Court dismisses appeal against administrative fine for overloading, rejecting late audit report as procedural defect.
Synthèse Legislator
Généré par l'IAThe Council of State rejected the annulment appeal filed by V.B.A. Skiptrans and Ovidiu Teisanu against a €3,000 administrative fine for vehicle overloading. Although the parties argued that the audit report was delayed until October 2017, violating the reasonable time limit, the court found the statutory limitation periods were respected. Consequently, the court held it lacked jurisdiction to apply the mitigation clause requested and dismissed the appeal, ordering the parties to bear their own costs.
Regeste Legislator
Généré par l'IAArticles 3, 17, and 21ter of the Decree of 3 May 2013; The Council of State lacks jurisdiction to apply mitigation clauses for administrative fines and rejects appeals based on procedural delays if statutory limitation periods are strictly observed.
Mots-clés
Généré par l'IADispositions légales citées
Généré par l'IAJurisprudence citée
Généré par l'IADécisions connexes
Généré par l'IATexte complet
RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK
XIIe KAMER
nr. 242.660 van 16 oktober 2018
in de zaak A. 220.413/XII-8239
In zake: 1. V.B.A. SKIPTRANS
2. Ovidiu TEISANU
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Alain Franken kantoor houdend te 4000 Luik Boulevard de la Sauvenière 91
bij wie woonplaats wordt gekozen
tegen:
het VLAAMSE GEWEST
woonplaats kiezend bij het Agentschap Wegen en Verkeer Koning Albert II-laan 20//4
1000 Brussel
I. Voorwerp van het beroep
1. Het beroep, ingesteld op 3 oktober 2016, strekt tot de nietig-
verklaring van de beslissing van het Vlaamse Gewest van 5 augustus 2016
waarbij aan Ovidiu Teisanu een administratieve geldboete van 3.000 euro wordt opgelegd wegens inbreuk op het verbod om het wegdek te beschadigen door overlading van een voertuig en de VBA Skiptrans burgerrechtelijk aansprakelijk wordt gesteld voor de betaling van deze geldboete.
II. Verloop van de rechtspleging
2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend.
XII-8239-1/36
Auditeur Thomas Maes heeft een verslag opgesteld.
De verzoekende partijen hebben een laatste memorie ingediend.
De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 29 mei 2018.
Staatsraad Johan Bovin heeft verslag uitgebracht.
Advocaat Carine Flamend, die loco advocaat Alain Franken verschijnt voor de verzoekende partijen, is gehoord.
Auditeur Thomas Maes heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven.
Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.
III. Feiten
3.1. Op 7 augustus 2015 wordt een vrachtwagen met oplegger, bestuurd door de tweede verzoekende partij, werknemer van de eerste verzoe-
kende partij, door de wegeninspectie gecontroleerd op de autosnelweg A18 te Veurne. Bij weging van het voertuig wordt vastgesteld dat de trekker overladen is op de tweede as met 2.584 kg. Er wordt proces-verbaal opgesteld wegens inbreuk op artikel 3, tweede lid, van het decreet van 3 mei 2013 ‘betreffende de bescherming van de verkeersinfrastructuur in geval van bijzonder wegtransport’ (hierna: het decreet bijzonder wegtransport).
3.2. Op 15 september 2015 wordt het proces-verbaal bezorgd aan de procureur des Konings te Brugge met het verzoek om overeenkomstig artikel 17,
XII-8239-2/36
§ 3, van het decreet bijzonder wegtransport binnen een termijn van 60 dagen mee te delen welk gevolg aan de zaak zal worden gegeven. Op 30 september 2015
wordt meegedeeld dat de procureur des Konings geen vervolging zal instellen.
3.3. Op 24 november 2015 beslist de wegeninspecteur-controleur om aan de tweede verzoekende partij een administratieve geldboete van 3.000 euro op te leggen en de eerste verzoekende partij burgerrechtelijk aansprakelijk te stellen voor de betaling van deze administratieve geldboete.
3.4. Op 16 december 2015 tekenen de verzoekende partijen bezwaar aan tegen die beslissing.
Op 16 februari 2016 heeft een hoorzitting plaats.
Op 7 maart 2016 beslist de wegeninspecteur-controleur om aan de tweede verzoekende partij een administratieve geldboete van 3.000 euro op te leggen en de eerste verzoekende partij burgerrechtelijk aansprakelijk te stellen voor de betaling van deze administratieve geldboete. Deze beslissing wordt met een aangetekende brief van 9 maart 2016 aan de verzoekende partijen ter kennis gebracht.
3.5. Op 11 maart 2016 stellen de verzoekende partijen tegen die beslissing beroep in bij de Vlaamse regering.
Op 15 juni 2016 heeft een hoorzitting in beroep plaats.
Op 5 augustus 2016 beslist de administrateur-generaal van het Agentschap Wegen en Verkeer aan de tweede verzoekende partij een admini-
stratieve geldboete van 3.000 euro op te leggen en de eerste verzoekende partij burgerrechtelijk aansprakelijk te stellen voor de betaling van deze administratieve geldboete. Die beslissing wordt dezelfde dag met een aangetekende brief aan de verzoekende partijen ter kennis gebracht.
XII-8239-3/36
Dit is de bestreden beslissing.
IV. Onderzoek van de middelen
A. Eerste middel
4.1. De verzoekende partijen voeren in een eerste middel de verjaring van de strafvordering aan. Zij wijzen erop dat de inbreuk die de verzoekende partijen wordt verweten een overtreding betreft. Artikel 68 van de wet van 16 maart 1968 bepaalt dat de verjaringstermijn voor een verkeersovertreding hoogstens een jaar bedraagt. De feiten zijn gebeurd op 7 augustus 2015. Ze zijn dus inmiddels verjaard.
4.2. In hun memorie van wederantwoord benadrukken de verzoekende partijen dat het te dezen om een overtreding gaat en niet om “een misdrijf”, waarbij zij verwijzen naar artikel 28 van het Strafwetboek. “Het decreet van 3 mei 2013 vormt een uitzondering op het Strafwetboek zodanig dat de omvang van de straf niet de mogelijkheid biedt om te stellen dat het om een misdrijf gaat en niet om een overtreding”, aldus de verzoekende partijen.
4.3. In de laatste memorie betogen de verzoekende partijen nog dat aangezien het decreet bijzonder wegtransport “een afwijkende bepaling is van het gemeenrecht ze op een restrictieve manier geïnterpreteerd moet worden, inzonderheid met betrekking tot de verjaringstermijn”. Bovendien verhindert het gelijkheidsbeginsel dat de verjaringstermijn verschillend zou zijn al naargelang deze inbreuk al dan niet wordt geseponeerd door het parket. Bijgevolg is er volgens hen geen enkele reden om te stellen dat een verjaringstermijn van vijf jaar van toepassing zou zijn in plaats van een verjaringstermijn van een jaar. Zij menen dat in elk geval deze vraag op zijn minst zou moeten worden gesteld op het ogenblik dat het te wijzen arrest wordt opgesteld.
XII-8239-4/36
Beoordeling
4.4. In verscheidene arresten, onder meer ook in de arresten nr. 239.904 van 17 november 2017, inzake de sa Jost en nr. 241.358 van 2 mei 2018, inzake de sa Jost & Cie, werd een bijna woordelijk identiek middel door de Raad van State reeds beoordeeld en verworpen. De Raad van State herhaalt dat deze zaken een inbreuk betreffen op artikel 3, tweede lid, van het decreet bijzonder wegtransport en dat artikel 68 van de wet van 16 maart 1968
‘betreffende de politie over het wegverkeer’ te dezen aldus niet van toepassing is.
Artikel 14, § 2, van het decreet bijzonder wegtransport, bepaalt de straffen voor een inbreuk op artikel 3, tweede lid, van hetzelfde decreet. Het gaat om correctionele straffen. Bijgevolg dient de inbreuk op deze bepaling als een wanbedrijf te worden beschouwd. Derhalve gelden in beginsel de gemeenrechte-
lijke verjaringstermijnen. Overeenkomstig artikel 21, eerste lid, 4°, van de Voorafgaande Titel van het Wetboek van Strafvordering is de verjaringstermijn van een wanbedrijf in beginsel vijf jaar.
Er blijkt niet dat deze termijn te dezen miskend zou zijn geworden bij het opleggen van de bestreden administratieve geldboete. In die mate is het middel niet gegrond.
Voorts brengt de toepasselijke verjaringstermijn geen schending van het gelijkheidsbeginsel met zich mee. Of de inbreuk nu door een strafrechter of door de verwerende partij wordt afgehandeld, de verjaringstermijn is in beide gevallen immers vijf jaar.
4.5. Het eerste middel wordt verworpen.
B. Tweede middel
4.6. De verzoekende partijen voeren in een tweede middel de schending aan van artikel 6 van het verdrag van 4 november 1950 ‘tot
XII-8239-5/36
bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden’ (hierna: EVRM).
In een eerste onderdeel wijzen de verzoekende partijen erop dat het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: EHRM) in een arrest van 14 oktober 2014 heeft geoordeeld dat artikel 6 EVRM voorziet in het recht op gratis bijstand van een tolk, niet enkel voor mondelinge verklaringen ter zitting maar ook voor de geschreven stukken van het voorbereidend onderzoek. De eerste verzoekende partij is ‘een Slowaakse vennootschap’ en kent geen Nederlands. De verzoekende partijen hadden bijstand van een tolk moeten krijgen en het strafdossier had moeten worden vertaald. Geen van beide is te dezen het geval geweest. Het feit dat de verzoekende partijen werden bijgestaan door een advocaat tijdens de hoorzitting doet er niet toe, het verdrag maakt geen onderscheid tussen een beklaagde die alleen is op de zitting en een beklaagde die wordt bijgestaan door een advocaat. De verzoekende partijen verwijzen naar een verklaring overeenkomstig artikel 961/1 van het Gerechtelijk Wetboek, die zij bij het verzoekschrift hebben gevoegd.
In een tweede onderdeel betogen de verzoekende partijen dat de vrachtwagenbestuurder de mogelijkheid diende te hebben om zich bij het eerste verhoor door een advocaat te laten bijstaan. Zij verwijzen hierbij naar het arrest van het EHRM van 27 november 2008 in de zaak Salduz t. Turkije, naar de wijziging van het Wetboek van Strafvordering door de wet van 13 augustus 2011
en naar het arrest nr. 7/2013 van 14 februari 2013 van het Grondwettelijk Hof, dat oordeelde dat ook bij verkeersovertredingen deze mogelijkheid moet worden geboden voordat de verbalisanten een eerste verhoor afnemen. Deze verplichting werd niet nagekomen zodat het verhoor van de vrachtwagenbestuurder in strijd is met de wet. Voorts wijzen de verzoekende partijen er nog op dat het feit dat een overtreder de taal van de rechtspleging niet machtig is uiteraard niet betekent dat deze niet het recht heeft om te worden bijgestaan door een raadsman.
XII-8239-6/36
4.7. In de memorie van wederantwoord betogen de verzoekende partijen, wat het eerste middelonderdeel betreft, dat zij niet de keuze van de taal van de rechtspleging willen opleggen aan de verwerende partij, maar enkel gratis willen worden bijgestaan door een tolk zodat zij in staat zouden worden gesteld om de inhoud te begrijpen van de beschuldigingen die tegen hen worden geuit.
Het feit dat hun raadsman conclusies in het Nederlands heeft kunnen indienen en dat hun advocaat zich in het Nederlands heeft kunnen uitdrukken, doet geen afbreuk aan het feit dat hen de bijstand van een tolk werd geweigerd. Dit geldt des te meer daar de verzoekende partijen werden vertegenwoordigd zowel door een raadsman als door een aangestelde persoon van de eerste verzoekende partij.
Wat het tweede middelonderdeel betreft, wijzen de verzoekende partijen erop dat de aanwezigheid van een advocaat de vrachtwagenbestuurder de mogelijkheid zou hebben geboden om eventueel te antwoorden op de vragenlijst en zijn opmerkingen te doen gelden. De verzoekende partijen benadrukken dat administratieve overtredingen betreffende het wegverkeer die beboet kunnen worden onder het strafrechtelijk gedeelte van artikel 6 EVRM vallen. Aangezien een gevangenisstraf zou kunnen worden opgelegd aan de overtreder heeft deze het recht om te worden bijgestaan door een raadsman. De verwerende partij verliest uit het oog dat de vragenlijst die zij overhandigd heeft aan de vrachtwagenbestuurder het verhoor vervangt, zodat het overduidelijk is dat de aanwezigheid van een advocaat nuttig kan zijn om de vrachtwagenbestuurder de mogelijkheid te geven om te kiezen of hij deze vragenlijst al dan niet zal invullen. Voorts wijzen de verzoekende partijen er nog op dat het feit dat de vrachtwagenbestuurder de vragenlijst niet wou invullen niet betekent dat hij een overtreding erkent.
4.8. In de laatste memorie betogen de verzoekende partijen nog met betrekking tot het eerste middelonderdeel, dat hoewel de groep Jost inderdaad een grote onderneming is, die haar activiteiten ook in het Nederlandstalig lands-
gedeelte uitoefent, er niettemin dient te worden vastgesteld dat de vennoot-
schappen die er deel van uitmaken een eigen rechtspersoonlijkheid hebben, dat de
XII-8239-7/36
vennootschap in kwestie tot de Franse taalrol behoort, en dat haar maatschappelijke zetel in het Franstalig landsgedeelte ligt, zodat deze zich gemakkelijker in het Frans uitdrukt. Bijgevolg meent de verzoekende partij dat met toepassing van artikel 23 van de wet van 15 juni 1935 de zaak diende te worden doorverwezen naar een rechtscollege van de andere taalrol. Indien hieromtrent anders wordt geoordeeld voor administratieve rechtscolleges dan voor de gewone strafrechtbanken brengt dit volgens de verzoekende partij een schending van het gelijkheidsbeginsel met zich mee. De verzoekende partij meent ook nog dat het feit dat in deze zaak diverse rechtsmiddelen worden aangevoerd, aantoont dat het toch niet zomaar een eenvoudige zaak betreft. Zij betwist tevens nog dat zij niet benadeeld zou zijn geweest door de afwezigheid van een tolk op de hoorzitting, nu de verzoekende partij een vertegenwoordiger van haar personeel had afgevaardigd, en een transportbedrijf beter dan wie dan ook geplaatst is om uitleg te verschaffen over de technische omstandigheden met betrekking tot dit soort zaken. Hetzelfde geldt volgens haar met betrekking tot de vragenlijsten die zogezegd bezorgd zouden zijn geweest.
Met betrekking tot het tweede onderdeel, volharden de verzoekende partijen dat “de aanwezigheid van een [a]dvocaat noodzakelijk was op het ogenblik dat het voertuig werd aangehouden.”.
Beoordeling
Wat het recht op bijstand van een tolk betreft
4.9. In het eerste middelonderdeel voeren de verzoekende partijen de schending aan van artikel 6, lid 3, a) en e), EVRM.
De Raad van State heeft reeds meermaals over een bijna woordelijk identiek middel geoordeeld, overigens eveneens in beroepen ingesteld door ondernemingen van de ‘Jost-groep’, waartoe de eerste verzoekende partij eveneens behoort. Uit de bij het verzoekschrift gevoegde statuten blijkt immers
XII-8239-8/36
dat zij werd opgericht namens een Belgisch natuurlijk persoon Roland Jost en een Luxemburgse vennootschap, de sa Jost Group. Haar aandelen zijn volledig in handen van deze beide oprichters en zij wordt bestuurd door een Belgische natuurlijke persoon Roland Jost, gedomicilieerd in België.
In het arrest nr. 239.903 van 17 november 2017, inzake de nv Jost & Cie – naar het voormelde arrest werd ook reeds verwezen in het arrest nr. 241.358 van 2 mei 2018, inzake de sa Jost & Cie – werd hetzelfde middelonderdeel verworpen op grond van de volgende overwegingen:
“Niet betwist wordt dat de administratieve geldboetes die wegens inbreuken op het decreet bijzonder wegtransport door de verwerende partij kunnen worden opgelegd een strafrechtelijk karakter hebben in de zin van het voormelde artikel, zodat de rechtzoekende aan wie ze worden opgelegd aanspraak moet kunnen maken op de waarborg vervat in deze verdragsbepaling.
Artikel 6, lid 3, a), EVRM, verleent de strafrechtelijk vervolgde persoon evenwel niet het recht om de taal van de rechtspleging te kiezen. Met toepassing van artikel 11 van de wet van 15 juni 1935 ‘op het gebruik der talen in gerechtszaken’ (hierna: de taalwet in gerechtszaken), worden de processen-verbaal betreffende de opsporing en vaststelling van misdrijven in het Nederlandse taalgebied in het Nederlands gesteld. Voorts dient de verwerende partij, in overeenstemming met artikel 36 van de Gewone Wet van 9 augustus 1980 ‘tot hervorming der instellingen’ (hierna:
GWHI), de zaak in het Nederlands te behandelen. De beslissingen van de wegeninspecteur-controleur en de minister dienden bijgevolg in het Nederlands te worden opgesteld.
Uit artikel 6, lid 3, a), EVRM volgt wel de verplichting om de betrokkene in een taal die hij verstaat in kennis te stellen van de hem ten laste gelegde feiten en de juridische omschrijving ervan, moet worden nageleefd door de administratieve overheden die een administratieve sanctie opleggen.
De rechter beoordeelt of de overtreder op de hoogte werd gebracht van de feiten die hem worden verweten in een taal die hij voldoende verstond opdat zijn recht van verdediging in acht zou zijn genomen. De overtreder moet zichzelf kunnen verdedigen en in het bijzonder de mogelijkheid hebben om de rechter zijn versie van de feiten voor te leggen. De beoordeling van het voorgaande dient bijgevolg te gebeuren in het licht van de concrete omstandigheden van de zaak, waarbij onder meer de complexiteit van de inbreuk of het dossier en de talenkennis van de overtreder een primordiale rol spelen. De mate waarin een gedetailleerde kennis van de in de procedure gehanteerde voertaal is vereist, neemt dan ook toe naarmate de inbreuk of het dossier complexer wordt.
Dit geldt eveneens voor de vraag of een rechtspleging zonder bijstand van een tolk, de uitoefening van de rechten van verdediging van de overtreder
XII-8239-9/36
heeft miskend. Anders dan de verzoekende partij te dezen veronderstelt, gaat artikel 6, lid 3, e), EVRM blijkens de rechtspraak van het Europees hof voor de Rechten van de Mens niet zo ver dat deze bepaling een vertaling vereist van elk schriftelijk bewijsstuk of van elk officieel stuk van het dossier. In dit opzicht heeft het Hof er op gewezen dat de betrokken bepaling verwijst naar de bijstand van een tolk en niet van een vertaler (EHRM 4 november 2010, nr. 22575/08, Katritsch t. Frankrijk, nr. 41 en 43; EHRM 6 juli 2009, nr. 16084/90, Protopapa t. Turkije nr. 80
en E.H.R.M. 18 oktober 2006, nr. 18114/02, Hermi t. Italië, nr. 70) en dat de uitoefening van het voormelde recht op vertolking veronderstelt dat de betrokkene aanwezig is op de zitting (EHRM 14 februari 2017, nr. 30749/12, Hokkeling t. Nederland).
11. Te dezen dient te worden vastgesteld dat de betrokken inbreuk een relatief eenvoudige inbreuk betreft waarvoor duidelijk bewijsmateriaal bestaat –dat wordt vergaard met gebruik van een asweger– en waaraan eenvoudige feiten –de overlading– ten grondslag liggen. De inbreuk geeft evenmin aanleiding tot een omvangrijk of ingewikkeld dossier. Het feit dat de verzoekende partij in de voorliggende zaak vele middelen aanvoert doet niet anders oordelen.
De verzoekende partij maakt noch in het verzoekschrift, noch in de toelichtende memorie en de laatste memorie geloofwaardig dat zij de draagwijdte van de haar ten laste gelegde feiten, die, het weze herhaald, te dezen van zeer eenvoudige aard zijn –de strafbare gedraging bestaat uit het besturen van een overladen voertuig– niet zou hebben begrepen.
Daarenboven blijkt uit het administratief dossier dat de verzoekende partij op behoorlijke wijze haar verdediging op zich heeft genomen tijdens de bestuurlijke procedure en in de taal van haar keuze haar standpunt over de feiten heeft kunnen doen gelden en deze heeft kunnen betwisten. Op de hoorzitting heeft zij ook haar standpunt kunnen doen gelden in de taal van haar keuze en uit de bestreden beslissing blijkt dat de aanwezige ambtenaar dat relaas goed heeft begrepen. Schriftelijke conclusies werden in het Frans neergelegd en er blijkt niet dat haar vertegenwoordiger of haar advocaat deze niet heeft mogen toelichten in het Frans. Aldus blijkt niet dat of hoe de verzoekende partij zou zijn benadeeld door de afwezigheid van een tolk op de hoorzitting.
De verwijzing naar een arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 14 oktober 2014 leidt niet tot een ander besluit. Dat arrest betreft hier geen vergelijkbare eenvoudige verkeersinbreuk, maar een ongeletterd persoon die in Turkije werd vervolgd omwille van terroristische activiteiten. De Raad van State ziet niet in hoe de bevindingen inzake de toepassing van artikel 6 EVRM in een dergelijke context ook op huidig geval van toepassing zouden zijn.
De in de laatste memorie aangeklaagde ongelijke behandeling van de verzoekende partij –daargelaten de ontvankelijkheid van deze in de laatste memorie aangevoerde grief– doordat zij in het kader van de administratieve procedure niet de mogelijkheid heeft om de zaak door te verwijzen naar een rechtbank van een andere taalrol die wel geldt bij een strafrechtelijke procedure, heeft betrekking op de inhoud en de
XII-8239-10/36
draagwijdte van het decreet bijzonder wegtransport en de voormelde taalwet in gerechtszaken. De Raad van State heeft geen rechtsmacht om een dergelijke kritiek te beoordelen.
Het eerste middelonderdeel wordt verworpen.”
De Raad van State ziet geen grond om in deze zaak tot een ander besluit te komen en valt deze overwegingen dan ook opnieuw in het geheel bij. Voor zover de eerste verzoekende partij hier nog stelt dat de door haar op de hoorzitting afgevaardigde persoon geen Nederlands verstond, en bijgevolg nood zou hebben gehad aan de bijstand van een tolk op de hoorzitting, stelt de Raad nog vast dat zij deel uitmaakt van de Jost Group, een grootschalige transport-
onderneming die ook in het Vlaamse gewest aanzienlijke commerciële activi-
teiten ontwikkelt en aldus mag worden geacht het Nederlands te beheersen of minstens te beschikken over medewerkers die het Nederlands beheersen.
4.10. In het tweede middelonderdeel klaagt de verzoekende partij aan dat de vrachtwagenbestuurder niet de mogelijkheid werd geboden om zich bij het eerste verhoor door een advocaat te laten bijstaan.
Ook over dit middelonderdeel heeft de Raad van State zich reeds meermaals uitgesproken. In het meer vermelde arrest nr. 239.903 van 17 november 2017 – en herhaald wordt dat naar het voormelde arrest ook reeds werd verwezen in het arrest nr. 241.358 van 2 mei 2018, telkens inzake transportondernemingen die tot dezelfde groep behoren als de eerste verzoekende partij – werd hetzelfde middelonderdeel verworpen op grond van de volgende overwegingen:
“Niet elke ondervraging van een persoon, waarbij inlichtingen en bewijselementen worden verzameld die op het bestaan van een misdrijf zouden kunnen wijzen, mag worden beschouwd als een ‘verhoor’.
In het arrest van het Grondwettelijk Hof van 14 februari 2013 waar de verzoekende partij herhaaldelijk naar verwijst, wordt aldus juist gesteld dat in de voorbereidende werken van de wet van 13 augustus 2011 ‘tot wijziging van het Wetboek van strafvordering en van de wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis’, die ertoe strekt aan elkeen die wordt verhoord en aan elkeen wiens vrijheid wordt benomen rechten te verlenen, waaronder het recht om een advocaat te raadplegen en door hem
XII-8239-11/36
te worden bijgestaan, een aantal situaties worden vermeld die niet overeenstemmen met de definitie van het verhoor, zoals het verzamelen van inlichtingen op de plaats van het delict tijdens de eerste fase van het onderzoek, de spontane mededelingen, de antwoorden op een schriftelijke vragenlijst waarin beperkte informatie wordt gevraagd of de verklaringen in het kader van een administratief onderzoek (GwH 14 februari 2013, nr. 7/2013. B.5.5).
De Raad van State verwijst voorts naar het arrest Zaichenko waarin het Europees Hof voor de Rechten van de Mens aangaande een verhoor zonder bijstand van een advocaat tijdens een wegcontrole tot de niet-
schending van artikel 6, lid 3, c), EVRM besloot. Volgens het Hof wezen de omstandigheden van de zaak niet op een noemenswaardige beperking van de vrijheid van handelen van de betrokken persoon van die aard dat de bijstand van een advocaat vanaf dat ogenblik vereist zou zijn. Het Hof wijst ook op de eerder beperkte rol van de verbalisanten en stelt vast dat het strafonderzoek pas werd geopend na de toezending van het verslag of het proces-verbaal van de verbalisanten aan de bevoegde overheid. Deze vaststellingen gaan ook op voor de voorliggende wegcontrole waarbij het voertuig wordt gewogen door de asweger en waarna de vrachtwagenbestuurder vervolgens mag beschikken en zijn rit met zijn voertuig mag verder zetten.
Het tweede onderdeel van het tweede middel wordt verworpen.”
De verzoekende partij draagt ook te dezen geen concrete elementen aan die er zouden toe nopen anders te oordelen dan in de voormelde zaak. De Raad van State valt bijgevolg deze overwegingen ook in deze zaak in het geheel bij.
4.11. Ten slotte blijkt dat het EHRM, tweede afdeling, met een beslissing van 19 december 2017, een verzoekschrift, ingediend door de huidige raadsman van de verzoekende partijen in een soortgelijke zaak met een quasi identiek middel als onontvankelijk heeft afgewezen, zowel wat de aangevoerde schending van artikel 6, § 3, a) en e) van het EVRM (eerste onderdeel), als wat de aangevoerde schending van artikel 6, § 3, c) (tweede onderdeel) betreft en dit wegens kennelijke ongegrondheid van deze middelen (Beslissing nr. 37216/17, sa Transports Iwan Wertz contre la Belgique, overwegingen 30-38 en 39-43).
4.12. Het tweede middel wordt in zijn geheel verworpen.
XII-8239-12/36
C. Derde middel
4.13. De verzoekende partijen voeren in een derde middel aan dat zij geen eerlijk proces hebben gekregen.
In een eerste middelonderdeel doen zij het volgende gelden:
“Overwegende dat het recht op toegang tot een rechter en het beginsel van wapengelijkheid, die belangrijke begrippen zijn in het kader van een eerlijk proces in de zin van artikel 6.1 van het Europees Verdrag, eveneens de verplichting met zich brengen om een billijk evenwicht te waarborgen tussen de partijen op het proces, alsook om aan elke partij de rationele mogelijkheid te bieden om haar zaak uiteen te zetten in omstandigheden die haar niet in een duidelijk nadeel plaatsen ten aanzien van haar tegenstander(s) (EVRM DOMBO t/ Nederland 27/10/1993, pagina 33, Grote Kamer; ÖC ALAN t/ Turkije 12/05/2005, §140; YVON
t/ Frankrijk 24/04/2003, §31; ROUX t/ Frankrijk 25/04/2006, §23;
BATSANINA t/ Rusland 26/05/2009, §22; VERSINI t/ Frankrijk 11/05/2010, §62);
Dat er vastgesteld dient te worden dat het beginsel van wapengelijkheid in onderhavig geval niet werd nageleefd;
Dat aangezien er in het raam van de bestreden beslissing niet de mogelijkheid wordt gegeven aan de eisers om een vertaling van het dossier te krijgen in hun moedertaal (zie stuk 13) en hen ook de bijstand van een tolk geweigerd wordt, de eisers duidelijk niet op dezelfde manier behandeld worden als de tegenpartij”.
In een tweede middelonderdeel doen de verzoekende partijen het volgende gelden:
“Overwegende dat de tegenpartij overigens bij de bestreden beslissing een verslag van de dienst metrologie voegt en waarvan het briefhoofd het volgende is:
‘Agentschap Wegen en Verkeer Afdeling Elektromechanica en Telematica Sectie Metrologie Contactpersoon: Geert De Rycke Afdelingshoofd EMT’;
Dat dit document overigens ondertekend is door de heer TOM ROELANTS, Administrateur-Generaal van de tegenpartij die eveneens de bestreden beslissing ondertekend heeft;
Dat dit verslag dus opgesteld is door de diensten van de tegenpartij die zich op deze manier bewijselementen verschaft die niet kunnen worden
XII-8239-13/36
betwist, zodanig dat ook hier het beginsel van de wapengelijkheid niet wordt nageleefd”.
4.14. In de memorie van wederantwoord voegen de verzoekende partijen niets toe aan het eerste middelonderdeel.
Wat het tweede middelonderdeel betreft doen zij nog het volgende gelden:
“Dat de tegenpartij blijkbaar aan de eiseres verwijt dat ze dit document nooit betwist heeft tijdens de administratieve rechtspleging, terwijl ze dit document nooit heeft overgelegd alvorens de bestreden beslissingen werden uitgesproken!
Dat de tegenpartij bovendien onterecht de reden probeert uit te leggen waarom dit document zou zijn ondertekend door Mijnheer ROELANTS
en dat zij zich hiervoor baseert op de wetten van de Staatshervorming die een deel van de opdrachten van de Dienst Metrologie heeft overgeheveld naar de gewesten;
Dat ongeacht de reden die wordt ingeroepen, het overduidelijk is dat het verslag wel degelijk is opgesteld met het briefhoofd ‘Agentschap Wegen en Verkeer’ en ondertekend is door Mijnheer Tom ROELANTS die als bij toeval ook de bestreden beslissing ondertekend heeft;
Dat het feit dat er testen werden uitgevoerd door een zekere Mijnheer DEGRAVE uiteraard geen enkele invloed heeft aangezien het verslag en de conclusies zijn opgesteld door de tegenpartij en ondertekend zijn door haar administrateur-generaal;
Dat het derhalve wel degelijk bewezen is dat de tegenpartij zichzelf voldoende bewijselementen bezorgt die niet kunnen worden tegengesproken en dit geldt des te meer daar deze resultaten slechts in bijlage bij de bestreden beslissingen worden overgemaakt”.
4.15. In de laatste memorie stellen de verzoekende partijen nog wat het eerste onderdeel betreft, dat de grief daarin uitgedrukt “een gevolg is van het tweede rechtsmiddel”, en er dus niet mee samenvalt, daar de verwerende partij weigert om aan hen de rechten toe te kennen die gewaarborgd worden door het Europees Verdrag. Zij benadrukken dat zij geen eerlijk proces hebben gekregen, aangezien de gelijkheid van wapens tussen de partijen niet werd geëerbiedigd. Zij benadrukken tevens dat het Vlaamse gewest geen kosten dient te maken voor een vertaling en ook geen beroep dient te doen op een tolk, terwijl zij de stukken op hun eigen kosten dienen te laten vertalen.
XII-8239-14/36
Betreffende het tweede onderdeel, benadrukken zij nog dat een bevestiging door de verwerende partij zelf van de goede werking van het toestel, en niet door een onafhankelijke instelling, niet kan volstaan om op een onpartijdige manier te stellen dat de weegschaal tijdens de controle perfect werkte. Zij verwijzen hierbij nog naar hun zesde middel, namelijk de schending van het onpartijdigheidsbeginsel, “dat nog eens versterkt wordt door dit element”.
Beoordeling
4.16. Het eerste middelonderdeel is niet meer dan een herhaling van de grieven die reeds in het debat werd gebracht onder de beide onderdelen van het tweede middel, die hiervoor reeds werden beoordeeld en verworpen. Er zijn geen gronden voorhanden om ten aanzien van het eerste onderdeel van het derde middel tot een ander besluit te komen, te meer nu de verzoekende partijen in hun laatste memorie zelf erkennen dat deze grief een “gevolg” is van het tweede middel. Dat aan dit middelonderdeel dan ook hetzelfde “gevolg” moet worden toebedeeld dan het tweede middel.
Het eerste middelonderdeel wordt verworpen.
4.17. Het tweede middelonderdeel berust op de premisse dat de verwerende partij zichzelf bewijselementen verschaft die niet kunnen worden betwist, waardoor de verzoekende partijen geen eerlijk proces zouden hebben gekregen.
De verzoekende partijen laten evenwel geheel na om uiteen te zetten waarom het hen onmogelijk zou zijn om de juistheid te betwisten van het verslag van de metrologische controle dat betrekking heeft op de te dezen gebruikte asweger, enkel omdat dit stuk door de dienst Metrologie binnen het Vlaamse Gewest werd opgesteld en niet langer, zoals voorheen, door de federale overheid.
XII-8239-15/36
De omstandigheid dat de dienst metrologie, die het verslag heeft opgemaakt, ook tot het agentschap Wegen en Verkeer behoort waartoe ook de wegeninspecteur-controleurs, die de beslissing in eerste aanleg hebben genomen, en de administrateur-generaal die de beslissing in laatste aanleg heeft genomen, behoren en dat het agentschap onder de verantwoordelijkheid valt van de Vlaamse minister van Openbare Werken en Mobiliteit, is een gegeven dat eigen is aan de structuur van het betrokken bestuur en kan dienvolgens niet dienstig worden aangevoerd om de onpartijdigheid van de betrokken diensten te betwisten.
Voor het overige verwijst de Raad van State ook naar de beoordeling van het vijfde middel.
4.18. Het derde middel wordt verworpen.
D. Vierde middel
4.19. De verzoekende partijen voeren in een vierde middel de schending aan van het proportionaliteitsbeginsel.
Zij achten dit beginsel geschonden doordat voor de overlading een administratieve geldboete van 3.000 euro wordt opgelegd, terwijl dergelijke inbreuken volgens de wet van 21 juni 1985 ‘betreffende de technische eisen waaraan elk voertuig moet voldoen’ met een geldboete van “10 tot 10.000 BEF”
worden bestraft. Zij verwijst naar twee vonnissen van de politierechtbank, waarbij voor een duidelijk zwaardere overlading telkens een lagere geldboete werd opgelegd. Bovendien heeft het Hof van Justitie in een arrest van 9 februari 2012 (C-210/10) geoordeeld dat sancties in verhouding moeten staan tot de feiten en effectief, ontradend en niet discriminerend moeten zijn. De verwerende partij heeft in de bestreden beslissing ten onrechte aangevoerd dat deze kritiek niet gericht is tegen de beslissing maar tegen het decreet. Zij verliest daarbij immers uit het oog dat zij de mogelijkheid heeft om geheel of gedeeltelijk uitstel toe te
XII-8239-16/36
staan. De verzoekende partijen hebben in hun conclusies in eerste aanleg en in beroep uitdrukkelijk gevraagd om uitstel te verlenen, maar de verwerende partij is daar ten onrechte niet op ingegaan.
4.20. In hun memorie van wederantwoord wijzen de verzoekende partijen erop dat het decreet voorziet in een vork van boetes per soort overlading met een minimum- en maximumbedrag. In de bestreden beslissing worden de verzoekende partijen veroordeeld tot een willekeurig bedrag, zonder rechtvaardi-
ging hoe deze boete werd berekend. De verwerende partij had het proportionaliteitsbeginsel perfect kunnen eerbiedigen door de verzoekende partijen te veroordelen tot het minimumbedrag. Het gaat dus niet om een kritiek op het decreet, maar wel op de wijze waarop dit decreet werd toegepast, aangezien de verwerende partij niet rechtvaardigt waarom ze die welbepaalde boete heeft opgelegd aan de verzoekende partijen.
4.21 In haar laatste memorie herhalen de verzoekende partijen hetgeen zij reeds in haar voorafgaande procedurestukken hebben uiteengezet.
Beoordeling
4.22. De Raad van State heeft reeds meermaals eenzelfde middel beoordeeld en verworpen, bijvoorbeeld in de reeds voormelde arresten nrs. 239.903 en 241.358. De Raad van State ziet ook thans geen reden om tot een ander besluit te komen, temeer nu de verzoekende partij in de laatste memorie zelfs niet meer reageert op het auditoraatsverslag, waarin niet alleen opnieuw tot verwerping van dit middel wordt besloten maar ook de afstand van het middel wordt vastgesteld, minstens dat de verzoekende partijen geen belang meer hebben bij het middel.
Om dezelfde redenen als zijn uiteengezet in de voormelde arresten en die hierna worden herhaald en toegepast op de huidige zaak, wordt het middel verworpen.
XII-8239-17/36
4.23. Artikel 17, § 2, eerste lid, van het decreet bijzonder weg-
transport bepaalt dat het tarief van de administratieve geldboete gelijk is aan de minimum geldboete overeenkomstig de overlading, zoals bepaald in artikel 14, verhoogd met de opdeciemen.
De overlading bedroeg te dezen op de tweede as van de trekker 2.584 kg.
Artikel 14, § 2, van het decreet bijzonder wegtransport stelt de minimum geldboete bij een overlading met 2.500 kg tot minder dan 3.000 kg vast op 500 euro. Verhoogd met de opdeciemen brengt dit de administratieve geldboete op 3.000 euro.
In de bestreden beslissing wordt uitdrukkelijk vermeld: “De administratieve geldboete wordt bepaald op het decretaal bepaald minimum.”
Vervolgens wordt inderdaad een administratieve geldboete van 3.000 euro opgelegd.
Aldus blijkt de verwerende partij wel degelijk de minimum-
geldboete te hebben opgelegd.
Artikel 17, § 2, vierde lid, van het decreet bijzonder wegtransport, bepaalt dat als verzachtende omstandigheden aanwezig zijn, de wegeninspecteur-controleur of de Vlaamse regering een administratieve geld-
boete onder de voormelde minimumbedragen kan opleggen. Er blijkt evenwel niet dat de verzoekende partij in de voorliggende zaak een specifiek afzonderlijk beroep heeft gedaan op verzachtende omstandigheden om een vermindering van het bedrag van de administratieve geldboete te verkrijgen. Zij heeft enkel om uitstel van de tenuitvoerlegging van de betaling van de administratieve geldboete verzocht.
Zoals uit de beoordeling van het zesde middel blijkt, is in de
XII-8239-18/36
motivering van de bestreden beslissing op voldoende duidelijke wijze aangege-
ven waarom de verwerende partij heeft besloten om geen uitstel toe te staan.
4.24. Het vierde middel wordt verworpen.
E. Vijfde middel
4.25. De verzoekende partijen voeren in een vijfde middel de schending aan van het onpartijdigheidsbeginsel.
Zij wijzen op een arrest van het Hof van Cassatie van 9 januari 2002 waarin dat Hof zou hebben geoordeeld dat het onpartijdigheidsbeginsel als algemeen rechtsbeginsel van toepassing is op alle organen van actief bestuur en dat niet is vereist dat het bewijs van partijdigheid wordt geleverd, maar dat een indruk van partijdigheid volstaat.
In een eerste middelonderdeel doen zij gelden dat Veerle Vanempten, de ambtenaar die de boete heeft opgelegd, zowel partij als rechter is:
zij beslist zowel om vervolging in te stellen tegen een overtreder, om hem te veroordelen en om zijn bezwaar in eerste aanleg te berechten. Zij treedt ook op in procedures voor de Raad van State. Het feit dat beroep mogelijk is bij een andere ambtenaar doet aan deze vaststellingen geen afbreuk aangezien de ambtenaar bij wie het beroep wordt ingediend evenmin onpartijdig is en rekenschap dient af te leggen aan de minister.
In een tweede middelonderdeel doen zij het volgende gelden:
“Overwegende dat, zoals reeds aangegeven, de tegenpartij bij de bestreden beslissing het controleverslag van de dienst metrologie heeft gevoegd dat opgesteld werd door de diensten van de tegenpartij en getekend werd door zijn Administrateur-Generaal Mijnheer Tom Roelants en dat deze laatste eveneens de omstreden beslissing getekend heeft;
Dat de tegenpartij niet alleen zowel rechter als partij is, maar zichzelf ook nog eens een bewijs van een overtreding verschaft dat niet onderworpen is aan de tegensprekelijkheid en dat voortvloeit uit haar eigen diensten,
XII-8239-19/36
zodanig dat ook hier het onpartijdigheidbeginsel blijkbaar niet wordt nageleefd”.
4.26. In de memorie van wederantwoord benadrukken de verzoe-
kende partijen, wat het eerste middelonderdeel betreft, dat hun rechten ernstig worden geschaad doordat Veerle Vanempten betrokken is in alle fasen van de procedure. Het feit dat een beroep mogelijk is bij de Raad van State neemt niet weg dat de ambtenaar in eerste aanleg het voorwerp kan uitmaken van vermoedens van partijdigheid en dat het precies hierover is dat er gevraagd wordt om een oordeel te vellen. Voorts wijzen de verzoekende partijen er nog op dat uit andere zaken een “plotse ommekeer” bij de verwerende partij blijkt, waardoor deze zou erkennen dat er een probleem van onpartijdigheid bestaat.
Aan het tweede middelonderdeel voegen de verzoekende partijen niets toe in hun memorie van wederantwoord.
4.27. In de laatste memorie blijven de verzoekende partijen erbij, wat het eerste onderdeel betreft, dat het feit dat Veerle Vanempten een uitspraak heeft gedaan in eerste aanleg en eveneens was belast met het opstellen van de memories voor de Raad van State wijst op partijdigheid en “even ongepast is als een correctioneel dossier te laten beoordelen door een rechter die dit dossier ervoor al had beoordeeld als lid van het Parket”. Zij menen dat het feit dat zij conclusies hebben kunnen indienen en zich hebben kunnen uitdrukken voor de ambtenaren van de verwerende partij niet maakt dat het onpartijdigheidsbeginsel automatisch werd geëerbiedigd.
Wat het tweede middelonderdeel betreft, blijven zij er bij dat het controleverslag had moeten worden opgesteld door een zelfstandige dienst om op die manier het onpartijdigheidbeginsel te eerbiedigen.
XII-8239-20/36
Beoordeling
4.28. Wat het eerste middelonderdeel betreft, werd in onder meer het arrest van de Raad van State, nr. 239.903 van 17 november 2017, inzake de nv Jost & Cie, en in het arrest nr. 241.359 van 2 mei 2018 inzake de vba Skiptrans, thans ook de eerste verzoekende partij, eenzelfde grief reeds beoordeeld en verworpen op grond van onder meer de volgende overwegingen:
“27. In het vijfde middel wordt in essentie aangevoerd dat de admini-
stratieve geldboete wegens overtreding van het decreet bijzonder weg-
transport niet wordt opgelegd door een onafhankelijke en onpartijdige instantie.
De wegeninspecteur-controleur en de Vlaamse minister van Openbare Werken en Mobiliteit treden bij het opleggen van een administratieve geldboete ingevolge een inbreuk op het decreet bijzonder wegtransport niet op als jurisdictioneel orgaan, maar wel als organen van het actief bestuur.
Ook organen van het actief bestuur moeten de onpartijdigheidsplicht in acht nemen, doch voor hen geldt die verplichting niet zo absoluut als voor de rechter en ze moet verenigbaar zijn met de eigen aard, meer bepaald de eigen structuur van bestuur. Daarbij dient rekening te worden gehouden met de wijze waarop de bestuurlijke procedure door de decreetgever wordt geregeld.
De omstandigheid dat het Agentschap Wegen en Verkeer waartoe de wegeninspecteurs-controleurs behoren, onder de verantwoordelijkheid valt van de Vlaamse minister van Openbare Werken en Mobiliteit, is een gegeven dat eigen is aan de structuur van het bestuur en kan dienvolgens niet dienstig worden aangevoerd om de onpartijdigheid van de betrokken bestuursorganen te betwisten.
Ook al bevindt dit agentschap als instelling, zich in een ondergeschikte positie ten opzichte van de regering, zijn zowel de vaststelling van de aslasteninbreuken door wegeninspecteurs als de beslissing om een administratieve boete op te leggen wegens die inbreuken door wegen-
inspecteur-controleurs, eigen bevoegdheden die het decreet bijzonder wegtransport toekent aan deze ambtenaren van dit agentschap; in de uitoefening van die bevoegdheden, zijn deze structureel onafhankelijk en ontsnappen ze aan het gezag van de minister. […]
Uit de stukken die de verzoekende partij zelf voorlegt blijkt dat zij zowel in bezwaar, als in beroep schriftelijke conclusies heeft neergelegd, dat zij telkens werd uitgenodigd voor de hoorzittingen, dat tijdens de hoorzitting in beroep haar raadsman de zaak kon toelichten en alle dienstige elementen kon aanvoeren ter verdediging van zijn cliënte, waarop de minister in de bestreden beslissing uitgebreid heeft geantwoord zodat op bestuurlijk vlak de rechten van verdediging werden geëerbiedigd en het bestuur heeft doen blijken van de vereiste onafhankelijkheid en op
XII-8239-21/36
zorgvuldige wijze heeft gehandeld. […]
28. […]
29. Zoals de Raad van State reeds in talrijke arresten heeft geoordeeld vereist artikel 6 EVRM niet dat de administratieve instanties die de administratieve geldboete hebben opgelegd of die kennis hebben genomen van het verzet of het beroep daartegen, aan alle vereisten van artikel 6, lid 1, EVRM moeten voldoen. Het volstaat dat tegen de eindbeslissing van de administratieve overheid een beroep openstaat bij een rechterlijke instantie met ‘volle rechtsmacht’, in de zin waarin het Europees Hof voor de Rechten van de Mens dat begrip verstaat. Tegen de beslissing van de minister kon de verzoekende partij overeenkomstig artikel 14 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, een beroep tot nietigverklaring instellen bij de Raad van State. Het standpunt dat de Raad van State een rechtscollege is dat beantwoordt aan de vereisten van artikel 6, lid 1, EVRM en dat reeds in talrijke arresten van de Raad van State werd aangenomen, werd tevens bevestigd door het Grondwettelijk Hof en het Hof van Cassatie (GwH, 18 februari 2016, nr. 25/2016, B.40.1
en B.40.2; Cass. 15 oktober 2009, Arr. Cass. 2009, 584).
De Raad van State valt ook in deze zaak deze rechtspraak bij. Aldus heeft de verzoekende partij wel degelijk de waarborgen van het EVRM kunnen genieten.
30. Ook het vijfde middel wordt verworpen.”
De Raad van State ziet geen grond om in deze zaak tot een ander besluit te komen en valt deze overwegingen ook in deze zaak in het geheel bij.
Voorts blijkt uit het administratief dossier niet dat Veerle Vanempten, ambtenaar die de beslissing na bezwaar (“in eerste aanleg”) heeft genomen, betrokken was bij het nemen van de bestreden beslissing na beroep. In zoverre het eerste middelonderdeel steunt op de premisse dat deze ambtenaar wel degelijk betrokken was in alle fasen van de procedure –dus ook bij het nemen van de bestreden beslissing– mist het dan ook feitelijke grondslag.
Voorts ziet de Raad van State niet in hoe het feit dat deze ambtenaar thans namens de verwerende partij de memorie van antwoord in de procedure voor de Raad van State heeft opgesteld, de wettigheid van de bestreden beslissing zou aantasten.
XII-8239-22/36
Het eerste middelonderdeel wordt verworpen.
4.29. Het tweede middelonderdeel herneemt in grote mate met het tweede middelonderdeel van het derde middel. Net zoals dat middelonderdeel berust het huidige middelonderdeel in essentie op de premisse dat de verwerende partij zichzelf door haar eigen diensten en niet door een zelfstandige dienst bewijselementen verschaft die niet kunnen worden betwist, waardoor de verzoekende partijen geen eerlijk proces zouden hebben gekregen.
De verzoekende partijen laten evenwel geheel na om uiteen te zetten waarom het hen onmogelijk zou zijn om de juistheid van het verslag van de metrologische controle dat betrekking heeft op de te dezen gebruikte asweger aan tegenspraak te onderwerpen, enkel omdat dit stuk door het Vlaamse gewest werd opgesteld en niet langer, zoals voorheen, door de federale overheid. Zij maken evenmin voldoende concreet waarom hierdoor te dezen het onpartijdigheidsbeginsel miskend zou zijn geworden bij het nemen van de bestreden beslissing.
4.30. Het vijfde middel wordt verworpen.
F. Zesde middel
4.31. De verzoekende partijen doen in een zesde middel gelden dat de bestreden beslissing ontoereikend is gemotiveerd. Zij verwijzen daarbij naar “de wet van 29 juni 1991”.
De verzoekende partijen doen in essentie gelden dat in de bestreden beslissing geen antwoord wordt geformuleerd op de argumentatie die zij hebben aangevoerd. Zo krijgen zij geen antwoord op hun argumentatie over het strafrechtelijk karakter van de vervolging. Ook wordt niet gemotiveerd waarom er geen uitstel wordt verleend, noch waarom het bedrag van de boete niet wordt verminderd, hoewel de verzoekende partijen hebben aangevoerd dat de
XII-8239-23/36
lading werd uitgevoerd door een derde buiten de aanwezigheid van de vrachtwagenbestuurder. Ook met betrekking tot de bijstand van een tolk en met betrekking tot de schending van artikel 6 EVRM is de bestreden beslissing niet gemotiveerd. Er wordt niet geantwoord op de argumentatie inzake de partijdigheid van mevrouw Vanempten.
4.32. In de memorie van wederantwoord voegen de verzoekende partijen nog aan hun betoog toe dat de verwerende partij een boete uitspreekt zonder te motiveren waarom voor dit welbepaald bedrag wordt gekozen. Voorts doen zij gelden dat, door te weigeren om uitstel te verlenen, de bestreden beslissing een extra voorwaarde toevoegt aan de regelgeving.
4.33. In de laatste memorie benadrukken de verzoekende partijen dat er een essentieel verschil is tussen, enerzijds, geen antwoord formuleren op alle argumenten en, anderzijds, deze argumenten stelselmatig verloochenen, dat de overtreding een strafrechtelijke overtreding is, zodanig dat het aan de verwerende partij toekomt om haar beslissing met betrekking tot de straf met redenen te omkleden en uit te leggen waarom zij ervoor heeft gekozen om de overtreder een dergelijke straf of maatregel op te leggen. Zij is er ook toe gehouden, wanneer de overtreder een aannemelijk element aanvoert, het tegendeel te bewijzen. De verzoekende partijen herhalen dat die motivering helemaal niet aanwezig is in de bestreden beslissing.
Beoordeling
4.34. De verzoekende partijen tonen niet aan dat de bestreden beslissing, uitvoerig formeel gemotiveerd overheen elf bladzijden, niet voldoet aan de vereisten van de formele motiveringsplicht. De bestreden beslissing antwoordt uitdrukkelijk op elk van de middelen die de verzoekende partijen hadden aangevoerd in hun conclusies in graad van beroep van 25 mei 2016, onder meer het middel inzake de miskenning van het onpartijdigheidsbeginsel. In de mate dat de verzoekende partijen in het middel het tegendeel beweren en stellen
XII-8239-24/36
dat de motivering hen niet in staat stelt om de draagwijdte van de bestreden beslissing te begrijpen, mist het middel dan ook feitelijke grondslag.
Het betoog van de verzoekende partijen inzake het niet-
antwoorden op de argumentatie inzake het strafrechtelijk karakter van de geldboete mist evenzeer feitelijke grondslag. In hun voornoemde conclusies doen zij hieromtrent enkele korte opmerkingen gelden, zonder daar specifieke gevolgtrekkingen aan te verbinden ten aanzien van de wettigheid van de in de procedure voor de verwerende partij bestreden beslissing, dit alles bovendien onder de hoofding “voorafgaande opmerking”. In het licht daarvan lijkt het niet onzorgvuldig dat de verwerende partij deze niet geadstrueerde opmerkingen niet heeft aangemerkt als een afzonderlijke wettigheidsgrief die zij in de motivering van de bestreden beslissing diende te betrekken.
Waar de verzoekende partijen vervolgens in dit middel een inhoudelijke kritiek voeren op de motieven van de bestreden beslissing – geen bijstand van een tolk, niet-verlenen van uitstel of niet-verminderen van het bedrag van de boete, niet-motiveren bedrag van de geldboete – vormt het middel niets meer dan een herhaling van de overige middelen. De verzoekende partijen hernemen in dit verband immers enkel grieven die zij ook in hun andere middelen doen gelden. Er wordt dan ook verwezen naar de beoordeling en de verwerping van die middelen.
4.35. Het zesde middel wordt verworpen.
G. Zevende middel
4.36. De verzoekende partijen voeren in een zevende middel aan dat er “geen bewijs [is] van enige overtreding in hoofde van de eisers”.
De verzoekende partijen betogen dat de verbalisanten in het proces-verbaal beweren dat zij een asweger Supaweigh II met
XII-8239-25/36
serienummer 005417 hebben gebruikt. Deze gegevens worden niet vermeld op de weegbon zodat niet vaststaat dat deze bon van die machine afkomstig is. Het proces-verbaal bevat bovendien geen enkele vermelding met betrekking tot het kenteken van het voertuig, zodanig dat het niet bewezen is dat het wel degelijk gaat om het verslag van het voertuig dat toebehoort aan de eerste verzoekende partij en dat het voorwerp heeft uitgemaakt van deze controle en van deze weging. De correctionele rechtbank te Namen heeft een beklaagde in een vergelijkbare situatie vrijgesproken voor de feiten die hem ten laste werden gelegd door het Waalse gewest en deze beslissing werd bevestigd door een arrest van 23 september 2015 van het Hof van Cassatie. Het verslag van de meetkundige dienst waar de verbalisanten naar verwijzen werd pas aan de verzoekende partijen bezorgd met de bestreden beslissing. Dit verslag werd opgesteld door het Vlaamse gewest en ondertekend door de administrateur-
generaal van de verwerende partij, zodanig dat het Vlaamse gewest zich zelf bewijsmiddelen verschaft die niemand kan betwisten. Het feit dat dit eenzijdig document afkomstig is van de diensten van de verwerende partij maakt het mogelijk om te stellen dat de goede werking van de bestreden weegschaal niet bewezen is, zodanig dat dit element, naast de andere aangevoerde onregelmatigheden, duidelijk aantoont dat de overtreding in hoofde van de verzoekende partijen niet is bewezen.
4.37. In de memorie van wederantwoord wijzen de verzoekende partijen erop dat, aangezien de verwerende partij geen antwoord formuleert op het middel, het middel “ernstig” dient te worden bevonden.
4.38. In de laatste memorie verwijzen de verzoekende partijen nogmaals naar het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Namen dat werd “bevestigd” door het Hof van Cassatie. Zij menen dat de gewone strafrechtbank hierover een andere beoordeling heeft, zodat de verschillende situatie van de overtreders voor een “administratief rechtscollege” weer neerkomt op een schending van het gelijkheidsbeginsel. Zij herhalen dat de directeur-generaal van de verwerende partij zelf het verslag betreffende de werking van de bestreden
XII-8239-26/36
weegschaal heeft ondertekend, hetgeen strijdig is met het onpartijdigheids-
beginsel en met het recht op een eerlijk proces.
Beoordeling
4.39. In verscheidene arresten, onder meer de meervermelde arresten nrs. 239.901 en 239.903 van 17 november 2017 en 241.358 van 2 mei 2018, heeft de Raad van State een bijna woordelijk identiek middel reeds beoordeeld en verworpen. De Raad van State ziet ook thans geen reden om tot een ander besluit te komen. Om dezelfde redenen als zijn uiteengezet in de voormelde arresten en die hierna worden herhaald en toegepast op de huidige zaak, wordt het middel verworpen.
4.40. De verzoekende partijen betwisten in wezen het bestaan van het materieel bestanddeel van het misdrijf met een kritiek op de asweger en de weegbon.
Het verslag van metrologische controle werd aan de verzoe-
kende partijen bezorgd samen met de bestreden beslissing, zo erkennen zij zelf.
Anders dan de verzoekende partijen doen gelden blijkt dit stuk aldus het voorwerp te hebben kunnen uitmaken van tegenspraak in de procedure voor de Raad van State.
Het verslag, opgesteld door de Afdeling Elektromechanica en Telematica, Sectie Metrologie van het Agentschap Wegen en Verkeer, dient te worden geacht wel degelijk aan te tonen dat de gebruikte asweger naar behoren functioneert. Dit verslag komt immers uitdrukkelijk tot het besluit dat het betrokken toestel mag worden gebruikt “voor het bepalen van het gewicht per as en het totaalgewicht van voertuigen”.
De verzoekende partijen laken voorts nog het feit dat het Vlaamse gewest zichzelf bewijsmiddelen verschaft die niet kunnen worden
XII-8239-27/36
betwist. Zoals reeds werd opgemerkt bij het onderzoek van het tweede onderdeel van het derde middel en het tweede onderdeel van het vijfde middel, is de omstandigheid dat de dienst metrologie, die het verslag heeft opgemaakt, ook tot het agentschap Wegen en Verkeer behoort, een gegeven dat eigen is aan de structuur van het betrokken bestuur en dat dienvolgens niet dienstig kan worden aangevoerd om de onpartijdigheid van de betrokken diensten te betwisten.
Voorts dient te worden vastgesteld dat het proces-verbaal uitdrukkelijk melding maakt van het merk, type en serienummer van de gehanteerde asweger, welke gegevens volledig overeenstemmen met het serie-
nummer op het verslag van de metrologische controle. De vaststellingen in het proces-verbaal stemmen overeen met de gegevens vermeld op de weegbon, zodat er geen twijfel over bestaat dat deze de resultaten bevat die met de in het proces-
verbaal vermelde asweger werden vastgesteld. Bijgevolg mag de Raad van State ervan uitgaan dat de bijlage met de weegbon deel uitmaakt van het proces-
verbaal.
Er is dan ook geen objectieve reden om de juistheid van de uitgevoerde weging in twijfel te trekken. Er is bovendien ook geen reden om aan te nemen dat de weegbon die als bijlage 1 bij het proces-verbaal is gevoegd, niet afkomstig zou zijn van het toestel waarvan de verbalisanten bij de controle van het voertuig gebruik hebben gemaakt.
4.41. Voorts doen de verzoekende partijen gelden dat op grond van de gegevens van het proces-verbaal niet vaststaat dat het betrokken voertuig aan de eerste verzoekende partij toebehoort.
Het middel mist op dit punt kennelijk feitelijke grondslag. Het proces-verbaal blijkt immers in zijn bijlage 2 uitdrukkelijk te vermelden: het merk, de nummerplaten van trekker en oplegger, het chassisnummer van beide bestanddelen van het voertuig en de eigenaars ervan. Ook wordt de burgerlijk aansprakelijke van het voertuig uitdrukkelijk vermeld. Er blijkt niet dat de
XII-8239-28/36
verwerende partij aan de hand van deze gegevens niet wettig kon achterhalen aan wie het voertuig toebehoorde en aan wie er een administratieve geldboete diende te worden opgelegd omwille van de inbreuk die met dat voertuig werd begaan.
Ten slotte dient te worden vastgesteld dat het vonnis van de correctionele rechtbank te Namen waarnaar de verzoekende partijen verwijzen, betrekking heeft op een zaak die valt onder de toepassing van het decreet van het Waalse Gewest van 19 maart 2009 ‘betreffende de instandhouding van het gewestelijk openbaar wegen- en waterwegendomein’ en niet onder het te dezen van toepassing zijnde decreet bijzonder wegtransport van het Vlaamse Gewest.
4.42. Het zevende middel wordt verworpen.
H. Achtste middel
4.43. De verzoekende partijen voeren in een achtste middel de schending van hun rechten van verdediging aan.
De verzoekende partijen doen in essentie gelden dat het moreel element van de inbreuk niet is bewezen. De lading werd uitgevoerd door een derde en de verzoekende partijen hadden niet de mogelijkheid om de overlading na te gaan. Wanneer de lading wordt uitgevoerd door een derde in afwezigheid van de vrachtwagenbestuurder, hebben de verzoekende partijen volgens “de richt-
lijn van 9 juli 2014” recht om uitstel te verkrijgen of de boete tot het minimum beperkt te zien. De verzoekende partijen hebben dit tevergeefs aan de verwerende partij gevraagd.
4.44. In de memorie van wederantwoord erkennen de verzoekende partijen dat een professionele vrachtwagenbestuurder een zware overlading van zijn voertuig gemakkelijk kan vaststellen, maar dat dit uiteraard niet hetzelfde is als een overlading aan een wielas, die zelfs de meest vlijtige vrachtwagen-
bestuurder enkel zou kunnen vaststellen via een geschikte weegschaal. Het
XII-8239-29/36
dossier bevat in dit verband geen enkele inlichting of dit soort toestel door de lader aan de vrachtwagenbestuurder ter beschikking werd gesteld. De twijfel in deze hypothese dient in het voordeel te spelen van de beklaagde, aldus de verzoekende partijen.
4.45. In de laatste memorie benadrukken de verzoekende partijen dat het arrest van het Hof van Cassatie betrekking heeft op een algemene overlading en niet op een overlading aan de wielas. Zij benadrukken tevens dat de admini-
stratieve omzendbrief voorziet in verzachtende omstandigheden en dat deze omzendbrief, ook al kan hij niet als grondslag dienen voor het uitspreken van een nietigverklaring, lijkt te kaderen in een goede rechtsbedeling. Anders oordelen komt volgens hen neer op een ongelijke behandeling tussen de overtreders al naargelang ze worden vervolgd voor een gewone strafrechtbank of voor een bestuursrechtscollege. Tenslotte wijzen zij nog op het ontbreken van een strafblad in hoofde van de tweede verzoekende partij.
Beoordeling
4.46. Ook deze grief betreffende het bestaan van het moreel bestanddeel van het misdrijf en de toepassing van verzachtende omstandigheden of uitstel heeft de Raad van State reeds meermaals beoordeeld en verworpen. De Raad van State ziet ook thans geen reden om tot een ander besluit te komen. Om dezelfde redenen als zijn uiteengezet in bijvoorbeeld de voormelde arresten nrs. 239.901, 239.903, 239.904 en 241.358 en die hierna worden herhaald en toegepast op de huidige zaak, wordt het middel verworpen.
4.47. Overeenkomstig artikel 3 van het decreet bijzonder wegtransport is niet vereist dat de kwestieuze inbreuk wetens en willens werd begaan, de schuld voor de inbreuk kan onder meer bestaan uit onachtzaamheid, wat betekent dat moet worden nagegaan of aan de betrokkene een gebrek aan voorzorg of voorzichtigheid kan worden verweten.
XII-8239-30/36
De omstandigheid dat de vrachtwagenbestuurder niet op de hoogte was van de overlading doordat hij het laden niet zelf had uitgevoerd en over geen middelen beschikte om het gewicht van het voertuig te controleren, maken niet dat de betrokken vervoersonderneming geen enkel verwijt meer zou treffen noch kunnen ze worden aangemerkt als onoverkomelijk. Een vervoers-
onderneming moet zich immers houden aan de wet en derhalve de nodige maatregelen nemen om ervoor te zorgen dat de vrachtwagens die zij in geladen toestand op de openbare weg brengt, voldoen aan de wettelijk toegestane maxima wat de asdrukken betreft, ook al heeft zijzelf of de vrachtwagenbestuurder het voertuig niet geladen. Het verzuim daaraan te voldoen kan het opzet of de schuldige nalatigheid uitmaken, vereist opdat het morele element van het misdrijf zou bestaan (Cass. 2 november 2004, AR P.04.0767.N ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20041102.8 ).
4.48. In tegenstelling tot wat de verzoekende partijen doen gelden, volgt voorts uit de door hen aangevoerde omzendbrief niet dat, telkens als de lading door een derde wordt uitgevoerd in afwezigheid van de vrachtwagen-
bestuurder, deze als het ware “automatisch” recht heeft op de toepassing van verzachtende omstandigheden. De verzoekende partijen gaan eraan voorbij dat de omzendbrief MOW 2012/1 van 9 juli 2012 bepaalt dat “[d]e omstandigheden die als verzachtende omstandigheid in aanmerking kunnen worden genomen […]
restrictief [dienen] te worden toegepast. De ratio legis is niet de zware boetes systematisch te verlagen onder het wettelijk minimum. Enkel wanneer hiervoor gegronde redenen zijn kan dit gebeuren”. Het uitgangspunt van de regelgeving is dan ook niet dat een overtreder hoe dan ook recht heeft op de toepassing van verzachtende omstandigheden of uitstel, doch daarentegen juist dat deze enkel in uitzonderlijke omstandigheden facultatief kunnen worden toegepast. Bovendien omschrijft deze omzendbrief de situatie die eventueel als verzachtende omstandigheid in aanmerking zou kunnen worden genomen in zijn geheel als volgt:
“het voertuig werd geladen door een derde, in afwezigheid van de chauffeur of diens werkgever, er doet zich geen overlading voor in totaliteit en de overlading is niet van die aard dat de overlading onmiddellijk merkbaar is, maar wel dusdanig dat kan worden aangenomen
XII-8239-31/36
dat een normale, voorzichtige en redelijke chauffeur, in dezelfde feitelijke omstandigheden de overlading zou hebben opgemerkt. De administratieve geldboete kan gedeeltelijk verlaagd worden.”
Het gaat dus niet louter om het laden “door een derde bij afwezigheid van de chauffeur” zoals de verzoekende partijen thans willen doen uitschijnen. Ook inzake het uitstel van de administratieve geldboete stelt de omzendbrief MOW 2012/1 van 9 juli 2012 gelijkaardige restrictieve voor-
waarden, waarvan de verzoekende partij niet aantoont dat deze te dezen vervuld zouden zijn.
4.49. Ook het ontbreken van een strafblad in hoofde van de tweede verzoekende partij leidt niet automatisch tot toekenning van uitstel.
Overeenkomstig artikel 18 van het decreet bijzonder wegtransport is het uitstel weliswaar enkel mogelijk als in de negatieve referentieperiode geen andere administratieve geldboete werd opgelegd aan de overtreder en als er geen strafrechtelijke veroordeling is geweest op grond van dit decreet. Niettemin moeten de verzoekende partijen wel specifieke redenen aanbrengen waarom in hun geval geheel of gedeeltelijk uitstel van betaling zou moeten worden toegestaan, wat te dezen niet blijkt.
4.50. Het achtste middel wordt verworpen.
I. Nieuw negende middel
4.51. De verzoekende partijen voeren in de laatste memorie in een nieuw negende middel de schending aan van het beginsel dat alle Belgen gelijk zijn voor de wet. Zij achten het gelijkheidsbeginsel geschonden om volgende redenen:
- zij menen dat een vrachtwagenbestuurder van een vervoersbedrijf waar-
van de vrachtwagen overladen is op een andere manier behandeld worden al naargelang het dossier geseponeerd wordt door het parket en de zaak wordt behandeld door een “bestuursrechtscollege” of door een gewone strafrechtbank. De overtreding van een overlading wordt immers als een
XII-8239-32/36
inbreuk beschouwd door het verkeersreglement en brengt geen enkele gevangenisstraf met zich mee, in tegenstelling tot het kwestieuze decreet.
Als de zaak derhalve geseponeerd wordt, bevindt de overtreder zich in een minder gunstige situatie dan diegene die wordt vervolgd voor de politierechtbank.
- zij worden berecht door een “administratief rechtscollege” dat hen, in tegenstelling tot een gewone strafrechtbank, het recht ontzegt om de zaak door te verwijzen naar een Franstalig rechtscollege alsook de diensten van een tolk.
- de strafrechtbanken leggen in dezelfde situaties meer nauwgezetheid op aan de verbalisanten in de manier waarop ze hun processen-verbaal invullen en met betrekking tot de instructies en de informatie die ze vermelden betreffende de verweten overtreding.
- volgens de verzoekende partijen wordt de ongelijkheid tussen de verschillende overtreders versterkt doordat in tegenstelling tot een rechter van de rechterlijke orde voor de kwestieuze inbreuk geen rekening dient te worden gehouden met de verzachtende omstandigheden.
Zij benadrukken nog dat dit negende middel geen betrekking heeft op de inhoud en de draagwijdte van het decreet heeft maar alleen op de toepassing ervan.
Beoordeling
4.52. Het negende middel bevat ofwel een herhaling van grieven die door de verzoekende partijen reeds werden aangevoerd in het kader van hun overige middelen ofwel nieuwe grieven, waarvan de Raad van State niet inziet waarom ze niet eerder, dat wil zeggen in het verzoekschrift, konden worden aangebracht.
XII-8239-33/36
Het negende middel dient bijgevolg in zoverre het een herha-
ling is van reeds aangevoerde grieven om dezelfde redenen te worden verworpen.
In zoverre het nieuwe grieven betreft, is het middel onontvankelijk.
J. Nieuw tiende middel
4.53. De verzoekende partijen voeren in de laatste memorie een nieuw tiende middel aan, waarin zij doen gelden dat de redelijke termijn van de rechtspleging is overschreden ingevolge “de traagheid waarmee de administra-
tieve rechtscolleges en inzonderheid de [Raad van State] een uitspraak hebben gedaan in dit dossier”. De overtreding dateert van 7 augustus 2015 en het verslag van de auditeur werd slechts opgesteld op 19 oktober 2017. Het gaat om vrij eenvoudige overtredingen en de verzoekende partijen hebben geen enkel vertragingsmaneuver uitgevoerd. Dit rechtsmiddel kon niet eerder worden aangevoerd, nu de redelijke termijn volgens de verzoekende partijen werd overschreden op het ogenblik van het opstellen van het advies van de auditeur.
Zij verzoeken dan ook, in het geval de Raad van State niet zou overgaan tot nietigverklaring van de bestreden beslissing, om met toepassing van artikel 21ter van de Voorafgaande Titel van het Wetboek van Strafvordering, de sanctie te herleiden tot een eenvoudige schuldverklaring.
Beoordeling
4.54. In verscheidene arresten heeft de Raad van State een in bijna identieke bewoordingen aangevoerd middel beoordeeld en verworpen, onder meer in het meervermelde arrest nr. 239.903 van 17 november 2017, inzake de nv Jost & Cie. De Raad van State ziet geen grond om in deze zaak tot een ander besluit te komen.
Hierna wordt dezelfde beoordeling toegepast op de huidige zaak.
XII-8239-34/36
4.55.1. Wat de redelijke termijn betreft voor de oplegging van de administratieve boete in de bestuurlijke procedure, moet worden opgemerkt dat het decreet bijzonder wegtransport vervaltermijnen oplegt en dat ze in de huidige zaak blijken te zijn gerespecteerd. Er is, zeker nu de decretale regeling korte vervaltermijnen instelt die het bestuur niet toelaat te dralen, geen reden om te onderzoeken of de wegeninspecteur-controleur en de minister binnen die termijnen waarover zij beschikten en die zij naleefden, voldoende diligent hebben gehandeld en de redelijke termijn hebben overschreden. De verzoekende partijen betogen overigens ook niet dat reeds in de bestuurlijke procedure de redelijke termijn zou zijn overschreden.
4.55.2. Tegen de eindbeslissing in de bestuurlijke procedure, die dateert van 5 augustus 2016 werd een annulatieberoep bij de Raad van State door de verzoekende partijen ingesteld op 3 oktober 2016, met acht middelen, waaronder er een aantal verschillende onderdelen bevatten. In de laatste memorie werden nog twee nieuwe middelen aangevoerd.
Voor zover het middel niet de overschrijding van de redelijke termijn door de bestreden beslissing betreft, en enkel de voormelde procedure voor de Raad van State, is het niet ontvankelijk, alleen al omdat het aldus geen onwettigheid betreft die tot een nietigverklaring van de bestreden beslissing kan leiden.
4.56. De Raad van State bezit ten slotte hoe dan ook geen rechtsmacht om artikel 21ter van de Voorafgaande Titel van het Wetboek van Strafvordering toe te passen.
4.57. Het middel wordt verworpen.
BESLISSING
1. De Raad van State verwerpt het beroep.
XII-8239-35/36
2. De verzoekende partijen worden verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 400 euro, elk voor de helft.
Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 16 oktober 2018, door de Raad van State, XIIe kamer, samengesteld uit:
Dierk Verbiest, kamervoorzitter, Johan Bovin, staatsraad, Pierre Barra, staatsraad, bijgestaan door Silja Doms, griffier.
De griffier De voorzitter
Silja Doms Dierk Verbiest
XII-8239-36/36
PDF document ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.242.660