Belgian court dismisses appeal due to failure to request continuation after rejected suspension order.
Synthèse Legislator
Généré par l'IAThe Council of State declared the applicant's appeal inadmissible, establishing a presumption of withdrawal from proceedings. The applicant had previously failed to request continuation of the case after a suspension order was rejected on 14 August 2018. Consequently, the court ruled that the applicant must bear the costs of the rejected suspension request and the appeal fees.
Regeste Legislator
Généré par l'IAArticle 17, § 7 of the Rules of the Council of State; Upon rejection of a request for suspension of execution, a thirty-day period follows notification of the ruling; failure to request continuation within this period creates a presumption of withdrawal from the proceedings.
Mots-clés
Généré par l'IADispositions légales citées
Généré par l'IADécisions connexes
Généré par l'IATexte complet
RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK
VOORZITTER VAN DE XIIe KAMER
nr. 243.020 van 22 november 2018
in de zaak A. 225.715/XII-8586
In zake: de NV STUDIEBUREAU HAEGEBAERT
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Paul Demaegdt kantoor houdend te 8000 Brugge Filips de Goedelaan 11
bij wie woonplaats wordt gekozen
tegen:
het AUTONOOM GEMEENTEBEDRIJF
STADSONTWIKKELING KNOKKE-HEIST
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Carlos De Wolf kantoor houdend te 9680 Maarkedal Etikhovestraat 6
bij wie woonplaats wordt gekozen eveneens bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Charlotte De Wolf
I. Voorwerp van het beroep
1. Het beroep, ingesteld op 18 juli 2018, strekt tot de nietigverkla-
ring van 18 juli 2018, van “de beslissing van het Directiecomité van het Autonoom Gemeentebedrijf Stadsontwikkeling Knokke-Heist […] van [2] juli 2018 betref-
fende de niet-gunning van de opdracht riolering-, wegenis- en landschapsontwerp van het stadslandschap te [Westkapelle aan de nv Studiebureau Haegebaert]”.
XII-8586- 1/4
II. Verloop van de rechtspleging
2. Bij arrest nr. 242.220 van 14 augustus 2018 is de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing verworpen.
Het voormelde arrest is op 27 augustus 2018 aan de verzoekende partij ter kennis gebracht.
Op 8 oktober 2018 heeft de hoofdgriffier, op verzoek van het aangewezen lid van het auditoraat, aan de verzoekende partij de mededeling ter kennis gebracht, bedoeld in artikel 11/3, § 1, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 „tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuurs-
rechtspraak van de Raad van State‟.
De verzoekende partij heeft niet gevraagd om te worden ge-
hoord.
Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, geco-
ördineerd op 12 januari 1973.
III. Toepassing van artikel 17, § 7, van de wetten op de Raad van State, gecoör-
dineerd op 12 januari 1973
3.1. Naar luid van artikel 17, § 7, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, geldt ten aanzien van de verzoekende partij een vermoeden van afstand van geding wanneer zij, nadat de vordering tot schorsing van een akte of een reglement is afgewezen, geen verzoek tot voortzetting van de rechtspleging indient binnen een termijn van dertig dagen die ingaat met de ken-
nisgeving van het arrest.
XII-8586- 2/4
3.2. De verzoekende partij heeft geen verzoek tot voortzetting van de rechtspleging ingediend.
3.3. Het vermoeden van afstand van het geding is te dezen van toe-
passing.
IV. Kosten
4.1. In de gegeven omstandigheden past het de kosten van de vor-
dering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, en een bijdrage van 20 euro, ten laste te leggen van de verzoekende partij.
4.2. De verwerende partij vordert in haar nota een verhoogde rechtsplegingsvergoeding ten bedrage van 840 euro.
Gelet op het bepaalde in artikel 67, § 2, laatste lid, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, is er evenwel aanleiding om de rechtsplegingsvergoeding te beperken tot het basisbedrag, zijnde 700 euro.
BESLISSING
1. De Raad van State stelt de afstand van het geding vast.
2. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 20 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij.
XII-8586- 3/4
Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 22 november 2018, door de Raad van State, XIIe kamer, samengesteld uit:
Johan Bovin, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Silja Doms, griffier.
De griffier De voorzitter
Silja Doms Johan Bovin
XII-8586- 4/4
PDF document ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.243.020