Belgian Court of State dismisses appeal as inadmissible due to failure to substantiate Article 3 ECHR claim.
Synthèse Legislator
Généré par l'IAThe Court of State declared the administrative cassation appeal inadmissible without examining the merits of the case. The applicants failed to provide specific evidence or arguments demonstrating how the lower court's decision violated Article 3 of the ECHR. Consequently, the court ruled that the appeal lacked a sufficient foundation to proceed.
Regeste Legislator
Généré par l'IAArticles 7 to 11 of the Royal Decree of 30 November 2006; The Court of State declares an administrative cassation appeal inadmissible when the applicant fails to substantiate the alleged violation of fundamental rights with concrete facts and evidence.
Mots-clés
Généré par l'IADispositions légales citées
Généré par l'IAJurisprudence citée
Généré par l'IATexte complet
RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK
VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER
BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID
IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE
nr. 12.686 van 23 januari 2018
in de zaak A. 224.062/XIV-37.592
In zake : 1. XXXXX
2. XXXXX
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Telly Moskofidis kantoor houdend te 3600 Genk Rootenstraat 21, bus 20
bij wie woonplaats wordt gekozen
tegen :
de COMMISSARIS-GENERAAL VOOR DE VLUCHTELINGEN
EN DE STAATLOZEN
Het cassatieberoep, ingesteld op 20 december 2017, strekt tot de cassatie van het arrest nr. 196.021 van 30 november 2017 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen.
Het administratief dossier is op 3 januari 2018 aangekomen ter griffie.
Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatieprocedure bij de Raad van State’.
Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.
De wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’ en de zorgvuldigheidsplicht als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur zijn niet van toepassing op jurisdictionele beslissingen zoals het bestreden
XIV-37.592-1/2
arrest. De Proceduregids van het UNHCR, waarop verzoekers zich beroepen, geldt slechts als aanbeveling doch heeft geen bindende kracht in het Belgische recht. De verzoekers voeren de schending aan van artikel 3 van het EVRM, doch zonder uiteen te zetten op welke wijze het bestreden arrest deze bepaling zou hebben geschonden. Uit het rechtsplegingsdossier blijkt niet dat de verzoekers het arrest van de Kamer van Inbeschuldigingstelling van het hof van beroep te Antwerpen van 31 maart 2016, waaruit blijkt dat hun broer het voorwerp uitmaakt van een verzoek tot uitlevering uitgaande van Macedonië, hebben bijgebracht voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen kon dan ook op wettige wijze besluiten dat de bewering dat “er thans een Europees aanhoudingsbevel is in hoofde van de (schoon)broer […] niet meer dan een blote bewering is die verzoekende partijen niet weten te staven aan de hand van documenten”. Het enige middel is, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond.
BESLUIT:
1. Het cassatieberoep is niet-toelaatbaar.
2. De verzoekers worden verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 400 euro, elk voor de helft.
Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op drieëntwintig januari tweeduizend achttien, door:
Carlo Adams, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier.
De griffier De voorzitter
Joris Casneuf Carlo Adams
XIV-37.592-2/2
PDF document ECLI:BE:RVSCE:2018:ORD.12.686