Belgian asylum appeal dismissed; applicant failed to prove torture claims due to nationality discrepancy and lack of evidence.
Synthèse Legislator
Généré par l'IAThe Council of State declared the administrative cassation inadmissible, dismissing the applicant's challenge to the Refugee Board's decision. The applicant initially claimed Eritrean nationality and alleged torture in an Ethiopian prison, but the Board correctly noted he never disclosed his Ethiopian nationality or the specific detention details during proceedings. The court ruled that without evidence linking the alleged torture to the correct country of origin, the state could not be blamed for failing to investigate these new claims, and thus no violation of the right of defense occurred.
Regeste Legislator
Généré par l'IAArticles 7 to 11 of the Royal Decree of 30 November 2006; The administrative court cannot declare a procedure void for a violation of the right of defense if the irregularity would not have altered the outcome of the proceedings.
Mots-clés
Généré par l'IADispositions légales citées
Généré par l'IATexte complet
RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK
VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER
BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID
IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE
nr. 12.960 van 17 augustus 2018
in de zaak A. 225.522/XIV-37.758
In zake : XXXXX
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Zouhaier Chihaoui kantoor houdend te 1083 Ganshoren Landsroemlaan 40
bij wie woonplaats wordt gekozen
tegen :
Het cassatieberoep, ingesteld op 22 juni 2018, strekt tot de cassatie van het arrest nr. 204.834 van 1 juni 2018 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen.
Het administratief dossier is op 2 juli 2018 aangekomen ter griffie.
Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatieprocedure bij de Raad van State’.
Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.
De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen stelt in het bestreden arrest vast dat verzoeker aanvankelijk voorhield de Eritrese nationaliteit te hebben terwijl uit het visuminformatiesysteem blijkt dat hij de Ethiopische nationaliteit heeft, dat hij zijn land van herkomst op legale wijze heeft verlaten, dat hij ten aanzien van de verwerende partij op geen enkele wijze te kennen heeft gegeven dat hij twee weken zou zijn opgesloten in een Ethiopische gevangenis waar hij zou zijn gefolterd en slachtoffer zou zijn geweest van
XIV-37.758-1/3
mensonterende behandeling en dat hij geen andere elementen bijbrengt om zijn relaas te staven behalve de verwijzing naar rapporten en blote beweringen. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen stelt dan ook terecht dat “de overheid bij gebrek aan enige indicatie niet verweten [kan] worden haar thans in het […] verzoekschrift voor het eerst aangehaalde vrees niet te hebben onderzocht”. Zoals in het bestreden arrest wordt opgemerkt, werd verzoeker wel degelijk gehoord waarbij hij volhield de Eritrese nationaliteit te hebben en aangaf dat hij dacht hartproblemen te hebben. Verzoeker kan niet ernstig voorhouden dat hij “indien de formaliteiten van het hoorrecht op correcte wijze werden toegepast” hij “kenbaar had kunnen maken van Ethiopische nationaliteit te zijn en zijn land van herkomst te zijn ontvlucht omwille van politieke redenen”. Uit de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie volgt immers dat een schending van het recht van verdediging pas tot nietigverklaring kan leiden wanneer de administratieve procedure zonder de onregelmatigheid een andere afloop had kunnen hebben, hetgeen gelet op bovenstaande vaststellingen niet het geval is. Verzoeker maakt niet aannemelijk dat “het onderzoek naar het reële risico op een schending van artikel 3 EVRM” te dezen niet “op een deugdelijke en rigoureuze wijze” zou zijn gebeurd en toont geen schending aan van artikel 13 van het EVRM.
Het enige middel is kennelijk ongegrond.
BESLUIT:
1. Het cassatieberoep is niet-toelaatbaar.
2. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro.
XIV-37.758-2/3
Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op zeventien augustus tweeduizend achttien, door:
Carlo Adams, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, bijgestaan door Nick Hollevoet, toegevoegd griffier.
De griffier De voorzitter
Nick Hollevoet Carlo Adams
XIV-37.758-3/3
PDF document ECLI:BE:RVSCE:2018:ORD.12.960