Legislator Jurisprudence & Législation
ECLI:BE:RVSCE:2018:ORD.12.714 ECLI:BE:RVSCE:2018:ORD.12.714 Généré par l'IA

Cassation appeal dismissed as inadmissible; applicant failed to prove new fear of persecution in Pakistan asylum case.

Numéro de cause ECLI:BE:RVSCE:2018:ORD.12.714
Autorité / Tribunal
Juridiction Belgique (BE)
Date de la décision
Issue du litige Rejeté (Dismissed)

Synthèse Legislator

Généré par l'IA

The Council of State declared the cassation appeal inadmissible, dismissing the applicant's request to overturn the Refugee Board's decision. The applicant argued that the Board failed to properly assess the risk of detention and arbitrary arrest upon return to Pakistan, citing general information about potential prosecution. The court rejected this, noting the Board correctly determined that the applicant's previous legal departure and lack of specific evidence of a new fear meant no new element existed under Article 57/6/2 of the Aliens Act.

Regeste Legislator

Généré par l'IA

Art. 57/6/2, 1ste lid, van de wet van 15 december 1980; A cassatieberoep is niet-toelaatbaar wanneer de verzoeker niet aannemelijk maakt dat er een nieuw element voor vrees voor vervolging bestaat, aangezien de vrees reeds bestond bij de vorige aanvraag en algemene informatie zonder concrete feiten volstaat niet.

Mots-clés

Généré par l'IA
cassation appeal inadmissibility new element fear persecution Aliens Act Article 57/6/2 Pakistan asylum case refugee status determination

Dispositions légales citées

Généré par l'IA
Art. 57/6/2, 1ste lid, van de wet van 15 december 1980 'betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen'
artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State
Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatieprocedure bij de Raad van State’.
artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 'tot vaststelling van de cassatieprocedure bij de Raad van State'
titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973
Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.

Vous souhaitez savoir comment cet arrêt s'applique à votre dossier ?

Analysez cette décision avec la législation fédérale, le droit cantonal, la doctrine et la jurisprudence subséquente dans Legislator AI.

Ouvrir dans Legislator →

Texte complet

RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK

VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER

BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID

IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE

nr. 12.714 van 13 februari 2018

in de zaak A. 224.254/XIV-37.612

In zake : XXXXX

bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Zouhaier Chihaoui kantoor houdend te 1083 Ganshoren Landsroemlaan 40

bij wie woonplaats wordt gekozen

tegen :

de COMMISSARIS-GENERAAL VOOR DE VLUCHTELINGEN

EN DE STAATLOZEN

Het cassatieberoep, ingesteld op 17 januari 2018, strekt tot de cassatie van het arrest nr. 196.791 van 18 december 2017 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen.

Het administratief dossier is op 24 januari 2018 aangekomen ter griffie.

Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatieprocedure bij de Raad van State’.

Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.

De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen stelt in het bestreden arrest vooreerst vast dat verzoekers beweerde vrees voor vervolging bij een terugkeer naar Pakistan bezwaarlijk een nieuw element kan zijn in de zin van artikel 57/6/2, eerste lid, van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de

XIV-37.612-1/3

vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ (hierna: de vremdelingenwet) aangezien kan worden aangenomen dat deze vrees reeds bestond ten tijde van zijn vorige asielaanvraag en hij ze eerder had kunnen opwerpen. Verzoeker brengt geen enkel argument aan tegen deze pertinente vaststelling.

In de mate dat verzoeker aanvoert dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen heeft nagelaten om op deugdelijke wijze het risico op vrijheidsberoving en de omstandigheden van die vrijheidsberoving te onderzoeken, gaat hij voorbij aan de concrete motivering van het bestreden arrest. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen stelt immers vast dat verzoekers betoog geen afbreuk doet aan het oordeel van de aanvankelijk bestreden beslissing dat “[u]it het gegeven dat asielzoekers bij een terugkeer naar Pakistan mogelijk strafrechtelijk vervolgd kunnen worden wegens het overtreden van de Pakistaanse immigratiewetgeving […] op zich evenwel geen reëel risico op ernstige schade [kan] worden afgeleid”, dat de voorziene straffen “niet k[unnen]

bestempeld worden als een disproportionele of onevenredig zware bestraffing” en dat “[d]e schaarse berichten omtrent incidenten bij gedwongen verwijderingen naar Pakistan […] niet van dien aard [zijn] om te stellen dat er zwaarwegende gronden bestaan om aan te nemen dat Pakistaanse staatsburgers die gedwongen verwijderd worden naar Pakistan een reëel risico lopen blootgesteld worden aan een in artikel 48/4, § 2, b van de Vreemdelingenwet verboden behandeling of bestraffing”. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen stelt daartoe op wettige wijze dat een loutere verwijzing naar algemene informatie niet volstaat om aan te tonen dat verzoeker een gegronde vrees voor vervolging heeft, dat uit zijn verklaringen blijkt dat hij Pakistan legaal heeft verlaten en dat het loutere feit dat hij aan de Pakistaanse autoriteiten zou worden overhandigd en aan een controle zou worden onderworpen niet kan worden aangenomen als een gegronde vrees voor vervolging. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen oordeelt dat verzoeker niet aannemelijk maakt dat hij bij een terugkeer naar Pakistan kan worden aangeklaagd, veroordeeld en gedetineerd zodat de verwijzing naar de detentieomstandigheden niet dienstig is. Verzoeker maakt, gelet op wat voorafgaat, met de bewering dat het loutere feit dat hij niet binnen de termijn vermeld in zijn visum is teruggekeerd volstaat om hem te detineren geen schending van artikel 3 juncto artikel 13 van het EVRM aannemelijk.

Het enige middel is kennelijk ongegrond.

XIV-37.612-2/3

BESLUIT:

1. Het cassatieberoep is niet-toelaatbaar.

2. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro.

Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op dertien februari tweeduizend achttien, door:

Carlo Adams, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier.

De griffier De voorzitter

Joris Casneuf Carlo Adams

XIV-37.612-3/3

PDF document ECLI:BE:RVSCE:2018:ORD.12.714