Legislator Jurisprudence & Législation
ECLI:BE:RVSCE:2018:ORD.12.809 ECLI:BE:RVSCE:2018:ORD.12.809 Généré par l'IA

Belgian court dismisses appeal as inadmissible due to jurisdictional error and missed statutory appeal deadline.

Numéro de cause ECLI:BE:RVSCE:2018:ORD.12.809
Autorité / Tribunal
Juridiction Belgique (BE)
Date de la décision
Issue du litige Rejeté (Dismissed)

Synthèse Legislator

Généré par l'IA

The Council of State declared the administrative appeal inadmissible for failing to meet the strict statutory deadline and for a jurisdictional error. The applicant argued the appeal period started only after the postman delivered the letter, but the law explicitly sets the start date as the third working day following handover. The court ruled that this statutory interpretation leaves no room for alternative calculations and confirmed the lower court's finding of untimeliness.

Regeste Legislator

Généré par l'IA

Articles 2 and 3 of the Law of 29 July 1991; Article 39/57, Section 2, Item 2, of the Aliens Act: General principles of good administration and the duty to motivate do not apply to jurisdictional decisions; the appeal period begins on the third working day after the letter is handed to the post office, not upon delivery to the addressee.

Mots-clés

Généré par l'IA
administrative appeal inadmissibility statutory appeal deadline jurisdictional decision motivation post delivery calculation Aliens Act provisions

Dispositions légales citées

Généré par l'IA
Articles 2 and 3 of the Law of 29 July 1991 concerning the explicit motivation of administrative acts
Naar luid van artikel 39/57, § 2, eerste lid, 2°, van de Vreemde-
Article 39/57, Section 2, Item 2, of the Aliens Act as inserted by Article 35 of the Law of 29 December 2010
Article 52 of the Judicial Code
Article 149 of the Constitution

Vous souhaitez savoir comment cet arrêt s'applique à votre dossier ?

Analysez cette décision avec la législation fédérale, le droit cantonal, la doctrine et la jurisprudence subséquente dans Legislator AI.

Ouvrir dans Legislator →

Texte complet

RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK

VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER

BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID

IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE

nr. 12.809 van 24 april 2018

in de zaak A. 224.619/XIV-37.651

In zake : XXXXX

bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Jan Helsen kantoor houdend te 2640 Mortsel Pieter Reypenslei 25

bij wie woonplaats wordt gekozen

tegen :

de COMMISSARIS-GENERAAL VOOR DE VLUCHTELINGEN

EN DE STAATLOZEN

Het cassatieberoep, ingesteld op 24 februari 2018, strekt tot de cassatie van het arrest nr. 199.761 van 14 februari 2018 van de Raad voor Vreemdelingen-

betwistingen.

Het administratief dossier is op 5 maart 2018 aangekomen ter griffie.

Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatieprocedure bij de Raad van State’.

Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.

1. De materiële- en de motiveringsplicht als algemene beginselen van behoorlijk bestuur en de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’ zijn niet van toepassing op jurisdictionele beslissingen zoals het bestreden arrest.

XIV-37.651-1/3

Het enige middel is in die mate kennelijk niet-ontvankelijk.

2. Naar luid van artikel 39/57, § 2, eerste lid, 2°, van de Vreemde-

lingenwet, zoals ingevoegd door artikel 35 van de wet van 29 december 2010 houdende diverse bepalingen (II), beginnen de in § 1 van dat artikel bepaalde beroepstermijnen te lopen, “wanneer de kennisgeving is gebeurd bij aangetekende brief of bij gewone brief, vanaf de derde werkdag die volgt op die waarop de brief aan de postdiensten overhandigd werd, tenzij de geadresseerde het tegendeel bewijst”. De wet bepaalt dus zelf dat de beroepstermijn begint te lopen “vanaf” de derde werkdag en deze bepaling laat geen ruimte voor een andere interpretatie. In de memorie van toelichting bij het ontwerp dat tot de hoger genoemde wet van 29 december 2010 heeft geleid, wordt overigens uitdrukkelijk vermeld dat “die derde dag tevens de eerste dag van de beroepstermijn is”. (Parl. St. Kamer, 2010-

2011, DOC 53 0772/001, p. 17) Het bepaalde in artikel 52 van het Gerechtelijk Wetboek doet daaraan geen afbreuk. Verzoekers stelling die hierop neerkomt dat de beroepstermijn pas de dag nadien zou beginnen lopen, dus de vierde dag na de overhandiging van de brief aan de postdiensten, faalt derhalve naar recht. De eerste rechter heeft op wettige wijze vastgesteld dat het beroep, ingesteld met een ter post aangetekende brief van 24 mei 2017

laattijdig was ingevolge de - overigens niet betwiste - kennisgeving van de aanvankelijk bestreden beslissing op 19 april 2017.

Het enige middel is in die mate, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond.

3. Met de verwijzing naar artikel 39/57 van de vreemdelingenwet, de datum van de kennisgeving van de aanvankelijk bestreden beslissing, de datum van het ingestelde beroep en de vaststelling dat dit beroep is ingediende buiten de wettelijke termijn, geeft de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen duidelijk aan waarom hij verzoekers beroep niet-ontvankelijk acht. Verzoeker toont geen schending aan van de in artikel 149 van de Grondwet vastgelegde jurisdictionele motiveringsplicht.

Het enige middel is in die mate kennelijk ongegrond.

BESLUIT:

1. Het cassatieberoep is niet-toelaatbaar.

XIV-37.651-2/3

2. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rol-

recht van 200 euro.

Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op vierentwintig april tweeduizend achttien, door:

Carlo Adams, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier.

De griffier De voorzitter

Joris Casneuf Carlo Adams

XIV-37.651-3/3

PDF document ECLI:BE:RVSCE:2018:ORD.12.809