Belgian Council of State dismisses annulment claim as the contested administrative decision was withdrawn by the state.
Synthèse Legislator
Généré par l'IAThe Council of State dismissed the applicant's request for annulment and suspension of an administrative decision appointing a civil servant to the NATO mission. The defending party successfully argued that the contested decision had been withdrawn on June 20, 2018, rendering the lawsuit without subject matter. Consequently, the court declared the action inadmissible and awarded costs to the applicant.
Regeste Legislator
Généré par l'IAArticles 30, § 5 of the Coordinated Council of State Laws; An administrative action becomes inadmissible if the contested decision is withdrawn before the judgment, depriving the claim of its subject matter.
Mots-clés
Généré par l'IADispositions légales citées
Généré par l'IADécisions connexes
Généré par l'IATexte complet
RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK
VOORZITTER VAN DE IXe KAMER
nr. 242.604 van 11 oktober 2018
in de zaak A. 224.831/IX-9267
In zake: Isabel GARCIA-VILAR
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Pascal Malumgré kantoor houdend te 3980 Tessenderlo Lichtveld 38/001
bij wie woonplaats wordt gekozen
tegen:
de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Werk, Economie en Consumenten, belast met Buitenlandse Handel bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Carmenta Decordier kantoor houdend te 9041Gent Orchideestraat 61A
bij wie woonplaats wordt gekozen
I. Voorwerp van de vordering
1. De vordering, ingesteld op 21 maart 2018, strekt tot de nietig-
verklaring en de schorsing van de tenuitvoerlegging van “[h]et ministerieel besluit van de Vice-Eerste Minister en Minister van Werk, Economie en Consumenten, belast met Buitenlandse Handel waarbij het ministerieel besluit van 21 maart 2017
waarbij mevrouw Isabel Garcia-Vilar […], attaché bij de Algemene Directie Energie, wordt toegevoegd aan de Permanente Vertegenwoordiging van België bij de Noord-Atlantische Verdragsorganisatie, wordt opgeheven” en van “de beslis-
sing tot tijdelijke aanstelling van [M. L.] van de FOD Economie als plaatsver-
vangster van mevrouw I. Garcia-Vilar bij de Permanente Vertegenwoordiging van België bij de NAVO”.
IX-9267-1/5
II. Verloop van de rechtspleging
2. De verwerende partij heeft een nota ingediend.
Eerste auditeur-afdelingshoofd Werner Weymeersch heeft een verslag opgesteld.
De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 17 september 2018.
Staatsraad Bruno Seutin heeft verslag uitgebracht.
Advocaat Franky De Mil, die loco advocaat Pascal Malumgré verschijnt voor de verzoekende partij en advocaat Brecht Heirman, die loco advocaat Carmenta Decordier verschijnt voor de tussenkomende partij, zijn ge-
hoord.
Eerste auditeur-afdelingshoofd Werner Weymeersch heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven.
Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, ge-
coördineerd op 12 januari 1973.
III. Intrekking
Standpunt van de partijen
3. Met een brief van 4 juli 2018 deelt de raadsvrouw van de ver-
werende partij mee “dat het ministerieel besluit van 22.01.2018 waarbij het mi-
nisterieel besluit van 21.03.2017 tot toevoeging van mevr. Isabel Garcia-Vilar aan de Permanente Vertegenwoordiging van België bij de Noord-Atlantische Ver-
IX-9267-2/5
dragsorganisatie wordt opgeheven, op 20.06.2018 werd ingetrokken”. Bij dit schrijven voegt zij een kopie van het intrekkingsbesluit van 20 juni 2018. Zij ar-
gumenteert dat “[g]elet op voormeld besluit […] de vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring […] zonder voorwerp [is] geworden, minstens dient te worden vastgesteld dat er geen belang meer is in hoofde van de verzoekende par-
tij”.
4. Op de terechtzitting valt verzoekster de stelling bij dat de voor-
liggende vordering zonder voorwerp is geworden ingevolge het voornoemde in-
trekkingsbesluit van 20 juni 2018.
Beoordeling
5. De partijen zijn het erover eens dat de vordering niet langer een voorwerp heeft ingevolge het intrekkingsbesluit van 20 juni 2018. Dienvolgens dient de vordering als onontvankelijk te worden verworpen.
6. Gelet op de voormelde intrekking doet de Raad van State met toepassing van artikel 30, § 5, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State in één en hetzelfde arrest uitspraak over de vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring zonder dat de voortzetting van de procedure kan worden ge-
vorderd en het daarmee verband houdende recht verschuldigd is.
7. De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen.
IV. Kosten
Vordering van verzoekster
8. In haar verzoekschrift vraagt verzoekster om de kosten van beide procedures – de vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring,
IX-9267-3/5
met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding van 700 euro per procedure ten laste te leggen van de verwerende partij.
Beoordeling
9. De Raad van State heeft toepassing gemaakt van artikel 30, § 5, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State om in één en hetzelfde arrest uitspraak te doen over de vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring zonder dat de voortzetting van de procedure kan worden gevorderd en het daarmee verband houdende recht verschuldigd is.
10. Ingevolge de beslissing tot intrekking door de verwerende partij komt het gepast voor om de kosten inzake het rolrecht voor de vordering tot schorsing ten laste leggen van de verwerende partij.
11. Met toepassing van artikel 30/1 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van artikel 67 van het besluit van de Regent van 23 au-
gustus 1948 'tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrecht-
spraak van de Raad van State’ wordt aan verzoekster een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro toegekend, nu zij door de intrekking van de bestreden beslissing als de in het gelijk gestelde partij dient te worden beschouwd.
BESLISSING
1. De Raad van State verwerpt het beroep tot nietigverklaring en de vorde-
ring tot schorsing.
2. De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 20 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan de ver-
zoekende partij.
IX-9267-4/5
Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 11 oktober 2018, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit:
Bruno Seutin, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Johan Pas, griffier.
De griffier De voorzitter
Johan Pas Bruno Seutin
IX-9267-5/5
PDF document ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.242.604