Legislator Jurisprudence & Législation
ECLI:BE:RVSCE:2018:ORD.12.697 ECLI:BE:RVSCE:2018:ORD.12.697 Généré par l'IA

Belgian Council of State dismisses asylum appeal as inadmissible due to lack of jurisdiction over fact-finding.

Numéro de cause ECLI:BE:RVSCE:2018:ORD.12.697
Autorité / Tribunal
Juridiction Belgique (BE)
Date de la décision
Issue du litige Rejeté (Dismissed)

Synthèse Legislator

Généré par l'IA

The Council of State declared the administrative cassation appeal inadmissible, ruling that the Council lacks jurisdiction to re-evaluate factual findings made by the Foreigners' Dispute Council. The applicant argued that vague statements in his testimony and a prosecutor's letter proved he was specifically targeted by a drug gang, yet the lower court found his fear of persecution non-credible based on his residence in Bogota. The Supreme Court rejected the appeal because it cannot substitute its own assessment of the evidence or interpret the facts differently from the lower administrative body.

Regeste Legislator

Généré par l'IA

Articles 1319, 1320, 1322 of the Civil Code; The Council of State cannot re-evaluate facts or interpret evidence contrary to the lower court's reasoned assessment in asylum cases.

Mots-clés

Généré par l'IA
administrative cassation asylum appeal fact-finding jurisdiction prosecutor's letter persecution risk

Dispositions légales citées

Généré par l'IA
Articles 1319, 1320 and 1322 of the Civil Code
Article 20 of the Coordinated Laws on the Council of State
Articles 7 to 11 of the Royal Decree of 30 November 2006

Vous souhaitez savoir comment cet arrêt s'applique à votre dossier ?

Analysez cette décision avec la législation fédérale, le droit cantonal, la doctrine et la jurisprudence subséquente dans Legislator AI.

Ouvrir dans Legislator →

Texte complet

RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK

VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER

BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID

IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE

nr. 12.697 van 1 februari 2018

in de zaak A. 224.094/XIV-37.593

In zake : XXXXX

bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Pierre Robert kantoor houdend te 1030 Brussel E. Smitsstraat 28-30

bij wie woonplaats wordt gekozen

tegen :

de COMMISSARIS-GENERAAL VOOR DE VLUCHTELINGEN

EN DE STAATLOZEN

Het cassatieberoep, ingesteld op 26 december 2017, strekt tot de cassatie van het arrest nr. 195.275 van 21 november 2017 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen.

Het administratief dossier is op 3 januari 2018 aangekomen ter griffie.

Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatieprocedure bij de Raad van State’.

Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.

De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen heeft de brief van procureur M. E., waarin wordt geattesteerd dat verzoeker informatie heeft verschaft over een drugsbende, in zijn beoordeling betrokken. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen stelt echter vast dat verzoeker “een van de vele personen [blijkt] te zijn die zich in deze situatie

XIV-37.593-1/4

bevond” en dat “hiermee [niet] wordt […] aangetoond dat verzoeker in het bijzonder geviseerd was, te meer daar zijn verklaringen over de vermelde feiten in de verschillende dorpen bijzonder vaag blijven, verzoeker ook telkens stelt dat hij niets weet van de belagers, en dat ook zijn verklaringen naar de lokale autoriteiten blijkbaar onvoldoende waren om zijn aanvraag voor het beschermingsproject te rechtvaardigen”. In de mate dat verzoeker die beoordeling betwist, raakt zijn uiteenzetting de grond van de zaak terwijl de Raad van State als administratieve cassatierechter niet bevoegd is om in de beoordeling van de feiten te treden. Verzoeker toont op geen enkele wijze aan dat geen ernstig onderzoek zou zijn gevoerd naar het risico dat hij heeft opgeworpen ten aanzien van artikel 3 van het EVRM.

Het eerste middelonderdeel is, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond.

Met de vaststelling in het bestreden arrest dat verzoekers asielrelaas enerzijds niet geloofwaardig is en hij anderzijds geen blijk geeft van een actuele vrees gelet op zijn verblijf in Bogota van september 2013 tot februari 2015, maakt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen aannemelijk dat “die vervolging of ernstige schade zich niet opnieuw zal voordoen”. Verzoeker maakt dan ook geen schending van artikel 48/7 van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ aannemelijk. Het tweede middelonderdeel is kennelijk ongegrond.

De vaststelling in het bestreden arrest dat het niet hoeft te verbazen dat verzoeker zich in een gevaarlijke situatie bevond door zijn getuigenis tegen een drugsbende en het oordeel van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen dat geen geloof kan worden gehecht aan zijn voorgehouden problemen met de Urabeños-bende is geenszins tegenstrijdig. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen erkent in het bestreden arrest immers wel dat verzoeker in aanraking is gekomen met geweld van drugsbendes, maar merkt daarbij op gemotiveerde wijze op dat hij geenszins aannemelijk maakt dat hij in het bijzonder werd geviseerd, dat hij daardoor zijn land heeft moeten verlaten en dat zijn vrees nog langer actueel zou zijn. Het derde middelonderdeel is kennelijk ongegrond.

De artikelen 1319, 1320 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek houden in dat de rechter aan een akte geen uitlegging mag geven die niet verenigbaar is met de bewoordingen of de inhoud ervan. De vaststelling in het bestreden arrest dat verzoekers “verklaringen over de vermelde feiten in de verschillende dorpen bijzonder vaag blijven”

heeft niet enkel betrekking op het attest van de procureur, zoals verzoeker lijkt aan te nemen,

XIV-37.593-2/4

maar slaat op de verklaringen die hij voor het commissariaat-generaal heeft afgelegd. Zo wordt in het bestreden arrest onder meer vastgesteld dat verzoeker de naam van zijn voormalig liefje, dat de aanleiding vormde voor zijn problemen met R. V., niet meer weet, dat hij niet weet of er een onderzoek tegen R. V. werd gestart door de klacht die zijn moeder heeft ingediend, dat hij geen nadere gegevens aanbrengt over zijn aanhouding en dat hij telkens stelt niets af te weten van zijn belagers die hem hebben aangevallen. Zoals bij de behandeling van het derde middelonderdeel reeds werd gesteld, wordt in het bestreden arrest wel erkend dat verzoeker in aanraking is gekomen met geweld van drugsbendes, maar oordeelt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen dat dit geen grond vormt voor de toekenning van de vluchtelingenstatus of van de subsidiaire beschermingsstatus. Verzoeker citeert in het verzoekschrift het attest van de procureur doch daarbij moet worden vastgesteld dat de inhoud van dit citaat geenszins strookt met de eensluidende vertaling van dat attest die zich in het administratief dossier bevindt. In die vertaling van het attest stelt de procureur niet dat de redenen voor de weigering van de bescherming niet gekend zijn, zoals verzoeker aanvoert, maar wel dat verzoeker niet in aanmerking kwam voor het beschermingsproject “wegens het ontbreken van gegevens over de reden van het verzoek”. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen merkt daarbij op dat ervan kan worden uitgegaan dat de lokale autoriteiten wel bekend zouden geweest zijn met verzoekers beweerde problemen, maar dat het feit dat zij van oordeel zijn dat hij niet in aanmerking kwam voor bescherming dan ook betekenisvol is. Er is dan ook geen sprake van een schending van de bewijskracht van het attest van de procureur. De Proceduregids van het UNHCR, waarop verzoeker zich nog beroept, geldt slechts als aanbeveling doch heeft geen bindende kracht in het Belgische recht.

Het vierde middelonderdeel is, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond.

BESLUIT:

1. Het cassatieberoep is niet-toelaatbaar.

2. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro.

XIV-37.593-3/4

Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op een februari tweeduizend achttien, door:

Carlo Adams, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier.

De griffier De voorzitter

Joris Casneuf Carlo Adams

XIV-37.593-4/4

PDF document ECLI:BE:RVSCE:2018:ORD.12.697