Legislator Jurisprudence & Législation
ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.243.033 ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.243.033 Généré par l'IA

Court dismisses suspension request for Brussels traffic order due to lack of urgency and serious means.

Numéro de cause ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.243.033
Autorité / Tribunal
Juridiction Belgique (BE)
Date de la décision
Issue du litige Rejeté (Dismissed)

Synthèse Legislator

Généré par l'IA

The Council of State rejected the applicant's request to suspend the execution of a Brussels City Council decision reopening a traffic gate. The court found the applicants failed to demonstrate either the required urgency or the existence of a serious legal means challenging the decision. Consequently, the court ruled that the applicants bore responsibility for the alleged traffic risks and chose not to act, rendering their claim inadmissible.

Regeste Legislator

Généré par l'IA

Article 17, § 1 of the Coordinated Laws on the Council of State; A suspension order requires both urgency and a serious means, and failure to prove either leads to dismissal.

Mots-clés

Généré par l'IA
suspension of execution urgency requirement serious means administrative review traffic management cumulative conditions procedural dismissal impératifs de sécurité routière

Dispositions légales citées

Généré par l'IA
Article 17, § 1 of the Coordinated Laws on the Council of State

Jurisprudence citée

Généré par l'IA
Council of State, Case No. 242.107 of 13 July 2018
Council of State, Case No. 72.265 of 5 March 1998
Généré par l'IA

Vous souhaitez savoir comment cet arrêt s'applique à votre dossier ?

Analysez cette décision avec la législation fédérale, le droit cantonal, la doctrine et la jurisprudence subséquente dans Legislator AI.

Ouvrir dans Legislator →

Texte complet

RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK

VOORZITTER VAN DE Xe KAMER

nr. 243.033 van 23 november 2018

in de zaak A. 226.244/X-17.334.

In zake : 1. het BRUSSELSE HOOFDSTEDELIJKE GEWEST

2. de MINISTER VAN DE BRUSSELSE HOOFDSTEDELIJKE

REGERING, BEVOEGD VOOR MOBILITEIT EN

OPENBARE WERKEN

bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Kris Wauters en Guy Block kantoor houdend te 1170 Brussel Terhulpsesteenweg 187

bij wie woonplaats wordt gekozen

tegen :

de STAD BRUSSEL

bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Jean-François De Bock en Joy Moens kantoor houdend te 1050 Brussel Waterloosesteenweg 612

bij wie woonplaats wordt gekozen

I. Voorwerp van de vordering

1. De vordering, ingesteld op 21 september 2018, strekt tot de schorsing van de tenuitvoerlegging van “[h]et besluit van 12 juli 2018 van de stad Brussel waarbij het college van burgemeester en schepenen van de Stad Brussel beslist om de Oeverpoort voor een testperiode van zes maanden te heropenen voor het autoverkeer in de richting van de Hooikaai naar de Handelskaai”.

II. Verloop van de rechtspleging

2. De verwerende partij heeft een nota ingediend.

Auditeur Wouter De Cock heeft een verslag opgesteld.

X-17.334-1/7

De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 9 november 2018.

Staatsraad Stephan De Taeye heeft verslag uitgebracht.

Advocaat Lies Vanquathem, die loco advocaten Kris Wauters en Guy Block verschijnt voor de verzoekende partij, en advocaat Joy Moens, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord.

Auditeur Wouter De Cock heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven.

Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.

III. Feiten

3.1. Op 1 februari 2018 neemt het college van burgemeester en schepenen van de stad Brussel een besluit betreffende de heropening van de ‘Oeverpoort’ voor het autoverkeer in de richting van de Hooikaai naar de Handelskaai.

3.2. Tegen het voormelde besluit van 1 februari 2018 dienen de verzoekende partijen een beroep tot nietigverklaring en een vordering tot schorsing bij de Raad van State in.

Met zijn arrest nr. 242.107 van 13 juli 2018 verwerpt de Raad van State de schorsingsvordering om reden dat aan de grondvoorwaarde van de spoedeisendheid niet is voldaan.

X-17.334-2/7

3.3. Op 12 juli 2018 beslist het college van burgemeester en schepenen van de stad Brussel om de meer vermelde beslissing van 1 februari 2018 op te heffen.

Tegelijk wordt beslist om de Oeverpoort gedurende een testperiode van 6 maanden te openen voor het autoverkeer komende van de Hooikaai richting de Handelskaai. Dit is de bestreden beslissing.

IV. Schorsingsvoorwaarden

4. Krachtens artikel 17, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan de schorsing van de tenuitvoerlegging slechts worden bevolen onder de dubbele voorwaarde dat de zaak te spoedeisend is voor een behandeling ervan in een beroep tot nietigverklaring en dat minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden.

V. Spoedeisendheid

De aangevoerde spoedeisendheid

5.1. De verzoekende partijen stoelen de spoedeisendheid van hun vordering op de ernstige nadelen die uit de gecreëerde onveilige verkeerssituatie aan de Oeverpoort zouden voortvloeien. Die ernstige nadelen spreken volgens de verzoekende partijen voor zich. Zij gewagen van een verhoogd risico op verkeersslachtoffers en verkeersdoden en betogen dat de bestreden beslissing in strijd is met de Europese doelstellingen die zij op vlak van verkeersveiligheid moet halen. Het terugdringen van het aantal verkeersdoden en -slachtoffers is voor de verzoekende partijen een fundamenteel aandachtspunt en streefdoel. Ter staving van de ingeroepen onveilige verkeerssituatie brengen zij een fotoreportage bij. Zij wijzen onder meer op de nabijheid van twee speeltuinen, een voetbalveld en enkele scholen. Deze elementen genereren zwak wegverkeer (met spelende kinderen) dat de Oeverpoort passeert. Verder vestigen zij ook de

X-17.334-3/7

aandacht op twee tramsporen die de Oeverpoort kruisen. Er zouden 6 à 15

trambewegingen zijn per uur in elke richting, met een piek van 30 trams per uur.

Het kruispunt kent ook een verhoogde aanwezigheid van autoverkeer, aangetrokken door de vlakbij gelegen noord- en westkant van de Brusselse ring.

Dat autoverkeer is volgens de verzoekers nog toegenomen door de werken in de nabijgelegen Leopold II-tunnel, die zorgen voor meer sluipverkeer in de omliggende straten.

De verzoekende partijen menen dat de voorbijrijdende trams een gevaar vormen voor de auto’s die de Oeverpoort willen oversteken, nu deze laatste eerst over de tramsporen moeten, vervolgens de voetgangerszone moeten kruisen, om nadien nog eens de tramsporen over te moeten. Dit zorgt voor een onveilige verkeerssituatie voor zowel voetgangers, fietsers, tram- en autobestuurders. Volgens de verzoekende partijen spreekt het voor zich dat de gecreëerde onveilige verkeerssituatie niet kan en mag standhouden, en dat de afloop van de annulatieprocedure niet kan worden afgewacht.

5.2. Daarnaast voeren de verzoekende partijen aan dat zij ten gevolge van de bestreden beslissing hun bevoegdheid inzake mobiliteit, verkeersveiligheid en ruimtelijke ordening voor het betrokken kruispunt niet kunnen uitoefenen. Doordat de verwerende partij op een onwettige wijze een beslissing heeft genomen binnen hun bevoegdheidsdomein, en daardoor de verkeersveiligheid op een manifeste wijze in het gedrang brengt, staat de spoedeisendheid op zich al vast. De verzoekende partijen menen dat de Raad van State in een gelijkaardige zaak reeds de schorsing om die reden heeft bevolen. Zij menen het resultaat van de vernietigingsprocedure niet te kunnen afwachten, omdat zij anders in een toestand terechtkomen met onherroepelijke schadelijke gevolgen en ernstige nadelen.

Beoordeling

6.1. Het komt er voor een verzoekende partij die beweert dat de zaak te spoedeisend is om de uitkomst van het annulatieberoep te kunnen

X-17.334-4/7

afwachten, op aan om van die urgentie te overtuigen aan de hand van de concrete feiten die zij in haar vordering aanvoert. Dit houdt in dat het aan de verzoekende partij toekomt aan de zaak eigen, specifieke gegevens bij te brengen die in concreto aantonen dat de zaak spoedeisend is, gelet op de nadelige gevolgen die een tenuitvoerlegging van het bestreden besluit voor haar persoonlijk veroorzaken.

6.2. Met hun kritiek op de wettigheid van de bestreden beslissing tonen de verzoekende partijen de spoedeisendheid van hun vordering niet aan. De grondvoorwaarde van het voorhanden zijn van een ernstig middel is immers te onderscheiden van de grondvoorwaarde van de “spoedeisendheid”, waaraan afzonderlijk moet zijn voldaan.

6.3. Wat verzoekers’ betoog inzake de spoedeisendheid betreft, stelt de Raad van State eens te meer vast dat zij geen gebruik hebben gemaakt van hun toezichtsbevoegdheid ten aanzien van de bestreden beslissing van de stad Brussel. Een gelijkaardige houding heeft de Raad van State inderdaad reeds vastgesteld in zijn onder randnummer 3.2 vermelde arrest. Opnieuw hadden de verzoekende partijen het derhalve zelf in de hand om een einde te stellen aan de beweerde bevoegdheidsoverschrijding en de aangevoerde levensgevaarlijke verkeerssituatie, maar verkozen zij om daarvan af te zien. Gevraagd naar de reden daartoe ter terechtzitting, betogen de verzoekende partijen eens te meer, zonder enige nadere toelichting, dat hun houding “door politieke redenen” is ingegeven.

Een dergelijke houding maakt verzoekers’ betoog aangaande de spoedeisendheid van hun vordering ongeloofwaardig.

6.4. Overigens kan hoe dan ook verzoekers’ al te algemene betoog in hun verzoekschrift inzake de verkeersonveiligheid, niet van de vereiste spoedeisendheid overtuigen. Van die spoedeisendheid overtuigt evenmin verzoekers’ opportuniteitskritiek op de door de verwerende partij bijgebrachte mobiliteitsstudie van 4 oktober 2018. Deze studie geeft weliswaar aan dat een aanpassing van de oversteken en een voldoende aantal wachtzones zich

X-17.334-5/7

opdringen, maar concludeert dat het overdreven zou zijn om te stellen dat de huidige verkeersopstelling gevaarlijk is. Verzoekers’ kritiek overtuigt niet van het tegendeel.

6.5. Gelet op wat voorafgaat, kan het betoog van de verzoekende partijen dat de bestreden beslissing hen verhindert om zelf een beleid inzake verkeersveiligheid, mobiliteit en ruimtelijke ordening ter hoogte van de Oeverpoort te bepalen, evenmin van de spoedeisendheid van hun vordering overtuigen.

6.6. Verzoekers’ verwijzing ten slotte naar het arrest nr. 72.265 van 5 maart 1998, dat de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid beveelt van een door de gemachtigde ambtenaar van de administratie van stedenbouw en ruimtelijke ordening van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest verleende stedenbouwkundige vergunning, mist pertinentie, al was het maar gelet op het gestelde onder randnummer 6.3.

7. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het spoedeisend karakter van de schorsingsvordering niet is aangetoond.

Daaruit volgt dat niet voldaan is aan ten minste één van de twee cumulatieve voorwaarden gesteld in artikel 17, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State om de schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit te bevelen. Die vaststelling volstaat om de schorsingsvordering af te wijzen.

BESLISSING

De Raad van State verwerpt de vordering tot schorsing.

X-17.334-6/7

Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van drieëntwintig november 2018, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit:

Stephan De Taeye, wnd. kamervoorzitter, staatsraad bijgestaan door Frank Bontinck, griffier.

De griffier De voorzitter

Frank Bontinck Stephan De Taeye

X-17.334-7/7

PDF document ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.243.033