Legislator Jurisprudence & Législation
ECLI:BE:RVSCE:2018:ORD.13.017 ECLI:BE:RVSCE:2018:ORD.13.017 Généré par l'IA

Cassation appeal dismissed; asylum claim rejected due to lack of evidence and sovereign appreciation of facts.

Numéro de cause ECLI:BE:RVSCE:2018:ORD.13.017
Autorité / Tribunal
Juridiction Belgique (BE)
Date de la décision
Issue du litige Rejeté (Dismissed)

Synthèse Legislator

Généré par l'IA

The Court of Cassation declared the administrative appeal inadmissible, ruling that the Refugee Status Board correctly assessed the applicant's credibility and evidence. The applicant argued that his father's alleged work for a parliament member and the general corruption in Afghanistan warranted further investigation, but the court found no factual basis for these claims. The decision rests on the Board's sovereign discretion to evaluate document authenticity and the applicant's personal safety without re-examining the facts.

Regeste Legislator

Généré par l'IA

Articles 39/76 of the Aliens Act; The Refugee Status Board possesses sovereign discretion to assess the credibility of asylum claims and the authenticity of submitted documents, and the Court of Cassation cannot intervene in factual evaluations or re-examine the Board's reasoning.

Mots-clés

Généré par l'IA
asylum claim rejection sovereign appreciation power document authenticity assessment non-refoulement principle administrative cassation appeal credibility evaluation high profile target

Dispositions légales citées

Généré par l'IA
Article 39/76 of the Aliens Act
Article 20 of the coordinated laws on the Council of State
Articles 7 to 11 of the Royal Decree of 30 November 2006

Vous souhaitez savoir comment cet arrêt s'applique à votre dossier ?

Analysez cette décision avec la législation fédérale, le droit cantonal, la doctrine et la jurisprudence subséquente dans Legislator AI.

Ouvrir dans Legislator →

Texte complet

RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK

VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER

BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID

IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE

nr. 13.017 van 19 september 2018

in de zaak A. 225.971/XIV-37.795

In zake : XXXXX

bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Hind Riad kantoor houdend te 1210 Brussel Haachtsesteenweg 55

bij wie woonplaats wordt gekozen

tegen :

de COMMISSARIS-GENERAAL VOOR DE VLUCHTELINGEN

EN DE STAATLOZEN

Het cassatieberoep, ingesteld op 21 augustus 2018, strekt tot de cassatie van het arrest nr. 206.920 van 18 juli 2018 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen.

Het administratief dossier is op 29 augustus 2018 aangekomen ter griffie.

Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatieprocedure bij de Raad van State’.

Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.

1. In het bestreden arrest wordt met betrekking tot de door verzoeker neergelegde documenten opgemerkt dat reeds naar aanleiding van zijn eerste verzoek om internationale bescherming de ongeloofwaardigheid van zijn beweerde problemen met de Taliban werd vastgesteld, dat documenten op zichzelf niet vermogen de geloofwaardigheid

XIV-37.795-1/5

van een ongeloofwaardig asielrelaas te herstellen, dat uit het administratief dossier blijkt dat allerhande Afghaanse documenten gemakkelijk kunnen worden verkregen, dat het parlementslid Dawlatzai blijkens de informatie van het commissariaat-generaal een zeer bedenkelijke reputatie geniet, hetgeen samen met de concrete vaststellingen in de aanvankelijk bestreden beslissing omtrent de stukken die zouden aantonen dat zijn vader werkzaam was voor het parlementslid (met name de slordige aard van het briefje van Dawlatzai en het gegeven dat uit de foto’s niet kan worden afgeleid dat verzoekers vader voor hem werkzaam was) meebrengt dat er geen objectieve bewijswaarde aan zijn verklaringen kan worden gehecht en dat, zelfs al zou geloof kunnen worden gehecht aan de werkzaamheden van verzoekers vader voor Dawlatzai, dit geenszins zijn beweerde problemen met de Taliban aannemelijk maakt.

De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen wijst er daarbij op dat verzoekers terugkeer en verblijf in Afghanistan in 2016, net zoals het gegeven dat zijn familie nog steeds in hetzelfde dorp woont ondanks dat zij beweerdelijk al jarenlang bedreigd en geviseerd zouden worden, de geloofwaardigheid en de ernst van de door hem aangehaalde vrees op de helling zet. Verzoekers grief dat “het enkele feit dat er in Afghanistan corruptie ‘welig tiert’ […] niet tot gevolg [kan] hebben dat er geen enkel onderzoek wordt gevoerd naar de neergelegde documenten” mist feitelijke grondslag.

De beoordeling van de authenticiteit en de bewijswaarde van neergelegde stukken behoort tot de soevereine appreciatiebevoegdheid van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen die in een beroep tegen een beslissing van de commissaris-generaal over hervormingsbevoegdheid beschikt. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen oordeelt bovendien eveneens soeverein of hij aanvullende onderzoeksmaatregelen nodig acht zoals voorzien in artikel 39/2, § 1, tweede lid, 2°, juncto 39/76, § 1, van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ (hierna: de vreemdelingenwet) en of er al dan niet nieuwe elementen aan de orde zijn die de kans aanzienlijk groter maken dat de asielzoeker voor erkenning als vluchteling of voor subsidiaire bescherming in aanmerking komt zoals voorzien in artikel 57/6/2 van de vreemdelingenwet.

Het komt niet aan de Raad van State als administratieve cassatierechter toe om die beoordeling opnieuw te doen. Wat het arrest Singh van het EHRM betreft, is verzoekers verwijzing naar dat arrest niet dienstig is nu hij zich niet in een gelijkaardige situatie bevindt omdat het te dezen geen twijfel aan de voorgehouden nationaliteit en verblijfplaats betreft maar een ongeloofwaardig bevonden vervolgingsrelaas. Verzoekers verwijzing naar het arrest MD en MA tegen België van het EHRM is evenmin dienstig nu te dezen wel degelijk de door verzoeker bijgebrachte “nieuwe elementen” werden onderzocht

XIV-37.795-2/5

op hun authenticiteit, relevantie en bewijskracht. Het eerste onderdeel van het eerste middel is, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond.

De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen merkt in het bestreden arrest op dat verzoeker voor de dienst Vreemdelingenzaken een verklaring heeft afgelegd met betrekking tot de nieuwe elementen in zijn meervoudige asielaanvraag die vervolgens aan de commissaris-generaal werd overgemaakt. De commissaris-generaal heeft na een inhoudelijk onderzoek van de elementen die door verzoeker in die verklaring werden meegedeeld een beslissing genomen. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen wijst erop dat de beslissing om, in het geval van een meervoudige of hernieuwde asielaanvraag, verzoeker al dan niet persoonlijk te horen tot de appreciatiebevoegdheid van de commissaris-

generaal behoort en dat artikel 22, derde lid van het koninklijk besluit van 11 juli 2003 ‘tot regeling van de werking van en de rechtspleging voor het commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen’ geenszins de verplichting inhoudt om elk stuk integraal te vertalen maar toelaat dat enkel de relevante elementen van de voorgelegde stukken worden nagegaan, hetgeen volgens de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen te dezen is gebeurd.

De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen vermocht dan ook op wettige wijze te besluiten dat er geen schending van artikel 22 van het koninklijk besluit van 11 juli 2003 voorlag.

Bovendien kan, gelet op de devolutieve werking van het beroep tot nietigverklaring tegen een beslissing van de commissaris-generaal voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, de kritiek van verzoeker de strekking van het bestreden arrest niet hebben beïnvloed.

Verzoeker heeft immers naar aanleiding van zijn beroep tot nietigverklaring de kans gekregen om uitvoerig zijn standpunt naar voor te brengen, hetgeen hij ook heeft gedaan.

Het tweede onderdeel van het eerste middel is kennelijk ongegrond.

2. In tegenstelling tot wat verzoeker aanvoert, wordt in het bestreden arrest wel degelijk geantwoord op zijn grief inzake de rechtspraak van het Hof van Justitie, meer bepaald het arrest C-285/12 van 30 januari 2014, met betrekking tot artikel 15 van de 2004/83/EG van de Raad van 29 april 2004 ‘inzake minimumnormen voor de erkenning van onderdanen van derde landen en staatlozen als vluchtelingen of als persoon die anderszins internationale bescherming behoeft, en de inhoud van de verleende bescherming’. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen stelt op basis van de informatie vervat in het rechtsplegingsdossier en op omstandig gemotiveerde wijze vast dat verzoeker in Jalalabad over een redelijk intern vestigingsalternatief beschikt. Daarbij oordeelt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen dat het rapport van Amnesty International dat verzoeker heeft

XIV-37.795-3/5

bijgebracht geen afbreuk doet aan de informatie vervat in het administratief dossier.

Daarmee voldoet het arrest aan de motiveringsplicht als vormvereiste voor jurisdictionele beslissingen, die niet inhoudt dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen de motieven van zijn motivering zou moeten weergeven. Er kan opnieuw worden gewezen op de devolutieve werking van het beroep tot nietigverklaring tegen een beslissing van de commissaris-

generaal voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen en op de soevereine appreciatiebevoegdheid van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen inzake artikel 39/76

van de vreemdelingenwet. Het eerste onderdeel van het tweede middel is, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond.

In het tweede onderdeel van het tweede middel betoogt verzoeker dat hij een “high profile” heeft en dat daar geen rekening mee werd gehouden. In het bestreden arrest wordt daarover gemotiveerd dat “geen enkel geloof wordt gehecht aan de door hem aangevoerde problemen noch aan zijn aangemeten profiel en hij doorheen zijn opeenvolgende verklaringen geen gewag heeft gemaakt van andere persoonlijke problemen die hij de laatste jaren in Afghanistan zou hebben gekend”. Gelet op wat reeds voorafgaat, en dan met name in de beoordeling van het eerste middel, mist verzoekers kritiek dat “er geen serieus onderzoek werd gevoerd” naar de werkzaamheden van zijn vader voor het parlement feitelijke grondslag. In de mate verzoeker thans betoogt dat “dient te worden vastgesteld dat [hij] inderdaad een ‘high profile’ doelwit is”, raakt zijn uiteenzetting de grond van de zaak.

De Raad van State is als administratieve cassatierechter echter niet bevoegd om in de beoordeling van de feiten te treden. Het tweede onderdeel van het tweede middel is, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond.

In het derde onderdeel van het tweede middel herhaalt verzoeker het derde onderdeel van het derde middel dat hij reeds voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen heeft aangevoerd, zonder dit op enige wijze te betrekken op de concrete vaststellingen in het bestreden arrest. Verzoekers kritiek betreffende de actuele veiligheidssituatie in Jalalabad lijkt dan ook gericht tegen de beslissing van de commissaris-

generaal en raakt bovendien de grond van de zaak terwijl de Raad van State als administratieve cassatierechter niet bevoegd is om in de beoordeling van de feiten te treden, noch om de motieven van de aanvankelijk bestreden beslissing te beoordelen. Het derde onderdeel van het tweede middel is kennelijk niet-ontvankelijk.

XIV-37.795-4/5

3. In de aanvankelijk bestreden beslissing oordeelt de commissaris-

generaal “dat er actueel geen elementen voorhanden zijn die er op wijzen dat een terugkeerbesluit naar uw land van herkomst een schending uitmaakt van het non-

refoulementbeginsel”. Verzoekers kritiek in het derde middel mist bijgevolg feitelijke grondslag en kan niet tot de cassatie van het bestreden arrest leiden.

BESLUIT:

1. Het cassatieberoep is niet-toelaatbaar.

2. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro.

Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op negentien september tweeduizend achttien, door:

Carlo Adams, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier.

De griffier De voorzitter

Joris Casneuf Carlo Adams

XIV-37.795-5/5

PDF document ECLI:BE:RVSCE:2018:ORD.13.017