Legislator Jurisprudence & Législation
ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.243.018 ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.243.018 Généré par l'IA

Court dismisses appeal against environmental permit denial due to insufficient evidence of ammonia emission reduction measures.

Numéro de cause ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.243.018
Autorité / Tribunal
Juridiction Belgique (BE)
Date de la décision
Issue du litige Rejeté (Dismissed)

Synthèse Legislator

Généré par l'IA

The Council of State dismissed the applicant's appeal against the provincial delegation's decision to deny a new environmental permit for a livestock farm. The applicant argued that the permit should be granted, while the opposing party contended that the proposed measures failed to meet strict emission reduction thresholds. The court ruled that the applicant did not provide sufficient proof that the specific technical measures would achieve the required 45% ammonia reduction, thereby justifying the denial of the permit.

Regeste Legislator

Généré par l'IA

Articles 10 and 11 of the Environmental Permitting Act; An environmental permit may be denied if the applicant fails to demonstrate that proposed measures will effectively reduce emissions to comply with statutory thresholds.

Mots-clés

Généré par l'IA
environmental permit ammonia emissions livestock farming permit denial evidence burden procedural review environmental impact protection de la nature et du paysage

Dispositions légales citées

Généré par l'IA
Articles 10 and 11 of the Environmental Permitting Act
Article 20, section 3, paragraph 2 of the Flemish Environmental Law
Article 36ter of the Nature Decree
Généré par l'IA

Vous souhaitez savoir comment cet arrêt s'applique à votre dossier ?

Analysez cette décision avec la législation fédérale, le droit cantonal, la doctrine et la jurisprudence subséquente dans Legislator AI.

Ouvrir dans Legislator →

Texte complet

RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK

VIIe KAMER

nr. 243.018 van 22 november 2018

in de zaak A. 217.894/VII-39.563.

In zake : Peter JANS

bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Dennis Derwae kantoor houdend te 3560 Lummen Watermolenstraat 1

bij wie woonplaats wordt gekozen

tegen :

de DEPUTATIE VAN DE PROVINCIERAAD

VAN LIMBURG

Tussenkomende partij :

de BVBA LAND- EN TUINBOUWBEDRIJF ROYEN

bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Jeroen Orij kantoor houdend te 3840 Borgloon Gillebroekstraat 16

bij wie woonplaats wordt gekozen

I. Voorwerp van het beroep

1. Het beroep, ingesteld op 21 december 2015, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van de deputatie van de provincieraad van Limburg van 21 oktober 2015 waarbij het beroep ingesteld tegen de beslissing van het college van burgemeester en schepen van de stad Borgloon van 10 februari 2015, houdende het verlenen van de milieuvergunning aan de BVBA Land- en Tuinbouwbedrijf Royen voor het exploiteren van een nieuw land- en tuinbouwbedrijf, gelegen aan de Broekstraat te Borgloon, niet wordt ingewilligd, de beroepen beslissing wordt gewijzigd en voor het overige bevestigd.

VII-39.563-1/16

II. Verloop van de rechtspleging

2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord en verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend.

De tussenkomende partij heeft een verzoekschrift tot tussenkomst ingediend. De tussenkomst is toegestaan bij beschikking van 11 februari 2016.

Eerste auditeur Rita Van Den Eeckhout heeft een verslag opgesteld.

De verwerende partij heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. Verzoeker heeft een laatste memorie ingediend.

De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 8 november 2018.

Kamervoorzitter Eric Brewaeys heeft verslag uitgebracht.

Advocaat Veerle Huysman, die loco advocaat Dennis Derwae verschijnt voor verzoeker, en bestuurssecretaris Tom Loose, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord.

Eerste auditeur Rita Van Den Eeckhout heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven.

Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.

VII-39.563-2/16

III. Feiten

3.1. De tussenkomende partij dient op 6 oktober 2014

(ontvangstbewijs) bij het college van burgemeester en schepenen van de stad Borgloon een aanvraag in tot het verkrijgen van een milieuvergunning voor het exploiteren van een nieuw land- en tuinbouwbedrijf, aan de Broekstraat z/n, percelen kadastraal gekend als Afd. 5, Sie A, nrs 470a en 474b.

De aanvraag kadert in de verplaatsing van het bedrijf naar de Broekstraat, waar het een perceel kreeg toegewezen in het kader van een ruilverkaveling. De aanvraag heeft onder meer betrekking op het “houden van 190 runderen van het vleesras” en het telen van 5 ha aardbeien. De exploitant duidt rubriek 9.4.3.c), 1°, van het besluit van de Vlaamse regering van 6 februari 1991

houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de milieuvergunning (hierna: Vlarem I) aan: “Stallen voor inheemse grote zoogdieren in een agrarisch gebied met plaatsen voor 20 tot en met 200 gespeende dieren” wat betreft de “190

runderen waarvan 60 jongvee - 1 jaar, 60 jongvee 1-2 jaar en 70 andere runderen/zoogdieren” (klasse 2).

3.2. Volgens het bij koninklijk besluit van 5 april 1977 goedgekeurde gewestplan zijn de percelen gesitueerd in landschappelijk waardevol agrarisch gebied. De bedrijfspercelen zijn gelegen op een afstand van ongeveer 150 meter van de Speciale beschermingszone BE2200038 (bossen en kalkgraslanden van Haspengouw) in uitvoering van de Habitatrichtlijn en op 135 meter van het VEN-gebied “Mombeek”.

3.3 De aanvraag gaat vergezeld van een project-MER-screeningsnota. Daarin wordt vermeld dat geen “aanzienlijke effecten” worden verwacht op het habitatrichtlijngebied of het VEN-gebied.

VII-39.563-3/16

3.4. De exploitant beschikt sinds 2 december 2014 over de stedenbouwkundige vergunning voor het oprichten van een landbouwbedrijf met woning en huisvesting voor seizoenarbeiders, verleend door het college van burgemeester en schepenen van de stad Borgloon. Deze vergunning wordt niet aangevochten en is definitief.

3.5. Tijdens het openbaar onderzoek van 5 november 2014 tot en met 5 december 2014 worden dertien bezwaarschriften ingediend, onder meer door verzoeker.

3.6. Het advies van het Agentschap voor Natuur en Bos (hierna: ANB) van 8 januari 2015 vermeldt het volgende:

“Het Agentschap voor Natuur en Bos kan geen wetenschappelijk verantwoord advies geven wegens het ontbreken van een berekening van de effecten door vermesting en verzuring op prioritaire vegetaties, de regionaal belangrijke vegetaties en de voorlopige zoekzones door stallen van runderen.

De pluim overlapt tevens met percelen in beheer als Vlaams natuurreservaat V053 - Herkwinning.

Op basis van de huidige dossierinhoud kan niet besloten worden dat er geen aanzienlijke milieueffecten optreden. Om advies te kunnen geven stelt het Agentschap voor om een herberekening PAS […] aan het dossier toe te voegen en vervolgens voor verder advies voor te leggen”.

3.7. Op 10 februari 2015 verleent het college van burgemeester en schepenen van de stad Borgloon de milieuvergunning.

3.8. Verzoeker dient een bestuurlijk beroep in bij de deputatie van de provincieraad van Limburg.

Hij uit onder meer zijn bezorgdheid omtrent de effecten op het habitatrichtlijngebied en VEN-gebied en stelt zich vragen omtrent de instandhoudingsdoelstellingen en de invloed van nitraten en stikstof op de nabijgelegen beschermde gebieden.

VII-39.563-4/16

3.9. Als reactie op een schrijven van de exploitant, stelt verzoeker vervolgens onder meer dat de stad Borgloon nagelaten heeft artikel 16 van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu (hierna: natuurbehouddecreet) toe te passen en dat zij geen andere instrumenten, zoals de voortoets, heeft aangewend om na te gaan of er enige schade of effecten aan de natuur en het milieu toegebracht worden door het op te richten bedrijf.

3.10. In het kader van de beroepsprocedure worden volgende adviezen ingewonnen:

- de afdeling Milieuvergunningen van het Departement Leefmilieu, Natuur en Energie adviseert op 29 april 2015 om het beroep gegrond te verklaren en de toegekende vergunning op te heffen;

- ANB brengt op 30 april 2015 een negatief advies uit;

- de provinciaal stedenbouwkundig ambtenaar verleent op 4 mei 2015 een gunstig advies;

- een tweede advies van ANB, van 8 mei 2015, is negatief “indien het stallen van 190 of 210 runderen in de verleende vergunning behouden blijft”;

in dit advies wordt een opening gereëerd voor de exploitant, onder verwijzing naar de herberekening van het representatieve aandeel in de kritische last van het aantal runderen:

“Het Agentschap voor Natuur en Bos kan zich akkoord verklaren met de gegevens van het beroepschrift aangaande de gevolgen op ecologisch vlak binnen de beschouwde omgeving indien de aanvraag tot stallen van 190 of 210 runderen voorzien blijft. Indien een daling van het aantal te stallen dieren, of een verschuiving van een stal, in de vergunningsvoorwaarden meegenomen wordt met daling van de procentuele bijdrage tot max. 3%, evolueert het vergunningenkader naar ‘niet significant’ en kan een vergunning alsnog positief geadviseerd worden. Verschuiving van de stal moet via een nieuwe stedenbouwkundige vergunning mogelijk zijn. Indien het stallen van 190 of 210 runderen in de verleende vergunning behouden blijft, stelt het Agentschap voor om de verleende vergunning van 10/02/2015 voor het exploiteren van een tuin- en landbouwbedrijf op de percelen van en te Borgloon, Afd. 5, Sectie A, nr(s) 470A te schorsen. De verantwoording voor het verlenen van de vergunning, en de vergunningsvoorwaarden, laten niet toe om te beslissen dat de vergunning geen aanleiding geeft tot aanzienlijke milieueffecten”;

VII-39.563-5/16

- de Vlaamse Milieumaatschappij, afdeling operationeel waterbeheer, handhaaft op 19 mei 2015 haar in eerste aanleg verstrekte gunstig advies;

- blijkens een nota van de deputatie van de provincieraad van Limburg van 23 april 2015 is het advies in het kader van de watertoets eveneens gunstig;

- het advies van de provinciale dienst Landbouw en Platteland van 21 april 2015 is gunstig;

- op 26 mei 2015 adviseert de Provinciale Milieuvergunningscommissie (hierna: PMVC) het beroep in te willigen en de vergunning te weigeren, onder meer om volgende redenen:

“In dit dossier werd door AMV een ongunstig advies voor de exploitatie uitgebracht op basis van het ongunstig advies van de afdeling Natuur en Bos. De beroepers werden in eigen naam gehoord door de pmvc. Zij lichtten hun beroepsargumenten toe: men stelt zich de vraag waarom dit soort bedrijf net achter hun woningen wordt ingeplant terwijl er andere mogelijke locaties beschikbaar zijn. Tevens stelt men zich vragen bij het tweede uitgebrachte advies van ANB waar men spreekt van ‘uitbreiding’. Ook m.b.t. de lozing van het bedrijfsafvalwater. De stallen worden gekuist en men voorziet geen lozing?

Evenmin staan lozingspunten op het plan aangeduid. Waar gaat het kuiswater naar toe? Men beaamt dat een dergelijk bedrijf niet in een open ruimte past maar er zijn andere locaties die meer geschikt zijn. Tevens merkt men op dat de exploitant niet gekend staat voor zijn stiptheid of ordelijkheid.

Mter Paque wordt gehoord samen met de exploitant: bijkomend aan zijn schriftelijke weerlegging van de beroepsargumenten verwijst hij naar het tweede advies van ANB en besluit dat hij niet in de mogelijkheid is geweest (gezien het tijdstip kennisname tweede advies ANB) om een herberekening of evaluatie te doen conform het voorstel in dit advies (vermindering 3% verschuiving stallen etc). De exploitant is bereid minder dieren te houden en een overkapping te doen van de mestopslag. De raadsman merkt tevens op dat de dieren in kwestie meer dan 8 maanden op weide staan en dus niet in stallen gehuisvest zijn wat een belangrijk gegeven is.

De exploitant uit zijn ergernis: hij is door de ruilverkaveling genoodzaakt geweest te verhuizen vanuit Haren en werd als het ware gedwongen een dossier in te dienen op deze locatie. Hij zit echter hier gewrongen tussen woongebied en natuurgebied. Volledigheidshalve voegt hij nog toe dat hij geen lozing van bedrijfsafvalwater heeft aangevraagd omdat hij dit niet doet. De stallen worden niet ‘schoon gespoten’. Het betreft hier immers geen melkveestallen.

De commissie bespreekt het dossier en AMV merkt op dat er mogelijke milderende maatregelen voorliggen die weliswaar nog niet door de regering definitief goedgekeurd zijn maar die in casu tot een positievere beoordeling hadden kunnen leiden.

In huidige fase en zoals het dossier voorligt kan het dossier niet anders dan ongunstig worden beoordeeld. De overige adviserende en stemgerechtigde

VII-39.563-6/16

leden sluiten zich aan bij het ongunstig advies van AMV.

De pmvc besluit UNANIEM gunstig voor het beroep dus inwilligen van het beroep en de bestreden beslissing opheffen en de milieuvergunning weigeren”.

3.11. Op de hoorzitting van de PMVC van 26 mei 2015, waarop zowel de beroepsindiener als de aanvrager aanwezig zijn, blijkt het volgende:

“Mter Paque wordt gehoord samen met de exploitant: bijkomend aan zijn schriftelijke weerlegging van de beroepsargumenten verwijst hij naar het tweede advies van ANB en besluit dat hij niet in de mogelijkheid is geweest (gezien het tijdstip kennisname tweede advies ANB) om een herberekening of evaluatie te doen conform het voorstel in dit advies (vermindering 3%/verschuiving stallen etc.). De exploitant is bereid minder dieren te houden en een overkapping te doen van de mestopslag. De raadsman merkt tevens op dat de dieren in kwestie meer dan 8 maanden op weide staan en dus niet in de stallen gehuisvest zijn wat een belangrijk gegeven is. […]

De commissie bespreekt het dossier en AMV merkt op dat er mogelijke milderende maatregelen voorliggen die weliswaar nog niet door de regering definitief goedgekeurd zijn maar die in casu tot een positievere beoordeling hadden kunnen leiden.

In huidige fase en zoals het dossier voorligt kan het dossier niet anders dan ongunstig worden beoordeeld”.

3.12. De deputatie verlengt op 9 juli 2015 de behandelingstermijn van het beroep met één maand “gelet op het verloop van het dossier”.

3.13. Namens de exploitant wordt het beroepschrift verder aangevuld met een stuk van 10 augustus 2015, waarin onder meer wordt gesteld:

“Gelet op de goedkeuring van de PAS-lijst kan belangrijke info toegevoegd worden. Door toepassing van systeem R-3.1b Beweiding in combinatie met leegstand en lege mestopslag in de stal kan een emissiereductie van 45%

ammoniak gerealiseerd worden. Door deze aanzienlijke reductie kunnen 170 runderen op de voorziene exploitatie te Broekstraat gehouden worden. Bij dit aantal runderen wordt de kritische last niet met meer dan 3% overschreden en wordt voldaan aan de gestelde eis in het advies van het Agentschap voor Natuur en Bos”.

Blijkens dit stuk wenst de tussenkomende partij “een milieuvergunning te bekomen voor het houden van 170 runderen waarvan

VII-39.563-7/16

70 zoogkoeien en 100 jongvee van 0 tot 2 jaar”.

3.14. Met een brief van 31 augustus 2015 dringt verzoeker bij de deputatie aan op een snelle beslissing: “teneinde de gelijke rechten van de partijen te eerbiedigen en het dossier te beslechten binnen een redelijke termijn”.

3.15. Op 12 en 15 oktober 2015 bezorgt de exploitant bijkomende stukken aan de deputatie inzake de toepassing van het systeem R.2.1 en R.3.1.b van de “PAS-lijst” met een reductiepercentage van 45 % ammoniak:

“Door deze aanzienlijke reductie kunnen 170 runderen op de voorziene exploitatie te Broekstraat gehouden worden. Bij dit aantal runderen wordt de kritische last met niet meer dan 3% overschreden. Als bewijs voegen wij in bijlage de herberekening van de ammoniakemissie toe, berekend via de impactscore. De herberekening werd gedaan op basis van 170 runderen waarvan 70 zoogkoeien en 100 stuks jongvee van 0 tot 2 jaar. […] Aangezien de bijdrage voor de exploitatie van LT Royen kleiner is dan 3% wordt voldaan aan het PAS-significantiekader zoals momenteel van toepassing. LT Royen vraagt dan ook de toekenning van een milieuvergunning voor 170 runderen (70 zoogkoeien en 100 stuks jongvee)”.

3.16. Op 21 oktober 2015 bevestigt de deputatie van de provincieraad van Limburg de beslissing van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Kinrooi mits enkele wijzigingen, en verleent zij de vergunning.

Het besluit overweegt onder meer:

“Overwegende dat ter beoordeling van de al dan niet betekenisvolle aantasting van de natuurlijke kenmerken door de gemeente Borgloon advies werd gevraagd aan het Agentschap voor Natuur en Bos (ANB) dat door ANB

een ongunstig advies werd verleend maar dat door ANB werd voorgesteld om een PAS-herberekening aan het dossier toe te voegen en het vervolgens voor verder advies voor te leggen; dat door de gemeente Borgloon op 2015-02-10

een vergunning werd verleend voor de exploitatie van een rundveebedrijf omdat de wetgeving waarop het ANB-advies werd gebaseerd nog in een ontwerpfase zit;

Overwegende echter dat in beroepsfase het Agentschap Natuur en Bos om advies werd gevraagd door het departement Leefmilieu, Natuur en Energie;

Dat zowel de exploitant als de beroeper inzage hebben gevraagd en

VII-39.563-8/16

verkregen van alle in beroepsfase verleende adviezen;

Dat het advies van de ANB werd verstrekt op basis van artikel 20§3, 2de lid Vlarem l en artikel 36ter van het Natuurdecreet; dat op 2015-04-30 een eerste ongunstig advies werd verstrekt; dat op 2015-05-08 een meer genuanceerd advies werd gegeven waaruit blijkt dat de inrichting voor het stallen van 190 runderen (65 zoogkoeien, 60 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.243.018