Court dismisses appeal for lack of interest when no counter-memorandum is filed within the statutory deadline.
Synthèse Legislator
Généré par l'IAThe Court of Justice of the Flemish Community dismissed the appeal filed by Steve Ertveldt and Kristel Pletinckx against a decision transferring pony ownership to a recognized sanctuary. Although the plaintiffs submitted a memorandum of defense, the court clerk noted that they failed to submit a counter-memorandum within the sixty-day deadline required by the Rules of Procedure. Consequently, the court determined that the necessary legal interest to pursue the annulment of the administrative decision was absent, leading to the rejection of the case.
Regeste Legislator
Généré par l'IAArticles 7 and 21, second paragraph, of the Rules of Procedure for the Administrative Justice Division of the Council of State; A party's failure to submit a counter-memorandum within the prescribed period results in the determination that the requisite legal interest for the annulment of the contested decision is lacking, thereby warranting the rejection of the appeal.
Mots-clés
Généré par l'IADispositions légales citées
Généré par l'IADécisions connexes
Généré par l'IATexte complet
RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK
VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER
nr. 243.281 van 20 december 2018
in de zaak A. 225.303/VII-40.284.
In zake : 1. Steve ERTVELDT
2. Kristel PLETINCKX
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Cynthia Nowé kantoor houdend te 1653 Dworp Alsembergsesteenweg 646A
bij wie woonplaats wordt gekozen
tegen :
het VLAAMSE GEWEST
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Isabelle Cooreman kantoor houdend te 1082 Brussel Keizer Karellaan 586, bus 9
bij wie woonplaats wordt gekozen
I. Voorwerp van het beroep
1. Het beroep, ingesteld op 16 mei 2018, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van de Vlaamse Overheid - departement Omgeving, afdeling Strategie, Internationaal Beleid en Dierenwelzijn van 30 maart 2018 waarbij twee pony’s in toepassing van artikel 42, § 2 van de wet van 14 augustus 1986 betreffende de bescherming en het welzijn van dieren definitief in volle eigendom worden gegeven aan het erkend asiel dat daarmee instemt.
II. Verloop van de rechtspleging
2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend die aan de verzoekende partijen ter kennis werd gebracht op 16 augustus 2018.
VII-40.284-1/3
Op 12 januari 2018 heeft de hoofdgriffier aan de verzoekende partijen en de verwerende partij de mededeling ter kennis gebracht, bedoeld in artikel 14bis, § 1, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.
III. Beoordeling
3. Bij het versturen van een kopie van de memorie van antwoord aan de verzoekende partijen heeft de hoofdgriffier melding gemaakt van artikel 21, tweede lid, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.
De verzoekende partijen hebben binnen de termijn van zestig dagen, gesteld in artikel 7 van voormeld besluit van de Regent, geen memorie van wederantwoord aan de griffie toegestuurd. Krachtens voornoemd artikel 21, tweede lid, dient te worden vastgesteld dat het vereiste belang om de gevorderde vernietiging te verkrijgen, ontbreekt.
De hoofdgriffier heeft de partijen meegedeeld, met toepassing van artikel 14bis, § 1, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, dat de kamer uitspraak zou doen onder aanvoering van het ontbreken van het vereiste belang, tenzij een van de partijen binnen een termijn van vijftien dagen zou vragen om te worden gehoord. Geen van de partijen heeft gevraagd om te worden gehoord.
Er bestaat aanleiding om het beroep te verwerpen.
VII-40.284-2/3
BESLISSING
1. De Raad van State verwerpt het beroep.
2. De verzoekende partijen worden verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht 400 euro, elk voor de helft, een bijdrage van 40 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro verschuldigd aan de verwerende partij.
Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van twintig december tweeduizend achttien, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit:
Eric Brewaeys, kamervoorzitter, bijgestaan door Bart Tettelin, griffier.
De griffier De voorzitter
Bart Tettelin Eric Brewaeys
VII-40.284-3/3
PDF document ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.243.281