Cassation appeal dismissed as inadmissible due to lack of grounds and failure to prove procedural violation affecting case outcome.
Synthèse Legislator
Généré par l'IAThe Council of State declared the cassation appeal inadmissible, dismissing the applicant's request to overturn the Foreigners' Dispute Board's decision. The applicant argued that the board failed to properly assess her risk of refoulement to Eritrea because she could not fully disclose her flight for political reasons during police interrogations. The court found no admissible grounds for cassation, noting that the lower body correctly identified her Ethiopian nationality and valid Schengen visa, rendering the alleged procedural defect irrelevant to the final result.
Regeste Legislator
Généré par l'IAArticles 20 of the Coordinated Laws on the Council of State and Articles 7 to 11 of the Royal Decree of 30 November 2006: A cassation appeal is inadmissible if it lacks grounds or if the alleged procedural irregularity did not influence the outcome of the administrative procedure.
Mots-clés
Généré par l'IADispositions légales citées
Généré par l'IATexte complet
RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK
VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER
BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID
IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE
nr. 12.962 van 17 augustus 2018
in de zaak A. 225.517/XIV-37.756
In zake : XXXXX
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Zouhaier Chihaoui kantoor houdend te 1083 Ganshoren Landsroemlaan 40
bij wie woonplaats wordt gekozen
tegen :
Het cassatieberoep, ingesteld op 21 juni 2018, strekt tot de cassatie van het arrest nr. 205.061 van 7 juni 2018 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen.
Het administratief dossier is op 2 juli 2018 aangekomen ter griffie.
Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatieprocedure bij de Raad van State’.
Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.
De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen wijst er in het bestreden arrest op dat in de aanvankelijk bestreden beslissing werd vastgesteld dat “[o]p basis van controle van de vingerafdrukken van betrokkene in het visuminformatiesysteem (hierna VIS)
blijkt dat zij de Ethiopische nationaliteit heeft en niet de Eritrese [en] op 01/02/2018 bij de Oostenrijkse autoriteiten in Addis Abeba een Schengenvisum kort verblijf [heeft]
aangevraagd en bij deze aanvraag haar origineel paspoort [heeft] voorgelegd”. Nog volgens
XIV-37.756-1/3
het bestreden arrest “benadrukt [de gemachtigde] in dit verband dat verzoekster zich bij de visumaanvraag in persoon diende aan te bieden, wat zij niet betwist, zodat aangenomen moet worden dat de Oostenrijkse autoriteiten de fysieke band tussen verzoekster en dit verblijfsdocument de visu hebben vastgesteld”. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen betrekt de informatie betreffende het verkrijgen van valse documenten in Ethiopië die verzoekster ter terechtzitting heeft bijgebracht in zijn beoordeling, maar stelt dat “[v]erzoekster […] blijk geeft van een partiële lezing van de bestreden lezing van de bestreden beslissing, omdat daarin niet enkel wordt verwezen naar het feit dat verzoekster over een authentiek paspoort beschikt, maar ook naar het feit dat dit paspoort werd geverifieerd op authenticiteit bij de afgifte van het visum”. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen stelt vervolgens dan ook dat verzoekster “niet [kan] worden gevolgd dat zij op illegale wijze Ethiopië zou zijn binnen gereisd en het risico loopt te worden uitgewezen naar Eritrea” aangezien zij “beschikt over een Schengenvisum” en “vaststaat dat verzoekster de Ethiopische nationaliteit heeft”. Verzoekster voert nog aan dat de omstandigheden waarin zij door de politiediensten werd gehoord haar niet hebben toegelaten uit te drukken dat zij haar land is ontvlucht om politieke redenen. Uit de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie volgt echter dat een schending van het recht van verdediging pas tot nietigverklaring kan leiden wanneer de administratieve procedure zonder de onregelmatigheid een andere afloop had kunnen hebben, hetgeen gelet op bovenstaande vaststellingen niet het geval is. Verzoekster maakt niet aannemelijk dat “het onderzoek naar het reële risico op een schending van artikel 3 EVRM” te dezen niet “op een deugdelijke en rigoureuze wijze” zou zijn gebeurd en toont geen schending aan van artikel 13 van het EVRM.
Het enige middel is kennelijk ongegrond.
BESLUIT:
1. Het cassatieberoep is niet-toelaatbaar.
2. Verzoekster wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro.
XIV-37.756-2/3
Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op zeventien augustus tweeduizend achttien, door:
Carlo Adams, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, bijgestaan door Nick Hollevoet, toegevoegd griffier.
De griffier De voorzitter
Nick Hollevoet Carlo Adams
XIV-37.756-3/3
PDF document ECLI:BE:RVSCE:2018:ORD.12.962