Legislator Jurisprudence & Législation
ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.242.930 ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.242.930 Généré par l'IA

Court allows appeal against crematorium permit denial due to missing fee proof, citing Aarhus Convention rights.

Numéro de cause ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.242.930
Autorité / Tribunal
Juridiction Belgique (BE)
Date de la décision
Issue du litige Admis (Allowed)

Synthèse Legislator

Généré par l'IA

The Court of State allowed the appeal filed by neighbors against the denial of a crematorium permit, ruling the administrative decision invalid. Although the appellant failed to submit proof of the required dossier fee, the court held that the administration could not unilaterally declare the appeal inadmissible without prior notification. This procedural safeguard was deemed necessary to comply with the Aarhus Convention's guarantee of access to justice and review procedures for environmental matters.

Regeste Legislator

Généré par l'IA

Articles 19bis § 4 of the Environmental Permitting Decree; Article 9.1 of the Aarhus Convention: The administration cannot declare an environmental appeal inadmissible ex officio for missing fee proof without first notifying the appellant and granting a 14-day period to cure the defect, ensuring access to justice.

Mots-clés

Généré par l'IA
environmental permit appeal dossier fee proof Aarhus Convention access ex officia inadmissibility procedural notification duty administrative review rights crematorium licensing recours contre des décisions administratives

Dispositions légales citées

Généré par l'IA
Article 19bis, § 4, third paragraph of the Environmental Permitting Decree
Article 9.1 of the Aarhus Convention of 25 June 1998
Decision of the Flemish Government of 6 February 1991 establishing the Flemish regulation concerning environmental permits
Généré par l'IA

Vous souhaitez savoir comment cet arrêt s'applique à votre dossier ?

Analysez cette décision avec la législation fédérale, le droit cantonal, la doctrine et la jurisprudence subséquente dans Legislator AI.

Ouvrir dans Legislator →

Texte complet

RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK

VIIe KAMER

nr. 242.930 van 14 november 2018

in de zaak A. 221.248/VII-39.895.

In zake : Paul VENMANS

bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Yves Miroir kantoor houdend te 8400 Oostende Brusselstraat 9a bij wie woonplaats wordt gekozen

tegen :

het VLAAMSE GEWEST

bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Bart Staelens kantoor houdend te 8000 Brugge Gerard Davidstraat 46, bus 1

bij wie woonplaats wordt gekozen

Tussenkomende partij :

de OPDRACHTHOUDENDE VERENIGING

VOOR CREMATORIUMBEHEER IN HET

ARRONDISSEMENT OOSTENDE (OVCO)

bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Pieter-Jan Defoort en Lies du Gardein kantoor houdend te 8020 Oostkamp Hertsbergsestraat 4

bij wie woonplaats wordt gekozen

I. Voorwerp van het beroep

1. Het beroep, ingesteld op 17 januari 2017, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van de Vlaamse minister van Omgeving, Natuur en Landbouw van 10 november 2016 waarbij het beroep ingesteld tegen de beslissing van de deputatie van de provincieraad van West-Vlaanderen van 28 april 2016, houdende het verlenen van de milieuvergunning aan de Opdrachthoudende

VII-39.895-1/7

Vereniging voor Crematoriumbeheer in het arrondissement Oostende voor het exploiteren van een crematorium, gelegen aan de Grintweg te Oostende, ongegrond wordt verklaard en de beroepen beslissing wordt bevestigd.

II. Verloop van de rechtspleging

2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord en verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend.

De tussenkomende partij heeft een verzoekschrift tot tussenkomst ingediend. De tussenkomst is toegestaan bij beschikking van 8 maart 2017. De tussenkomende partij heeft een memorie ingediend.

Auditeur Dieter Decock heeft een verslag opgesteld.

Verzoeker heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verwerende partij en de tussenkomende partij hebben een laatste memorie ingediend.

De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 25 oktober 2018.

Kamervoorzitter Eric Brewaeys heeft verslag uitgebracht.

Advocaat Yves Miroir, die verschijnt voor verzoeker, advocaat Veerle Huysman, die loco advocaat Bart Staelens verschijnt voor de verwerende partij, en advocaat Lies du Gardein, die verschijnt voor de tussenkomende partij, zijn gehoord.

Eerste auditeur-afdelingshoofd Peter Provoost heeft advies gegeven.

VII-39.895-2/7

Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.

III. Feiten

3.1. De tussenkomende partij dient, met het oog op de uitbating van een crematorium aan de Grintweg te Oostende, op 3 december 2015 een milieuvergunningsaanvraag in.

3.2. Op 28 april 2016 verleent de deputatie van de provincieraad van West-Vlaanderen de gevraagde vergunning.

3.3. Een aantal omwonenden stellen tegen deze beslissing administratief beroep in.

3.4. Het toenmalige departement Leefmilieu, Natuur en Energie (hierna: departement LNE) beslist op 4 juli 2016 om het beroep zonder gevolg te klasseren. Op 19 juli 2016 trekt het deze beslissing in.

3.5. Na de nodige adviezen te hebben ingewonnen, verklaart de verwerende partij op 10 november 2016 het beroep ongegrond en bevestigt zij de beroepen beslissing. De gevraagde vergunning wordt verleend.

Dit is het bestreden besluit.

IV. Ontvankelijkheid van het beroep

Standpunten van de partijen

4. De tussenkomende partij zet uiteen dat er, om bij de verwerende partij een ontvankelijk administratief beroep in te stellen, overeenkomstig

VII-39.895-3/7

artikel 19bis van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning (hierna: milieuvergunningsdecreet) een dossiertaks dient te worden betaald. Deze verplichting geldt in hoofde van elke natuurlijke persoon die een administratief beroep wenst in te stellen. Volgens haar moet de dossiertaks worden betaald op het tijdstip van het instellen van het beroep en kan de niet-tijdige betaling niet achteraf worden geregulariseerd. Artikel 19bis, § 4, tweede lid, van het milieuvergunningsdecreet voorziet immers louter in een regularisatiemogelijkheid voor het bijvoegen van het betalingsbewijs.

Waar te dezen het administratief beroep werd ingesteld door meerdere natuurlijke personen, heeft volgens de tussenkomende partij enkel Stéphane Venmans de dossiertaks betaald en “een ontvankelijk en volledig administratief beroep [...] ingesteld bij de verwerende partij”. Nu Stéphane Venmans op 29 juni 2016 zijn beroep heeft ingetrokken, blijven er volgens de tussenkomende partij “geen ontvankelijke beroepsindieners” meer over.

De tussenkomende partij acht de intrekkingsbeslissing van het departement LNE van 19 juli 1996 manifest onwettig, nu volgens de intrekkingsleer rechtenverlenende administratieve rechtshandelingen nooit kunnen worden ingetrokken. Bijgevolg verzoekt de tussenkomende partij de Raad van State om deze beslissing overeenkomstig artikel 159 van de Grondwet buiten toepassing te laten, wat volgens haar als gevolg zou hebben dat de beslissing van het departement LNE van 4 juli 2016 zou herleven, dat er geen administratief beroep bij de verwerende partij zou voorliggen en dat er bijgevolg niet is voldaan aan de vereiste om alvorens beroep in te stellen bij de Raad van State het administratief beroep uit te putten.

De tussenkomende partij wijst er voorts op dat zij de bovenstaande problematiek reeds had aangekaart in een doorheen de administratieve beroepsprocedure ingediende nota, maar dat de verwerende partij niet is ingegaan op deze argumentatie en deze in het bestreden besluit niet heeft

VII-39.895-4/7

beoordeeld. Nochtans, zo besluit de tussenkomende partij, kon de verwerende partij bij haar beoordeling van het dossier een eigen beslissing nemen omtrent de ontvankelijkheid.

5. In de laatste memorie tracht verzoeker aan de hand van een eigen verklaring en een verklaring van zijn zoon Stéphane Venmans aan te tonen dat de dossiertaks in opdracht van huidige verzoeker en voor zijn rekening werd verricht.

Uit het feit dat de enige briefwisseling over de intrekking van het besluit van 4 juli 2016 om de zaak zonder gevolg te klasseren aan de burgemeester werd gericht en niet aan de “betrokken partijen”, leidt verzoeker af dat deze beslissing geen invloed kan hebben.

6. De tussenkomende partij vraagt in haar laatste memorie dat de nieuwe, bij de laatste memorie van verzoeker gevoegde stukken, uit het debat worden geweerd, aangezien zij reeds vroeger konden worden meegedeeld.

7. In haar laatste memorie voegt de verwerende partij toe dat, nu uit het administratief dossier blijkt dat “alle documenten moesten verstuurd worden naar Yves Miroir, toen bezwaarindiener, nu raadsman”, in de veronderstelling dat Stéphane Venmans voor een ander zou betaald hebben, die betaling niet zou gebeurd zijn voor huidige verzoeker, maar wel voor diens raadsman. Uit het feit dat Stéphane Venmans afstand heeft gedaan van zijn administratief beroep en dat de raadsman van verzoeker niet de huidige verzoeker zelf is, leidt de verwerende partij voorts af dat geen van beiden nog “in zake” zijn.

Beoordeling

8. Luidens artikel 19bis, § 1, van het milieuvergunningsdecreet wordt “een dossiertaks [...] geheven [...] lastens (onder meer) elke natuurlijke of rechtspersoon die op eigen initiatief een beroep bij de overeenkomstig onderhavig decreet bevoegde overheid indient tegen een beslissing in eerste aanleg over een

VII-39.895-5/7

milieuvergunningsaanvraag”. Een bewijs van betaling van de bedoelde dossiertaks moet overeenkomstig zowel artikel 49, § 2, als artikel 51, § 2, van het besluit van de Vlaamse regering van 6 februari 1991 houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de milieuvergunning bij het beroepschrift worden gevoegd.

Artikel 19bis, § 4, derde lid, van het milieuvergunningsdecreet, zoals het in het huidige geval van toepassing was, bepaalde:

“In geval, in strijd met het eerste lid, het bewijs van betaling van de verschuldigde dossiertaks niet bij het beroepsschrift is gevoegd, wordt de indiener van het beroep hiervan in kennis gesteld bij ter post aangetekend schrijven. Indien de indiener van het beroep binnen een termijn van 14

kalenderdagen na verzending van voormelde kennisgeving het vereiste bewijs van de volledige betaling van de verschuldigde dossiertaks niet heeft toegevoegd aan zijn eerder ingediend beroepsschrift, wordt dit beroep van rechtswege onontvankelijk”.

Geen van de indieners van het beroep heeft kennis gekregen van een vermeend ontbreken van een bewijs van betaling, zodat er geen sprake kan zijn van onontvankelijkheid van rechtswege. Artikel 19bis, § 4, derde lid, van het milieuvergunningsdecreet laat niet toe dat de administratie of de minister het beroep zelf onontvankelijk zouden verklaren, buiten deze regeling om.

Elke andere opvatting komt in strijd met artikel 9.1 van het Verdrag van Aarhus van 25 juni 1998 betreffende toegang tot informatie, inspraak bij besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden, goedgekeurd bij decreet van 6 december 2002:

“Elke Partij waarborgt, binnen het kader van haar nationale wetgeving, dat eenieder die meent dat zijn of haar verzoek om informatie ingevolge artikel 4

veronachtzaamd, ten onrechte geheel of gedeeltelijk afgewezen of anderszins niet beantwoord is in overeenstemming met de bepalingen van dat artikel, toegang heeft tot een herzieningsprocedure voor een rechterlijke instantie of een ander bij wet ingesteld onafhankelijk en onpartijdig orgaan.

In de omstandigheden waarin een Partij in een dergelijk beroep bij een rechterlijke instantie voorziet, waarborgt zij dat een dergelijke persoon tevens toegang heeft tot een bij wet ingestelde snelle procedure die kosteloos of niet

VII-39.895-6/7

kostbaar is, voor heroverweging door een overheidsinstantie of toetsing door een onafhankelijk en onpartijdig orgaan anders dan een rechterlijke instantie”.

Het beroep is ontvankelijk.

BESLISSING

1. De Raad van State heropent het debat.

2. De Raad van State gelast het door de auditeur-generaal aangestelde lid van het auditoraat met het verder onderzoek van de zaak.

Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van veertien november tweeduizend achttien, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit:

Eric Brewaeys, kamervoorzitter, Pierre Lefranc, staatsraad, Patricia De Somere, staatsraad, bijgestaan door Bart Tettelin, griffier.

De griffier De voorzitter

Bart Tettelin Eric Brewaeys

VII-39.895-7/7

PDF document ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.242.930