrond wat de voorgehouden schending van artikel 149 van de Grondwet en artikel 39/65 van de vreemdelingenwet betreft.
3. In de mate dat verzoeker met verwijzing naar de andere aangehaalde nationale en supranationale bepalingen een “kennelijke appreciatiefout” opwerpt en zich daartoe steunt op bepaalde externe informatie, vraagt hij in wezen een nieuwe feitelijke beoordeling van de zaak. De Raad van State is als administratieve cassatierechter echter niet bevoegd om in de beoordeling van de zaak zelf te treden.
Met een andere eigen beoordeling van de situatie in Roemenië toont verzoeker in ieder geval geen schending aan van de door hem in het cassatiemiddel aangehaalde bepalingen.
Het enige middel is in die mate, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond.
4. Verzoekers suggestie om een prejudiciële vraag te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie is niet dienstig voor de oplossing van het geschil. In het bestreden arrest wordt immers aangenomen dat de levensomstandigheden voor erkende vluchtelingen in Roemenië, althans wat verzoekers geval betreft, wel volstaan.
XIV-37.820-3/4
De voorgestelde prejudiciële vraag moet niet worden gesteld.
BESLUIT:
1. Het cassatieberoep is niet-toelaatbaar.
2. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro.
Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op elf oktober tweeduizend achttien, door:
Carlo Adams, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier.
De griffier De voorzitter
Joris Casneuf Carlo Adams
XIV-37.820-4/4
PDF document ECLI:BE:RVSCE:2018:ORD.13.030