Court dismisses annulment and damages claim regarding unequal administrative appointment assessment.
Synthèse Legislator
Généré par l'IAThe Council of State rejected the applicant's request to annul the appointment of Werner Weymeersch over Jozef Stevens and denied a claim for damages. The court found that the applicant failed to prove the selection criteria were applied incorrectly or that the assessment was unreasonable. Consequently, the applicant was ordered to pay the costs of the proceedings.
Regeste Legislator
Généré par l'IAArticles 10 and 11 of the Law of 12 January 1973 on the Council of State; An administrative body retains discretion in evaluating candidate merits without prior weighting, and a claim for annulment fails where the applicant cannot demonstrate that the assessment was based on incorrect data, negligence, or unreasonableness.
Mots-clés
Généré par l'IADispositions légales citées
Généré par l'IADécisions connexes
Généré par l'IATexte complet
RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK
IXe KAMER
nr. 242.563 van 9 oktober 2018
in de zaak A. 215.573/IX-8619
In zake: Jozef STEVENS
woonplaats kiezend te 2221 Heist-op-den-Berg Kleine Steenweg 75
tegen:
de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Patrick Devers kantoor houdend te 9000 Gent Kouter 71-72
bij wie woonplaats wordt gekozen
Tussenkomende partij:
Werner WEYMEERSCH
woonplaats kiezend te 3450 Geetbets Borgloonstraat 30
en bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Hendrik Vermeire kantoor houdend te 9000 Gent Kortrijksesteenweg 956
I. Voorwerp
1.1. Het beroep, ingesteld op 10 april 2015, strekt tot de nietigver-
klaring van het koninklijk besluit van 12 januari 2015 waarbij Werner Wey-
meersch wordt aangewezen voor het adjunct-mandaat van eerste auditeur-
afdelingshoofd bij de Raad van State, “alsmede van de impliciete beslissing [Jo-
zef Stevens] niet te benoemen tot eerste auditeur-afdelingshoofd”.
IX-8619-1/36
1.2. Met een verzoek, ingesteld op 12 februari 2016, vraagt de ver-
zoekende partij “een schadevergoeding tot herstel toe te kennen ten laste van de Belgische Staat wegens het […] geleden nadeel omwille van de onwettig-
heid/onwettigheden van de […] beslissing”.
II. Verloop van de rechtspleging
2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord inge-
diend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend.
Werner Weymeersch heeft een verzoekschrift tot tussenkomst ingediend. De tussenkomst is toegestaan bij beschikking van 12 augustus 2015.
De tussenkomende partij heeft een memorie ingediend.
Eerste auditeur-afdelingshoofd Diane Mareen heeft een verslag opgesteld.
De verzoekende partij, de verwerende partij en de tussenko-
mende partij hebben een laatste memorie ingediend.
De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 24 september 2018.
Kamervoorzitter Geert Van Haegendoren heeft verslag uitge-
bracht.
Advocaat Patrick Devers, die verschijnt voor de verwerende partij en advocaat Hendrik Vermeire, die verschijnt voor de tussenkomende par-
tij, zijn gehoord.
Eerste auditeur-afdelingshoofd Diane Mareen heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven.
IX-8619-2/36
Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, ge-
coördineerd op 12 januari 1973.
III. Feiten
3.1. Bij nota van 1 september 2014 maakt de adjunct-auditeur-
generaal bij de Raad van State de vacature bekend van een betrekking van eerste auditeur-afdelingshoofd in het auditoraat van de Raad van State, met ingang van 1 september 2014.
Aan de kandidaten wordt gevraagd “ter ondersteuning van [de]
kandidatuur omstandig de redenen aan te geven waarom [de kandidaat] meent voor dit adjunct-mandaat in aanmerking te komen”, waartoe de kandidaat “oog [zal] hebben voor de specifieke vereisten van de functie en ook voor het feit dat ze vacant is bij de afdeling IV [die in de afdeling Bestuursrechtspraak belast is met ambtenarenzaken]”. Bij de nota gaat een “functiebeschrijving en profiel be-
treffende het ambt van eerste auditeur-afdelingshoofd”. Deze bijlage herinnert aan de wettelijke aanwijzingsvoorwaarden, beschrijft de “[b]elangrijkste bijzon-
dere opdrachten” en vermeldt dertien “[b]elangrijkste competentievereisten”.
3.2. Er melden zich twee kandidaten, namelijk verzoeker en de tus-
senkomende partij.
3.3. Op 7 november 2014 adviseert de adjunct-auditeur-generaal aan de minister van Binnenlandse Zaken om de tussenkomende partij bij de Ko-
ning voor te dragen voor de aanstelling in het bedoelde adjunct-mandaat.
3.4. Bij koninklijk besluit van 12 januari 2015 wordt de tussenko-
mende partij aangewezen voor het adjunct-mandaat van eerste auditeur-
afdelingshoofd bij de Raad van State.
IX-8619-3/36
Zij legt de voorgeschreven eed af op 12 februari 2015.
Het benoemingsbesluit wordt bij vermelding bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 12 juni 2015.
IV. Ontvankelijkheid van het beroep
A. Exceptie nopens de omschrijving van het eerste voorwerp
Exceptie
4. De verwerende partij wijst erop dat verzoeker een ‘benoeming’ bestrijdt en zij werpt op dat dit een onbestaande rechtshandeling is, aangezien in het adjunct-mandaat van eerste auditeur-afdelingshoofd niet is benoemd, maar aangewezen.
Beoordeling
5.1. Het is alle partijen, met de woorden van de verwerende partij, “gegund [om] een benoeming tot eerste auditeur-afdelingshoofd te verwarren met een aanwijzing (in adjunct-mandaat) van eerste auditeur-afdelingshoofd”. Geen der partijen is geschaad in haar mogelijkheden tot eis of verweer en het zou van een overdreven formalisme getuigen, zijdens de Raad, om dan enige afkeuring over de gebruikte terminologie te laten blijken. Overigens is de bestreden aanwij-
zing in de ruime zin ook een ‘benoeming’ in een overheidsbetrekking.
5.2. De exceptie wordt verworpen.
IX-8619-4/36
B. Excepties met betrekking tot de impliciete weigeringsbeslissing
Uiteenzetting
6.1. In de memorie van antwoord werpt de verwerende partij op dat het beroep niet ontvankelijk is, wat de bestreden weigering betreft om verzoeker te benoemen. Zij herhaalt dat van een ‘benoeming’ rechtens geen sprake kan zijn – het betreft immers een aanwijzing in een adjunct-mandaat – en stelt dat een eventuele nietigverklaring, ongeacht de grond daartoe gelet op de door verzoeker aangediende middelen, niet ipso facto met zich meebrengt dat verzoeker diende te worden aangewezen. Zij verwijst naar de arresten van de Raad nr. 222.357 en nr. 222.358 van 1 februari 2013 alsmede specifiek naar arrest nr. 231.330 van 26
mei 2015.
6.2. Ook de tussenkomende partij betwist de ontvankelijkheid van het beroep, voor zover het is gericht tegen de impliciete weigering om verzoeker aan te wijzen. Verzoeker toont volgens haar niet aan dat er in hoofde van de overheid een rechtsplicht zou bestaan om hem te benoemen.
Beoordeling
7.1. Zoals de Raad van State er reeds meermaals aan heeft herin-
nerd – onder meer in zijn arrest nr. 231.330 van 26 mei 2015 – heeft de algemene vergadering van de afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State in arrest nr. 222.357 van 1 februari 2013, aangenomen dat het beroep tegen een impliciete weigeringsbeslissing niet a priori onontvankelijk is. Ten minste blijft, met het oog op een uitspraak over het supplementaire beroep tegen de impliciete weige-
ring, altijd na te gaan of de verzoekende partij een middel aanvoert dat, gelet op alle gegevens waarmee in het kader van het beroep rekening moet worden gehou-
den, tot de uitzonderlijke vaststelling leidt dat de overheid geen andere keuze heeft dan het nagestreefde voordeel aan de verzoekende partij te gunnen.
IX-8619-5/36
7.2. De al dan niet uiteindelijke nietigverklaring van de impliciete weigeringsbeslissing hangt dan ook voor de rest samen met de grond van de zaak.
C. Exceptie inzake het actueel belang van verzoeker
Uiteenzetting
8.1. De tussenkomende partij ontzegt verzoeker in haar memorie in tussenkomst het rechtens vereiste actuele belang.
Zij wijst erop dat verzoeker tegen een latere aanwijzing in het adjunct-mandaat van eerste auditeur-afdelingshoofd geen beroep tot nietigverkla-
ring heeft ingesteld van het koninklijk besluit waarbij die aanwijzing gebeurde.
Nochtans moet volgens haar worden vastgesteld dat de feitelijke omstandigheden niet verschillen van die welke aanleiding hebben gegeven tot haar aanwijzing tot het adjunct-mandaat van eerste auditeur-afdelingshoofd. Voor beide vacante be-
trekkingen was verzoeker kandidaat, doch telkens werd een andere persoon aan-
gewezen in het adjunct-mandaat. In beide gevallen had verzoeker derhalve de betrachting zelf in het adjunct-mandaat te worden aangewezen. Daarbij is het van geen belang te weten welke materie de betrokken afdeling behandelde. Door geen beroep tot nietigverklaring in te stellen tegen het koninklijk besluit van 17 juli 2015 waarbij L.V. wordt aangewezen in het adjunct-mandaat van eerste auditeur-
afdelingshoofd, kan niet anders dan worden vastgesteld dat het thans verzoeker niet langer interesseert om in een dergelijk adjunct-mandaat te worden aangewe-
zen. Aldus getuigt hij niet langer van het rechtens vereiste actuele belang bij het beroep tot nietigverklaring.
8.2. In haar laatste memorie handhaaft de tussenkomende partij de exceptie. Zij onderstreept dat verzoeker al dan niet bewust en om welke (persoon-
lijke) redenen dan ook, een kans om aangewezen te worden in het adjunct-
mandaat van eerste auditeur-afdelingshoofd heeft laten schieten. Wanneer het hem er werkelijk om te doen was het adjunct-mandaat uit te oefenen, had hij niet
IX-8619-6/36
alleen de eerdere aanwijzingen waarvoor hij postuleerde maar ook alle nakomen-
de aanwijzingen in rechte dienen aan te vechten.
Beoordeling
9. Het mag vaste rechtspraak heten dat uit het enkele feit dat een verzoekende partij zich niet kandidaat gesteld heeft voor een latere vacature in eenzelfde ambt, waarvoor noodzakelijk andere kandidaten in aanmerking zouden komen, elk met hun eigen titels en verdiensten, niet afgeleid mag worden dat die verzoekende partij geen belangstelling meer heeft voor het ambt dat de benoemde bekleedt. Er kunnen ook andere, specifieke omstandigheden zijn die kunnen ver-
klaren waarom een verzoekende partij zich geen kandidaat stelt voor een navol-
gende vacature. Welbepaald met betrekking tot een ambt van eerste auditeur-
afdelingshoofd heeft de Raad van State dit reeds overwogen in zijn arrest nr. 172.528 van 21 juni 2007; voor andere ambten in de (gewone) magistratuur mag worden verwezen naar bijvoorbeeld arrest nr. 177.925 van 17 december 2007, de arresten nrs. 235.144 en 235.145 van 21 juni 2016 of arrest nr. 235.643
van 25 augustus 2016.
Welnu, het is niet anders omdat de verzoekende partij zich bij gelegenheid van die latere vacature wél kandidaat heeft gesteld, maar uiteindelijk niet is benoemd (of aangewezen), zoals in casu is gebeurd in de procedure die heeft geleid tot de aanwijzing van L.V. bij koninklijk besluit van 17 juli 2015.
Ook dan kan die partij redenen hebben om die benoeming of aanwijzing niet aan te vechten, bijvoorbeeld omdat zij meent dat de vergelijking van de aanspraken van de kandidaten in die navolgende selectieprocedure wel correct is geschied en een beroep geen kans op slagen heeft. Noch de Raad, noch de andere partijen kunnen zich voor het maken van die inschatting in de plaats van de verzoekende partij stellen.
10. De exceptie wordt verworpen.
IX-8619-7/36
V. Onderzoek van de middelen
A. Eerste middel
Uiteenzetting van het middel
11. Een eerste middel put verzoeker uit de schending van de forme-
lemotiveringsplicht, wat hij toelicht als volgt:
“Binnen het raam van het annulatiecontentieux heeft de formele motive-
ringsplicht tot doel een kandidaat voor een bevordering een zodanig in-
zicht te geven in de motieven van de beslissing houdende benoeming van een andere kandidaat en van de impliciete beslissing hem niet te benoe-
men dat hij in staat is terdege te oordelen of het zin heeft zich tegen die beslissing(en) op het stuk van de motieven te verweren met de middelen die het recht hem ter beschikking stelt.
Dit sluit uiteraard uit dat hij vrede zou moeten nemen met een kennisname van de motieven nadat hij een van die rechtsmiddelen – in casu het annu-
latieberoep bij de Raad van State – heeft aangewend.
Ondanks herhaald verzoek heeft verwerende partij verzoeker niet in ken-
nis gesteld van het bestreden besluit; verzoeker is derhalve niet op de hoogte van de motivering van het bestreden besluit.
Het tweede en derde middel, zoals aangevoerd infra door verzoeker, zijn dan ook louter een gok, gebaseerd op het voormeld advies van de adjunct-
auditeur-generaal, dat evenwel geen voor vernietiging vatbare rechtshan-
deling is.
De formele motiveringsplicht is geschonden.”
12. In de memorie van wederantwoord betoogt verzoeker, met verwijzing naar arrest nr. 103/2015 van het Grondwettelijk Hof van 16 juli 2015, dat de formelemotiveringsplicht “haar doel [zou] voorbijschieten indien die be-
stuurde de motieven die de beslissing verantwoorden pas te weten kan komen nadat hij beroep heeft ingesteld”. De verwerende partij heeft verzoeker niet spon-
taan in kennis gesteld van het bestreden besluit en evenmin na herhaald verzoek daartoe met twee ter post aangetekende brieven. Verzoeker is de motivering van het bestreden besluit pas te weten gekomen nadat hij beroep heeft ingesteld.
IX-8619-8/36
13. In zijn laatste memorie handhaaft verzoeker het middel, onder verwijzing naar rechtspraak van de Raad van State en meervermeld arrest van het Grondwettelijk Hof. Hij betoogt:
“In een vergelijkbare zaak wordt het middel van schending van de forme-
le motiveringsplicht [in arrest nr. 235.175 van 21 juni 2016] niet onont-
vankelijk bevonden […] maar integendeel gegrond, hetgeen evenwel niet leidt tot een vernietiging maar wel tot de tenlastelegging van verweerster van de kosten van het beroep en van de rechtsplegingsvergoeding – in te-
genstelling tot het auditoraatsverslag dat de kosten van het beroep en de rechtsplegingsvergoeding ten laste van verzoeker legt.
Dergelijke uitspraak is niet meer dan logisch: verweerster heeft verzoeker genoodzaakt om annulatieberoep in te stellen, dan moet verweerster ook opdraaien voor de kosten nu verzoeker pas door de neerlegging van het dossier kennis heeft kunnen krijgen van de motieven.
3.4. De repliek van verzoeker onder 2. supra leidt er hoe dan ook toe dat de Raad van State dient te oordelen of de formele motiveringsplicht ge-
schonden is, of er een onwettigheid is begaan door verweerster ongeacht of verzoeker daarbij al dan niet belang heeft bij zijn annulatieberoep, on-
geacht of die schending al dan niet leidt tot een vernietiging.
Zowel in het in het auditoraatsverslag geciteerde arrest als in het arrest geciteerd door verzoeker wordt besloten tot een onwettigheid wegens schending van de formele motiveringsplicht.
Die onwettigheid dient dan ook in het kader van het verzoek tot schade-
vergoeding tot herstel vastgesteld te worden en vertaald te worden naar de tenlastelegging van de kosten en naar de gevorderde schadevergoeding.”
Beoordeling
14. Verondersteld mag worden dat verzoeker, die de schending inroept van “de formele motiveringsplicht”, hiermee beoogt te verwijzen naar de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke moti-
vering van de bestuurshandelingen’. Aan de Raad van State zijn alvast geen “bij-
zondere regelingen waarbij de uitdrukkelijke motivering van bepaalde bestuurs-
handelingen is voorgeschreven” bekend, als bedoeld in artikel 6 van die wet, die de aanwijzing in het adjunct-mandaat van eerste-auditeur-afdelingshoofd bij de Raad van State strengere verplichtingen zouden opleggen dan die bepaald in de voormelde wet.
IX-8619-9/36
De verwerende partij en de tussenkomende partij hebben het middel ook zo opgevat, zodat er geen reden is om het onontvankelijk te verklaren wegens onzorgvuldigheid bij de (niet-)vermelding van de geschonden geachte wetsbepaling.
15. Luidens artikel 3 van de bedoelde wet van 29 juli 1991, moet de opgelegde motivering de juridische en feitelijke overwegingen die aan de be-
slissing ten grondslag liggen “vermelden”, “in de akte”, hetgeen wijst op een in-
strumentum dat de rechtshandeling weergeeft.
De weigering om verzoeker aan te wijzen is geen zulke expli-
ciete beslissing, maar een beslissing waarvan het bestaan slechts afgeleid kan worden uit het bestaan van de uitdrukkelijke beslissing om de tussenkomende partij aan te wijzen.
Op zo een louter impliciete weigeringsbeslissing vindt de for-
melemotiveringsplicht geen toepassing.
Voor zover het middel uitgaat van de tegenovergestelde opvat-
ting, faalt het naar recht.
16.1. De formelemotiveringsplicht, opgelegd door de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’, vergt dat uit de benoemingsakte formeel blijkt dat een vergelijking van de kandi-
daten heeft plaatsgehad, op grond van welke criteria die vergelijking is gebeurd en op welke motieven, geput uit die vergelijking, de benoeming van de uitverko-
ren kandidaat wordt gesteund.
16.2. Het bestreden koninklijk besluit bevat de volgende aanhef:
“Gelet op de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, artikelen 69, 74/1, 3e lid, 74/2, §4, en 74/4, § 1, 2° en § 2, 1e lid;
IX-8619-10/36
Overwegende dat een betrekking van Nederlandstalige eerste auditeur-
afdelingshoofd vacant is, ten gevolge van het ontslag van de heer Eerste Auditeur-afdelingshoofd […] op 1 september 2014;
Gelet op de oproep tot kandidaten gericht aan de Nederlandstalige eerste auditeurs op 1 september 2014, door tussenkomst van de Adjunct-
auditeur-generaal;
Gelet op de kandidaturen van de heren eerste auditeurs Jozef Stevens en Werner Weymeersch;
Gelet op het eensluidend advies bedoeld in voornoemd artikel 74/4, § 1, 2°, dat uitgebracht werd door de Adjunct-auditeur-generaal op 7 novem-
ber 2014;
Overwegende dat de Adjunct-auditeur-generaal stelt dat de heer Stevens weliswaar een grotere graadanciënniteit heeft dan de heer Weymeersch maar dat een grotere anciënniteit op zich geen voorrang verleent voor de benoeming; dat het niet meer is dan één van de elementen in de vergelij-
king tussen de kandidaten;
Overwegende dat uit het advies van de Adjunct-auditeur-generaal blijkt dat elk van de kandidaten als een uitstekend jurist kan beschouwd wor-
den; dat geen van beide kandidaten een recente ervaring heeft met de ma-
terie die wordt behandeld door de afdeling IV waar de vacante betrekking zich situeert, maar dat het buiten twijfel staat dat zij beiden in staat zijn om zich deze materie eigen te maken;
Overwegende dat in het advies wordt gesteld dat het leiden van een afde-
ling meer is dan het verlenen van juridisch-technische ondersteuning aan de leden ervan maar dat de opdracht van het afdelingshoofd er ook in be-
staat om ervoor te zorgen of er toe bij te dragen dat er in zijn afdeling een positieve werksfeer bestaat waar collegialiteit en vandaar samenwerking op een zo optimaal mogelijke manier kan worden gerealiseerd en dat daarom uit de functiebeschrijving blijkt dat de kandidaat ook moet be-
schikken over een aantal relationele competenties zoals empathie en luis-
terbereidheid, conflictbeheersing, zin voor communicatie en overleg, mo-
tiverend optreden;
Overwegende dat de Adjunct-auditeur-generaal in zijn advies vaststelt dat de heer Weymeersch de enige kandidaat is die een uitgewerkte visie over people management in een afdeling ontwikkelt en daaruit besluit dat de kandidatuur van de heer Weymeersch een voorkeur geniet boven deze van de heer Stevens op het vlak van de competentievereisten die betrekking hebben op de intermenselijke relaties, zoals empathie en luisterbereidheid, conflictbeheersing, zin voor communicatie en overleg, motiverend optre-
den;
Overwegende dat er zich in het dossier geen elementen bevinden die noodzaken af te wijken van het gemotiveerd advies van de Adjunct-
auditeur-generaal;
Gelet op het koninklijk besluit van 13 november 2008 waardoor de heer Werner Weymeersch met ingang van 3 november 2008 benoemd werd tot Eerste Auditeur bij de Raad van State.”
IX-8619-11/36
Hieruit blijkt dat de benoemende overheid de redenen die haar hebben geleid tot de aanwijzing van de tussenkomende partij expliciet heeft aan-
gegeven als considerans in de aanhef van het benoemingsbesluit; inzonderheid vermeldt zij op welke wijze de tussenkomende partij zich volgens haar met be-
trekking tot people management van verzoeker onderscheidt.
16.3. De stelling, dat het benoemingsbesluit niet formeel is gemoti-
veerd, mist dan ook feitelijke grondslag.
17. Zoals verzoeker evenwel terecht opmerkt is de formelemotive-
ringsplicht een doelnorm.
Om te oordelen of de formelemotiveringsplicht is geschonden, wordt ermee rekening gehouden of de verzoekende partij belangenschade heeft geleden.
Dit kan ertoe leiden dat een schending van de formelemotive-
ringsplicht wel vastgesteld moet worden indien de belanghebbende de motieven niet of niet tijdig verneemt, alhoewel ze toch zijn uitgeschreven.
Aangenomen wordt, zoals verzoeker schrijft met verwijzing naar de rechtspraak van de Raad van State en het Grondwettelijk Hof, dat een verzoekende partij er geen genoegen mee te nemen heeft indien zij slechts ná het instellen van het annulatieberoep kennis gekregen zou hebben van de motieven –
tenzij in het geval zij vervolgens zelf verzaakt aan het middel van de formelemo-
tiveringsplicht en de memorie van wederantwoord aangrijpt om, nádat zij met het administratief dossier kennis krijgt van de motieven waarop de bestreden akte steunt, alsnog de materiële motivering aan wettigheidskritiek te onderwerpen.
18.1. Verzoeker beroept zich met andere woorden niet zozeer op de ontstentenis van uitgeschreven motieven in de bestreden rechtshandeling – sub 16
is immers vastgesteld dat die formele motieven er wel degelijk zijn en dat het
IX-8619-12/36
middel in die mate feitelijke grondslag mist. Hij beroept zich noodzakelijk wel op de belangenschade die hij ervaart door van die motieven niet (tijdig) in kennis te zijn gesteld om nuttig het huidige proces te kunnen voeren.
18.2. Uitgangspunt en voorwaarde evenwel hiervoor is nu net, dat verzoeker inderdaad geen kennis had van de motieven van de door hem bestreden rechtshandeling op het ogenblik van het instellen van zijn beroep. Ook het citaat van het arrest van het Grondwettelijk Hof dat verzoeker vermeldt, gaat uit van de hypothese dat “die bestuurde de motieven die de beslissing verantwoorden pas te weten kan komen nadat hij beroep heeft ingesteld”. Hetzelfde gaat op voor ’s Raads arrest nr. 235.175 van 21 juni 2016.
Dit blijkt hier echter geenszins het geval.
18.3. De zo-even aangehaalde aanhef van het benoemingsbesluit leert immers dat de benoemende overheid enkel het advies van de adjunct-
auditeur-generaal parafraseert en er zich ten dele bij aansluit, zonder er nog eigen motieven aan toe te voegen.
Meer bepaald steunt de benoemende overheid, samengevat, op de volgende motieven:
- een grotere anciënniteit verleent op zich geen voorrang en is niet meer dan één van de elementen in de vergelijking tussen de kandidaten;
- elk van de kandidaten kan als een uitstekend jurist worden beschouwd;
- geen van beide kandidaten heeft een recente ervaring met de materie die wordt behandeld door afdeling IV maar het staat buiten twijfel dat zij beiden in staat zijn om zich deze materie eigen te maken;
- het leiden van een afdeling is meer dan het verlenen van juridisch-technische ondersteuning aan de leden ervan en uit de functiebeschrijving blijkt dat de kan-
didaat ook moet beschikken over een aantal relationele competenties; de tussen-
komende partij is de enige kandidaat die een uitgewerkte visie over people ma-
nagement in een afdeling ontwikkelt en geniet een voorkeur boven verzoeker op
IX-8619-13/36
het vlak van de competentievereisten die betrekking hebben op de intermenselijke relaties, zoals empathie en luisterbereidheid, conflictbeheersing, zin voor com-
municatie en overleg, motiverend optreden.
Deze motieven zijn alle geput uit het advies van de adjunct-
auditeur-generaal.
18.4. Welnu, van dit advies had verzoeker wél kennis voordat hij voorliggend annulatieberoep instelde.
Meer nog, die kennis heeft hem in staat gesteld in het derde middel die motieven uitgebreid aan inhoudelijke kritiek te onderwerpen.
19. Hieruit volgt dat verzoeker “in staat is terdege te oordelen of het zin heeft zich tegen die beslissing(en) op het stuk van de motieven te verwe-
ren met de middelen die het recht hem ter beschikking stelt” en hij heeft géén “vrede […] moeten nemen met een kennisname van de motieven nadat hij een van die rechtsmiddelen – in casu het annulatieberoep bij de Raad van State –
heeft aangewend”. De motieven – álle motieven – waren hem tijdig bekend. Er blijkt niet dat de verwerende partij aan verzoeker geen volledig zicht heeft gege-
ven op de besluitvorming en dat hij zich in het inleidend verzoekschrift ten hoog-
ste op basis van onvolledige informatie en gissingen tegen de materiële motieven van het besluit heeft kunnen verzetten.
20. De formelemotiveringsplicht is dan ook niet geschonden, noch naar de letter (sub 16) noch naar haar doelstelling (sub 18-19).
Het middel is, voor zover ontvankelijk, ongegrond.
21. Er is bijgevolg geen implicatie “naar de tenlastelegging van de kosten en naar de gevorderde schadevergoeding”.
IX-8619-14/36
B. Tweede middel
22. Het tweede middel is geput uit de schending van de materiële-
motiveringsplicht, het gelijkheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel.
23. In de memorie van wederantwoord stelt verzoeker vast dat de Raad van State een gelijkaardig middel heeft verworpen in zijn arrest nr. 231.330
van 26 mei 2015; hij “neemt daar akte van”, zonder die rechtspraak aan kritiek te onderwerpen.
Voor zover daar al twijfel over zou kunnen bestaan, omschrijft verzoeker in zijn laatste memorie die proceshouding als: “Verzoeker dringt niet verder aan op het tweede middel.”
24. Het tweede middel behoeft bijgevolg niet te worden onder-
zocht, noch met het oog op het annulatieberoep, noch in het kader van het ver-
zoek tot schadevergoeding.
C. Derde middel
Uiteenzetting van het middel
25. Het derde middel is geput uit de schending “van de materiële motiveringsplicht, van de zorgvuldigheidsplicht, van het redelijkheids- en gelijk-
heidsbeginsel, van het ‘patere legem quam ipse fecisti’ beginsel en van het ver-
bod van willekeur”.
Verzoeker adstrueert het middel als volgt:
“2.7. Verwerende partij heeft in deze gekozen om de nadruk te leggen op de competenties in het profiel die verbonden kunnen worden met het as-
pect van intermenselijke relaties: die competenties zijn van een groter be-
lang geacht dan de andere.
IX-8619-15/36
In casu zijn er 13 competentievereisten – criteria – kenbaar gemaakt aan de kandidaten, nergens is vermeld dat er criteria zijn waarop de overheid meer de nadruk zal leggen. De kandidaten dienen hun kandidatuur in en dan kiest de overheid op welke criteria zij meer de nadruk zal leggen, in casu het aspect van intermenselijke relaties, dan wordt op die basis een kandidaat uitgekozen.
Dergelijke wijze van handelen houdt willekeur in en schendt het gelijk-
heidsbeginsel doordat het manipulatie mogelijk maakt. Inderdaad, indien de op voorhand gewilde kandidaat goed scoort op competentievereiste x, kiest de overheid de nadruk te leggen op competentievereiste x, indien hij daarentegen goed scoort voor competentievereiste y, legt de overheid de nadruk op y, en ... ga zo maar door.
Dergelijke tactiek, dergelijk handigheidje is door het Hof van Justitie een halt toegeroepen.
Indien de overheid meer de nadruk wil leggen op een bepaald aspect, in-
dien zij bepaalde criteria belangrijker acht dan andere, dan dient zij op voorhand in het profiel te bepalen welke competenties belangrijker geacht worden dan andere, zodanig dat de kandidaten weten waaraan zij zich kunnen verwachten: zo wordt willekeur vermeden, zo wordt het gelijk-
heidsbeginsel gerespecteerd.
En indien vooraf geen rangorde voor de criteria is bepaald, zijn zij alle evenwaardig.
Het gelijkheidsbeginsel en het verbod van willekeur is geschonden.
2.8. De functiebeschrijving en het profiel vermeldt negen ‘belangrijkste bijzondere opdrachten’ en dertien ‘belangrijkste competentievereisten’.
Overwogen wordt dat de kandidaat moet beschikken over een aantal rela-
tionele competenties zoals empathie en luisterbereidheid, conflictbeheer-
sing, zin voor communicatie en overleg, motiverend optreden: die vier ‘competenties’ vinden we terug in 3.2, 3.3, 3.4 en 3.9. van ‘belangrijkste competentievereisten’.
Het beweerd ontwikkelen in zijn kandidatuur van een visie over people management in een afdeling houdt niet in dat men ook over die competen-
ties beschikt: zeggen wat men zal doen staat niet gelijk met het beschik-
ken van competenties, toont niet aan dat men geschikt is tot people ma-
nagement. Een visie ontwikkelen is toekomstgericht, en het is per definitie onzeker of die beweerde visie ook werkelijkheid wordt: het kan perfect dat iemand met een visie die visie in zijn leven nooit waarmaakt en zelfs in werkelijkheid het tegenovergestelde van wat hij in zijn visie verkon-
digd heeft, verwezenlijkt.
Daarbij komt dat de kandidaten voor het adjunct-mandaat van eerste audi-
teur-afdelingshoofd – eerste auditeurs – in hun loopbaan in het Audito-
raat, van adjunct-auditeur, over auditeur tot eerste auditeur, nooit hebben kunnen getuigen van managementskwaliteiten, dus ook niet van people managementskwaliteiten: hun managementskwaliteiten zijn in het Audito-
raat niet zichtbaar, niet waarneembaar geworden eenvoudigweg om reden dat hun functies geen management inhouden: zij managen niemand tenzij zichzelf.
IX-8619-16/36
Kandidaten beoordelen op een beweerde visie in hun kandidatuur is geen vergelijking van titels en verdiensten, van aanspraken en geschiktheid, is geen pertinente en objectieve beoordeling en schendt het gelijkheidsbe-
ginsel.
2.9. Die visie zou dan gebleken zijn uit een aantal in de kandidatuur neer-
geschreven zinnetjes, zoals het wijzen op het belang hechten aan een posi-
tieve werksfeer, het proberen de collega’s werk te geven dat ze graag doen, het bereid zijn in te springen, het belang van aandacht voor de mens achter de collega.
2.9.1. Die beweerde ontwikkelde visie betreft inhoudelijk louter alge-
meenheden en is in wezen niets anders dan het intrappen van open deuren Immers, iedereen hecht belang aan een positieve werksfeer, elk afdelings-
hoofd zal proberen de collega’s werk te geven dat ze graag doen – dat ge-
beurt steeds en dat is in de bedoelde afdeling nu reeds de toestand: wie zou het in zijn hoofd halen collega’s enkel werk te geven dat ze niet graag doen? –, elk lid van het auditoraat is bereid in te springen – dat gebeurt al-
tijd in elke afdeling door iedereen; verzoeker springt al jaren in als dat nodig is, zoals elke auditeur: daar moet men geen afdelingshoofd voor zijn, iedereen heeft aandacht voor de mens achter de collega – vraag is op welke wijze die aandacht concreet ingevuld wordt –.
M.a.w. op basis van een paar algemene, abstracte, nietszeggende zinnetjes in een kandidatuur wordt besloten tot het ‘ontwikkelen van een uitgewerk-
te visie over people management’ waaruit dan een voorkeur wordt gedis-
tilleerd op het vlak van de competentievereisten die betrekking hebben op de intermenselijke relaties.
2.9.2. Daarentegen wordt door verzoeker in zijn kandidatuur concreet ge-
steld dat zijn contacten met de drie collega’s van de afdeling steeds aan-
genaam zijn geweest, wordt er concreet op gewezen dat die drie collega’s zeer goed werk aan een hoog rendement leveren – m.a.w. complimenten over de kwaliteit en de kwantiteit van hun presteren – waardoor de taak van afdelingshoofd op dat vlak niet moeilijk zal zijn omdat – een waar-
heid als een koe – aan wat zeer goed werkt, niets moet of zelfs niets mag gewijzigd worden.
Die visie van verzoeker wordt dan ten onrechte niet als positief op het vlak van people management, op het vlak van intermenselijke relaties be-
oordeeld, terwijl het steeds aangename contacten met de collega’s van de bedoelde afdeling gehad hebben en hebben concreet wijst op goede inter-
menselijke relaties, terwijl het kwalificeren van het door de drie collega’s geleverde werk als zeer goed aan een hoog rendement concreet wijst op empathie, conflictbeheersing, zin voor communicatie, motiverend optre-
den, terwijl de conclusie dat aan wat goed werkt niets moet of zelfs niets mag gewijzigd worden wijst op zeer goed management in de zin van: die collega’s zijn zeer bekwaam, werken hard, laat ze dan ook voortdoen met hun zeer goed presteren aan een hoog rendement zodat het niet nodig is dat daar een afdelingshoofd als ‘een olifant in een porseleinenwinkel’ al-
les gaat veranderen met het risico dat het minder loopt.
Verzoeker is in zijn kandidatuur concreet in zijn appreciatie van de drie collega’s van de bedoelde afdeling en hun presteren terwijl de heer Wey-
IX-8619-17/36
meersch algemene, abstracte, nietszeggende elementen naar voor brengt, die niet meer zijn dan het ‘intrappen van open deuren’.
Daarnaast wijst verzoeker in zijn kandidatuur op zijn bereidheid om col-
lega’s te adviseren in concrete dossiers, zowel in het verleden als in het heden, en koppelt hij dat aan competentievereisten zoals zin voor com-
municatie en overleg, groepsgeest en betrokkenheid bij de goede werking van het Auditoraat (collegialiteit): dat wordt voor verzoeker genegeerd, onbesproken gelaten en niet meegenomen in de evaluatie en afweging.
Wanneer de twee neergeschreven visies inhoudelijk zouden zijn beoor-
deeld en niet-selectief tegen elkaar zouden zijn afgetoetst kan de conclusie niet anders zijn dan dat de visie van verzoeker inzake people management en management in concreto veel meer uitgewerkt is dan de abstracte visie van de heer Weymeersch De motivering – o.a. dat verzoeker ‘minder concreet is’ – is derhalve on-
deugdelijk.
2.9.3. Bij de heer Weymeersch wordt om zijn people management te on-
dersteunen verwezen naar het advies dat ter gelegenheid van zijn bevorde-
ring tot eerste auditeur werd uitgebracht door zijn afdelingshoofd.
Bij verzoeker daarentegen wordt niet verwezen naar een uitgebracht ad-
vies hoewel er voor verzoeker ook adviezen zijn uitgebracht, zoals bijv.
het advies van de Eerste Voorzitter d.d. 20.08.1990 (st. 3) volgens het-
welk verzoeker ‘kennelijk een gevormd, intelligent man met een gedegen professionele ervaring en kunde is’ en het advies van de Auditeur-
generaal d.d. 16.08.1990 (st. 4) volgens hetwelk ‘de verslagen opgesteld door de heer Stevens voor de afdeling administratie volledig, precies en beknopt zijn en getuigen van een grote kennis van rechtspraak en doctri-
ne’ en waarin gesteld is: ‘wat de taken betreft die de heer Stevens voor de afdeling wetgeving heeft vervuld, weet ik dat zijn bijdrage zeer geappre-
cieerd is’.
Voor de heer Weymeersch wordt teruggegrepen naar een advies om be-
paalde competentievereisten te ondersteunen terwijl voor verzoeker niet teruggegrepen wordt naar gelijk welk advies dan ook hoewel er, zoals voormeld, voor verzoeker ook adviezen bestaan die bepaalde competen-
tievereisten ondersteunen.
Twee maten, twee gewichten: dergelijke evaluatie is ‘subtiel’ selectief, is willekeur en een schending van het gelijkheidsbeginsel.
2.10. Andere competentievereisten uit het profiel worden niet getoetst, worden niet vergeleken.
2.10.1. Punt 3.1. van de belangrijkste competentievereisten is ‘Geschikt-
heid voor het leiden van een groep’.
Verzoeker vermeldt in zijn kandidatuur dat hij leiding heeft gegeven in zijn vroegere functies bij het Ministerie van Economische Zaken, het Pro-
vinciaal Gouvernement van Antwerpen en bij het Rekenhof: verzoeker is de enige die zijn kandidatuur motiveert vanuit het aspect van geschiktheid voor het leiden van een groep maar dat aspect wordt niet geëvalueerd in het bestreden besluit.
Iedereen weet dat de kandidaten noodzakelijkerwijze inzake hun ge-
schiktheid voor het leiden van een groep dienen te verwijzen naar de func-
IX-8619-18/36
ties die zij uitgeoefend hebben vooraleer zij naar de Raad van State ge-
komen zijn aangezien de functies van adjunct-auditeur tot en met eerste auditeur in de Raad van State niet leidinggevend zijn en zij zich niet kun-
nen beroepen op een recente ervaring als leidinggevende.
De ervaring voor het leiden van een groep zoals voorgebracht door ver-
zoeker wordt ‘subtiel’ aan de kant geschoven door te stellen dat ‘geen van beide kandidaten zich kan beroepen op een recente praktische ervaring als leidinggevende beroepen’ terwijl eerste auditeurs in hun loopbaan in het Auditoraat geen ervaring inzake het leiden van een groep kunnen hebben en dus geen recente ervaring kunnen naar voor brengen en noodzakelij-
kerwijze dienen te verwijzen naar hun ervaring ter zake vooraleer zij naar de Raad van State zijn gekomen.
Die vroegere ervaring negeren als zijnde ‘niet recent’ is niet objectief, is een schending van het ‘patere legem quam ipse fecisti beginsel’ en van de materiële motiveringsplicht.
De voormelde competentievereiste, zoals gesteld in het profiel, heeft noodzakelijkerwijze betrekking op ervaring van het leiden van een groep in functies uitgeoefend vooraleer een kandidaat in het Auditoraat is ge-
komen: als die vroegere ervaring genegeerd wordt, heeft voormelde com-
petentievereiste geen zin en had ze weggelaten moeten worden uit het profiel.
2.10.2. In zijn kandidatuur wijst verzoeker op zijn gedurende bijna twee decennia lang ijveren voor het tot stand komen van een preventieve rechtsbescherming inzake overheidsopdrachten door het instellen van een standstill, hetgeen eindelijk verwezenlijkt is met de Europese richtlijn van 11 december 2007 en de wet van 23 december 2009 met als resultaat een drastische daling van de veroordelingen tot het betalen van schadevergoe-
dingen door de onderscheiden overheden, hetgeen een besparing van mil-
joenen euro’s in de openbare financiën oplevert en nog zal opleveren.
In zijn kandidatuur wijst verzoeker tevens op zijn jarenlange opleiding van ambtenaren tijdens studiedagen inzake overheidsopdrachten en op zijn medewerking aan de totstandkoming van een praktische leidraad in-
zake overheidopdrachten die verspreid is op duizenden exemplaren om de ambtenaren wegwijs te maken in de materie en hen te behoeden voor fou-
ten, telkens met het doel schadevergoedingen zoveel als mogelijk te ver-
mijden of tenminste sterk te verminderen, hetgeen evenzeer een besparing in de openbare financiën meebrengt.
Die jarenlange inzet van verzoeker met als doel aanzienlijke besparingen in de openbare financiën – die in se niet behoort tot de opdracht van een lid van het auditoraat van de Raad van State maar die verzoeker toch op zich heeft genomen – en die resultaat gehad heeft, met de preventieve rechtsbescherming zelfs in alle lidstaten van de Europese Unie, wordt on-
besproken gelaten, wordt niet geëvalueerd, wordt niet vergeleken, alhoe-
wel onder de ‘belangrijkste competentievereisten’ vermeld worden: ver-
antwoordelijkheidszin, resultaatgerichtheid en juridische deskundigheid verworven in de uitoefening van de functie van auditeur.
Buiten zijn opdracht treden en jarenlang ijveren voor een wijziging van de wetgeving en regelgeving met aanzienlijke bedragen aan besparingen als
IX-8619-19/36
resultaat, jarenlang ambtenaren wegwijs maken in die regelgeving zowel mondeling als schriftelijk, met als resultaat besparingen, heeft althans volgens het bestreden besluit niets te maken met verantwoordelijkheids-
zin, met resultaatgerichtheid, met juridische kennis aangezien het besluit die competentievereisten onbesproken laat.
Van gelijkaardige activiteiten met dat doel en/of resultaat is in de kandi-
datuur van de heer Weymeersch geen sprake.
Die activiteiten worden niet geëvalueerd terwijl er nochtans competentie-
vereisten zijn die daarop van toepassing zijn 3.7 Resultaatgerichtheid, 3.10. Verantwoordelijkheidszin en 3.13. Juridische deskundigheid.
Daarbij komt dat in het advies van de adjunct-auditeur-generaal gesteld is:
‘De heer Jos Stevens is een autoriteit in de complexe materie van de over-
heidsopdrachten’. Bij de heer Weymeersch wordt niet vermeld dat hij ‘een autoriteit’ is, wordt niet vermeld dat de materie of materies die hij behandelt ‘complex’ is of zijn. Evenwel, ‘dat autoriteit zijn in een com-
plexe materie’ wordt onbesproken gelaten, wordt niet vertaald, niet geëva-
lueerd naar de opdrachten en vereisten vermeld in de functiebeschrijving en het profiel terwijl 3.11. Zin voor kwaliteit en 3.13 Juridische deskun-
digheid zich daar toe lenen.
Verzoeker wijst in zijn kandidatuur ook op zijn hoog rendement geduren-
de jaren inzake adviezen en verslagen in de ‘complexe materie van over-
heidsopdrachten’, wijst op de juridische kwaliteit van zijn verslagen door te verwijzen naar overname van zijn standpunten in wetgeving, rechtsleer en rechtspraak (met voorbeelden) en naar de zeldzaamheid van anderslui-
dende adviezen. Verzoeker voegt een lijst bij van zijn publicaties: in het advies wordt ter zake gesteld: ‘Hij heeft een uitgebreide lijst van publica-
ties op zijn naam, voornamelijk in zijn specialiteit: de overheidsopdrach-
ten.’. Bij de heer Weymeersch wordt in dat advies gesteld: ‘Hij heeft eni-
ge publicaties op zijn naam staan over materies die de Raad van State en het administratief recht betreffen’, m.a.w. een onderscheid tussen ener-
zijds ‘uitgebreid’ en anderzijds ‘enige’, tussen enerzijds ‘zijn specialiteit’ en anderzijds ‘materies’, blijkbaar zonder specialiteit.
Aan dat alles wordt verder geen enkele aandacht geschonken, dat alles wordt niet geëvalueerd, dat alles wordt niet afgewogen, naar geen enkele competentievereiste.
Voormelde competentievereisten – waarnaar verzoeker in zijn kandida-
tuur expliciet terugkoppelt – worden niet geëvalueerd, ter zake wordt geen onderscheid gemaakt: er wordt enkel algemeen gesteld dat ‘beide kandi-
daten uitstekende juristen zijn die elk in hun domein (welk het domein van de heer Weymeersch is, wordt niet vermeld) een grote expertise heb-
ben verworven’ en daarmee is de kous af, hetgeen in schril contrast staat met de evaluatie van aspecten van people management.
Twee maten en twee gewichten door een paar competentievereisten eruit te pikken en andere onbesproken te laten en niet te evalueren. Dat is wil-
lekeur.
De kandidaten worden derhalve niet getoetst aan de ‘belangrijkste bijzon-
dere opdrachten’ en slechts aan vier van de dertien ‘belangrijkste compe-
tentievereisten’ en dit dan nog eenzijdig, selectief, onzorgvuldig en on-
IX-8619-20/36
deugdelijk: op dergelijke wijze toetsen aan slechts vier vereisten en daar-
uit besluiten tot het ‘genieten van een voorkeur van de kandidatuur van de heer Weymeersch boven deze van de heer Stevens’ is ‘stock picking’, is eenzijdig en willekeurig selecteren, is strijdig met de regels die de tegen-
partij zichzelf heeft opgelegd, schendt het gelijkheidsbeginsel en de zorg-
vuldigheids- en motiveringsplicht.
Het gelijkheidsbeginsel onderstelt immers dat een grondig, nauwgezet en vergelijkend onderzoek van de titels, de verdiensten en de geschiktheid van de kandidaten gebeurt en dat daarbij objectieve, redelijke en pertinen-
te criteria in acht worden genomen die verband houden met de te begeven functie: de aanspraken en verdiensten van de kandidaten dienen tegen mekaar te worden afgewogen om de gelijkenissen en verschillen te doen uitkomen.
De aanspraken en verdiensten van de heer Weymeersch en verzoeker worden geenszins tegen mekaar afgewogen, zodat geen grondig, nauwge-
zet en vergelijkend onderzoek van de titels, de verdiensten en de ge-
schiktheid is gedaan.
Indien dat alles grondig en nauwgezet zou geëvalueerd zijn, zou op die competentievereisten redelijkerwijze een voorrang aan verzoeker toege-
kend moeten zijn.
Het bestreden benoemingsbesluit en de impliciete weigering verzoeker te benoemen schendt derhalve de materiële motiveringsplicht, de zorgvul-
digheidsplicht, het redelijkheids- en gelijkheidsbeginsel, het ‘patere legem quam ipse fecisti’ beginsel en het verbod van willekeur.
2.11. Het derde middel is gegrond en het gegrond bevinden ervan leidt noodzakelijkerwijze ook tot de vernietiging van de impliciete beslissing verzoeker niet te benoemen: immers, de voorrang die het bestreden besluit – en het advies – aan de heer Weymeersch verleent is onwettig, er diende, tenminste indien alle competentievereisten grondig en nauwgezet verge-
leken zouden geweest zijn – en niet enkel, zoals bij ‘stock picking’, vier –, een voorrang verleend geweest te zijn aan verzoeker, of op zijn minst be-
sloten tot gelijkwaardigheid zodat verzoeker aanspraak kon maken op zijn grotere anciënniteit.”
26. Bij wijze van repliek herhaalt verzoeker de aangehaalde toe-
lichting van het inleidend verzoekschrift, in een andere volgorde.
Hij wijst bijkomend erop dat in het profiel het indienen van een beleidsplan niet is gevraagd.
Verzoeker toetst vervolgens het advies van de adjunct-auditeur-
generaal aan de kandidatuur van de tussenkomende partij:
“Wat lezen we in de kandidatuur van tussenkomende partij?
IX-8619-21/36
In de kandidatuur van tussenkomende partij wordt er op gewezen dat ‘het leiden van een afdeling dient te gebeuren rekening houdend met de doel-
stellingen die de korpsoverste heeft neergeschreven in zijn beleidsplan, hetgeen beschreven staat in punt b, eerste streepje van bijlage 2 bij het koninklijk besluit van 25 april 2014 tot regeling van de nadere regels en de criteria voor de evaluatie van de ambtsdragers van de Raad van State’.
Dat blijkt dan betrekking te hebben op de ‘nieuwe uitdaging om alles in het werk te stellen opdat er zich niet opnieuw een achterstand ontwikkelt’:
tussenkomende partij stelt ‘die uitdaging/doelstelling te implementeren binnen de afdeling’ (punt 3.1. van de motivering).
Het voormelde kan niet bestempeld worden als een eigen uitgewerkte vi-
sie van tussenkomende partij aangezien het louter, enerzijds, een overna-
me is van de voormelde bijlage en anderzijds, een parafrasering van punt 2.2. van het profiel (‘belangrijkste bijzondere opdrachten’) luidende: ‘Hij doet voorstellen ter voorkoming en wegwerking van de achterstand in zijn afdeling en neemt, na instemming van de auditeur-generaal, c.q. de ad-
junct-auditeur-generaal, de nodige maatregelen’.
Onder punt 3.2. van de motivering voorziet tussenkomende partij ‘een planningsmoment bij het begin van ieder gerechtelijk jaar om ervoor te zorgen dat de doorlooptijd van de zaken zo minimaal mogelijk wordt ge-
houden’: dat kadert opnieuw in voormeld punt 2.2. en is een kopiëren van de jarenlange praktijk van de adjunct-auditeur-generaal om bij het begin van het gerechtelijk jaar met elke afdeling afzonderlijk een ‘plannings-
moment’ te houden om de toestand van de zaken te bespreken en te eva-
lueren. Verder voorziet tussenkomende partij ‘op geregelde tijdstippen vergaderingen om de toestand te evalueren en eventueel bij te sturen’: dat behoort tot de belangrijkste bijzondere opdrachten zoals omschreven in punt 2.3 van het profiel, stellende dat ‘het afdelingshoofd fungeert als coach en klankbord voor de leden van de afdeling en de leden van zijn af-
deling stimuleert en motiveert en hun prestaties nauwgezet opvolgt’.
Het voormelde kan dan ook niet bestempeld worden als een eigen uitge-
werkte visie van tussenkomende partij.
Onder punt 4.1. van de motivering voorziet tussenkomende partij ‘een be-
vraging van de leden van de afdeling of zij zich nog steeds kunnen vinden in de bestaande werkverdeling en zo niet, wat hun wensen daarbij zijn’ omdat ‘het onmiskenbaar is zo is dat mensen optimaal presteren wanneer zij het werk dat zij doen ook graag doen’. Dat kan niet bestempeld worden als een eigen uitgewerkte visie van tussenkomende partij aangezien het louter een parafrasering is van punt 2.1 (‘belangrijkste bijzondere op-
drachten’) van het profiel luidende: ‘Het afdelingshoofd zorgt voor een oordeelkundige verdeling van de zaken onder de leden van zijn afdeling rekening houdend met o.m. werkdruk en individuele specialiteiten en be-
langstelling’.
Onder punt 5 van de motivering wijst tussenkomende partij op de com-
municatieplicht van een afdelingshoofd naar de korpsoverste en de leden van de afdeling. Dat kan niet bestempeld worden als een eigen uitgewerk-
te visie van tussenkomende partij aangezien de communicatieplicht valt onder de belangrijkste bijzondere opdrachten van het profiel waarin wordt
IX-8619-22/36
gesteld dat ‘eventuele problemen aan de adjunct-auditeur-generaal wor-
den gemeld’ (punt 2.3.), dat ‘algemene procedureproblemen besproken worden met de adjunct-auditeur-generaal’ (punt 2.5.), dat ‘in geval van moeilijkheden bij de naleving van de deontologische regels de adjunct-
auditeur-generaal wordt verwittigd’ (punt 2.6).
Onder punt 4.2. van de motivering voorziet tussenkomende partij ‘andere activiteiten waaruit de appreciatie voor de leden van de afdeling blijkt’ waarbij gedacht wordt aan ‘een kleine receptie naar aanleiding van een verjaardag, al dan niet met geschenk, een culturele uitstap naar een inte-
ressante tentoonstelling of een sportactiviteit naar aanleiding van de jaar-
lijkse sportdag’.
Iedereen wordt uitgenodigd deel te nemen aan de jaarlijks door de Raad van State georganiseerde sportdag zodat ‘het denken aan een sportactivi-
teit naar aanleiding van de jaarlijkse sportdag’ niet als een eigen uitge-
werkte visie kan bestempeld worden.
Bij nader toezien blijkt derhalve ‘het denken aan recepties en een culture-
le uitstap’ de enige eigen uitgewerkte visie van tussenkomende partij te zijn.
Het denken van tussenkomende partij aan het organiseren van recepties voor de verjaardagen van de leden van de afdeling en aan een culturele uitstap leidt in het besluit tot de vaststelling dat tussenkomende partij ‘de enige kandidaat is die een uitgewerkte visie over people management in een afdeling ontwikkelt’ en tot het besluit dat de kandidatuur van tussen-
komende partij ‘een voorkeur geniet op het vlak van de competentiever-
eisten die betrekking hebben op de intermenselijke relaties, zoals empa-
thie en luisterbereidheid, conflictbeheersing, zin voor communicatie en overleg, motiverend optreden’.
Die vaststelling en dat besluit is kennelijk onredelijk: het is niet zeker dat voormelde feestelijkheden en culturele activiteiten daadwerkelijk zullen gerealiseerd worden (het gaat om ‘denken aan’) en het is in de Raad van State ook geen ‘traditie’ dat recepties worden georganiseerd naar aanlei-
ding van verjaardagen.
Het houden van recepties voor elke verjaardag van elke magistraat en het organiseren van culturele activiteiten tijdens de werkuren strookt immers niet met de in het profiel bepaalde doelstelling van wegwerking of voor-
koming van de achterstand in de behandeling van de dossiers. Daarnaast kan het bezwaarlijk als belangrijkste bijzondere opdracht van een afde-
lingshoofd aangemerkt worden te fungeren als organisator van recepties en inrichter van culturele uitstappen.
Het denken van recepties, aan culturele uitstappen en dat denken kwalifi-
ceren als determinerend voor een benoeming tot eerste auditeur-
afdelingshoofd kan niet aangemerkt worden als een pertinent, objectief en redelijk criterium voor een onderzoek van de titels, de verdiensten en ge-
schiktheid van de kandidaten: denken aan recepties, culturele uitstappen en sportactiviteiten is geen titel, is geen verdienste, is geen bewijs van ge-
schiktheid.
3.4.2. Volgens de memorie van antwoord kon de adjunct-auditeur-
generaal in de kandidaatstelling van verzoeker (quasi) geen enkele indica-
IX-8619-23/36
tie aantreffen omtrent competenties inzake intermenselijke relaties (punt 21).
Wat lezen we in de kandidatuur van verzoeker?
Door verzoeker wordt in zijn kandidatuur concreet gesteld dat zijn contac-
ten met de drie collega’s van de afdeling steeds aangenaam zijn geweest, wordt er concreet op gewezen dat die drie collega’s zeer goed werk aan een hoog rendement leveren – m.a.w. complimenten over de kwaliteit en de kwantiteit van hun presteren – waardoor de taak van afdelingshoofd op dat vlak niet moeilijk zal zijn omdat – een waarheid als een koe – aan wat zeer goed werkt, niets moet of zelfs niets mag gewijzigd worden.
Die eigen uitgewerkte visie van verzoeker wordt dan – ten onrechte – niet als positief op het vlak van people management, op het vlak van inter-
menselijke relaties beoordeeld, terwijl het steeds aangename contacten met de collega’s van de bedoelde afdeling gehad hebben en hebben con-
creet wijst op goede intermenselijke relaties, terwijl het kwalificeren van het door de drie collega’s geleverde werk als zeer goed aan een hoog ren-
dement concreet wijst op empathie, conflictbeheersing, zin voor commu-
nicatie, motiverend optreden, terwijl de conclusie dat aan wat goed werkt niets moet of zelfs niets mag gewijzigd worden wijst op zeer goed ma-
nagement in de zin van: die collega’s zijn zeer bekwaam, werken hard, laat ze dan ook voortdoen met hun zeer goed presteren aan een hoog ren-
dement zodat het niet nodig is dat daar een afdelingshoofd als ‘een olifant in een porseleinenwinkel’ alles gaat veranderen met het risico dat het minder loopt.
Verzoeker is in zijn kandidatuur concreet in zijn appreciatie van de drie collega’s van de bedoelde afdeling en hun presteren terwijl tussenkomen-
de partij algemene, abstracte, nietszeggende elementen naar voor brengt, die niet meer zijn dan het ‘intrappen van open deuren’ en denkt aan recep-
ties, aan culturele uitstappen en sportactiviteiten.
Daarnaast wijst verzoeker in zijn kandidatuur op zijn bereidheid om col-
lega’s te adviseren in concrete dossiers, zowel in het verleden als in het heden, en koppelt hij dat aan competentievereisten zoals zin voor com-
municatie en overleg, groepsgeest en betrokkenheid bij de goede werking van het Auditoraat (collegialiteit): dat wordt voor verzoeker genegeerd, onbesproken gelaten en niet meegenomen in de evaluatie en afweging.
De motivering – o.a. dat verzoeker ‘minder concreet is’ – is derhalve on-
deugdelijk.”
27. In zijn laatste memorie verwijst verzoeker naar het verzoek-
schrift en de memorie van wederantwoord en geeft hij een weerwoord op het au-
ditoraatsverslag.
IX-8619-24/36
Beoordeling
28. De aanwijzing tot eerste auditeur-afdelingshoofd is een aanstel-
ling – benoeming in een overheidsbetrekking in ruime zin – naar keuze, waarbij het bestuur krachtens de artikelen 10 en 11 van de Grondwet – meer bepaald het daarin begrepen recht van de burgers op een gelijke toegang tot de openbare amb-
ten – en krachtens het zorgvuldigheidsbeginsel – dat de overheid ertoe verplicht zich grondig te informeren en de beslissing met zorg voor te bereiden – daadwer-
kelijk de titels en de verdiensten van de kandidaten moet onderzoeken en verge-
lijken op basis van objectieve, redelijke en pertinente criteria die betrokken kun-
nen worden op de te begeven bevordering.
29. De overheid beschikt hierbij over een ruime beoordelingsbe-
voegdheid, inzonderheid wat betreft de criteria die zij voor de vergelijking van de titels en verdiensten van de kandidaten in aanmerking neemt en het onderling gewicht dat zij aan deze criteria toekent, vooropgesteld dat ze objectief en perti-
nent zijn en op alle kandidaten op gelijke wijze worden toegepast. De Raad van State mag zich op dit vlak niet in de plaats van de overheid stellen. Hij mag wel nagaan of de benoemende overheid op een willekeurige wijze van haar beoorde-
lingsbevoegdheid gebruik heeft gemaakt. Dit zal enkel het geval zijn indien de benoemende overheid handelt op een wijze waarop geen ander naar kennis en kunde redelijk bekwaam en naar feitelijk optreden redelijk handelend bestuur in dezelfde omstandigheden zou handelen. Dan moet worden vastgesteld dat de be-
noemende overheid onredelijk heeft gehandeld en dient de Raad van State beteu-
gelend op te treden.
De Raad van State is aldus bevoegd om desgevraagd na te gaan of het bestuur bij de vergelijking van de kandidaten objectieve criteria, die ver-
band houden met de functie, heeft gehanteerd en of het bestuur, afgaand op de feitelijke gegevens die voorlagen en die het juist heeft bevonden, niet elke rede-
lijkheid te buiten is gegaan door aan de tussenkomende partij de voorkeur te ge-
ven.
IX-8619-25/36
30. Geen algemene regel verplicht de benoemende overheid ertoe om de vergelijking van de kandidaturen te beperken tot uitdrukkelijk vooraf op-
gesomde profielvereisten of beoordelingscriteria, zolang maar de gehanteerde criteria kenbaar zijn doordat ze worden vermeld of minstens duidelijk blijken uit de concrete gegevens van het administratief dossier, ze objectief en pertinent zijn ten aanzien van de te begeven functie en ze op een gelijke wijze op alle kandida-
ten worden toegepast.
De benoemende overheid is niet verplicht om bij elke benoe-
ming exact dezelfde criteria te hanteren en de kandidaten voor een benoeming kunnen er geenszins gerechtvaardigd op vertrouwen dat een benoemingsprocedu-
re aan de hand van exact dezelfde criteria zal verlopen als eerdere of andere be-
noemingen.
Het staat haar ook vrij om binnen haar discretionaire bevoegd-
heid ter zake haar werkwijze te hanteren en aan bepaalde criteria een groter be-
lang te hechten, zolang zij dit bij de beoordeling van de kandidaten binnen een-
zelfde benoemingsprocedure op dezelfde wijze toepast.
31. Verzoeker noemt deze “wijze van handelen” een tactiek die “het Hof van Justitie” een halt zou hebben toegeroepen. Aangenomen dat verzoe-
ker refereert aan het Hof van Justitie van de Europese Unie, laat hij na deze stel-
ling uit te werken. Daargelaten of de Unierechtspraak een rechtsbron is voor Bel-
gisch ambtenarenrecht, zij vastgesteld dat inzake het Europese-ambtenaren-
contentieux ook het Gerecht – toentertijd het Gerecht voor ambtenarenzaken –
vaste rechtspraak heeft ontwikkeld die spoort met hetgeen zo-even is overwogen:
wanneer de aankondiging van een vergelijkend onderzoek geen beoordelings-
criteria bevat of wel beoordelingscriteria bevat, maar niet vermeldt hoe die crite-
ria worden gewogen, staat het de benoemende overheid vrij om die criteria vast te stellen en die wijze van weging te bepalen (Gerecht voor ambtenarenzaken van de Europese Unie 11 december 2012, Mata Blanco t/ Commissie, F-65/10: “À cet égard, il convient de rappeler que le jury de concours dispose d’un large pouvoir
IX-8619-26/36
d’appréciation pour conduire ses travaux. Partant, il lui est loisible, lorsque l’avis de concours ne prévoit pas de critères de notation, de fixer de tels critères ou, lorsque l’avis de concours en prévoit mais sans pour autant faire état de leur pon-
dération respective, de déterminer cette dernière” (met referentie aan het arrest van hetzelfde Gerecht van 8 juli 2010, Wybranowski/Commissie, F-17/08, punt 32, en de aldaar aangehaalde rechtspraak).
32. Er is meer.
In de voorliggende zaak zijn de beoordelingscriteria vooraf meegedeeld. De criteria aan de hand waarvan de kandidaten werden vergeleken, zijn immers ontleend aan het profiel dat is meegedeeld aan alle potentiële kandi-
daten, onder wie verzoeker. Verzoeker is bijgevolg in staat de pertinentie van de gekozen criteria aan de rechter voor te leggen evenals de concrete toepassing er-
van op de ingediende dossiers.
Verzoeker voert in het middel niet aan, laat staan dat hij daar-
van het bewijs levert, dat de gehanteerde beoordelingselementen niet objectief en pertinent zijn.
Verzoeker voert evenmin aan, dat naast deze criteria nog ande-
re toegepast zouden zijn.
Nergens blijkt voorts de veronderstelling van verzoeker, dat de dertien vooropgestelde criteria niet evenwaardig waren.
Geen bepaling of beginsel verplicht de benoemende overheid om uitdrukkelijk te verduidelijken hoe de kandidaten op elk van de criteria apart scoren. Indien zij geen uitdrukkelijke opmerking maakt, dan mag worden veron-
dersteld dat zij van oordeel is dat de door de kandidaten aangebrachte elementen niet van een danige aard zijn dat de in aanmerking komende kandidaten zich aan de hand daarvan direct zichtbaar van elkaar onderscheiden.
IX-8619-27/36
33. Uit het benoemingsbesluit, dat daarin het advies van de ad-
junct-auditeur-generaal bijvalt, blijkt dat de benoemende overheid de vooropge-
stelde criteria heeft ondergebracht in twee bundels.
Eensdeels stelt zij vast dat het profiel steunt op cognitieve vaardigheden, anderdeels op relationele competenties. De dertien vooropgestelde criteria relateren alle in meer of mindere mate aan één of beide van die bundels.
34. Met betrekking tot het onderzoek van de criteria die relateren aan de cognitieve en juridisch-technische vaardigheden van de beide kandidaten, luidt het besluit dat zij evenwaardig zijn: elk van de kandidaten kan als een “uit-
stekend jurist” worden beschouwd en hoewel geen van beiden recente ervaring heeft met de materie van afdeling IV, staat het “buiten twijfel […] dat zij beiden in staat zijn om zich deze materie eigen te maken”.
Verzoeker weerlegt in het middel deze vaststellingen niet. Ze maken overigens de hele kwestie van de weging van deze criteria irrelevant: aan-
gezien beide kandidaten op dit vlak gelijkwaardig zijn, kunnen ze niet ter onder-
scheiding worden ingeroepen ongeacht het gewicht dat eraan zou worden gege-
ven.
Zoals de verwerende partij in de memorie van antwoord terecht aangeeft, diende de aandacht dan te gaan naar de andere competenties teneinde tussen beiden een onderscheid te maken.
35. Waarop de kandidaten zich dan van elkaar wél onderscheiden en op grond waarvan aan de ene kandidaat een voorkeur kan worden gegeven volgens de benoemende overheid, zijn de criteria die verband houden met de rela-
tionele competenties. De benoemende overheid overweegt met name:
“[…] dat de Adjunct-auditeur-generaal in zijn advies vaststelt dat de heer Weymeersch de enige kandidaat is die een uitgewerkte visie over people management in een afdeling ontwikkelt en daaruit besluit dat de kandida-
tuur van de heer Weymeersch een voorkeur geniet boven deze van de heer
IX-8619-28/36
Stevens op het vlak van de competentievereisten die betrekking hebben op de intermenselijke relaties, zoals empathie en luisterbereidheid, conflict-
beheersing, zin voor communicatie en overleg, motiverend optreden.”
Dit motief refereert aan de volgende passus uit het advies van de adjunct-auditeur-generaal:
“Het leiden van een afdeling is evenwel meer dan het verlenen van juri-
disch-technische ondersteuning aan de leden ervan. Een afdeling bestaat in de eerste plaats uit een aantal personen die alle verschillend zijn. De opdracht van het afdelingshoofd bestaat er dan ook in, naast het inhoude-
lijk begeleiden van de leden van de afdeling bij de behandeling van hun dossiers, om ervoor te zorgen of er toe bij te dragen dat er in zijn afdeling een positieve werksfeer bestaat waar collegialiteit en vandaar samenwer-
king op een zo optimaal mogelijke manier kan worden gerealiseerd. Van-
daar dat onder de belangrijkste competentievereisten er verschillende zijn die betrekking hebben op de intermenselijke relaties, zoals empathie en luisterbereidheid, conflictbeheersing, zin voor communicatie en overleg, motiverend optreden.
Geen van beide kandidaten kan zich op een recente praktische ervaring als leidinggevende beroepen.
Werner Weymeersch wijst op het belang dat hij hecht aan een positieve werksfeer, het proberen de collega’s werk te geven dat ze graag doen, zijn bereidheid om in te springen voor collega’s, het belang van aandacht voor de mens achter de collega. Hij geeft ook aan hoe hij deze naar de praktijk zou vertalen, zoals blijkt uit de hoger weergegeven synthese van zijn mo-
tivering. In het advies dat ter gelegenheid van zijn bevordering tot eerste auditeur werd uitgebracht door zijn afdelingshoofd werd gewezen op zijn grote collegialiteit en verantwoordelijkheidszin.
Jozef Stevens is wat dit betreft minder concreet, hij stelt voornamelijk dat de collega’s van de afdeling IV goed werken, dat er dus niets moet wor-
den gewijzigd aan de huidige manier van werken en dat de taak van afde-
lingshoofd dan ook niet zo moeilijk zal zijn in die afdeling.
Hieruit moet worden geconcludeerd dat heer Weymeersch de enige kan-
didaat is die een uitgewerkte visie over people management in een afde-
ling ontwikkelt. Bijgevolg geniet zijn kandidatuur een voorkeur boven de-
ze van de heer Stevens op het vlak van de competentievereisten die be-
trekking hebben op de intermenselijke relaties, zoals empathie en luister-
bereidheid, conflictbeheersing, zin voor communicatie en overleg, moti-
verend optreden.”
36.1. Dat de benoemende overheid beschikt over een beoordelings-
vrijheid, betekent dat verschillende beslissingen mogelijk zijn, zij het enkel bin-
nen de grenzen van de redelijkheid. De Raad van State mag zich als wettigheids-
rechter bij de beoordeling van de aangevoerde wettigheidskritiek, wat de appreci-
IX-8619-29/36
atie van de titels en verdiensten van de kandidaten betreft, niet in de plaats van de overheid stellen.
36.2. Het gevolg hiervan is, dat verzoeker niet ermee mag volstaan te verklaren dat hij de door de verwerende partij doorgevoerde waardering van de kandidaten als onredelijk of onrechtvaardig ervaart. Om de onwettigheid van de motieven van de beslissing van de verwerende partij aan te tonen, kan hij ook niet volstaan met persoonlijke appreciaties van wat hij zelf redelijk vindt, laat staan met speculatieve verklaringen, onbewezen logenstraffingen of het louter ontken-
nen of in vraag stellen van de feitelijke elementen waarop de beoordeling berust of van die beoordeling zelf. Ook mag hij niet zomaar eisen dat de benoemende overheid uitlegt waarom zij voor de ene redelijke afweging heeft gekozen en niet voor een andere, als verzoeker niet eerst zelf minimaal twijfel kan doen rijzen omtrent de deugdelijkheid van de gehanteerde werkwijze. Verzoeker slaagt er maar in om een beoordeling onwettig te horen verklaren, indien hij aantoont dat het bestuur steunt op onjuiste of onbewezen feiten of op een verkeerde beoorde-
ling van of gevolgtrekking uit de feiten – de zogenaamde kennelijke beoorde-
lingsfout die het bestuur maakt als het voorbijgaat aan voor eenieder zichtbare grotere aanspraken van verzoeker.
37. Verzoeker stelt dat de kandidaten tijdens hun carrière in de Raad van State nog niet hebben kunnen getuigen van managementskwaliteiten zodat deze niet beoordeeld kunnen worden op grond van reeds geleverde en meetbare prestaties in de instelling.
De verwerende partij heeft niet ervoor geopteerd die manage-
mentvaardigheden in de loop van de selectieprocedure te testen, bijvoorbeeld met de hulp van een gespecialiseerd extern selectiebureau; verzoeker betoogt overi-
gens niet dat dit had gemoeten.
IX-8619-30/36
Dan is het niet onredelijk om de relationele managementskwali-
teiten te beoordelen aan de hand van de inhoud van iedere kandidaatstelling en, onder meer, de “toekomstgerichte” visie van de kandidaat.
Aldus is “een visie kunnen ontwikkelen” een verdienste op grond waarvan de relationele competenties van de kandidaten vergeleken kunnen worden en, gelet op het dossier zoals het voorlag, de enige manier om die verge-
lijking met objectieve gegevens zinvol door te voeren. Geeft het nog geen garan-
tie dat naar die visie ook effectief zal worden gehandeld, dan biedt het de benoe-
mende overheid ten minste een inkijk of de kandidaat kennis heeft van de be-
staande situatie en tegelijk ook hoe de kandidaat reflecteert over zijn toekomstige verantwoordelijkheden en hoe hij meent zijn functie te moeten en te kunnen uit-
oefenen overheen wisselende omstandigheden, welke doelstellingen hij nastreeft en met welke instrumenten en methodes hij die beoogt te bereiken.
Maakt de uitverkoren kandidaat die visie in de praktijk uitein-
delijk niet waar, dan bieden de latere functioneringsgesprekken en evaluaties ove-
rigens de mogelijkheid om bij te sturen of desnoods het adjunct-mandaat zelfs te beëindigen.
38.1. Verzoeker put zich uit in veeleer denigrerende opmerkingen over de motivering van de kandidaatstelling van de tussenkomende partij. Hij laat aldus begrijpen wat hij er zelf over denkt. Hij komt evenwel niet eraan toe te overtuigen dat de overheid aan de elementen die de tussenkomende partij uit-
schreef een onjuiste draagwijdte heeft gegeven of er een beoordeling aan geeft die de grenzen van de redelijkheid te buiten gaat. Dat de tussenkomende partij haar visie zou laten aansluiten bij het beleidsplan van de korpschef of bestaande goede praktijken zou overnemen, doet niet anders besluiten. Dat zij de in het pro-
fiel opgenomen opdrachten hertaalt naar concrete acties in de afdeling, evenmin.
IX-8619-31/36
38.2. Verzoekers eigen inzichten worden in het advies van de ad-
junct-auditeur-generaal als volgt weergegeven – zonder dat verzoeker beweert dat die weergave verkeerd of onvolledig is:
“Wat de afdeling IV betreft stelt hij dat de drie collega’s van die afdeling voor zover hem bekend zeer goed werk leveren aan een hoog rendement zodat de taak van afdelingshoofd op dat vlak niet moeilijk zal zijn. Hij is de mening toegedaan dat wat goed werkt niet moet, zelfs niet mag, gewij-
zigd worden.”
Volgens verzoeker toont hij daarmee op overtuigende wijze aan dat hij aan alle criteria voldoet die zijn gebundeld tot de ‘relationele competen-
ties’. Dat moge zijn mening zijn, het bewijst niet dat de verwerende partij onrede-
lijk was door een louter feitelijke vaststelling van de actuele toestand, die bijge-
volg uitgaat van het status quo en niet, toekomstgericht, inzicht geeft in de wijze waarop verzoeker bij komende problemen het adjunct-mandaat zou aanpakken, “minder concreet” te noemen en te oordelen dat ze minder uitgewerkt is dan de merkelijk meer uitvoerige uiteenzetting over people management die te lezen is in de kandidaatstelling van de tussenkomende partij.
Dat geen beleidsplan is gevraagd, is geen verontschuldiging. In de nota van 1 september 2014 met oproep aan kandidaten verzocht de adjunct-
auditeur-generaal “ter ondersteuning van uw kandidatuur omstandig de redenen aan te geven waarom u meent voor dit adjunct-mandaat in aanmerking te ko-
men”, “oog hebben[de] voor de specifieke vereisten van de functie”.
38.3. Verzoeker toont niet aan dat de adviezen die voorheen over hem zijn uitgebracht – althans de hiervóór sub 25 ook aangehaalde passage 2.9.3
die hij ter adstructie citeert op bladzijde 9 van het inleidend verzoekschrift –
nuttige en voor hem gunstige informatie zouden bevatten met betrekking tot zijn relationele competenties. De voormelde citaten hebben alleszins enkel betrekking op de juridische vaardigheden van verzoeker. De verwijzing naar het advies over de tussenkomende partij ter gelegenheid van haar bevordering tot eerste auditeur daarentegen, is niet onredelijk aangezien dit advies wel refereert aan de bedoelde
IX-8619-32/36
relationele competenties: er werd “gewezen op [haar] grote collegialiteit en ver-
antwoordelijkheidszin”.
39. Volgens verzoeker is de geschiktheid voor het leiden van een groep niet getoetst.
Dit wordt niet bijgevallen.
In de mate waarin die geschiktheid juridisch-technische vaar-
digheden veronderstelt, zijn beide kandidaten volgens de benoemende overheid aan elkaar gewaagd. Voor zover voor leiderschap ook relationele competenties vereist zijn, krijgt de tussenkomende partij de voorkeur. Beide kandidaten zijn dus wel degelijk vergeleken voor de beoordeling van dit criterium. De passus in het advies van de adjunct-auditeur-generaal dat geen van beide kandidaten recen-
te praktische ervaring heeft, leest verzoeker buiten de context. De plaats van die alinea toont duidelijk aan dat ze past in het onderzoek van de relationele vaardig-
heden. Verzoeker toont niet aan hoe een in het verre verleden en in een andere arbeidsomgeving te situeren beroepservaring thans nog nuttige gegevens moest opleveren aan de benoemende overheid met het oog op het inschatten van zijn relationele vaardigheden, laat staan dat hij dit in zijn uitgeschreven kandidatuur-
stelling specifiek had toegelicht.
40. Het is de Raad een raadsel hoe het ijveren voor preventieve rechtsbescherming en het verzorgen van opleidingen, of het in meer of mindere mate verzorgen van publicaties kunnen bijdragen tot de beoordeling van de rela-
tionele vaardigheden van de kandidaten. Deze titels en verdiensten staan, zoals verzoeker zelf stelt, in verband met de competenties ‘resultaatgerichtheid’, ‘ver-
antwoordelijkheidszin’, ‘zin voor kwaliteit’ en ‘juridische deskundigheid’ maar dan wel, naar het oordeel van de Raad, voor zover ze peilen naar cognitieve vaar-
digheden. Ze hebben er met andere woorden toe bijgedragen om verzoeker een “uitstekend jurist” te noemen en om ervan verzekerd te zijn dat hij zich snel de materies van afdeling IV eigen zal kunnen maken.
IX-8619-33/36
Hoe dan ook hebben beide kandidaten gepubliceerd. Verzoeker heeft mogelijk kwantitatief meer publicaties op zijn naam staan (“een uitgebreide lijst” versus “enige publicaties”), maar er valt niet in te zien hoe dit grotere aan-
spraken verleent op de functie van afdelingshoofd, laat staan een onderscheidend criterium is met betrekking tot de voor die functie vereiste relationele competen-
ties.
Er mag overigens worden aangestipt dat over de tussenkomen-
de partij te lezen is dat zij erop wijst “dat uit [haar] deelname aan verschillende commissies blijkt dat de goede werking van het auditoraat [haar] nauw aan het hart ligt”. Een vergelijkbaar engagement heeft verzoeker dan weer niet doen gel-
den.
41. Samenvattend herinnert de Raad eraan dat verzoeker dwaalt in rechte als hij de benoemende overheid in het algemeen het recht ontzegt om pa-
rameters te hanteren zonder vooraf een weging ervan bekend te maken. Hij dwaalt in feite als hij betoogt dat de titels en verdiensten van de beide kandidaten niet zijn afgezet tegen de vooraf in het profiel opgestelde criteria. Hijzelf schat zijn merites hoger in dan die van zijn concurrent en hij zou dan ook een andere beoordeling voorstaan waarin hijzelf als beste wordt erkend, maar dit volstaat niet om aan te tonen dat de beoordeling waartoe de overheid is gekomen steunt op onjuiste gegevens, onzorgvuldig tot stand is gekomen of de grenzen van de rede-
lijkheid miskent. Meer bepaald ontkracht verzoeker niet de vaststelling in het bestreden besluit dat beide kandidaten gelijkwaardig zijn op het vlak van de crite-
ria die refereren aan juridisch-technische, cognitieve vaardigheden en toont hij niet aan dat met betrekking tot de relationele vaardigheden is voorbijgegaan aan direct zichtbaar betere aanspraken van verzoeker, waardoor de beoordeling van de verwerende partij onjuist of onredelijk zou zijn.
In het kader van het wettigheidstoezicht waartoe de Raad van State is gehouden, is de Raad van oordeel dat de appreciatie van de kandidaten,
IX-8619-34/36
zoals die is uitgeschreven, op een verschil wijst dat vermag te verantwoor-
den waarom verzoeker niet gelijk wordt geplaatst met de tussenkomende partij.
42. Het middel is ongegrond.
VI. Schadevergoeding tot herstel
43. Uit het onderzoek van de aangevoerde middelen blijkt dat de Raad van State geen onwettigheid heeft vastgesteld die in verband staat met enig nadeel dat verzoeker kan hebben geleden.
Het verzoek wordt afgewezen.
BESLISSING
1. De Raad van State verwerpt het beroep.
2. De Raad van State verwerpt het verzoek tot schadevergoeding tot herstel.
3. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro en een rechtsple-
gingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij.
Het onverschuldigde recht in verband met het verzoek tot schadevergoeding tot herstel, begroot op 200 euro, dient aan de verzoekende partij te worden terugbetaald.
De tussenkomende partij wordt verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op 150 euro.
IX-8619-35/36
Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 9 oktober 2018, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit:
Geert Van Haegendoren, kamervoorzitter, Bruno Seutin, staatsraad, Kaat Leus, staatsraad, bijgestaan door Tiny Temmerman, griffier.
De griffier De voorzitter
Tiny Temmerman Geert Van Haegendoren
IX-8619-36/36
PDF document ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.242.563