Court dismisses appeal against administrative fine for overloading, rejecting excuses for repeated violations.
Synthèse Legislator
Généré par l'IAThe Council of State rejected the appeal filed by Darky Dejonckheere and NV Destrans against a €4,500 administrative fine for overloading a truck. The court found that the driver's lack of prior record and the purchase of safer trailers were insufficient grounds for leniency given the severity of the violation and the company's history of similar offenses. Consequently, the court ruled that the administrative penalty stands and the appellants must bear their own legal costs.
Regeste Legislator
Généré par l'IAArticles 3, second paragraph; Article 17, paragraph 3 of the Decree of 3 May 2013 on the protection of road infrastructure in the event of special road transport; The court established that excuses such as a clean criminal record or recent equipment upgrades do not justify the imposition of an administrative fine when the violation is severe and part of a pattern of repeated offenses.
Mots-clés
Généré par l'IADispositions légales citées
Généré par l'IADécisions connexes
Généré par l'IATexte complet
RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK
XIIe KAMER
nr. 242.663 van 16 oktober 2018
in de zaak A. 220.433/XII-8242
In zake: 1. de NV DESTRANS
2. DEJONCKHEERE Darky bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Patrick Weegmann kantoor houdend te 8310 Brugge Baron Ruzettelaan 292, bus 0101
bij wie woonplaats wordt gekozen
tegen:
het VLAAMSE GEWEST
woonplaats kiezend bij het Agentschap Wegen en Verkeer Koning Albert II-laan 20/4
1000 Brussel
I. Voorwerp van het beroep
1. Het beroep, ingesteld op 5 oktober 2016, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van het Vlaamse Gewest van 5 augustus 2016
waarbij aan Darky Dejonckheere een administratieve geldboete van 4.500 euro wordt opgelegd wegens inbreuk op het verbod om het wegdek te beschadigen door overlading van een voertuig en de nv Destrans burgerrechtelijk aansprakelijk wordt gesteld voor de betaling van die geldboete.
II. Verloop van de rechtspleging
2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord inge-
diend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend.
XII-8242-1/17
Auditeur Thomas Maes heeft een verslag opgesteld.
De verzoekende partij heeft een laatste memorie ingediend.
De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 29 mei 2018.
Staatsraad Pierre Barra heeft verslag uitgebracht.
Advocaat Gauthier Moureau, die loco advocaat Patrick Weegman verschijnt voor de verzoekende partijen, is gehoord.
Auditeur Thomas Maes heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven.
Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.
III. Feiten
3.1. Op 22 juni 2015 wordt een vrachtwagen met oplegger, bestuurd door Darky Dejonckheere, de tweede verzoekende partij en werknemer van de eerste verzoekende partij, door de Wegeninspectie gecontroleerd op de autosnelweg E40 te Jabbeke. Bij weging van het voertuig wordt vastgesteld dat de trekker overladen is op de tweede as met 571 kg en de oplegger overladen is op de derde as met 3.948 kg. Er wordt proces-verbaal opgesteld wegens inbreuk op artikel 3, tweede lid, van het decreet van 3 mei 2013 ‘betreffende de bescherming van de verkeersinfrastructuur in geval van bijzonder wegtransport’ (hierna: ‘het decreet bijzonder wegtransport’).
3.2. Op 3 augustus 2015 wordt het proces-verbaal bezorgd aan de procureur des Konings te Brugge met het verzoek om overeenkomstig artikel 17, § 3, van het decreet bijzonder wegtransport binnen een termijn van 60 dagen mee
XII-8242-2/17
te delen welk gevolg aan de zaak zal worden gegeven. Op 19 augustus 2015
wordt meegedeeld dat de procureur des Konings geen vervolging zal instellen.
3.3. Op 28 oktober 2015 beslist de wegeninspecteur-controleur om aan de tweede verzoekende partij een administratieve geldboete van 4.500 euro op te leggen en de eerste verzoekende partij burgerrechtelijk aansprakelijk te stellen voor de betaling van deze administratieve geldboete.
3.4. Op 3 november 2015 tekenen de verzoekende partijen bezwaar aan tegen die beslissing.
Op 2 februari 2016 heeft een hoorzitting plaats.
Op 11 april 2016 beslist de wegeninspecteur-controleur om aan de tweede verzoekende partij een administratieve geldboete van 4.500 euro op te leggen, waarvan 1.125 euro met uitstel over een periode van drie jaar, en de eerste verzoekende partij burgerrechtelijk aansprakelijk te stellen voor de betaling van deze administratieve geldboete. Deze beslissing wordt met een aangetekende brief van dezelfde dag aan de verzoekende partijen ter kennis gebracht.
3.5. Op 13 april 2016 stellen de verzoekende partijen tegen die beslissing beroep in bij de Vlaamse regering.
Op 15 juni 2016 heeft een hoorzitting in beroep plaats.
Op 5 augustus 2016 beslist de administrateur-generaal van het Agentschap Wegen en Verkeer aan de tweede verzoekende partij een administratieve geldboete van 4.500 euro op te leggen en de eerste verzoekende partij burgerrechtelijk aansprakelijk te stellen voor de betaling van deze administratieve geldboete. Die beslissing wordt dezelfde dag met een aangetekende brief aan de verzoekende partijen ter kennis gebracht.
Dit is de bestreden beslissing.
XII-8242-3/17
IV. Onderzoek van de middelen
A. Eerste middel
Uiteenzetting van het middel
4.1. De verzoekende partijen voeren in een eerste middel de schending aan van artikel 6.2 EVRM en “machtoverschrijding ingevolge juridisch onaanvaardbare vaststellingen, als inbreuk op het vermoeden van onschuld”.
De verzoekende partijen voeren aan dat bij het aanvankelijk proces-verbaal geen ijkingscertificaat werd gevoegd van de weegbrug waarmee de overlading werd vastgesteld, zodat onmogelijk op een redelijke of objectieve wijze kan worden afgeleid dat de overlading als materieel element van de inbreuk bewezen is. Het proces-verbaal maakt ook melding van een verslag van een metrologische controle, maar dit verslag werd niet bij het proces-verbaal gevoegd, zodat de verzoekende partijen de inhoud ervan niet kunnen nagaan. Het is volgens hen niet uitgesloten dat dit verslag melding maakt van het niet-correct meten van de asweger. De verzoekende partijen stellen niet dat de weegresultaten vals zijn, en als zij dit al zouden doen, zijn zij gerechtigd dit te doen in elke stand van de procedure.
Voorts betogen zij dat noch uit het administratief dossier, noch uit de bestreden beslissing blijkt dat de vormvoorschriften correct zijn nageleefd, en dat niet met absolute zekerheid kan worden vastgesteld dat de gevoegde weegbon daadwerkelijk een “PC-outprint” betreft van de weging met de “vermoed geijkte weegbrug”.
De verzoekende partijen besluiten hieruit dat het materieel element van de inbreuk – de overlading – niet is vastgesteld.
4.2. In de memorie van wederantwoord betogen de verzoekende partijen met betrekking tot de repliek van de verwerende partij dat de in dit middel aangevoerde argumenten niet werden opgeworpen in de administratieve
XII-8242-4/17
procedure en dat – zoals reeds gewezen in meerdere arresten van de Raad van State waarin dezelfde problematiek aan bod kwam – het middel derhalve onontvankelijk is, dat in het Belgisch recht vorige uitspraken geen bindende kracht hebben als precedent, en dat de verwerende partij geen enkele rechtsgrond aanhaalt ter ondersteuning van haar stelling.
4.3. In de laatste memorie repliceren de verzoekende partijen nog het volgende op het verslag van de auditeur:
- dat zij in hun memorie van wederantwoord duidelijk hebben uiteengezet waarin de schending van het vermoeden van onschuld tijdens de bestuursrechtelijke vervolging bestaat: namelijk dat, gelet op de afwezigheid van het ijkings-
certificaat van de weegbrug, niet met zekerheid kan worden nagegaan of de weegresultaten correct zijn en dat daarenboven niet met zekerheid kan worden gesteld dat de gevoegde weegbon bij het proces-verbaal daadwerkelijk het resultaat is van de weging zoals uitgevoerd op het voertuig van verzoekende partijen.
- dat geen rechtsgrond wordt aangehaald ter ondersteuning van de stelling dat de verzoekende partijen hun middel reeds had moeten opwerpen in de administratieve procedure.
Beoordeling
4.4. De Raad van State heeft reeds in talrijke arresten, onder meer in het arrest nr. 237.514 van 28 februari 2017, over een identiek middel als volgt geoordeeld:
“4.4. In zoverre in het middel de schending wordt aangevoerd van artikel 6.2. EVRM, dient te worden vastgesteld dat de verzoekende partijen niet uiteenzetten waarin de schending van het vermoeden van onschuld te dezen zou bestaan. Zij zetten niet concreet uiteen waarom de aangeklaagde gebreken met betrekking tot de vaststelling van de overlading tot gevolg zouden hebben gehad dat het vermoeden van hun onschuld tijdens de bestuursrechtelijke vervolging niet meer zou hebben gegolden. In zoverre is het middel niet ontvankelijk.
4.5. Krachtens artikel 16, derde lid, van het decreet bijzonder wegtransport hebben de processen-verbaal opgemaakt door de wegeninspecteurs ‘bewijswaarde tot bewijs van het tegendeel’.
XII-8242-5/17
4.6. Zoals in het auditoraatsverslag reeds werd vastgesteld en door de verzoekende partijen in hun laatste memorie niet wordt betwist, hebben de verzoekende partijen noch in het kader van haar verzet tegen de initiële beslissing van de wegeninspecteur-controleur, noch in het kader van hun beroep tegen de beslissing na verzet, het materieel element van de inbreuk betwist.
Zij hebben op geen enkel ogenblik in de procedure aangevoerd dat het ijkingscertificaat niet bij het proces-verbaal was gevoegd. Het blijkt overigens niet dat daartoe een verplichting bestaat. De verzoekende partijen laten voorts na enige rechtsregel aan te duiden waaruit blijkt dat de aswegers moeten worden geijkt. In het proces-verbaal wordt vermeld dat de asdrukweger door de metrologische dienst van de FOD Economie, K.M.O., Middenstand en Energie op zijn juistheid werd getest op […]
[hier: 25 november 2014]. De Raad van State ziet niet in waarom een controle op vrijwillige basis door de metrologische dienst minder zekerheid zou verschaffen omtrent de correctheid van een uitgevoerde weging dan in geval van een wettelijk bepaalde ijking.
Evenmin hebben de verzoekende partijen enige opmerking gemaakt in verband met de weegbon die als bijlage bij het proces-verbaal is gevoegd.
De vaststellingen in het proces-verbaal stemmen overigens overeen met de gegevens vermeld op de weegbon, zodat er geen twijfel over bestaat dat deze de resultaten bevat die met de in het proces-verbaal vermelde asweger werden vastgesteld.
Bijgevolg gaat de Raad van State ervan uit dat de bijlage met de weegbon deel uitmaakt van het proces-verbaal, dat, zoals hiervoor reeds vermeld, bewijswaarde heeft ‘tot bewijs van het tegendeel’.
[…]
De verzoekende partijen tonen bijgevolg geenszins aan dat het “juridisch onaanvaardbaar” zou zijn de overlading van het voertuig als bewezen te beschouwen.
4.7. Het eerste middel wordt verworpen.”
4.5. Om dezelfde redenen als deze vermeld in de hiervoor geciteerde overwegingen van het arrest nr. 237.514 van 28 februari 2017, wordt het middel verworpen.
XII-8242-6/17
B. Tweede middel
Uiteenzetting van het middel
4.6. Een tweede middel is afgeleid uit de schending van “het procedureel gewaarborgde recht van onafhankelijkheid van de beslissende en rechtsprekende overheden en het beginsel van behoorlijk bestuur”.
De verzoekende partijen voeren aan dat “voormeld beginsel manifest wordt geschonden” doordat de procedure volledig wordt afgewerkt door en voor het Agentschap Wegen en Verkeer, “zonder enige tussenkomst van een derde onafhankelijke instantie”, waardoor er “geen strikte scheiding der machten [is]”, nu “de taken en de missie van het Agentschap Wegen en Verkeer […], niet te rijmen vallen met een eerlijke en onafhankelijke benadering van de dossiers”.
Het vermoeden van afhankelijkheid wordt nog versterkt door de centralisatie van diverse diensten in hetzelfde gebouw en de uitwisseling van hetzelfde admini-
stratief personeel. Evenmin kan worden gesteld dat het feit dat het Agentschap Wegen en Verkeer, waartoe de wegeninspecteurs-controleurs behoren, onder de verantwoordelijkheid valt van de Vlaamse minister van Openbare Werken en Mobiliteit, een gegeven is dat eigen is aan de structuur van het bestuur en dat dienvolgens niet dienstig kan worden aangevoerd om de onpartijdigheid van het bestuur te betwisten.
4.7. In de memorie van wederantwoord merken de verzoekende partijen op dat het feit dat er in de administratieve procedure, zoals voorzien door het decreet bijzonder wegtransport, een duidelijk gebrek aan onafhankelijkheid aanwezig is, “minstens gegronde twijfel [doet] ontstaan inzake vooringenomen-
heid van de beslissende overheid, alsook ernstige twijfel inzake de objectiviteit van de beslissingen na verzet en na beroep”. Het feit dat tegen de beslissing van de administrateur-generaal beroep open staat bij de Raad van State en dat bij niet-
betaling van de administratieve geldboete een dwangbevel kan worden uitgevaardigd waartegen verzet kan worden gedaan bij de rechtbank van eerste aanleg, is volgens de verzoekende partij naast de kwestie aangezien de verschillende beslissingen genomen worden door één en dezelfde instantie, namelijk het Agentschap Wegen en Verkeer, zonder tussenkomst van een derde
XII-8242-7/17
onafhankelijke instantie. Het uitvaardigen van een dwangbevel is bovendien facultatief, zodat het niet altijd mogelijk is om verzet aan te tekenen bij de rechtbank van eerste aanleg. De loutere motivering dat aan de waarborgen van een eerlijk proces is voldaan vanwege de mogelijkheid tot het instellen van een beroep bij de Raad van State “biedt op geen enkele manier een antwoord op de aangevochten problematiek”, nu de verzoekende partijen zich tot de Raad van State wenden om “dergelijke oneerlijke en afhankelijke administratieve rechtsbedeling aan te vechten”.
4.8. In de laatste memorie benadrukken de verzoekende partijen nog dat het niet mogelijk is dat, enerzijds, wordt erkend dat er te dezen sprake is van een strafrechtelijke sanctie, doch dat, anderzijds, de overheden die deze strafrechtelijke boetes opleggen geen rechterlijke instanties zijn in de zin van artikel 6 EVRM.
Zij verwijzen ter vergelijking nog naar het decreet van het Waalse Gewest van 19 naar 2009 betreffende de instandhouding van het gewestelijke openbaar wegen- en waterwegendomein waarbij personen die een inbreuk begaan op het voormelde decreet en aldus overladingen die worden vastgesteld in Wallonië, wel worden onderworpen aan een procedure die voldoet aan de onafhankelijkheid- en onpartijdigheidvereisten zoals voorzien in artikel 6
EVRM.
Beoordeling
4.9. De Raad van State heeft reeds in talrijke arresten, onder meer in het voormelde arrest nr. 237.514 van 28 februari 2017, over een identiek middel als volgt geoordeeld:
“4.11. De wegeninspecteur-controleur en de Vlaamse minister van Openbare Werken en Mobiliteit treden bij het opleggen van een administratieve geldboete ingevolge een inbreuk op het decreet bijzonder wegtransport niet op als jurisdictioneel orgaan, maar wel als organen van het actief bestuur.
Ook organen van het actief bestuur moeten de onpartijdigheidsplicht in acht nemen, doch voor hen geldt die verplichting niet zo absoluut als voor
XII-8242-8/17
de rechter en zij moet verenigbaar zijn met de eigen aard, meer bepaald de eigen structuur van bestuur. Daarbij dient rekening te worden gehouden met de wijze waarop de administratieve procedure door de decreetgever wordt geregeld.
De omstandigheid dat het agentschap Wegen en Verkeer, waartoe de wegeninspecteur-controleurs behoren, onder de verantwoordelijkheid valt van de Vlaamse minister van Openbare Werken en Mobiliteit, is een gegeven dat eigen is aan de structuur van het bestuur en kan dienvolgens niet dienstig worden aangevoerd om de onpartijdigheid van de betrokken bestuursorganen te betwisten.
Uit het administratief dossier blijkt bovendien dat zowel op verzet, als in beroep een tegensprekelijk debat plaatsvond, met neerlegging van conclusies, waarop het bestuur, zowel op verzet als in beroep, uitgebreid heeft geantwoord, nadat de advocaat van de verzoekende partijen werd uitgenodigd op een hoorzitting, tijdens welke de raadsman de zaak kon toelichten en alle dienstige elementen kon aanvoeren, ter verdediging van zijn cliënten, waarbij een ambtenaar voor de administratieve beroepsinstantie een schriftelijk relaas heeft genotuleerd van het verloop van de zitting, zodat op bestuurlijk vlak de rechten van verdediging werden geëerbiedigd en het bestuur heeft doen blijken van de vereiste onafhankelijkheid en op zorgvuldige wijze heeft gehandeld.
4.12. In zover de verzoekende partijen zich beroepen op de schending van de door artikel 6.1. van het EVRM voorziene waarborgen inzake een eerlijk proces door een onafhankelijke en onpartijdige ‘rechterlijke instantie’, moet worden herhaald – zoals reeds in talloze arresten uiteengezet – dat artikel 6 EVRM niet vereist dat de administratieve instanties die de boete hebben opgelegd of die kennis hebben genomen van het verzet of het beroep daartegen, aan alle vereisten van artikel 6.1
EVRM moeten voldoen. Het volstaat dat tegen de eindbeslissing van de administratieve overheid een beroep openstaat bij een rechterlijke instantie met ‘volle rechtsmacht’, in de zin waarin het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: het EHRM) dat begrip verstaat (EHRM
17 april 2012, Steiniger t. Oostenrijk, nr. 21539/07, § 46).
Tegen de beslissing van de minister kunnen de verzoekende partijen overeenkomstig artikel 14 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, een beroep tot nietigverklaring instellen bij de Raad van State. Het standpunt dat de Raad van State een rechtscollege is dat beantwoordt aan de vereisten van artikel 6.1 EVRM, dat door de verzoekende partijen overigens niet wordt betwist, werd reeds in talloze arresten van de Raad van State en nationale hogere rechtscolleges, namelijk het Grondwettelijk Hof (Grondwettelijk Hof, 18 februari 2016, nr. 25/2016, B.40.1 en B.40.2) en het Hof van Cassatie (Cass. 15 oktober 2009, Arr.Cass. 2009, 584), bevestigd.
XII-8242-9/17
De verzoekende partijen hebben bijgevolg de garantie op een volwaardige jurisdictionele toetsing van de bestreden beslissing overeenkomstig de vereisten bepaald in artikel 6 EVRM. Door middel van zijn marginale toetsingsbevoegdheid houdt de Raad van State ook toezicht op de discretionaire beoordelingsbevoegdheid van het bestuur, en dus op de opportuniteit van zijn beslissingen.
4.13. Het tweede middel is niet gegrond.”
4.10. Om dezelfde redenen als deze vermeld in de hiervoor geciteerde overwegingen van het arrest nr. 237.514 van 28 februari 2017, wordt het middel verworpen. De omstandigheid dat de regelgeving in het Waalse Gewest een andere procedure bepaalt voor gelijkaardige inbreuken is ter zake niet relevant.
C. Derde middel
Uiteenzetting van het middel
4.11. De verzoekende partijen voeren in een derde middel de schending aan van “de motiveringsplicht, in de ruimste zin”, doordat “de bestreden beslissing niet in concreto gemotiveerd is en zich beperkt tot de uiteenzetting van een louter juridisch - theoretisch leerstuk, ter staving van de taken en de missie van het Agentschap Wegen en Verkeer”. Zij doen gelden dat er onvoldoende inhoudelijk op hun argumenten wordt geantwoord:
“Dat er bijvoorbeeld op het belangrijkste inhoudelijk argument van verzoekende partijen niet in concreto wordt geantwoord. Met name dat verzoekende partijen een trailer vervoerde die reeds was voorgeladen door de afzender en dat er geen technische hulpmiddelen ter beschikking waren van de chauffeur om enige vaststelling omtrent de massa te doen.
Dat er sprake is van doorslaggevende en substantiële handelingen door de afzender die in casu een fout uitmaken. Alsook dat er absoluut een oorzakelijk verband bestaat tussen de handelingen van de afzender en de overlading die een fout uitmaakt.
Het is duidelijk dat wanneer de afzender juist zou geladen hebben en de fout wordt weggenomen, dat verzoekende partij niet met een overladen voertuig op de weg had gereden.
Dat nu net op dit belangrijkste argument in het kader van de argumentatie ten gronde alsook in subsidiaire orde als verzachtende omstandigheid, geen concreet antwoord wordt geboden.
XII-8242-10/17
Nochtans heeft dit gegeven een substantiële invloed op de grond van de zaak alsook op de verzachtende omstandigheden.
Bovendien heeft de Raad Van State hieromtrent volgende visie: ‘Uit de beslissing over het beroep moet echter wel blijken dat de argumentatie daadwerkelijk in de besluitvorming werd betrokken en waarom argumenten niet werden aanvaard. Wil een administratieve beroepsprocedure zinvol zijn, dan dient ze er immers op gericht te zijn een antwoord te verschaffen op de elementen die een bestuurde tegen een voor hem ongunstige beslissing aanbrengt.’ (RvS 19 februari 2009, nr. 190.638, vzw Vormingscentrum Hoger Instituut voor Verpleegkunde Sint-Elisabeth Turnhout; RvS 15 juli 2009, nr. 195.290, vzw Secundaire Leergangen).
Het volstaat aldus niet enkel de argumenten mee te nemen in de globale motivering; er dient ook in concreto te worden geantwoord. Dit betekent op elk argument afzonderlijk. Zulks is niet gebeurd, wat temeer blijkt nu grotendeels dezelfde motivering wordt overgenomen, als in andere beslissingen. Nu geen twee situaties identiek zijn, kan ook geen identieke motivering worden gehandhaafd. De motiveringsplicht kan niet dermate algemeen zijn.
Dit berust op de individualiteit (individuele strekking) van de rechtspleging.”
4.12. In de memorie van wederantwoord verwijzen de verzoekende partijen naar de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’ en de daaruit volgende plicht om bestuurshandelingen afdoende te motiveren. De bestreden beslissing is niet afdoende gemotiveerd want zij biedt geen antwoord op de belangrijkste argumenten van de verzoekende partijen. De verzoekende partijen kunnen op grond van de bestreden beslissing onmogelijk nagaan of het bestuur de feitelijke en juridische gegevens juist heeft geïnterpreteerd en beoordeeld omdat deze geen melding maakt van de belangrijkste argumenten opgeworpen door de verzoekende partijen.
4.13. In de laatste memorie blijven de verzoekende partijen erbij dat er in casu geen sprake is van een afdoende motivering. Zij benadrukken dat zij in hun besluiten uitdrukkelijk rechtspraak en wetgeving inzake de medeverantwoordelijkheid van de verlader hebben aangehaald ter ondersteuning van hun argumentatie. Daarop wordt op geen enkele manier, noch impliciet noch expliciet, geantwoord of verwezen naar het feit dat de verzoekende partijen slechts een voorgeladen trailer hebben vervoerd en dat zowel de
XII-8242-11/17
vrachtwagenbestuurder als de vervoersonderneming op geen enkele manier inspraak hadden in de belading van de trailer.
Beoordeling
4.14. Uit de uiteenzetting van het middel blijkt dat de verzoekende partijen de schending aanvoeren van de formelemotiveringsplicht, voorge-
schreven door de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’. Op grond van die wet dient de overheid in de individuele bestuurshandelingen de juridische en feitelijke overwegingen te vermelden die aan de beslissing ten grondslag liggen, en dat op een “afdoende” wijze. Het afdoende karakter van de motivering betekent dat de de aangehaalde redenen moeten volstaan om de beslissing te dragen.
De formelemotiveringsplicht, vervat in de genoemde wetsbepalingen, impliceert niet dat de overheid ertoe is gehouden om op elk aangevoerd argument afzonderlijk te antwoorden. Het volstaat dat uit de motive-
ring van de bestreden beslissing impliciet of expliciet blijkt dat de aangevoerde argumenten in de besluitvorming werden betrokken en dat uit de motivering kan worden afgeleid waarom deze argumenten niet worden aangenomen.
4.15. De bestreden beslissing doet uitspraak over het bestuurlijk beroep dat door de verzoekende partijen tegen de beslissing na bezwaar van de wegeninspecteur-controleur werd ingesteld.
In dat beroep hebben de verzoekende partijen in hoofdorde aangevoerd dat er een procedurefout zou zijn gebeurd, dat het materieel element van de inbreuk ontbreekt aangezien er geen bewijs zou zijn van het oorzakelijk verband tussen de overschrijding van de aslastenbeperkingen en de beschadiging van het wegdek, dat het moreel element van de inbreuk niet bewezen is aangezien de chauffeur niet nalatig is geweest, en, in subsidiaire orde, dat er verzachtende omstandigheden zijn en uitstel moet worden verleend.
In de motivering van de bestreden beslissing worden, na een vermelding van de wettelijke grondslag van de beslissing, een uiteenzetting van
XII-8242-12/17
de feiten en de vaststelling dat het beroep ontvankelijk is, uitvoerig overheen vijf bladzijden de redenen uiteengezet waarom er geen procedurefout is gebeurd en waarom het materieel en het moreel element van de inbreuk bewezen zijn. Voorts wordt in de bestreden beslissing uiteengezet waarom de verwerende partij geen verzachtende omstandigheden heeft aangenomen, noch uitstel heeft verleend.
“2. Materieel element Appellante is van oordeel dat het materieel element van het misdrijf niet bewezen is;
Het middel is ongegrond om onderstaande redenen:
Het materieel element bestaat bij inbreuken op artikel 3, lid 1 van het decreet van 3 mei 2013 uit het beschadigen van het wegdek ten gevolge van een asoverlading.
Het decreet stelt een wettelijk vermoeden van schade in dat stelt dat de persoon die overladen rond rijdt, automatisch wordt verondersteld het wegdek te hebben beschadigd en aldus een inbreuk te hebben gepleegd op artikel 3;
Het instellen van zo’n een wettelijk vermoeden wordt door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, in beginsel, geacht niet in strijd te zijn met het in artikel 6.2. EVRM geponeerde vermoeden van onschuld, zolang het een redelijk verband van evenredigheid vertoont met het wettelijk nagestreefde doel;
Gelet op het oorzakelijk verband tussen een overschrijding van de federale aslastenbeperkingen en beschadiging van het wegdek, kan gesteld worden dat de gewichtsoverschrijding van het voertuig een verantwoorde aanwijzing is dat het misdrijf is gepleegd;
Het decreet stelt overschrijdingen van de maximale toegelaten massa onder de assen strafbaar stelt omwille van de beschadiging van het wegdek die ze teweeg brengen;
Het materieel bestanddeel van het misdrijf is aldus bewezen wanneer de overschrijding van de maximaal toegelaten massa onder de assen aangetoond is;
Appellante slaagt er niet in te bewijzen dat er geen overlading heeft plaatsgevonden, noch aan te tonen dat de vastgestelde overlading in casu geen wegdekbeschadiging met zich heeft meegebracht;
2. Moreel element De appelanten betwisten in hun middel de aanwezigheid van het moreel element;
De appelanten zijn van oordeel dat de overtreder in casu niet anders kon handelen dan hij gedaan heeft en hem als dusdanig geen enkele nalatigheid kon verweten worden;
Het middel is ongegrond om onderstaande redenen:
Eenieder die een voertuig gebruikt, moet zich ervan vergewissen dat de massa en de massa onder de assen niet meer bedraagt dan de maximaal toegelaten massa, ook al heeft hij zelf het voertuig niet geladen;
XII-8242-13/17
Het verzuim daaraan te voldoen kan het opzet of de schuldige nalatigheid uitmaken vereist opdat het morele element van het misdrijf zou bestaan.
Het woord ‘kan’ is logisch, daar ontegensprekelijk stellen dat men, bij gebrek aan controle van de massa van zijn voertuig, onachtzaam of opzettelijk handelde in strijd zou zijn met het vermoeden van onschuld;
Bij realisatie van het materieel element van het misdrijf ontstaat bij de zogenaamde onachtzaamheidsmisdrijven een feitelijk vermoeden dat het moreel element aanwezig was;
De vaststelling van een overlading wijst er dus, prima facie, op dat de overtreder nalatig is geweest;
Behoudens wanneer de overtreder, met een zekere graad van geloofwaardigheid, de naleving van de voor hem geldende algemene zorgvuldigheidsplicht kan aantonen, door bijvoorbeeld met succes een grond van rechtvaardiging of enige andere schulduitsluitingsgrond aan te voeren, kan de schuld worden afgeleid uit het materiële feit van de overtreding;
Appelanten verwijzen hierbij naar mythische figuren, maar weten deze onvoldoende op de voorliggende zaak weten te betrekken.
Appellanten merken daarna op dat de overtreder verklaard heeft dat hij niet op de hoogte was van de overlading;
Niet weten dat het voertuig overladen was is geen voldoende argument, vermits de inbreuk niet opzettelijk moet zijn gepleegd om toch strafbaar te zijn;
Appelanten wijzen er op dat er geen weegbrug aanwezig was op de plaats waar er werd geladen.
Wanneer er geen technische middelen ter beschikking van de overtreder staan om zijn voertuig te wegen, wordt van hem verwacht een voldoende marge in acht te nemen zodat het risico op overlading zo goed als zeker uitgesloten is. Ook al moet de lading daarvoor verdeeld worden over verschillende transporten. Zo niet handelt hij onachtzaam;
Er dient te worden onderzocht of de vastgestelde asoverlading niet van die aard was dat de overtreder, aan de hand van een (visuele) inspectie, had kunnen vermoeden dat er zich een probleem zou kunnen voordoen;
De tweede as van de trekker was overladen met 571 kg overladen en de derde as oplegger was overladen met 3.948kg;
Het voertuig was geladen met betonelementen;
Er moet worden aangenomen dat een dergelijke asoverlading voor een normale, voorzichtige en redelijke chauffeur niet onopgemerkt kan blijven;
De overtreder, als professioneel chauffeur wist dit beter dan wie ook, of diende dit minstens te weten;
Het gegeven dat het proces-verbaal geen elementen staan die kunnen wijzen op het feit dat de overlading eventueel visueel zichtbaar was, doet hieraan geen enkele afbreuk daar het niet gaat om de vraag of de overlading visueel zichtbaar was, maar wel om de vraag of de overtreder, na (visuele inspectie), met voldoende zekerheid, kon aannemen dat er zich geen overlading voordeed;
XII-8242-14/17
Wanneer hem geen middelen ter beschikking staan om de massa onder de assen na te gaan en er na een grondige (visuele) inspectie van zowel het voertuig als de (verdeling van de) lading, niet met voldoende zekerheid kan worden aangenomen dat er zich geen overlading onder een van de assen voordoet, komt het de normale, voorzichtige en redelijke chauffeur toe zich niet met het voertuig op de openbare weg te begeven;
Door zich desondanks met het voertuig op de openbare weg te begeven heeft de overtreder een risico genomen;
Hij die er zich immers weliswaar bewust van is dat zijn handelen of onthouding strafrechtelijk beschermde rechtsgoederen of rechtsbelangen kan schenden, doch erop vertrouwt -door een verkeerde inschatting van de situatie: ondoordachtheid, lichtzinnigheid of overmoed- dat deze mogelijke gevolgen -die hij niet wil- niet zullen intreden, handelt met bewuste culpa;
Uit het voorgaande blijkt dan ook overduidelijk dat het gedrag van de overtreder in casu niet strookte met hetgeen van een normale, voorzichtige en redelijke chauffeur, geplaatst in dezelfde feitelijke omstandigheden, kan verwacht worden;
Dit neemt niet weg dat een professionele, voorzicht en redelijk chauffeur een overlading van meer dan drie ton en niet onopgemerkt kon hebben, het feit dat de lading niet manipuleerbaar is doet hier niet vanaf.
Het opzet in hoofde van de overtreder is dan ook bewezen;
3. Verzachtende omstandigheden uitstel Volgende elementen worden aangehaald door de appelanten - Blanco strafregister van het bedrijf en de chauffeur - De aankoop van ladingveilige opleggers - Een weegbon na een testweging - Er werd een brief verstuurd naar de verlader met de vraag om meer zorg te besteden aan de ladingveiligheid Met het eerste kan geen rekening wordt gehouden, gezien het feit dat geen voorgaande inbreuken een voorwaarde zijn om uitstel te kunnen toekennen, maar daarom geen reden om uitstel toe te kennen.
Daarenboven werden afgelopen jaren twee overladingen vastgesteld in hoofde van Darky Jonkheer en veertien overladingen in hoofde van Destrans NV. Er kan dus moeilijk worden aangenomen dat het bedrijf al langere tijd bezig is met het vermijden van overladingen.
Het feit dat er in 2014 testwegingen hebben plaatsgevonden hebben duidelijk niet geleid tot een vermindering van het aantal overladingen.
Dit geldt eveneens voor de aankoop de ladingveilige opleggers die dateert van voor de overlading, gezien er zowel onder de twee as van de trekas een overlading werd vastgesteld, als onder de derde as van de trekker.
Ook deze maatregel heeft zijn nut niet bewezen en geen overladingen vermeden Als laatste wordt een brief aangehaald die werd verstuurd naar de verlader met de vraag om meer zorg te besteden aan de ladingveiligheid. Het nut van deze maatregel werd nog niet bevestigd, maar gezien de reeds opgelegde administratieve geldboetes ten aanzien van zowel de heer
XII-8242-15/17
Jonkheere als Destrans NV, kan de gunst van het uitstel niet worden toegestaan.
De administratieve geldboete wordt bepaald op de minimum geldboete.”
De verzoekende partijen maken niet concreet duidelijk in welk opzicht deze motieven de verwerping van hun argumenten niet afdoende verantwoorden vanuit het oogpunt van de door hen ingeroepen formele motiveringsplicht. Alleszins dient te worden vastgesteld dat de door hen aangevoerde argumenten wel degelijk expliciet of impliciet in de besluitvorming werden betrokken.
4.16. Het feit dat andere beslissingen waarbij voor een gelijkaardige inbreuk een administratieve geldboete werd opgelegd, gelijkaardige of identieke motieven bevatten, volstaat niet om te besluiten dat de motiveringsplicht werd geschonden.
4.17. Het derde middel is niet gegrond.
BESLISSING
1. De Raad van State verwerpt het beroep.
2. De verzoekende partijen worden verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 400 euro, elk voor de helft.
XII-8242-16/17
Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 16 oktober 2018, door de Raad van State, XIIe kamer, samengesteld uit:
Dierk Verbiest, kamervoorzitter, Johan Bovin, staatsraad, Pierre Barra, staatsraad, bijgestaan door Silja Doms, griffier.
De griffier De voorzitter
Silja Doms Dierk Verbiest
XII-8242-17/17
PDF document ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.242.663