Legislator Jurisprudence & Législation
ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.242.771 ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.242.771 Généré par l'IA

Court dismisses suspension request for dog adoption order due to lack of urgent harm evidence.

Numéro de cause ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.242.771
Autorité / Tribunal
Juridiction Belgique (BE)
Date de la décision
Issue du litige Rejeté (Dismissed)

Synthèse Legislator

Généré par l'IA

The Council of State rejected the applicant's request to suspend the enforcement of a decision transferring ownership of a dog to a shelter. The applicant alleged potential harm but provided only general statements without concrete facts demonstrating immediate and serious consequences. The court ruled that such vague arguments fail to meet the statutory requirement for proving urgency under the relevant procedural law.

Regeste Legislator

Généré par l'IA

Articles 17 § 2 of the Council of State Act; Article 8 § 4° of the Royal Decree of 5 December 1991: A request for suspension of enforcement must be supported by specific facts proving urgent and serious harm; general statements or mere references to procedural duration are insufficient to establish urgency.

Mots-clés

Généré par l'IA
suspension of enforcement urgent harm requirement Council of State Act procedural urgency dog welfare order specific facts standard enforcement suspension renvoi malgré risque de persécution

Dispositions légales citées

Généré par l'IA
Article 17, § 2 of the Council of State Act
Article 8, § 4° of the Royal Decree of 5 December 1991
Généré par l'IA

Vous souhaitez savoir comment cet arrêt s'applique à votre dossier ?

Analysez cette décision avec la législation fédérale, le droit cantonal, la doctrine et la jurisprudence subséquente dans Legislator AI.

Ouvrir dans Legislator →

Texte complet

RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK

VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER

nr. 242.771 van 25 oktober 2018

in de zaak A. 225.954/VII-40.364.

In zake : Mambu Kadette STHIOKO

bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Marianne Van Lommel kantoor houdend te 3200 Aarschot Steenweg op Sint-Joris-Winge 21

bij wie woonplaats wordt gekozen

tegen :

het VLAAMSE GEWEST

bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Isabelle Cooreman kantoor houdend te 1082 Brussel Keizer Karellaan 586, bus 9

bij wie woonplaats wordt gekozen

I. Voorwerp van de vordering

1. De vordering, ingesteld op 20 augustus 2018, strekt tot de schorsing van de tenuitvoerlegging van de “beslissing van de afdeling Strategie, Internationaal Beleid en Dierenwelzijn van het Vlaamse gewest, Departement Omgeving d.d. 12/07/2018 betreffende het definitief in volle eigendom geven van de hond Mylor aan het asiel dat daarmee instemt in toepassing van artikel 42 §2

Wet van 14/08/1986 betreffende de bescherming en het welzijn der dieren”.

II. Verloop van de rechtspleging

2. De verwerende partij heeft een nota ingediend.

VII-40.364-1/8

Auditeur Frederic Eggermont heeft een verslag opgesteld.

De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 18 oktober 2018.

Kamervoorzitter Eric Brewaeys heeft verslag uitgebracht.

Advocaat Marianne Van Lommel, die verschijnt voor verzoekster, en advocaat Simon Vanhove, die loco advocaat Isabelle Cooreman verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord.

Auditeur Frederic Eggermont heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven.

Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.

III. Feiten

3.1. De lokale politie verricht meerdere controles bij verzoekster, sommige na enkele meldingen aan de politie inzake de verzorging en huisvesting van de hond van verzoekster.

3.2. De politierechtbank te Leuven reikt op 25 mei 2018 een visitatiemachtiging uit, waarna op 28 mei 2018 een nieuwe controle wordt uitgevoerd, die uiteindelijk resulteert in de inbeslagname van de hond.

3.3. De inspectie Dierenwelzijn beslist op 12 juli 2018 om het dier in volle eigendom te geven aan het dierenasiel dat daarmee instemt. Dit is de bestreden beslissing die wordt gemotiveerd:

VII-40.364-2/8

“Gelet op de historiek;

Gelet op de vaststellingen in navolgend pv 2514/2018:

- in de woning is er geen spoor te vinden dat de hond ooit in de woning komt;

- de tuin waarin de hond gehuisvest wordt, is zeer rommelig;

- de achterdeur wordt blijkbaar niet veel gebruikt want er staat veel rommel voor;

- er liggen veel uitwerpselen in de tuin;

- er staat een kookpot met hondenbrokken;

- er staat een plastiek bak met weinig water. Het water staat in de zon en is warm;

Gelet op het feit dat deze vaststellingen erop wijzen dat er niet voldaan wordt aan de ethologische en fysiologische behoeften van de hond.

Gelet op het verhoor van betrokkene waarin ze verklaart dat:

- er ‘s morgens voor het werk met de hond gewandeld wordt, indien dit niet lukt ‘s avonds;

- de hond in de woning mag als betrokkene thuis is;

- de hond buiten slaapt aangezien hij kalm is in zijn hok;

- betrokkene niet met de hond naar een hondenschool is geweest, ze heeft zich ook niet geïnformeerd bij een hondenschool;

Gelet op de getuigen die verklaren dat:

- de eigenaars weinig aandacht hebben voor de hond;

- de hond steeds in de tuin zit, zelfs bij slecht weer; als de eigenaars voor meerdere dagen afwezig zijn, wordt de hond in de garage geplaatst;

- de eigenaars nooit gaan wandelen met de hond, Gelet dat bovenstaande erop wijst dat de hond onvoldoende aandacht krijgt van zijn eigenaars;

Gelet op het feit dat een hond is een huisdier en dus bij voorkeur verblijft in huiselijke kring. Single - housing voor langere periode wordt bij de hond geassocieerd met een verhoogde incidentie van gedragsproblemen en medische problemen en dient tot het minimum te worden beperkt. Honden zijn sociale dieren en hebben naast contact met mensen, contact met soortgenoten en andere dieren nodig. Een hond alleen huisvesten is daarom alleen geoorloofd als dit in huiselijke kring gebeur[t]. De hond dient het natuurlijk gedrag te kunnen vertonen, dat past bij zijn leeftijd en aard;

Gelet op het feit dat uit bovenstaande blijkt dat het onverantwoord zou zijn om de hond terug te laten keren naar de eigenaar aangezien de garanties ontbreken dat het dierenwelzijn in de toekomst verzekerd zal zijn.

Gelet op het feit dat de hond geen reële verkoopwaarde, minstens geen waarde heeft die in verhouding staat tot de kosten van transport, opvang, huisvesting en verzorging overeenkomstig zijn ethologische en fysiologische behoeften”.

VII-40.364-3/8

IV. Schorsingsvoorwaarden

4. Krachtens artikel 17, § 1, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State (hierna: RvS-wet) kan de schorsing van de tenuitvoerlegging slechts worden bevolen onder de dubbele voorwaarde dat de zaak te spoedeisend is voor een behandeling ervan in een beroep tot nietigverklaring en indien minstens één ernstig middel wordt aangevoerd, dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden.

V. Spoedeisendheid

Standpunten van de partijen

5. Verzoekster betoogt:

“Aangezien de zaak te spoedeisend is om te worden behandeld in een reguliere annulatieprocedure;

De bestreden beslissing is niettegenstaande beroep uitvoerbaar;

In casu impliceert dit dat de hond van verzoekster thans op elk moment vanuit het asiel waaraan deze werd toevertrouwd kan worden geadopteerd door een derde;

Des te langer de procedure duurt, des te groter wordt de kans dat de hond verdwenen zal zijn op het ogenblik dat de Raad zich over de grond van de zaak zal uitspreken;

Het betreft in casu een jonge hond van een populair ras (American Stafford), hetgeen een uitermate aantrekkelijk profiel is voor kandidaat-adoptanten;

Een adoptie door een derde zou impliceren dat verzoekster definitief haar hond verliest, hetgeen een moeilijk te herstellen ernstig nadeel uitmaakt en onherroepelijke schade veroorzaakt;

Verzoekster is uiteraard zeer gehecht aan haar hond, wie voor haar deel uitmaakt van het gezin. Zij wil dan ook alles in het werk stellen om de gevolgen van deze zeer ingrijpende beslissing te vermijden;

Het risico tot verlies van de hond kan enkel worden geneutraliseerd indien het verzoek tot schorsing van verzoekster gegrond wordt verklaard;

Om deze redenen kan verzoekster de beslissing inzake het beroep tot nietigverklaring niet afwachten en dringt een schorsing van de tenuitvoerlegging van de beslissing d.d. 12/07/2018 zich op”.

VII-40.364-4/8

6. De verwerende partij antwoordt:

“14. Op p. 4 van haar verzoekschrift voert verzoekster, onder de hoofding ‘moeilijk te herstellen nadeel’ aan ‘dat de hond van verzoekster thans op elk moment vanuit het asiel waaraan deze werd toevertrouwd kan worden geadopteerd door een derde [...]’ en dat ‘[een] adoptie door een derde zou impliceren dat verzoekster definitief haar hond verliest, hetgeen een moeilijk te herstellen nadeel uitmaakt en onherroepelijke schade veroorzaakt [...]’ […].

15. Ten eerste stelt verzoekster de zaken voor alsof zij eigenaar blijft van de hond Mylor, tijdens haar verblijf in het asiel. Dit komt niet overeen met de juridische situatie die ontstaan is door de opeenvolgende beslissing tot inbeslagname en definitieve gift in volle eigendom aan het asiel. Het asiel verwierf de definitieve juridische eigendom, en kan over de hond beschikken.

Haar wettelijke eigendomstitel kan niet beïnvloed worden door een schorsing van de bestemmingsbeslissing.

In die zin is het ‘moeilijk te herstellen nadeel’ dat verzoekster vreest, al ingetreden : ze is de eigendom van haar hond verloren. Het klopt inderdaad dat een derde de hond kan adopteren (en dat die derde dan de eigendom verwerft).

Een schorsing van het bestreden besluit kan hier geen soelaas brengen.

Aangezien de schorsing slechts uitwerking ex nunc heeft, kan de vermeende reeds geleden schade niet teruggedraaid worden door een schorsingsprocedure.

16. Ten tweede dient hier opgemerkt te worden dat de stelling dat de hond ‘thans op elk moment vanuit het asiel [...] kan worden geadopteerd door een derde’ een loutere veronderstelling is. Een eventuele adoptie van de hond door derden is hoegenaamd niet zeker en hangt af van tal van onvoorspelbare elementen. Om deze reden is het ook niet zeker dat dit zou plaatsvinden vooraleer de Raad van State een uitspraak zou doen omtrent het beroep tot schorsing. De vereiste spoedeisendheid is dan ook niet voorhanden.

17. Ten derde geeft verzoekster niet in concreto aan wat precies de aard en de omvang van het te verwachten nadeel zou zijn. Bovendien is het beweerde nadeel niet door schorsing (of vernietiging) te herstellen, aangezien het dan nog steeds aan de overheid zou toekomen over het lot van het inbeslaggenomen dier te beslissen.

De spoedeisendheid, die aan de basis ligt van het gewone kort geding, veronderstelt dat er een ernstige vrees bestaat voor een groot nadeel of zelfs een onherstelbare schade die de verzoeker zou lijden indien hij de afloop van de procedure tot nietigverklaring moet afwachten. (RvS (13e k.) nr. 226.770, 17 maart 2014)

18. In haar verzoekschrift verwijst verzoekster onder tussentitel Ernstig middel (op p. 4) summier naar de middelen uiteengezet onder titel II.C. Echter kan het beweerdelijk bestaan van onwettigheden op zich geen reden tot spoedeisendheid zijn. Deze schorsingsvoorwaarde moet apart onderzocht worden (RvS (7e k.) nr. 237.168, 26 januari 2017).

19. Ten slotte kan nog vermeld worden dat in een vergelijkbare zaak (RvS nr. 237.168, 26 januari 2017) waar dezelfde beweerdelijke nadelen werden opgeworpen (nl. adoptie door derden), uw Raad de vordering tot

VII-40.364-5/8

schorsing verwierp wegens een gebrek aan spoedeisendheid. Meer bepaald riepen verzoeksters in:

‘Gelet op de tijdsverloop van een procedure in het kader van een verzoek tot nietigverklaring, kunnen verzoekers deze procedure niet afwachten en dringt een vordering tot schorsing zich op. Het Noodasiel Lommel kan immers op elk moment één of meerdere honden afstaan aan derden hetgeen voor verzoekers onherroepelijke schade zou veroorzaken.’ Uw Raad antwoordde hierop o.a.:

‘Een uiteenzetting, beperkt tot algemeenheden of een loutere verwijzing naar de duur van de annulatieprocedure en zonder ook maar enig licht te doen schijnen op de onherroepelijke schadelijke gevolgen voor de verzoekende partij bij een tenuitvoerlegging van de bestreden akte, volstaat niet om de spoedeisendheid aan te tonen.’ Aangezien het gevreesde nadeel, met name de adoptie door een derde, volstrekt hypothetisch is en niet het voorwerp uitmaakt van de bestreden beslissing, de bestemmingsbeslissing op zich reeds uitgevoerd is en de eigendomsoverdracht aan het asiel zich reeds heeft voltrokken en bovendien, aangezien verzoekster niet aangeeft waarom het vermeende nadeel een zekere mate van ernst zou vertonen, en geen duidelijk middel of duidelijke schending van een rechtsregel inroept, dient de vordering tot schorsing ingeleid door verzoekster te worden verworpen”.

Beoordeling

7. Op grond van artikel 17, § 2, van de RvS-wet moet het verzoekschrift een uiteenzetting van de feiten bevatten die, volgens de indiener ervan, de spoedeisendheid verantwoorden die ter ondersteuning van dit verzoekschrift wordt ingeroepen. Hetzelfde is te lezen in artikel 8, 4°, van het koninklijk besluit van 5 december 1991 tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State. Dit houdt in dat het aan de verzoekende partij toekomt aan de zaak eigen, specifieke gegevens bij te brengen die in concreto aantonen dat de zaak te spoedeisend is om de uitkomst van het annulatieberoep te kunnen afwachten, gelet op de nadelige gevolgen die een tenuitvoerlegging van het bestreden besluit voor haar persoonlijk veroorzaakt.

Een verzoekende partij die beweert dat de zaak te spoedeisend is om de uitkomst van het annulatieberoep te kunnen afwachten, moet dus in haar verzoekschrift concrete feiten aanvoeren die de spoedeisendheid verantwoorden.

VII-40.364-6/8

De spoedeisendheid van de zaak wordt niet vermoed, welke ook de aard van de bestreden beslissing is.

Te dezen ontbreekt in het verzoekschrift een concrete uiteenzetting van de gegevens die de spoedeisendheid verantwoorden.

Een uiteenzetting, beperkt tot algemeenheden of een loutere verwijzing naar de duur van de annulatieprocedure en zonder ook maar enig licht te doen schijnen op de onherroepelijke schadelijke gevolgen voor de verzoekende partij bij een tenuitvoerlegging van de bestreden akte, volstaat niet om de spoedeisendheid aan te tonen.

8. Er is niet voldaan aan ten minste een van de voorwaarden gesteld in artikel 17, § 1, van de RvS-wet, die cumulatief vervuld moeten zijn wil een vordering tot schorsing worden toegewezen, zonder dat het nodig is de ontvankelijkheidsexceptie, opgeworpen door de verwerende partij, nu reeds te onderzoeken.

BESLISSING

De Raad van State verwerpt de vordering.

VII-40.364-7/8

Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van vijfentwintig oktober tweeduizend achttien, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit:

Eric Brewaeys, kamervoorzitter, bijgestaan door Bart Tettelin, griffier.

De griffier De voorzitter

Bart Tettelin Eric Brewaeys

VII-40.364-8/8

PDF document ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.242.771