Belgian State dismissal appeal dismissed due to lack of interest and procedural errors.
Synthèse Legislator
Généré par l'IAThe Council of State dismissed the appeal filed by Linda Vanlangenaeker against her involuntary dismissal from the Federal Public Service Finance. The defendant argued the contested decision had been withdrawn, rendering the appeal moot, while the plaintiff failed to submit a written reply within the statutory deadline. The court rejected the appeal as lacking interest due to the missed deadline and awarded costs to the State.
Regeste Legislator
Généré par l'IAArticles 21, second paragraph; 7 of the Rules of Procedure for the Administrative Law Division of the Council of State; Article 84/1 of the General Rules of Procedure: An appeal is declared without interest if the applicant fails to submit a written reply within the prescribed time limit, and the withdrawal of the contested act renders the proceedings moot.
Mots-clés
Généré par l'IADispositions légales citées
Généré par l'IADécisions connexes
Généré par l'IATexte complet
RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK
VOORZITTER VAN DE IXe KAMER
nr. 243.291 van 20 december 2018
in de zaak A. 224.216/IX-9219
In zake: Linda VANLANGENAEKER
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Kristof Krol kantoor houdend te 3500 Hasselt Prins Bisschopssingel 11
bij wie woonplaats wordt gekozen
tegen:
de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën die woonplaats kiest bij de Centrale Rechtskundige Dienst van de FOD Financiën gevestigd te 1030 Brussel North Galaxy – Toren B
Koning Albert II-laan 33 bus 15
I. Voorwerp van het beroep
1. Het beroep, ingesteld op 12 januari 2018, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van de voorzitter van het directiecomité van de federale overheidsdienst Financiën van 9 november 2017 waarbij Linda Vanlangenaeker met ingang van 12 oktober 2017 ambtshalve uit haar ambt wordt ontslagen.
II. Verloop van de rechtspleging
2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend die aan de verzoekende partij ter kennis werd gebracht op 30 maart 2018.
IX-9219-1/4
Op respectievelijk 20 juni 2018 en 22 juni 2018 heeft de hoofdgriffier, op verzoek van het aangewezen lid van het auditoraat, aan de verzoekende partij en de verwerende partij de mededeling ter kennis gebracht, bedoeld in artikel 14bis, § 1, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948
‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’.
De verzoekende partij heeft gevraagd om te worden gehoord.
De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 1 oktober 2018.
Staatsraad Bruno Seutin heeft verslag uitgebracht.
Advocaat Lauranna Bruninx, die loco advocaat Kristof Krol verschijnt voor de verzoekende partij en attaché Selim Dedeli, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord.
Eerste auditeur Marijke Sterck heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven.
Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.
III. Beoordeling
3. Naar luid van artikel 21, tweede lid, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, stelt de Raad van State het ontbreken van het vereiste belang vast als de verzoekende partij de termijn voor het toesturen van de memorie van wederantwoord niet eerbiedigt.
IX-9219-2/4
Bij het versturen aan verzoekster van een kopie van de memorie van antwoord heeft de hoofdgriffier melding gemaakt van het genoemde artikel 21, tweede lid, van de wetten op de Raad van State en van artikel 14bis, § 1, van voormeld besluit van de Regent.
4. In haar memorie van antwoord heeft de verwerende partij meegedeeld dat het bestreden besluit is ingetrokken op 26 maart 2018. Het voorliggende beroep is derhalve zonder voorwerp geworden, zodat er geen reden meer was om met toepassing van artikel 7 van voormeld besluit van de Regent een memorie van wederantwoord in te dienen. In de gegeven omstandigheden past het de kosten ten laste van de verwerende partij te leggen.
5. Op de terechtzitting vraagt verzoekster om de verwerende partij naast het rolrecht ook een rechtsplegingsvergoeding ten laste te leggen.
Uit artikel 84/1 van het algemeen procedurereglement volgt evenwel dat een dergelijk verzoek schriftelijk en – een hier niet relevante uitzondering terzijde gelaten – ten laatste vijf dagen vóór de zitting moet worden ingediend en dat de toekenning van een rechtsplegingsvergoeding niet voor het eerst kan worden gevraagd op de terechtzitting.
De vraag van verzoekster tot het toekennen van een rechtsplegingsvergoeding wordt bijgevolg afgewezen.
BESLISSING
1. De Raad van State verwerpt het beroep.
2. De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op 200 euro.
IX-9219-3/4
Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 20 december 2018, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit:
Bruno Seutin, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Tiny Temmerman, griffier.
De griffier De voorzitter
Tiny Temmerman Bruno Seutin
IX-9219-4/4
PDF document ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.243.291