Legislator Jurisprudence & Législation
ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.243.284 ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.243.284 Généré par l'IA

Court dismisses appeal by third party claiming no direct interest in annulment of a third-party objection to a permit.

Numéro de cause ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.243.284
Autorité / Tribunal
Juridiction Belgique (BE)
Date de la décision
Issue du litige Rejeté (Dismissed)

Synthèse Legislator

Généré par l'IA

The Council of State dismissed the third party's appeal against a provincial decision declaring a third-party objection without merit. The appellant, a permit holder, argued that the underlying permit had expired due to late construction, but the court found no evidence of this. The court ruled that the appellant lacked a direct and personal interest because the annulment of the objection would not grant him a specific benefit, only a potential advantage in future disputes.

Regeste Legislator

Généré par l'IA

Article 19, first paragraph, of the Coordinated Council of State Laws; Article 14, first paragraph, of the Coordinated Council of State Laws: An annulment appeal requires the appellant to demonstrate a direct and personal interest, which is not satisfied by a mere hope for a favorable ruling in future proceedings.

Mots-clés

Généré par l'IA
standing requirement direct personal interest third party appeal permit annulment procedural admissibility Council of State administrative law modification de la servitude

Dispositions légales citées

Généré par l'IA
Article 19, first paragraph, of the Coordinated Council of State Laws
Article 14, first paragraph, of the Coordinated Council of State Laws
Généré par l'IA

Vous souhaitez savoir comment cet arrêt s'applique à votre dossier ?

Analysez cette décision avec la législation fédérale, le droit cantonal, la doctrine et la jurisprudence subséquente dans Legislator AI.

Ouvrir dans Legislator →

Texte complet

RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK

VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER

nr. 243.284 van 20 december 2018

in de zaak A. 226.325/VII-40.392.

In zake : Gert MEUL

bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Wim De Cuyper en Koenraad Van De Sijpe kantoor houdend te 9100 Sint-Niklaas Vijfstraten 57

bij wie woonplaats wordt gekozen

tegen :

de DEPUTATIE VAN DE PROVINCIERAAD

VAN OOST-VLAANDEREN

I. Voorwerp van het beroep

1. Het beroep, ingesteld op 1 oktober 2018, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van de deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen van 26 juli 2018 waarbij het bestuurlijk beroep van een derde tegen de beslissing van het college van burgemeester en schepenen van de stad Sint-Niklaas van 12 maart 2018, zijnde een aan Gert Meul bij wege van aktename verleende vergunning voor de verandering van een inrichting, zonder voorwerp wordt verklaard.

II. Verloop van de rechtspleging

2. Eerste auditeur-afdelingshoofd Peter Provoost heeft een verslag overeenkomstig artikel 93 van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State opgesteld.

VII-40.392-1/5

De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 6 december 2018.

Staatsraad Patricia De Somere heeft verslag uitgebracht.

Advocaat Laura Vandervoort, die loco advocaat Wim De Cuyper verschijnt voor verzoeker, is gehoord.

Eerste auditeur-afdelingshoofd Peter Provoost heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven.

Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.

III. Feiten

3.1. Op 10 oktober 2011 verleent het college van burgemeester en schepenen van de stad Sint-Niklaas aan verzoeker een milieuvergunning voor het exploiteren van een nieuwe rundveehouderij met bijbehoren, gelegen aan de Arnhoutstraat 65 te Sint-Niklaas (Belsele), voor een termijn van 20 jaar. De vergunning wordt op 11 juni 2012 beperkt veranderd.

3.2. Op 22 december 2017 meldt verzoeker, bij toepassing van artikel 27, § 2, eerste lid, van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning (hierna: milieuvergunningsdecreet), in de op het geding toepasselijke versie, een beperkte verandering van de exploitatie, meer bepaald de uitbreiding van de opslag van stro in de landbouwloods van 120 tot 195 ton.

3.3. Op 12 maart 2018 vergunt het college van burgemeester en schepenen de gemelde verandering bij wege van aktename.

VII-40.392-2/5

3.4. Op 28 maart 2018 wordt tegen deze aktename een bestuurlijk beroep ingediend namens buurtbewoners.

3.5. Op 26 juli 2018 verklaart de deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen dit bestuurlijk beroep zonder voorwerp, gelet op het volgende:

“- de mededeling van een kleine verandering betreft louter het uitbreiden van de opslag van stro horende bij een veeteeltinrichting (rundvee);

- op 12 maart 2018 verleende het college van burgemeester en schepenen hiervoor de vergunning;

- vermits de termijnen van uitvoering en ingebruikname opgenomen in resp.

het VCRO en VLAREM I niet werden gerespecteerd, zijn zowel de stedenbouwkundige vergunning als de basismilieuvergunning en de daaropvolgende veranderingen van rechtswege vervallen;

- voorliggend beroepschrift werd ingediend tegen een van rechtswege vervallen vergunning”.

Dit is de bestreden beslissing.

IV. Ontvankelijkheid van het beroep

4. Luidens artikel 19, eerste lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan een annulatieberoep zoals bedoeld in artikel 14, § 1, van deze wetten, voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State worden gebracht door elke partij die doet blijken van een benadeling of een belang.

Voorwaarde daartoe is onder meer dat de eventueel tussen te komen nietigverklaring van de bestreden administratieve rechtshandeling de verzoekende partij een rechtstreeks en persoonlijk voordeel dient te verschaffen, hoe miniem ook.

5. Verzoeker beperkt er zich in zijn verzoekschrift toe te stellen dat hij “aanvrager” is “en derhalve belanghebbende”. In zijn enig middel voert verzoeker aan dat de bestreden beslissing ten onrechte besluit tot het verval van de

VII-40.392-3/5

basismilieuvergunning van 10 oktober 2011 op grond van een laattijdige ingebruikname en uitvoering van de bouwwerken, wat hij feitelijk betwist.

6. Bij de bestreden beslissing wordt niets geweigerd aan verzoeker, en wordt integendeel een beroep van derden tegen een hem verleende vergunning zonder voorwerp verklaard. Bijgevolg heeft verzoeker geen evident belang bij zijn beroep.

7. In het auditoraatsverslag wordt gesteld dat “verzoeker [...]

klaarblijkelijk [hoopt] op een arrest in de motieven waarvan te lezen zou staan dat de basisvergunning niet is vervallen, wat hem dan dienstig zou kunnen zijn in andere hangende en mogelijk komende betwistingen”, en dat “dit nagestreefde resultaat [...] niet [is] verbonden aan het uit het rechtsverkeer verwijderen van de bestreden beslissing, maar aan het gegrond horen verklaren van een middel”.

Verzoeker betwist deze vaststelling niet ter zitting.

De Raad van State ziet geen reden om het anders te zien dan het auditoraat en bevindt aldus, de redenering van het auditoraatsverslag bijvallend, dat dit onrechtstreeks belang niet volstaat om verzoekers beroep ontvankelijk te kunnen bevinden.

8. Het beroep is niet ontvankelijk.

BESLISSING

1. De Raad van State verwerpt het beroep.

2. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro en een bijdrage van 20 euro.

VII-40.392-4/5

Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van twintig december tweeduizend achttien, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit:

Patricia De Somere, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Elisabeth Impens, griffier.

De griffier De voorzitter

Elisabeth Impens Patricia De Somere

VII-40.392-5/5

PDF document ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.243.284