Legislator Jurisprudence & Législation
ECLI:BE:RVSCE:2018:ORD.12.892 ECLI:BE:RVSCE:2018:ORD.12.892 Généré par l'IA

Cassation appeal dismissed as inadmissible due to failure to substantiate Article 6 ECHR violations regarding legal aid.

Numéro de cause ECLI:BE:RVSCE:2018:ORD.12.892
Autorité / Tribunal
Juridiction Belgique (BE)
Date de la décision
Issue du litige Irrecevable (Inadmissible)

Synthèse Legislator

Généré par l'IA

The Council of State declared the cassation appeal inadmissible because the applicant failed to substantiate his claims of violated rights of defense and full legal capacity. Although the applicant argued that the Refugee Board could not provide adequate legal assistance, he offered no concrete evidence of how specific ECHR articles were breached. Consequently, the court rejected the appeal without examining the merits of the underlying asylum case.

Regeste Legislator

Généré par l'IA

Articles 6 and 13 of the European Convention on Human Rights; A cassation appeal is inadmissible if the applicant fails to substantiate claims of violated rights of defense or full legal capacity with concrete facts.

Mots-clés

Généré par l'IA
cassation appeal inadmissibility rights of defense ECHR full legal capacity asylum substantiation of grievances Refugee Board procedure

Dispositions légales citées

Généré par l'IA
Articles 2, 3, 6 and 13 of the European Convention on Human Rights
Article 39/2, § 1 of the Law of 15 December 1980 on the access to the territory, residence, settlement and expulsion of aliens
Article 39/60 and 39/81, second to fourth paragraph, of the Law of 15 December 1980
Article 39/76, § 1n second paragraph, of the Law of 15 December 1980

Jurisprudence citée

Généré par l'IA
Constitutional Court judgment no. 45/2010 of 29 April 2010

Vous souhaitez savoir comment cet arrêt s'applique à votre dossier ?

Analysez cette décision avec la législation fédérale, le droit cantonal, la doctrine et la jurisprudence subséquente dans Legislator AI.

Ouvrir dans Legislator →

Texte complet

RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK

VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER

BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID

IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE

nr. 12.892 van 15 juni 2018

in de zaak A. 225.210/XIV-37.718

In zake : XXXXX

bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Stany Buysse kantoor houdend te 9000 Gent Kortrijksesteenweg 597

bij wie woonplaats wordt gekozen

tegen :

de COMMISSARIS-GENERAAL VOOR DE VLUCHTELINGEN

EN DE STAATLOZEN

Het cassatieberoep, ingesteld op 14 mei 2018, strekt tot de cassatie van het arrest nr. 202.258 van 12 april 2018 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen.

Het administratief dossier is op 24 mei 2018 aangekomen ter griffie.

Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatieprocedure bij de Raad van State’.

Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.

1. Uit het administratief dossier blijkt dat verzoeker bij zijn asielaanvraag om bijstand heeft verzocht van een tolk Russisch, hetgeen hij nogmaals heeft herhaald in zijn verzoekschrift voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het eerste middel is dan ook kennelijk ongegrond.

XIV-37.718-1/4

2. In het tweede middel voert verzoeker een schending aan van de artikelen 2, 3, 6 en 13 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden, ondertekend op 4 november 1950 te Rome, en goedgekeurd bij de wet van 13 mei 1955, (hierna: het EVRM) en een “[g]ebrek aan rechten van verdediging en volle rechtsmacht”. Het betoog van verzoeker komt er op neer dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen geen volwaardige rechtshulp kan bieden. Verzoeker vraagt om een behandeling in volle rechtsmacht en zet daarbij uiteen hoe dit recht mede gewaarborgd wordt door artikel 6 van het EVRM, dat volgens hem wel degelijk van toepassing is in asielzaken. Verzoeker zet echter op geen enkele wijze uiteen hoe de artikel 2, 3 en 13 van het EVRM zouden geschonden zijn. Het tweede middel is in die mate kennelijk niet-ontvankelijk.

Daargelaten de vaststelling dat verzoeker met zijn theoretische uiteenzetting geenszins aantoont met welke elementen bij de beoordeling van zijn asielaanvraag geen rekening zou zijn gehouden, voorziet artikel 39/2, § 1, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (hierna: de Vreemdelingenwet) dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen de beslissingen van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen kan bevestigen, hervormen, vernietigen wegens een substantiële onregelmatigheid, of vernietigen omdat essentiële elementen ontbreken die inhouden dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen niet kan komen tot de bevestiging of hervorming zonder hiertoe aanvullende onderzoeksmaatregelen te moeten bevelen.

Bovendien maken de artikelen 39/69 en 39/76, § 1, van de Vreemdelingenwet het de partijen mogelijk onder bepaalde voorwaarden “nieuwe gegevens” ter kennis van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen te brengen. Het aldus bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen ingestelde beroep heeft een devolutieve werking, waardoor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen aan de hand van de voor hem aangevoerde middelen de beslissingen van de commissaris-generaal kan hervormen, zonder door de motieven van deze laatste gebonden te zijn. Ook het Grondwettelijk Hof heeft in zijn arrest nr. 81/2008 van 27 mei 2008 geoordeeld dat uit de voornoemde elementen blijkt dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in beginsel over volle rechtsmacht beschikt, wanneer hij op grond van artikel 39/2, § 1, van de Vreemdelingenwet optreedt en dat de rechtzoekenden niet van een daadwerkelijke jurisdictionele waarborg zijn beroofd. Daarenboven is artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden, ondertekend op 4 november 1950 te Rome, en goedgekeurd bij de wet van 13 mei

XIV-37.718-2/4

1955, zoals herhaaldelijk bevestigd door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, niet van toepassing op geschillen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen.

Waar verzoeker tenslotte stelt dat er geenszins sprake kan zijn van een processuele gelijkwaardigheid van partijen en laakt dat hij, in tegenstelling tot de commissaris-generaal, geen repliekmemorie kan indienen, blijkt uit het arrest nr. 45/2010

van 29 april 2010 van het Grondwettelijk Hof dat de artikelen 39/60 en 39/81, tweede tot vierde lid, van de vreemdelingenwet de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet schenden, in zoverre de vreemdeling die voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen een beroep instelt tegen een beslissing van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen, geen repliekmemorie kan indienen. Het schriftelijke karakter van de procedure verbiedt immers dat nieuwe middelen ter terechtzitting worden voorgelegd, maar het kan de partijen niet beletten ter terechtzitting mondeling te antwoorden op de argumenten in feite en in rechte die voor de eerste keer in de laatste proceduregeschriften zouden zijn aangevoerd.

In zoverre verzoeker ook nog aanvoert “dat hij ter zitting enkel mondeling kan repliceren op de ter zitting gevoegde stukken” terwijl het volgens hem past dat hij “hierover schriftelijk standpunt zou kunnen innemen” kan worden opgemerkt dat te dezen enkel door verzoeker zelf een stuk werd bijgebracht ter terechtzitting voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen zodat zijn kritiek feitelijke grondslag mist. Wat dat stuk betreft, vermocht de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen bovendien dit, in toepassing van artikel 39/76, § 1n tweede lid van de vreemdelingenwet, ambtshalve uit het debat te weren nu het nieuwe element niet in een aanvullende nota was vervat, hetgeen door verzoeker niet wordt betwist.

Noch met betrekking tot de volle rechtsmacht, noch met betrekking tot het niet schriftelijk kunnen repliceren, zet verzoeker ook maar enigszins uiteen met welke elementen de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen zou hebben nagelaten rekening te houden bij zijn beoordeling van de zaak. Het tweede middel is voor in die mate, en voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond.

3. Verzoeker geeft in het derde middel een theoretische uiteenzetting over de vereisten van artikel 13 van het EVRM waarna hij stelt dat in het bestreden arrest geen enkele afweging inzake de mogelijke schending van artikel 3 van het EVRM is gebeurd en er dus geen adequate rechtsbescherming is geboden. Verzoeker toont op geen enkele

XIV-37.718-3/4

wijze aan dat de volle rechtsmacht waarover de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen wel degelijk beschikt, zoals blijkt uit de behandeling van het eerste middel, niet zou voldoen aan de vereisten van artikel 13 van het E.V.R.M. Wat de aangevoerde schending van artikel 3

van het EVRM betreft, blijkt uit het rechtsplegingsdossier dat verzoeker voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen de schending van die bepaling heeft aangevoerd met betrekking tot de detentieomstandigheden in zijn land van herkomst, een grief die in punt 2.2.7. van het bestreden arrest wordt onderzocht en beantwoord. Het derde middel is kennelijk ongegrond.

BESLUIT:

1. Het cassatieberoep is niet-toelaatbaar.

2. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro.

Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op vijftien juni tweeduizend achttien, door:

Carlo Adams, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier.

De griffier De voorzitter

Joris Casneuf Carlo Adams

XIV-37.718-4/4

PDF document ECLI:BE:RVSCE:2018:ORD.12.892