Legislator Jurisprudence & Législation
ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.242.673 ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.242.673 Généré par l'IA

Belgian court dismisses urgent suspension request against school board's C-grade decision based on insufficient grounds.

Numéro de cause ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.242.673
Autorité / Tribunal
Juridiction Belgique (BE)
Date de la décision
Issue du litige Rejeté (Dismissed)

Synthèse Legislator

Généré par l'IA

The Council of State rejected the applicant's request for urgent suspension of the school board's decision to grant a C-attest. The court found that the board's assessment of the applicant's grades and the comparison with a peer's report did not constitute an abuse of discretion or unequal treatment. Consequently, the court determined the sole remedy was not sufficiently serious to warrant the suspension of execution.

Regeste Legislator

Généré par l'IA

Art. 100 § 1, 2° of the Code of Justice; Art. 100 § 2 of the Code of Justice: The suspension of execution of an administrative decision is only granted if the sole remedy is not sufficiently serious and the decision is arbitrary or clearly erroneous.

Mots-clés

Généré par l'IA
urgent suspension request school board decision C-attest grading abuse of discretion unequal treatment procedural remedy administrative justice échec définitif aux examens

Dispositions légales citées

Généré par l'IA
Art. 100 § 1, 2° of the Code of Justice
Art. 100 § 2 of the Code of Justice
Généré par l'IA

Vous souhaitez savoir comment cet arrêt s'applique à votre dossier ?

Analysez cette décision avec la législation fédérale, le droit cantonal, la doctrine et la jurisprudence subséquente dans Legislator AI.

Ouvrir dans Legislator →

Texte complet

RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK

VOORZITTER VAN DE IXe KAMER

nr. 242.673 van 16 oktober 2018

in de zaak A. 226.360/IX-9410

In zake: Radi BOUDOU

bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Stijn Butenaerts kantoor houdend te 1080 Brussel Leopold II-laan 180

bij wie woonplaats wordt gekozen

tegen:

het GEMEENSCHAPSONDERWIJS, vertegenwoordigd door scholengroep 10

bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Marc Stommels en Jan Fransen kantoor houdend te 2000 Antwerpen Amerikalei 220 bus 14

bij wie woonplaats wordt gekozen

I. Voorwerp van de vordering

1. De vordering, ingesteld op 8 oktober 2018, strekt tot de schor-

sing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van:

“De beslissing van de Beroepscommissie van Scholengroep 10 – Scoop van het GO! van 3 oktober 2018 waarbij werd beslist […]:

- de beslissing van de beroepscommissie van scholengroep 10 van het Gemeenschapsonderwijs van 21 augustus 2018, waarbij het aan Radi Boudou toegekende oriënteringsattest C wordt gehandhaafd, in te trekken;

- de beslissing van de beroepscommissie van scholengroep 10 van het Gemeenschapsonderwijs van 11 september 2018, waarbij het aan Radi Boudou toegekende oriënteringsattest C wordt gehandhaafd, in te trekken;

- na heroverweging, de eindbeslissing C-attest van de delibererende klas-

senraad te bevestigen.”

IX-9410-1/16

Daarenboven vraagt verzoeker de Raad van State:

“[…] verweerster te veroordelen om aan verzoeker de toelating te ver-

schaffen om de lessen van het zesde jaar handel bij te wonen in één van de onderwijsinrichtingen van verweerster, vrij te kiezen door verzoeker en dit onder verbeurte van een dwangsom van 5.000,00 EUR per dag vertraging te rekenen vanaf de kennisgeving van het tussen te komen arrest en dit totdat een definitieve nieuwe beslissing is genomen aangaande het studie-

resultaat van verzoeker voor het schooljaar 2017-2018, beslissing die niet werd aangevochten voor, dan wel geschorst of vernietigd werd door Uw Raad.”

II. Verloop van de rechtspleging

2. De verwerende partij heeft een nota ingediend.

De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 15 oktober 2018, om 10.00 uur.

Kamervoorzitter Geert Van Haegendoren heeft verslag uitge-

bracht.

Advocaat Andy Hoedenaeken, die verschijnt voor de verzoe-

kende partij en advocaat Jan Fransen, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord.

Auditeur Jurgen Neuts heeft een met dit arrest eensluidend ad-

vies gegeven.

Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, ge-

coördineerd op 12 januari 1973.

IX-9410-2/16

III. Feiten

3.1. Verzoeker is tijdens het schooljaar 2017-2018 ingeschreven als leerling in het eerste jaar van de derde graad handel (TSO) aan het atheneum te Zaventem, onderwijsinstelling die behoort tot scholengroep 10 van het Gemeen-

schapsonderwijs.

Hij beëindigt het schooljaar met twee jaartekorten (aardrijks-

kunde 43%; toegepaste informatica 39%).

De delibererende klassenraad kent aan verzoeker een oriënte-

ringsattest C toe. Overleg leidt tot een nieuwe samenkomst van de klassenraad, die op 2 juli 2018 het C-attest bevestigt.

3.2. Hierop stelt verzoeker beroep in bij het schoolbestuur, waarbij hij aangeeft dat het C-attest “niet terecht is” en hij vraagt dat hem een A-attest wordt toegekend “of minstens in de mogelijkheid te voorzien om herexamens te kunnen afleggen”. Hij doet daarbij onder meer het volgende gelden:

“- twee klasgenoten met elk drie jaartekorten hebben blijkbaar wel de mogelijkheid gekregen om herexamens af te leggen; daarenboven dient ook nog te worden benadrukt dat een andere klasgenoot met gelijkaardige studieresultaten wel een A-attest heeft verkregen; U zal willen begrijpen dat deze ongelijke behandeling tussen [verzoeker], die met betere punten – en geen tekort op een poolvak – een C attest krijgt terwijl een klasgenoot met lagere punten – [en] een tekort op een poolvak – een A attest krijgt, onaanvaardbaar is. Dit gegeven beperkt uw discretionaire bevoegdheid:

aan [verzoeker] kan enkel een A-attest afgeleverd worden, bij gebreke waaraan u gelijkheid in zijn hoofde schendt.”

3.3. Op 21 augustus 2018 beslist ook de beroepscommissie om het C-attest te handhaven.

De Raad van State schorst de tenuitvoerlegging van deze be-

slissing bij arrest nr. 242.265 van 6 september 2018.

IX-9410-3/16

3.4. Op 11 september 2018 beslist de beroepscommissie haar eerdere beslissing in te trekken en het C-attest te handhaven.

De Raad van State schorst de tenuitvoerlegging van deze be-

slissing bij arrest nr. 242.455 van 27 september 2018.

3.5. Op 3 oktober 2018 beslist de beroepscommissie haar eerdere beslissingen in te trekken en het C-attest te handhaven:

“De beroepscommissie in zitting van 3 oktober 2018 […] beslist:

- de beslissing van de beroepscommissie van scholengroep 10 van het Gemeenschapsonderwijs van 21 augustus 2018, waarbij het aan Radi Boudou toegekende oriënteringsattest C wordt gehandhaafd, in te trekken - de beslissing van de beroepscommissie van scholengroep 10 van het Gemeenschapsonderwijs van 11 september 2018, waarbij het aan Radi Boudou toegekende oriënteringsattest C wordt gehandhaafd, in te trekken - na heroverweging, de eindbeslissing C-attest van de delibererende klas-

senraad te bevestigen.”

Deze beslissing steunt op een beoordeling van „cijfermatige elementen‟ en van „niet-cijfermatige elementen‟.

IV. Ontvankelijkheid van de vordering

4.1. Er valt niet in te zien welk voordeel verzoeker heeft bij de schorsing van de tenuitvoerlegging van de beslissing van de beroepscommissie, voor zover ze ertoe strekt de voor hem ongunstige beslissingen van 21 augustus 2018 en 11 september 2018 in te trekken.

In die mate is de vordering niet ontvankelijk bij gebrek aan be-

lang, wat desnoods ambtshalve moet worden vastgesteld.

4.2. Hierna wordt met “de bestreden beslissing” enkel gerefereerd aan de beslissing om het C-attest te handhaven.

IX-9410-4/16

V. Herinnering aan de schorsingsvoorwaarden

5. Krachtens artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid slechts worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat min-

stens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden en dat een uiterst dringende nood-

zakelijkheid voorhanden is die onverenigbaar is met de behandelingstermijn van de gewone vordering tot schorsing.

VI. Uiterst dringende noodzakelijkheid

6. Terecht wordt het vervuld zijn van de eerste schorsingsvoor-

waarde niet betwist.

VII. Ernst van het enige middel

Uiteenzetting van het middel

7. Het enige middel is “genomen uit de schending van het gelijk-

heidsbeginsel, van de formele motiveringsplicht, van het zorgvuldigheidsbeginsel, van het redelijkheidsbeginsel, van de materiële motiveringsplicht, van het onpar-

tijdigheidsbeginsel en van het gelijkheidsbeginsel als algemene beginselen van behoorlijk bestuur tevens genomen uit het gezag van gewijsde van de arresten nr. 242.265 en nr. 242.455 van [de] Raad [van State]”:

“Doordat Verzoeker het recht heeft om op gelijke wijze behandeld te worden als leerlingen die zich in een gelijke situatie bevinden.

En doordat Aan een medeleerling van verzoeker, die mindere cijfermatige resultaten behaalt, een A-attest wordt toegekend, terwijl verzoeker een C-attest be-

komt.”

IX-9410-5/16

Volgens verzoeker maakt de beroepscommissie bij de bespre-

king van de „cijfermatige elementen‟ abstractie van de resultaten van het com-

plementair vak Duits en dit in strijd met ‟s Raads arrest nr. 242.455 van 27 sep-

tember 2018. In de vergelijking met een medeleerling die wél een A-attest kreeg, wordt immers gesteld dat deze laatste slechts één jaartekort heeft – terwijl hij jaartekorten heeft voor toegepaste informatica én Duits. Zo wordt voorbijgegaan aan het feit dat verzoeker niet voldoet aan twee deliberatienormen, terwijl de an-

dere leerling niet voldoet aan drie deliberatienormen. Bovendien zijn de „cijfer-

matige resultaten‟ van verzoeker beter – of minder slecht – dan deze van de be-

trokken medeleerling.

Verzoeker betoogt voorts dat de beroepscommissie “het eigen examenreglement” schendt door aan het vak Duits een “relatief lager gewicht” toe te kennen. De deliberatienormen die opgenomen zijn in het schoolreglement, schrijven voor dat met elk vak rekening wordt gehouden, “zonder enig onder-

scheid”. Uit de bepalingen van de Codex Secundair Onderwijs noch uit omzend-

brief SO64 volgt de verplichting om bij de beoordeling over het al dan niet slagen van leerlingen aan een complementair vak géén of een “relatief lager gewicht” toe te kennen. De voormelde omzendbrief heeft trouwens geen verbindende of re-

glementaire waarde en kan verzoeker niet worden tegengeworpen. Hoe dan ook moet worden vastgesteld dat het “examenreglement” van de verwerende partij geen melding maakt van dat “relatief lagere gewicht” en de verwerende partij mag zich niet beroepen op de onwettigheid van haar eigen reglement. Verzoeker betwist nog dat de beroepscommissie zich een oordeel mag vormen over de betrokken medeleerling en zich op die manier in de plaats van de delibererende klassenraad mag stellen door een “lagere waarde” te hechten aan het vak Duits, terwijl uit niets blijkt dat de klassenraad dit vak op een bijzondere wijze heeft beoordeeld.

Verzoeker doet nog gelden dat de niet-cijfermatige elementen zoals weergegeven in de bestreden beslissing, onjuist zijn. Samengevat, besluit hij hierover als volgt:

IX-9410-6/16

“• Op basis van de gegevens inzake een specifiek zorgdossier (medische gegevens, thuissituatie, leerstoornissen) – voor zover verzoeker kan be-

oordelen – geen verschil bestaat tussen verzoeker en de medeleerling.

• Op basis van de gegevens van het Afwezigheidsdossier, er wat medisch verantwoorde afwezigheden [betreft] geen onderscheid kan en mag ge-

maakt worden tussen verzoeker en de medeleerling. Dat aangaande „pro-

blematische‟ afwezigheden verzoeker en de [medeleerling] beide een vermelding kregen op hun rapporten van 2 halve dagen problematische afwezigheid. Met de onwettige tuchtsanctie opzichtens verzoeker geen rekening kan gehouden worden, hetgeen verweerster trouwens erkent.

• Op basis van de gegevens betreffende de meldingen inzake houding en gedrag er – in tegenstelling tot hetgeen wordt voorgehouden in de bestre-

den beslissing – dient vastgesteld te worden dat er aan verzoeker minder opmerkingen werden gemaakt dan aan de medeleerling, dat verzoeker op permanente wijze betere beoordelingen krijgt voor wat zijn gedrag betreft en dat er voor wat verzoeker betreft – in tegenstelling tot de medeleerling –

een merkbare verbetering in zijn gedrag merkbaar is.

• Op basis van de gegevens betreffende de studiehouding (rapportcom-

mentaren) er beduidend minder negatieve bemerkingen werden gemaakt aan verzoeker in vergelijking met de medeleerling en dit in tegenstelling tot hetgeen wordt voorgehouden in de bestreden beslissing.”

Beoordeling

8. Op het eerste gezicht is in de toelichting van het middel enkel een uiteenzetting te lezen waarbij verzoeker uitlegt waaruit, volgens hem, de schending van het gelijkheidsbeginsel (twee maal!), het zorgvuldigheidsbeginsel en de ma-

teriëlemotiveringsplicht bestaat.

Voor zover het middel is geput uit een schending van de for-

melemotiveringsplicht, het redelijkheidsbeginsel en het onpartijdigheidsbeginsel is het niet ernstig.

9. Verzoeker handhaaft ook in deze zaak – net als in de twee voorgaande die hebben geleid tot de arresten nrs. 242.265 van 6 september 2018 en 242.455 van 27 september 2018 – zijn grief dat hij op niet deugdelijk verantwoorde wijze verschillend is behandeld in vergelijking met een klasgenoot die vergelijk-

bare of zelfs slechtere resultaten had dan hijzelf en een A-attest kreeg.

IX-9410-7/16

10. In zijn arrest nr. 242.265 van 6 september 2018 stelt de Raad van State vast dat “niet geheel onterecht […] met verzoeker [lijkt] te moeten worden besloten dat zijn cijfers vergelijkbaar of zelfs beter zijn dan van de betrokken medeleerling”, maar dat “verzoeker evenwel geen enkel inzicht [verwerft] in de elementen en concrete afwegingen die in het ene geval voor de eindconclusie van het C-attest en in het andere geval voor het A-attest hebben meegespeeld”. De beslissing van de beroepscommissie “lijkt bijgevolg niet wettig gemotiveerd”. Wat het gelijkheidsbeginsel betreft, overweegt de Raad dat het middel voorbarig is, omdat hij “niet beschikt over alle nuttige gegevens om zich uit te spreken over de aangevoerde schending van het gelijkheidsbeginsel” en “het eerst aan de be-

roepscommissie [staat] om haar standpunt te verduidelijken”. De Raad overweegt nog daarbij:

“Van de beroepscommissie mocht worden verwacht dat zij aantoont dat de deliberatiecriteria op beide leerlingen op gelijke wijze werden toegepast, dat zij nagaat of de leerlingen zich effectief in gelijke omstandigheden bevinden en, in de mate waarin dit het geval is, dat zij aangeeft wat dan volgens haar in de onderscheiden concrete dossiers aanleiding geeft om verzoeker een C-attest toe te kennen, terwijl de andere leerling een A-attest heeft verworven. Dat de beroepscommissie als orgaan met hervormings-

bevoegdheid autonoom oordeelt en in voorkomend geval inderdaad binnen de grenzen van de redelijkheid ook strenger mag oordelen dan de delibe-

rerende klassenraad, doet hieraan geen afbreuk. Dit onderzoek kan zij immers doen door de specifieke redenen van de klassenraad over te nemen en bij te vallen indien die redenen haar overtuigend overkomen, dan wel op grond van haar eigen autonome beoordelingsbevoegdheid deugdelijke ei-

gen motieven te geven.”

11. Voor een goed begrip worden de voormelde deliberatiecriteria en enkele andere bepalingen van het schoolreglement in herinnering gebracht.

Naar luid van punt 4.3.2 „Deliberatienormen‟ van het op deze zaak toepasselijke schoolreglement van het koninklijk atheneum te Zaventem moet een leerling van de derde graad, wil hij slagen – “via een A- of B-attest” – “cu-

mulatief [voldoen] aan al de onderstaande voorwaarden”, namelijk “[d]e leerling moet voor elk vak op het jaartotaal minimum 50% behalen” én “[o]p het laatste examen is voor elk vak een minimumcijfer van 40% vereist”. Daaraan wordt nog

IX-9410-8/16

toegevoegd dat “de leerling [bovendien] bij de laatste examenperiode […] niet meer dan 3 tekorten [mag] behalen”, waarbij onder „tekort‟ wordt verstaan:

“minder dan 50% van de punten op het examen van een vak.”

Voor een leerling die voor één poolvak niet voldoet aan minstens één van de eerste twee voormelde voorwaarden, of voor twee niet-poolvakken niet voldoet aan ten minste één van de drie voorwaarden, “neemt de delibererende klassenraad autonoom de beslissing over de eventuele toekenning van een A-, B-

of C-attest of bijkomende proef op basis van o.a. dagelijks werk, inzet, ziekte, evolutie, resultaten, …”.

Het vak „toegepaste economie‟ is blijkens het schoolreglement het (enige) poolvak in het eerste jaar van de derde graad van de door verzoeker gevolgde studierichting.

Het schoolreglement bepaalt voorts onder punt „4. Leerlingen worden geëvalueerd‟ wat volgt:

“Voor alle punten waar in dit reglement over evaluatie wordt gesproken, wordt naast de verplichte leerstof van de uren uit de „basisvorming‟ en uit het „specifiek gedeelte‟ ook de leerstof ondervraagd die aangeboden wordt via de uren uit het Complementaire Gedeelte. De resultaten van deze on-

dervragingen worden mee in aanmerking genomen voor het bepalen van de quoteringen op de rapporten DW en de examens.”

Ten slotte bepaalt het schoolreglement, onder punt 4.3.1, over de beraadslaging door de delibererende klassenraad:

“Tijdens de beraadslaging zal de klassenraad rekening houden met  de behaalde resultaten zoals ze op het rapport staan […]”

12. Wanneer de beroepscommissie, uitgenodigd door het schor-

singsarrest van 6 september 2018, de zaak opnieuw onderzoekt en – onder meer –

de “cijfermatige elementen” van het dossier van verzoeker en dat van de mede-

leerling vergelijkt en daarbij stelt “geen rekening [te houden] met […] het com-

IX-9410-9/16

plementaire vak Duits”, overweegt de Raad in zijn arrest nr. 242.455 van 27 sep-

tember 2018 dat “de stelling van de beroepscommissie over de vakken van het complementaire gedeelte […] geen steun [lijkt] te vinden in de aangehaalde pas-

sages van het schoolreglement, en op het eerste gezicht evenmin elders in het schoolreglement” en dat “[h]et schoolreglement [op het eerste gezicht] weer-

spreekt […] dat deze punten zonder meer „niet (worden) meegenomen in het be-

slissingsproces‟”.

De Raad overweegt nog:

“In die omstandigheden moet – voorlopig – worden geoordeeld dat de beroepscommissie door de resultaten van de medeleerling van verzoeker voor het complementaire vak Duits in het geheel niet in rekening te bren-

gen bij haar vergelijking, de deliberatiecriteria niet voor beide leerlingen op gelijke wijze heeft toegepast. Die deliberatiecriteria lijken immers, zoals voorgeschreven in het schoolreglement, „voor elk vak‟ te moeten worden afgetoetst – en Duits lijkt, tot nader bericht en ondanks het feit dat het in de studierichting van verzoeker en zijn medeleerling tot het complementaire gedeelte behoort, nog steeds een „vak‟.

Evenmin lijkt de beroepscommissie vervolgens correct rekening te hebben gehouden met „de behaalde resultaten zoals ze op het rapport staan‟.

Hiermee is niet gezegd dat de resultaten voor een complementair vak het-

zelfde gewicht in de schaal moet leggen als de resultaten voor de overige vakken, zoals tegen de resultaten voor een richtingsspecifiek vak of een geïntegreerde proef ook anders kan worden aangekeken dan tegen de re-

sultaten voor een niet-richtingsspecifiek vak. Die afweging maakt de be-

roepscommissie echter niet, en het staat niet aan de Raad van State om op dat vlak in de plaats van de beroepscommissie te treden en gevolgtrek-

kingen te doen.”

13. Anders dan verzoeker het ziet, lijkt de beroepscommissie in de thans bestreden beslissing – ook in de versie die eerst aan verzoeker werd betekend en waarop hij voor zijn verzoekschrift is voortgegaan – het vak Duits niet zonder meer buiten beschouwing te hebben gelaten.

Verzoeker probeert van het tegendeel te overtuigen door te wij-

zen op het feit dat bij de toepassing van de “deliberatienormen” en het overzicht van de „cijfermatige elementen‟ van de zaak, bij de medeleerling waarmee hij zich vergeleken wil zien, slechts één jaartekort (toegepaste informatica 48%) ter sprake

IX-9410-10/16

komt en Duits, waarvoor die leerling nochtans ook een jaartekort liet optekenen (38%), daar niet vermeld staat en over beide leerlingen wordt gezegd dat zij vol-

doen aan de “deliberatienorm” „minimaal 40% halen op EX2 voor elk vak‟, terwijl de betrokken medeleerling voor Duits in de tweede examenperiode een resultaat van 29% behaalde.

14.1. Dat verzoeker niet voldoet aan twee van de drie “deliberatie-

normen” en de betrokken medeleerling, mits rekening wordt gehouden met zijn resultaten voor Duits, faalt voor alle drie de deliberatiecriteria, lijkt niet relevant te zijn.

14.2. Immers, de bestreden beslissing – zowel in de onvolledige versie die aan verzoeker eerst is meegedeeld als in de versie die hem pas na het instellen van de huidige vordering is bezorgd – wijst in verband met de “deliberatienormen”

op het volgende:

“De beroepscommissie wenst zeer duidelijk te stellen dat de deliberatie-

normen gehanteerd worden als een norm voor vrijstelling van een werke-

lijke deliberatie: als de leerling voldoet aan de normen, behaalt hij zonder meer een A-attest omdat er dan geen twijfel bestaat dat de leerplandoel-

stellingen in voldoende mate bereikt zijn.”

Dat spoort, zo lijkt, met de hiervóór aangehaalde bepalingen in het schoolreglement die – onder meer en voor zover relevant voor verzoeker en de betrokken medeleerling – stipuleren dat “[v]oor een leerling die voor 2

niet-poolvakken niet voldoet aan minstens één van de drie bovenvermelde voor-

waarden, […] de delibererende klassenraad autonoom de beslissing [neemt] over de eventuele toekenning van een A-, B- of C-attest of bijkomende proef op basis van o.a. dagelijks werk, inzet, ziekte, evolutie, resultaten, …”.

Niet betwist wordt dat verzoeker en de betrokken medeleerling niet voldoen aan minstens twee van de “deliberatienormen” en, bijgevolg, niet voldoen aan de cumulatieve “deliberatienormen”. De bestreden beslissing stelt uitdrukkelijk:

IX-9410-11/16

“Verzoeker noch zijn medeleerling voldoen aan de deliberatienormen.”

Daardoor lijken beiden, volgens de zonet in herinnering ge-

brachte bepaling van het schoolreglement, hoe dan ook niet in aanmerking te komen om zich zonder meer – of zoals de bestreden beslissing het stelt: via “vrij-

stelling van een werkelijke deliberatie” – een A-attest toegekend te weten.

14.3. Evenzeer daardoor komen verzoeker en de medeleerling, op het eerste gezicht, als het ware terecht in een “pool” van de leerlingen die niet zonder verdere beraadslaging of deliberatie geslaagd kunnen worden verklaard. Wanneer vervolgens over de leerlingen die zich in deze “pool” bevinden wordt gedelibe-

reerd, lijkt verzoeker er niet langer aanspraak op te kunnen maken dat de delibe-

ratiecriteria een tweede maal worden gehanteerd. Zoals gezien, ligt het dan op de weg van de delibererende klassenraad – en in dit geval na hem de beroepscom-

missie – om “autonoom” te beslissen “over de eventuele toekenning van een A-, B-

of C-attest of bijkomende proef op basis van o.a. dagelijks werk, inzet, ziekte, evolutie, resultaten, …” en dus niet, zo lijkt, op grond van nogmaals dezelfde deliberatiecriteria.

14.4. Verzoeker heeft bijgevolg geen belang bij de grief dat de be-

roepscommissie eraan zou voorbijgaan dat de medeleerling niet voldoet aan drie van de drie deliberatiecriteria.

15. Daartegenover staat, op het eerste gezicht, dat de beroepscom-

missie in haar “besluit” over de “cijfermatige elementen” wél uitdrukkelijk aan-

geeft dat verzoeker “twee grote tekorten op de jaarresultaten [vertoont]” en de andere leerling “één licht tekort en één groot tekort op de jaarresultaten” heeft behaald. Met dat “groot tekort” lijkt, met zicht op het door verzoeker bijgebrachte rapport van de betrokken medeleerling, alleen zijn of haar resultaat voor Duits bedoeld te kunnen zijn.

Verzoeker bestrijdt overigens verderop in zijn middel het “rela-

tief lager gewicht” dat in de bestreden beslissing aan het vak Duits wordt toege-

IX-9410-12/16

kend, zodat hij bezwaarlijk kan volhouden dat de beroepscommissie “wederom abstractie [maakt] van het complementaire vak Duits”.

16. Bij de deliberatie over de resultaten van verzoeker – en in het bijzonder bij de vergelijking met de medeleerling waarop hij heeft aangedrongen –

lijkt de beroepscommissie thans dus wel degelijk het vak Duits te hebben betrok-

ken.

De beroepscommissie heeft daarbij onder meer overwogen dat “aan het complementair vak niet hetzelfde gewicht kan toegekend worden als aan de niet-complementaire vakken”, dat “het vak Duits […] niet het karakteristieke van de studierichting TSO Handel [bepaalt]”, dit in tegenstelling tot de taalvakken Frans en Engels die “wel essentieel” zijn, dat “voor complementaire vakken […]

geen leerplannen [worden] ingediend bij de overheid”, dat die overheid “in dat geval ook geen te bereiken eindtermen [opstelt] die kunnen worden getoetst”, dat “[z]oals voor de verplichte leerstof van de lestijden „basisvorming‟ en „specifiek gedeelte‟ […] de leerstof voor complementaire vakken ondervraagd [wordt]”, dat “[d]e resultaten ervan [eveneens] leiden […] tot rapportcijfers voor dagelijks werk en examens […] maar […] slechts een zeer beperkte rol [spelen] bij de deliberatie tot bekrachtiging van de studies”, dat “[w]anneer een leerling de deliberatienormen niet haalt […] en dus gedelibereerd moet worden, […] uit de ingeroepen bepa-

lingen ter ondersteuning van het middel niet [blijkt] dat doorslaggevend gewicht moet toegekend worden aan een complementair vak”, dat “[d]e beoordeling […]

zich […] in de eerste plaats [dient] toe te spitsen op de vakken met goedgekeurde leerplannen”, dat “dit standpunt […] gedeeld [wordt] door de inspectie van de Vlaamse Gemeenschap” en dat het “[i]n het specifieke geval van Duits […] bo-

vendien [gaat] om een complementair vak dat niet gelieerd is aan een richtings-

specifiek vak, wat de beroepscommissie ertoe beweegt het gewicht ervan lager in te schatten dan wanneer dit wel het geval zou zijn”.

17. Hoe de beroepscommissie door zo te oordelen het schoolregle-

ment schendt, zoals verzoeker beweert, is vooralsnog niet duidelijk.

IX-9410-13/16

Dat alle vakken – en dus ook deze van het complementaire ge-

deelte – in rekening moeten worden gebracht, zoals verzoeker uit het schoolre-

glement distilleert, betekent op het eerste gezicht niet – en zeker niet ipso facto –

dat bij een deliberatie aan elk vak een gelijk gewicht moet worden toegekend.

Alvast uit geen van de door verzoeker aangevoerde bepalingen lijkt dat laatste te volgen.

Het ligt prima facie net in de rede dat aan vakken die deel uit-

maken van het curriculum van een opleiding, op grond van hun aard, een eigen gewicht wordt toegekend, bijvoorbeeld wegens hun aandeel in de totale studie, of vanwege hun belang voor de gekozen studierichting, of nog, ingevolge de speci-

fieke kunde die het opleidingsonderdeel wil en moet uittesten.

Er anders tegenaan kijken en zoals verzoeker vraagt alle vakken als gelijkwaardig beschouwen, lijkt in het licht van het gelijkheidsbeginsel zelfs problematisch te zijn. Immers, het gelijkheidsbeginsel houdt niet alleen in dat gelijke gevallen gelijk moeten worden behandeld, het verbiedt ook dat ongelijke gevallen zonder reden toch gelijk worden behandeld. Evenzo, lijkt te moeten worden geoordeeld dat wanneer aannemelijk wordt gemaakt dat vakken wat betreft hun aard of hun plaats in de opleiding verschillend zijn, zich dat ook mag laten voelen in de weegschaal van de deliberatie door aan die vakken telkens een “rela-

tief” gewicht toe te kennen.

18. De beroepscommissie lijkt met haar gestoffeerd oordeel dat aan een zogenaamd complementair vak een “relatief lager gewicht” moet worden toegekend dan aan de andere vakken – hetzij richtingsspecifieke vakken, hetzij vakken die tot de basisvorming behoren – niet de grenzen van haar discretionaire bevoegdheid of de redelijkheid te hebben overschreden.

Verzoeker laat in ieder geval op het eerste gezicht na van het tegendeel te overtuigen.

IX-9410-14/16

19. Voorts wordt niet betwist dat „toegepaste informatica‟ behoort tot het specifieke gedeelte van de studierichting die verzoeker volgt.

20. Wat voorafgaat doet op het eerste gezicht het volgende besluiten:

- het rapport van verzoeker vertoont twee jaartekorten, waarvan één voor een richtingspecifiek vak (39%) en één voor een vak van de basisvorming (43%);

- het rapport van de betrokken medeleerling vertoont eveneens twee jaartekorten, waarvan één voor hetzelfde richtingspecifieke vak (48%) en één voor een vak van het complementaire gedeelte van de vorming (38%);

- uit die gegevens mag de beroepscommissie prima facie afleiden dat “de cijfer-

matige elementen […] in het nadeel van verzoeker [spelen]” en dat “er geen ele-

menten wijzen op een ongelijke behandeling”.

21. Zulks betekent, zo lijkt, dat verzoeker de beroepscommissie niet kan verwijten op grond van de vergelijking van de “cijfermatige elementen” van het dossier van verzoeker en dat van een medeleerling, op ondeugdelijke wijze tot haar besluit te zijn gekomen om aan verzoeker – in tegenstelling tot die mede-

leerling – een C-attest toe te kennen.

22. Hieruit volgt dan weer, dat verzoekers kritiek op de beoordeling van de “niet-cijfermatige elementen” niet relevant lijkt. Deze elementen vermogen immers hoe dan ook – hoogstens – een aanvullende of versterkende rol te spelen en lijken derhalve overtollig ten aanzien van de “cijfermatige elementen”.

Kritiek op overtollige motieven kan niet tot nietigverklaring – en bij uitbreiding: schorsing – leiden.

23. Het enige middel is niet ernstig.

Er is bijgevolg niet voldaan aan de tweede schorsingsvoor-

waarde.

IX-9410-15/16

VIII. Andere voorlopige maatregelen onder verbeurte van een dwangsom

24. De vaststelling dat het enige middel niet ernstig is, volstaat om ook de vordering tot het opleggen van de andere voorlopige maatregelen af te wijzen.

BESLISSING

1. De Raad van State verwerpt de vorderingen.

2. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 20 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700

euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij.

Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 16 oktober 2018, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit:

Geert Van Haegendoren, kamervoorzitter, bijgestaan door Johan Pas, griffier.

De griffier De voorzitter

Johan Pas Geert Van Haegendoren

IX-9410-16/16

PDF document ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.242.673