Legislator Jurisprudence & Législation
ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.242.591 ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.242.591 Généré par l'IA

Belgian State cassation appeal against Refugee Council decision on expulsion order motivation failure.

Numéro de cause ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.242.591
Autorité / Tribunal
Juridiction Belgique (BE)
Date de la décision
Issue du litige Partiellement admis (Partially Allowed)

Synthèse Legislator

Généré par l'IA

The Council of State annulled the Refugee Council's decision regarding the State Secretary's expulsion orders due to a failure in formal motivation requirements. The applicants argued that the Council incorrectly found no violation of Article 74/13 of the Aliens Act despite evidence showing the higher interest of the child was considered. The court held that the Council could not legally conclude a violation of the formal motivation duty solely based on the absence of explicit reasons for the required interest balancing, as the balancing was already evident in the administrative file.

Regeste Legislator

Généré par l'IA

Articles 39/2, § 2, 39/65, 62, 74/13 of the Aliens Act of 15 December 1980; Articles 2 and 3 of the Act of 29 July 1991 on the express motivation of administrative acts: The Council of State may not lawfully decide that a violation of the formal motivation duty exists solely on the ground of the absence of explicit reasons for the interest balancing required by Article 74/13 of the Aliens Act, when the balancing is evident from the administrative file.

Mots-clés

Généré par l'IA
Aliens Act expulsion orders formal motivation duty interest balancing cassation appeal Refugee Council administrative file mesure d'éloignement en droit des étrangers

Dispositions légales citées

Généré par l'IA
Articles 39/2, § 2, 39/65, 62 and 74/13 of the Act of 15 December 1980 on access to the territory, residence, settlement and removal of aliens
Articles 2 and 3 of the Act of 29 July 1991 on the express motivation of administrative acts
De verzoekende partij werpt in een enig middel de schending op van de artikelen 39/2, § 2, 39/65, 62 en 74/13 van de wet van 15 december 1980
Article 30/1, § 2, second paragraph of the coordinated Acts of the Council of State
Généré par l'IA

Vous souhaitez savoir comment cet arrêt s'applique à votre dossier ?

Analysez cette décision avec la législation fédérale, le droit cantonal, la doctrine et la jurisprudence subséquente dans Legislator AI.

Ouvrir dans Legislator →

Texte complet

RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK

XIVe KAMER

nr. 242.591 van 10 oktober 2018

in de zaak A. 222.698/XIV-37.468

In zake : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de staatssecretaris voor Asiel en Migratie bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Carmenta Decordier kantoor houdend te 9041 Gent-Oostakker Orchideestraat 61A

bij wie woonplaats wordt gekozen

tegen :

1. XXX

2. XXX

bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Maarten De Feyter kantoor houdend te 9050 Ledeberg Hundelgemsesteenweg 275

I. Voorwerp van het cassatieberoep

1. Het cassatieberoep, ingesteld op 19 juli 2017, strekt tot de cassatie van het arrest nr. 188.414 van 15 juni 2017 van de Raad voor Vreemde-

lingenbetwistingen.

II. Verloop van de rechtspleging

2. Het cassatieberoep is toelaatbaar verklaard bij beschikking nr. 12.513 van 31 juli 2017.

De verweerders hebben een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend.

XIV-37.468-1/8

Eerste auditeur Marijke Sterck heeft een verslag opgesteld, op grond van artikel 16 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State’.

De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 23 mei 2018.

Staatsraad Carlo Adams heeft verslag uitgebracht.

Advocaat Brecht Heirman, die loco advocaat Carmenta Decordier verschijnt voor de verzoekende partij, en advocaat Maarten De Feyter, die verschijnt voor de verweerders, zijn gehoord.

Eerste auditeur Marijke Sterck heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven.

Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.

III. Feiten

3. Op 23 maart 2016 neemt de staatssecretaris voor Asiel en Migratie ten aanzien van de verweerders telkens een afzonderlijke beslissing houdende bevel om het grondgebied te verlaten.

De verweerders stellen op 25 mei 2016 tegen de voornoemde beslissingen een vordering tot schorsing en een beroep tot nietigverklaring in bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. De Raad voor Vreemdelingen-

betwistingen vernietigt de beslissingen houdende bevel om het grondgebied te verlaten van 23 maart 2016 met een arrest van 15 juni 2017. Dit is het bestreden arrest.

XIV-37.468-2/8

IV. Onderzoek van de middelen

Enig middel

Standpunt van de partijen

4. De verzoekende partij werpt in een enig middel de schending op van de artikelen 39/2, § 2, 39/65, 62 en 74/13 van de wet van 15 december 1980

‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ (hierna: de vreemdelingenwet) en van de draagwijdte van de formelemotiveringsplicht zoals vervat in de artikelen 2 en 3

van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’ (hierna: de wet van 29 juli 1991).

De verzoekende partij voert in een tweede middelonderdeel aan dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in het bestreden arrest de formele-

motiveringsplicht geschonden acht omdat de door artikel 74/13 van de vreemdelingenwet vereiste beoordeling van het hoger belang van het kind wel blijkt uit een bepaald stuk doch niet als dusdanig werd opgenomen in de bevelen om het grondgebied te verlaten zodat de huidige verweerders niet konden weten of al dan niet rekening werd gehouden met het hoger belang van hun kind. Al volgt uit het voornoemde artikel 74/13 dat bij het nemen van een verwijderingsbeslissing rekening moet worden gehouden met bepaalde fundamentele rechten en belangen, volgens de verzoekende partij volgt daaruit niet dat die beslissingen specifiek en uitdrukkelijk moeten worden gemotiveerd omtrent die rechten en belangen.

Volgens de verzoekende partij wordt in het bestreden arrest dus ten onrechte geoordeeld dat de afweging in het kader van het meergenoemde artikel 74/13

expressis verbis zou moeten blijken uit de aanvankelijk bestreden beslissingen. De verzoekende partij ziet niet in waarom de synthesenota, die deel uitmaakt van het administratief dossier, niet zou kunnen volstaan in het licht van artikel 74/13 van de vreemdelingenwet. Het volstaat dat bij het nemen van de aanvankelijk bestreden beslissing rekening wordt gehouden met de in die bepaling bedoelde belangen,

XIV-37.468-3/8

zonder dat hierover expliciet wordt gemotiveerd. De verzoekende partij verwijst naar de rechtspraak van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in die zin en naar rechtspraak van de Raad van State betreffende artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden, ondertekend te Rome op 4 juni 1950 (hierna: het EVRM), waarin artikel 74/13 van de vreemdelingenwet wordt weerspiegeld. Vermits artikel 8 van het EVRM als hogere rechtsnorm geen uitdrukkelijke motiveringsplicht inhoudt, kan artikel 74/13 van de vreemdelingenwet als nationale norm niet strikter worden geïnterpreteerd. Ook het Hof van Cassatie heeft geoordeeld dat artikel 74/13 van de vreemdelingenwet geen formele motivering vereist. Tot slot verwijst de verzoekende partij naar rechtspraak van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen waarin al herhaaldelijk werd gesteld dat bij de wettigheidscontrole van een administratieve beslissing wel degelijk rekening moet worden gehouden met een synthesenota in het administratief dossier.

5. De verweerders stellen in de memorie van antwoord dat de aanvankelijk bestreden bevelen om het grondgebied te verlaten geen enkele motivering bevatten betreffende de situatie van hun minderjarige zoon. Het feit dat in artikel 74/13 van de vreemdelingenwet geen expliciete motiveringsplicht wordt vermeld, betekent niet dat de motiveringsplicht niet van toepassing zou zijn op deze bepaling. Het beginsel van de wapengelijkheid en de algemene beginselen van behoorlijk bestuur hebben prioriteit op het al dan niet vermeld zijn van een formelemotiveringsplicht in het voornoemde artikel 74/13. De verweerders moeten hun beroepsrecht naar behoren kunnen uitoefenen en het halverwege de beroepsprocedure aanvoeren van de redenen waarom een beslissing werd genomen, te dezen in de vorm van een synthesenota, volstaat niet.

6. In de memorie van wederantwoord herhaalt de verzoekende partij het tweede middelonderdeel. Zij voegt toe dat het de huidige verweerders vrijstond een aanvraag tot inzage van het administratief dossier in te dienen, zodat de door hen voorgehouden schending van het beginsel van de wapengelijkheid niet

XIV-37.468-4/8

opgaat. Verder acht de verzoekende partij het evident dat minderjarige kinderen de situatie van hun ouders volgen, zodat dit geen nadere motivering behoefde.

Beoordeling

7. De in het bestreden arrest aangenomen schending van de formelemotiveringsplicht heeft uitsluitend betrekking op de motivering in de aanvankelijk bestreden bevelen aangaande de door artikel 74/13 van de vreemdelingenwet vereiste belangenafweging.

Te dezen stelt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in antwoord op de door de huidige verweerders voorgehouden schending van artikel 74/13 van de vreemdelingenwet vast dat “uit de gegevens van het administratief dossier blijkt dat in een interne nota van 18 maart 2016 een beoordeling in het kader van artikel 74/13 van de vreemdelingenwet werd gemaakt betreffende het gezins- en familieleven, het hoger belang van het kind en de gezondheidstoestand van de verzoekende partijen alvorens over te gaan tot het nemen van de onontvankelijkheidsbeslissing aangaande een ingediende aanvraag tot machtiging van verblijf op grond van artikel 9ter van de vreemdelingenwet en tot het nemen van een bevel om het grondgebied te verlaten”. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen overweegt dan dat “uit deze synthesenota blijkt dat een zekere belangenafweging en beoordeling in het kader van artikel 74/13 van de vreemdelingenwet werd gemaakt betreffende het gezins- en familieleven, het hoger belang van het kind en de gezondheidstoestand van de verzoekende partijen alvorens over te gaan tot het nemen van de bestreden bevelen” doch “dat deze handelwijze niet volstaat in het licht van de rechtsbescherming van de rechtsonderhorige”, vermits “door de elementen van deze belangenafweging niet uitdrukkelijk weer te geven in de [aanvankelijk] bestreden beslissingen […] de verwerende partij voorbij[gaat] aan het feit dat zij gehouden is tot een uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen en dit overeenkomstig de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen en artikel 62 van de Vreemdelingenwet.” De Raad voor

XIV-37.468-5/8

Vreemdelingenbetwistingen besluit dat uit de voornoemde synthesenota “blijkt dat bij het nemen van de verwijderingsmaatregelen van 23 maart 2016 rekening werd gehouden met het hoger belang van het kind in het kader van artikel 74/13 van de vreemdelingenwet maar deze beoordeling werd echter niet als dusdanig opgenomen in de thans bestreden bevelen zodat de verzoekende partijen niet konden weten of de gemachtigde al dan niet rekening heeft gehouden met het hoger belang van het kind”, zodat hij de formelemotiveringsplicht geschonden acht.

8. Artikel 74/13 van de vreemdelingenwet bepaalt enkel dat rekening wordt gehouden met het hoger belang van het kind, het gezins- en familieleven en de gezondheidstoestand van het kind doch houdt geen bijzondere motiveringsplicht in. In de uitoefening van zijn wettigheidscontrole vermag de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen zich dan ook niet te beperken tot de eventuele uitdrukkelijke motieven dienaangaande in de bij hem aangevochten beslissingen.

Door aan te nemen dat, wat de belangenafweging in het licht van artikel 74/13 van de vreemdelingenwet betreft, een uitdrukkelijke motivering in de aanvankelijk bestreden bevelen om het grondgebied te verlaten is vereist en enkel op grond van het ontbreken van dergelijke motivering een schending van artikel 74/13 van de vreemdelingenwet aan te nemen, na nochtans te hebben vastgesteld dat uit de synthesenota van 18 maart 2016 blijkt dat bij het nemen van die bevelen om het grondgebied te verlaten “rekening werd gehouden met het hoger belang van het kind in het kader van artikel 74/13 van de vreemdelingenwet”, schendt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen de voornoemde wetsbepaling. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen kon derhalve niet wettig besluiten tot een schending van de formelemotiveringsplicht, enkel op grond van het ontbreken van uitdrukkelijke motieven betreffende de door 74/13 van de vreemdelingenwet vereiste belangenafweging in de aanvankelijk bestreden bevelen om het grondgebied te verlaten.

XIV-37.468-6/8

De verweerders stellen ten onrechte dat de redenen voor de aanvankelijk bestreden bevelen om het grondgebied te verlaten slechts halverwege de beroepsprocedure worden aangevoerd. Zij gaan eraan voorbij dat de motieven niet achteraf worden aangevoerd doch blijken uit een nota van 18 maart 2016, dus ruim voordat de aanvankelijk bestreden beslissingen werden genomen, en dat deze nota deel uitmaakt van het administratief dossier.

9. Het tweede onderdeel van het enige middel is gegrond en deze vaststelling volstaat voor de cassatie van het bestreden arrest.

V. Begroting van de rechtsplegingsvergoeding

10. In het verzoekschrift tot cassatie en de memorie van wederantwoord vraagt de verzoekende partij de verweerders te veroordelen tot de kosten van het geding, waaronder een rechtsplegingsvergoeding ten bedrage van 700 euro.

Vermits de verweerders als in het ongelijk gestelde partij tweedelijns juridische bijstand genieten en de verzoekende partij geen kennelijk onredelijke situatie aantoont, dient dit bedrag overeenkomstig artikel 30/1, § 2, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State te worden herleid tot 140 euro.

XIV-37.468-7/8

BESLISSING

1. De Raad van State vernietigt het arrest nr. 188.414 van 15 juni 2017 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen.

2. Dit arrest zal in de registers van voormelde Raad worden overgeschreven, en melding ervan zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde arrest.

3. De zaak wordt verwezen naar een anders samengestelde kamer van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen.

4. De verweerders worden verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro, elk voor de helft, en een rechtsplegingsvergoeding van 140 euro, die verschuldigd is aan de verzoekende partij.

Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van tien oktober tweeduizend achttien, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit:

Geert Debersaques, kamervoorzitter, Carlo Adams, staatsraad, Patricia De Somere, staatsraad, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier.

De griffier De voorzitter

Joris Casneuf Geert Debersaques

XIV-37.468-8/8

PDF document ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.242.591