Cassation dismissed for inadmissibility; applicant failed to prove inability to defend due to missing passport copy.
Synthèse Legislator
Généré par l'IAThe Council of State declared the cassation appeal inadmissible, dismissing the applicant's claim that the General Commissioner failed to provide a passport copy. The applicant argued this violated Article 13 of the ECHR, but the court noted the applicant could have requested the document or inspected the file directly. Consequently, the court found the applicant did not demonstrate an inability to organize their defense, rendering the appeal without merit.
Regeste Legislator
Généré par l'IAArticles 13 juncto 3 of the ECHR; The right to effective remedy does not require the administration to proactively disclose specific documents if the applicant can access the file or request them, and failure to provide a specific item does not automatically constitute a violation if the applicant could have organized their defense otherwise.
Mots-clés
Généré par l'IADispositions légales citées
Généré par l'IATexte complet
RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK
VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER
BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID
IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE
nr. 12.751 van 13 maart 2018
in de zaak A. 224.303/XIV-37.617
In zake : XXXXX
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Zouhaier Chihaoui kantoor houdend te 1083 Ganshoren Landsroemlaan 40
bij wie woonplaats wordt gekozen
tegen :
de COMMISSARIS-GENERAAL VOOR DE VLUCHTELINGEN
EN DE STAATLOZEN
Het cassatieberoep, ingesteld op 22 januari 2018, strekt tot de cassatie van het arrest nr. 197.381 van 28 december 2017 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen.
Het administratief dossier is op 30 januari 2018 aangekomen ter griffie.
Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatieprocedure bij de Raad van State’.
Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.
Verzoeker werpt een schending op van artikel 13 juncto artikel 3 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden, ondertekend te Rome op 4 juni 1950, (hierna: het EVRM) doordat het Commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen hem een kopie van het
XIV-37.617-1/3
administratief dossier heeft meegedeeld zonder dat dit een kopie zou bevatten van zijn Soedanees paspoort waarvan verzoeker echter het bestaan betwist.
In het bestreden arrest wordt overwogen “dat het verzoekers raadsman vrij stond om, nadat hij vaststelt dat de hem toegezonden stukken geen kopie van verzoekers Soedanees paspoort bevatten, een bijkomende vraag aan het Commissariaat-
generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen te richten teneinde een kopie van dit stuk te kunnen ontvangen, temeer daar uit het administratief dossier blijkt dat dit stuk geen onderdeel vormt van de map ‘Landeninformatie’, maar een apart stuk is in de inventaris van het administratief dossier”. Verder wordt er in het bestreden arrest op gewezen “dat het inzagerecht verzoeker toelaat om zijn dossier op het Commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen in te kijken en kennis te nemen van de inhoud teneinde zijn verdediging te organiseren”. Verzoeker gaat bovendien voorbij aan de mogelijkheid om overeenkomstig artikel 39/61 van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ ter griffie van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen inzage te nemen van het administratief dossier. Hij toont niet aan dat hij in de onmogelijkheid werd gesteld kennis te nemen van en zijn verdediging te organiseren betreffende zijn voorgehouden Soedanees paspoort.
Verzoeker koppelt de voorgehouden schending van artikel 3 van het EVRM uitsluitend aan zijn betoog over het gebrek aan mededeling van zijn voornoemd paspoort, zodat hij geen schending van de aangehaalde verdragsbepalingen aannemelijk maakt.
Het enige middel is kennelijk ongegrond.
BESLUIT:
1. Het cassatieberoep is niet-toelaatbaar.
2. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro.
XIV-37.617-2/3
Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op dertien maart tweeduizend achttien, door:
Carlo Adams, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier.
De griffier De voorzitter
Joris Casneuf Carlo Adams
XIV-37.617-3/3
PDF document ECLI:BE:RVSCE:2018:ORD.12.751