Belgian Council of State dismisses appeal as inadmissible, citing lack of admissibility grounds and no procedural error.
Synthèse Legislator
Généré par l'IAThe Council of State declared the administrative cassation appeal inadmissible without examining the merits of the asylum claim. The applicant argued that the Refugee Commissioner failed to recognize his membership in a persecuted group, but the lower court already assessed his political profile as insufficient for persecution. The court ruled that since the appeal lacked admissibility grounds and the lower court properly evaluated the risk, the appeal was rejected and costs were assigned to the applicant.
Regeste Legislator
Généré par l'IAArticles 20 of the Coordinated Laws on the Council of State and Articles 7 to 11 of the Royal Decree of 30 November 2006: An administrative cassation court cannot substitute its own assessment for the lower court's evaluation of the existence of a real risk of serious harm upon return.
Mots-clés
Généré par l'IADispositions légales citées
Généré par l'IATexte complet
RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK
VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER
BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID
IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE
nr. 12.883 van 6 juni 2018
in de zaak A. 225.147/XIV-37.713
In zake : XXXXX
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Zouhaier Chihaoui kantoor houdend te 1083 Ganshoren Landsroemlaan 40
bij wie woonplaats wordt gekozen
tegen :
de COMMISSARIS-GENERAAL VOOR DE VLUCHTELINGEN
EN DE STAATLOZEN
Het cassatieberoep, ingesteld op 8 mei 2018, strekt tot de cassatie van het arrest nr. 202.344 van 12 april 2018 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen.
Het administratief dossier is op 17 mei 2018 aangekomen ter griffie.
Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatieprocedure bij de Raad van State’.
Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.
De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen erkent in het bestreden arrest “dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen in het verleden reeds oordeelde dat verzoeker in het bezit is van een lidkaart van de partij ‘Hurriyya wa ‘Adala’ en wel degelijk deel nam aan een drietal manifestaties tegen de overheid”. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen sluit zich echter uitdrukkelijk aan bij de beoordeling van de commissaris-generaal dat verzoekers politiek profiel en zijn deelname aan drie
XIV-37.713-1/3
manifestaties “op zich niet van die aard zijn dat ze logischerwijze zouden moeten leiden tot zware vervolging” en dat er in hoofde van verzoeker “geen sprake [is] van een gevoelig politiek profiel of van opvallend subversieve daden die onder het huidige regime logischerwijze zouden leiden tot vervolging en die dus zouden kunnen bijdragen aan de geloofwaardigheid van [zijn] vluchtrelaas”. Tevens wordt in het bestreden arrest gesteld dat verzoeker “[m]et de loutere verwijzing naar algemene rapporten waarin wordt bericht over de grootschalige vervolging van Moslimbroeders en van personen die door de Egyptische autoriteiten als dusdanig worden gepercipieerd, […] geen concrete, op zijn persoon betrokken elementen aan[brengt] die voormelde appreciatie kunnen ombuigen”. Verzoekers bewering dat hij duidelijk aantoonde deel uit te maken van de kwetsbare groep, zijnde “sympathisanten van de Moslimbroeders en personen die werden gepercipieerd als zijnde sympathisant van de Moslimbroeders”, hetgeen volgens hem “reeds werd erkend door het Commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen” mist dan ook feitelijke grondslag. Verzoeker maakt niet aannemelijk dat zijn grieven niet voldoende werden onderzocht en toont geen schending aan van artikel 13 van het EVRM.
Uit het voorgaande blijkt dat de Raad voor Vreemdelingen-
betwistingen het voorgehouden reële risico op ernstige schade omstandig heeft onderzocht.
De Raad van State vermag als administratieve cassatierechter niet in de beoordeling van de zaak zelf te treden en het komt hem derhalve niet toe zijn eigen beoordeling van het al dan niet bestaan van een reëel risico op ernstige schade bij terugkeer naar Egypte in de plaats te stellen van de beoordeling door de rechter ten gronde.
Het enige middel is, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond.
BESLUIT:
1. Het cassatieberoep is niet-toelaatbaar.
2. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro.
XIV-37.713-2/3
Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op zes juni tweeduizend achttien, door:
Carlo Adams, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier.
De griffier De voorzitter
Joris Casneuf Carlo Adams
XIV-37.713-3/3
PDF document ECLI:BE:RVSCE:2018:ORD.12.883