Court dismisses appeal as subject matter vanished due to administrative withdrawal of contested decisions.
Synthèse Legislator
Généré par l'IAThe Council of State dismissed the annulment appeal because the Federal Food Safety Agency withdrew the contested decisions before the hearing could proceed. The applicants sought to annul measures regarding imported puppies, but the defending agency informed the court that the original decisions were replaced by new ones. Consequently, the court lifted the suspension order and rejected the appeal as having lost its subject matter.
Regeste Legislator
Généré par l'IAArticles 17, § 6 of the Council of State Rules; Article 11/2 of the Regent's Decision of 23 August 1948: An administrative appeal is dismissed without examination if the subject matter ceases to exist due to the withdrawal of the contested decision by the administrative authority.
Mots-clés
Généré par l'IADispositions légales citées
Généré par l'IAJurisprudence citée
Généré par l'IADécisions connexes
Généré par l'IATexte complet
RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK
VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER
nr. 243.282 van 20 december 2018
in de zaak A. 226.135/VII-40.375.
In zake : 1. Elise DEGRYSE
2. Wim PHILIPSEN
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Steve Ronse en Deborah Smets kantoor houdend te 8500 Kortrijk Beneluxpark 27B
bij wie woonplaats wordt gekozen
tegen :
het FEDERAAL AGENTSCHAP VOOR
DE VEILIGHEID VAN DE VOEDSELKETEN (FAVV)
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Rik Depla kantoor houdend te 8310 Brugge - Sint-Kruis Karel van Manderstraat 123
bij wie woonplaats wordt gekozen
I. Voorwerp van het beroep
1. Het beroep, ingesteld op 13 september 2018, strekt tot de nietigverklaring van de beslissingen van het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen (hierna: FAVV) van 6 september 2018, genomen ten aanzien van Elise Degryse en Wim Philipsen, waarbij een aantal dwingende maatregelen worden genomen omtrent twee Pommeriaanse pups die werden geïmporteerd vanuit Rusland.
II. Verloop van de rechtspleging
2. Bij arrest nr. 242.344 van 14 september 2018 is de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid van het
VII-40.375-1/4
bestreden besluit bevolen.
Het genoemde arrest is op 18 september 2018 aan de verwerende partij ter kennis gebracht.
Op 6 november 2018 heeft de hoofdgriffier aan de verzoekende partijen en de verwerende partij de mededeling ter kennis gebracht, bedoeld in artikel 11/2 van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.
III. Beoordeling
3. Naar luid van artikel 17, § 6, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en artikel 11/2 van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948
tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, wordt in een versnelde rechtspleging voorzien indien noch de verwerende partij, noch degene die belang heeft bij de beslechting van het geschil, een verzoek tot voortzetting van de rechtspleging indient binnen een termijn van dertig dagen te rekenen van de kennisgeving van het arrest waarbij de schorsing bevolen wordt.
Bij arrest nr. 242.344 van 14 september 2018 is de schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de bestreden beslissingen bevolen.
De verwerende partij heeft geen verzoek tot voortzetting van de rechtspleging ingediend.
VII-40.375-2/4
De hoofdgriffier heeft de partijen medegedeeld, met toepassing van artikel 11/2, van het genoemde besluit van de Regent van 23 augustus 1948, dat de kamer uitspraak zou doen over het beroep tot nietigverklaring, tenzij één van de partijen binnen een termijn van vijftien dagen zou vragen om te worden gehoord. Geen van de partijen heeft gevraagd om te worden gehoord.
Met een brief van 19 november 2018 heeft de verwerende partij aan de Raad van State meegedeeld dat “de twee kwestieuze beslissingen” door het FAVV werden ingetrokken en dat twee nieuwe beslissingen werden genomen.
Het beroep is zonder voorwerp geworden. De rechtszekerheid vraagt dat de schorsing van de bestreden beslissingen, bevolen bij arrest nr. 242.334 van 14 september 2018, wordt opgeheven.
In de gegeven omstandigheden past het de kosten ten laste van de verwerende partij te leggen.
BESLISSING
1. De schorsing bevolen bij arrest nr. 242.344 wordt opgeheven.
2. De Raad van State verwerpt het beroep.
3. De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, begroot op een rolrecht van 400 euro, een bijdrage van 40 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro verschuldigd aan de verzoekende partijen.
VII-40.375-3/4
Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van twintig december tweeduizend achttien, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit:
Eric Brewaeys, kamervoorzitter, bijgestaan door Bart Tettelin, griffier.
De griffier De voorzitter
Bart Tettelin Eric Brewaeys
VII-40.375-4/4
PDF document ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.243.282