Legislator Jurisprudence & Législation
ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.242.455 ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.242.455 Généré par l'IA

Court orders suspension of school board's C-attest decision due to unequal grading criteria application.

Numéro de cause ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.242.455
Autorité / Tribunal
Juridiction Belgique (BE)
Date de la décision
Issue du litige Partiellement admis (Partially Allowed)

Synthèse Legislator

Généré par l'IA

The Council of State ordered an urgent suspension of the school board's decision to maintain Radi Boudou's orientation certificate C. The applicant argued that the board failed to apply grading criteria equally by ignoring a peer's results in a complementary subject and disregarding official report figures. The court found the board's reliance on a flawed starting point for numerical elements constituted a serious procedural error, justifying the suspension while rejecting the request to replace the board's assessment.

Regeste Legislator

Généré par l'IA

Articles 10 and 11 of the Code of Administrative Justice; The Council of State may order an urgent suspension of an administrative decision when the decision-making body has applied evaluation criteria unequally or relied on a fundamentally incorrect starting point for its assessment.

Mots-clés

Généré par l'IA
urgent suspension administrative review unequal criteria school grading orientation certificate procedural error Code of Administrative Justice appréciation des compétences

Dispositions légales citées

Généré par l'IA
Articles 10 and 11 of the Code of Administrative Justice
Généré par l'IA

Vous souhaitez savoir comment cet arrêt s'applique à votre dossier ?

Analysez cette décision avec la législation fédérale, le droit cantonal, la doctrine et la jurisprudence subséquente dans Legislator AI.

Ouvrir dans Legislator →

Texte complet

RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK

VOORZITTER VAN DE IXe KAMER

nr. 242.455 van 27 september 2018

in de zaak A. 226.165/IX-9391

In zake: Radi BOUDOU

bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Stijn Butenaerts kantoor houdend te 1080 Brussel Leopold II-laan 180

bij wie woonplaats wordt gekozen

tegen:

het GEMEENSCHAPSONDERWIJS, vertegenwoordigd door scholengroep 10

bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Marc Stommels en Jan Fransen kantoor houdend te 2000 Antwerpen Amerikalei 220 bus 14

bij wie woonplaats wordt gekozen

I. Voorwerp van de vordering

1. De vordering, ingesteld op 18 september 2018, strekt tot de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van:

“De beslissing van de Beroepscommissie van Scholengroep 10 – Scoop van het GO! van 11 september 2018 waarbij werd beslist:

– De beslissing van de Beroepscommissie van Scholengroep 10 – Scoop van het GO! van 21 augustus 2018, waarbij het aan Radi Boudou toe-

gekende oriënteringsattest C wordt gehandhaafd, in te trekken;

– Na heroverweging, de eindbeslissing C-attest van de delibererende klassenraad te bevestigen.”

II. Verloop van de rechtspleging

2. De verwerende partij heeft een nota ingediend.

IX-9391-1/19

De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 25 september 2018, om 10.30 uur.

Kamervoorzitter Geert Van Haegendoren heeft verslag uitge-

bracht.

Advocaat Stijn Butenaerts, die verschijnt voor de verzoekende partij en advocaat Jan Fransen, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn ge-

hoord.

Auditeur Jurgen Neuts heeft een met dit arrest eensluidend ad-

vies gegeven.

Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, ge-

coördineerd op 12 januari 1973.

III. Feiten

3.1. Verzoeker is tijdens het schooljaar 2017-2018 ingeschreven als leerling in het eerste jaar van de derde graad handel (TSO) aan het atheneum te Zaventem, onderwijsinstelling die behoort tot scholengroep 10 van het Gemeen-

schapsonderwijs.

Hij beëindigt het schooljaar met twee jaartekorten (aardrijks-

kunde 43%; toegepaste informatica 39%).

De delibererende klassenraad kent verzoeker een oriënterings-

attest C toe. Overleg leidt tot een nieuwe samenkomst van de klassenraad, die op 2 juli 2018 het C-attest bevestigt.

IX-9391-2/19

3.2. Hierop stelt verzoeker beroep in bij het schoolbestuur, waarbij hij aangeeft dat het C-attest “niet terecht is” en hij vraagt dat hem een A-attest wordt toegekend “of minstens in de mogelijkheid te voorzien om herexamens te kunnen afleggen”. Hij doet daarbij onder meer het volgende gelden:

“- twee klasgenoten met elk drie jaartekorten hebben blijkbaar wel de mogelijkheid gekregen om herexamens af te leggen; daarenboven dient ook nog te worden benadrukt dat een andere klasgenoot met gelijkaardige studieresultaten wel een A-attest heeft verkregen; U zal willen begrijpen dat deze ongelijke behandeling tussen [verzoeker], die met betere punten – en geen tekort op een poolvak – een C attest krijgt terwijl een klasgenoot met lagere punten – [en] een tekort op een poolvak – een A attest krijgt, onaanvaardbaar is. Dit gegeven beperkt uw discretionaire bevoegdheid:

aan [verzoeker] kan enkel een A-attest afgeleverd worden, bij gebreke waaraan u gelijkheid in zijn hoofde schendt.”

3.3. Op 21 augustus 2018 beslist ook de beroepscommissie om het C-attest te handhaven. Die beslissing is, specifiek wat de voormelde grief inzake ongelijke behandeling betreft, als volgt gemotiveerd:

“[…] men moet zich hoeden om behaalde attesten te vergelijken op basis van louter cijfergegevens: de klassenraad beschikt ook over andere gege-

vens om tot een beslissing te komen.”

De Raad van State schorst de tenuitvoerlegging van deze be-

slissing bij arrest nr. 242.265 van 6 september 2018.

3.4. Op 11 september 2018 beslist de beroepscommissie haar eerdere beslissing in te trekken en het C-attest te handhaven:

“De beroepscommissie in zitting van 11 september 2018 […] beslist:

• de beslissing van de beroepscommissie van GO! scholengroep 10, SCOOP van het Gemeenschapsonderwijs van 21 augustus 2018, waarbij het aan Radi Boudou toegekende oriënteringsattest C wordt gehandhaafd, in te trekken • na heroverweging, de eindbeslissing C-attest van de delibererende klas-

senraad te bevestigen.”

IX-9391-3/19

IV. Ontvankelijkheid van de vordering

4.1. Er valt niet in te zien welk voordeel verzoeker heeft bij de schorsing van de tenuitvoerlegging van de beslissing van de beroepscommissie, voor zover ze ertoe strekt de voor hem ongunstige beslissing van 21 augustus 2018

in te trekken.

In die mate is de vordering niet ontvankelijk bij gebrek aan be-

lang, wat desnoods ambtshalve moet worden vastgesteld.

4.2. Hierna wordt met “de bestreden beslissing” enkel gerefereerd aan de beslissing om het C-attest te handhaven.

V. Herinnering aan de schorsingsvoorwaarden

5. Krachtens artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid slechts worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat min-

stens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden en dat een uiterst dringende nood-

zakelijkheid voorhanden is die onverenigbaar is met de behandelingstermijn van de gewone vordering tot schorsing.

VI. Uiterst dringende noodzakelijkheid

6. Nog minder dan reeds het geval was bij de eerste schorsings-

procedure, is er thans reden eraan te twijfelen dat de eerste schorsingsvereiste vervuld is. De verwerende partij verklaart in haar nota overigens uitdrukkelijk enkel omtrent de tweede schorsingsvoorwaarde verweer te voeren.

IX-9391-4/19

VII. Ernst van het enige middel

Standpunt van de partijen

7.1. Het enige middel is “genomen uit de schending van het gelijk-

heidsbeginsel, van artikel 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uit-

drukkelijke motivering van bestuurshandelingen, van de formele motiverings-

plicht, van de verplichting tot transparantie, van het zorgvuldigheidsbeginsel, van het redelijkheidsbeginsel, van de materiële motiveringsplicht, van het onpartij-

digheidsbeginsel en van het gelijkheidsbeginsel als algemene beginselen van be-

hoorlijk bestuur, tevens genomen uit de schending van artikel 123/15, § 2 van de Codex Secundair Onderwijs van 17 december 2010, uit de schending van artikel 4, juncto 4.3.2 van het Schoolreglement van het koninklijk atheneum Zaventem en van het rechtsbeginsel patere legem quam ipse fecisti”.

7.2. Verzoeker citeert de overwegingen van de beroepscommissie die haar hebben doen besluiten dat de gelijkheid niet is geschonden door de behande-

ling van hem en zijn klasgenoot.

Hij overloopt vervolgens in de toelichting bij het middel punts-

gewijs elk van de „niet-cijfermatige elementen‟ en de „cijfermatige elementen‟.

7.3. Verzoeker vat zijn kritiek op de beoordeling van de niet-cijfer-

matige elementen samen als volgt:

“• Op basis van de gegevens inzake een specifiek zorgdossier (medische gegevens, thuissituatie, leerstoornissen) – voor zover verzoeker kan be-

oordelen – geen verschil bestaat tussen verzoeker en de medeleerling.

• Op basis van de gegevens van het afwezigheidsdossier, er wat medisch verantwoorde afwezigheden geen onderscheid kan en mag gemaakt wor-

den tussen verzoeker en de medeleerling. Dat aangaande „problematische‟ afwezigheden verzoeker en de medeleerlingen beide een vermelding kre-

gen op hun rapporten van 2 halve dagen problematische afwezigheid. Met de onwettige tuchtsanctie opzichtens verzoeker geen rekening kan ge-

houden worden, hetgeen verweerster trouwens erkent.

IX-9391-5/19

• Op basis van de gegevens betreffende de meldingen inzake houding en gedrag er – in tegenstelling tot hetgeen wordt voorgehouden in de bestre-

den beslissing – dient vastgesteld te worden dat er aan verzoeker minder opmerkingen werden gegeven dan aan de medeleerling, dat verzoeker op permanente wijze betere beoordelingen krijgt voor zijn gedrag en dat er voor wat verzoeker betreft – in tegenstelling tot de medeleerling – een duidelijke verbetering in zijn gedrag merkbaar is.

• Op basis van de gegevens betreffende de studiehouding (rapportcom-

mentaren) er beduidend minder negatieve bemerkingen werden gemaakt aan verzoeker in vergelijking met de medeleerling en dit in tegenstelling tot hetgeen wordt voorgehouden in de bestreden beslissing.”

7.4. Ook de cijfermatige elementen zijn volgens verzoeker niet cor-

rect.

In de bestreden beslissing stelt de beroepscommissie dat geen rekening kan of mag worden gehouden met het complementaire vak Duits in het beslissingsproces. Deze motivering is manifest in strijd met het eigen schoolre-

glement, dat expliciteert dat met elk vak rekening wordt gehouden. De delibera-

tienorm in kwestie ziet op “elk vak”. De bestreden beslissing maakt aldus ten onrechte abstractie van de resultaten van Duits voor wat de medeleerling betreft.

Aangezien de medeleerling een jaartekort, evenals een resultaat lager dan 40% had voor dit vak, is de beoordeling op twee onderdelen niet correct gebeurd in de be-

streden beslissing: de medeleerling had evenzeer als verzoeker twee jaartekorten maar had bovendien een tekort van meer dan 40% op het laatste examen, hetgeen niet het geval was voor verzoeker.

Door in strijd met het eigen examenreglement geen rekening te houden met het resultaat van minder dan 40% voor het vak Duits in hoofde van de medeleerling op het laatste examen wordt daarenboven geen rekening gehouden met de vaststelling dat de medeleerling aan geen van de drie cijfermatige criteria voldoet, terwijl verzoeker aan twee van de drie cijfermatige criteria niet voldoet en de cijfermatige elementen minder slecht zijn in hoofde van verzoeker in vergelij-

king met de medeleerling.

IX-9391-6/19

8.1. In de nota met opmerkingen wijst de verwerende partij erop dat op verzoeker een bewijslast rust, indien hij beweert ongelijk te zijn behandeld.

Zij wijst erop dat het uitgangspunt is, dat beiden gedelibereerd moesten worden.

8.2. Verzoeker verschilt in één belangrijk opzicht van de andere leerling: hij heeft zijn dossier ter “herdeliberatie” voorgelegd aan een beroeps-

commissie, waarvan het resultaat is dat hij een C-attest verwerft. Hij hoeft dan ook geen aanspraak te maken op een gelijke behandeling, want een andere instantie heeft zich over zijn dossier gebogen. In het kader van de rechtspraak dat een leer-

ling enkel beschermd wordt tegen onwettige beslissingen en niet tegen louter strenge beslissingen, mag de beoordeling van de beroepscommissie dus verschillen van deze van de klassenraad en ook strenger zijn.

8.3. Vervolgens gaat de verwerende partij in op de kritiek van ver-

zoeker over de motieven die verband houden met de zogenaamde „niet-cijfermatige elementen‟. Zij verwijst naar de stukken van het administratief dossier die de vaststellingen van de beroepscommissie omtrent de afwezigheden van verzoeker, de meldingen inzake zijn houding en gedrag en zijn studiehouding onderbouwen. Anders dan voor de andere leerling, nopen deze verschillen tot het besluit dat een C-attest de juiste deliberatiebeslissing voor verzoeker is.

8.4. Met betrekking tot de cijfermatige verschillen, stelt de verwe-

rende partij dat verzoeker argumenteert dat ten onrechte geen rekening gehouden werd met het vak Duits, “waar hijzelf nochtans maar een jaartotaal heeft behaald van 51 en gebuisd was op het laatste examen”. Bij de specifieke deliberatievraag aangaande de andere leerling diende met dit vak volgens de verwerende partij geen rekening gehouden te worden, gelet op het complementaire karakter. Ook voor verzoeker werd dit vak niet in de deliberatie betrokken.

IX-9391-7/19

Wanneer een leerling de deliberatienormen niet haalt – zoals verzoeker én de leerling met wie hij zich wenst te vergelijken – en dus gedelibe-

reerd moet worden, dan blijkt uit de ingeroepen bepalingen ter ondersteuning van het middel niet dat enig doorslaggevend gewicht toegekend moet worden aan een complementair vak.

Zij wijst erop, met verwijzing naar omzendbrief SO 64 „Struc-

tuur en organisatie van het voltijds secundair onderwijs‟, dat voor de lestijden die behoren tot de basisvorming en tot het specifieke gedeelte door de overheid goedgekeurde leerplannen en eindtermen gelden. De omzendbrief bepaalt:

“[…] dat geen leerplannen ter goedkeuring aan de overheid moeten worden voorgelegd, indien die leerplannen geen doelstellingen bevatten die ver-

band houden met eindtermen, ontwikkelingsdoelen, specifieke eindtermen, erkende beroepskwalificaties of, bij ontstentenis, andere door de overheid vastgelegde competenties. Dergelijke leerplannen worden geacht op het complementair gedeelte van een structuuronderdeel betrekking te hebben.

Voor de realisatie van het keuze- of complementair gedeelte moeten so-

wieso nooit leerplannen ter goedkeuring bij de overheid worden ingediend.

Bij schooldoorlichting door de onderwijsinspectie kan de realisatie van het keuze- of complementair gedeelte worden onderzocht, doch de onder-

wijsinspectie zal er geen gevolgen naar erkenning of financiering/sub-

sidiëring aan verbinden.”

De eerste twee onderdelen van de motivering met betrekking tot het vak Duits zijn dus reeds correct. Het vak werd niet in het leerplan opgenomen en speelt dan ook niet mee voor de attestering van een erkende studierichting.

De leerling eindigt het leerjaar “met vrucht”, zo merkt de ver-

werende partij op, “indien hij in voldoende mate de doelstellingen die in het leer-

plan zijn opgenomen heeft bereikt en aldus voldaan heeft voor het geheel van de vorming van het betreffend leerjaar”. Een deliberatiebeslissing laten afhangen van een gedeelte van de opleiding dat juist niet door de overheid wordt gecontroleerd, is volledig in strijd met het principe dat de werking van de scholen door de over-

heid wordt bepaald en gecontroleerd. Het complementair gedeelte vult de school vrij in en kan enkel worden meegenomen in de deliberatie als deze lestijd gebruikt wordt om het goedgekeurde leerplan af te werken. Zo kan bijvoorbeeld een extra

IX-9391-8/19

uur wiskunde worden georganiseerd, maar geen extra leerstof die meespeelt bij de deliberatie (zoals een bijkomende taal).

Het belang van de complementaire vakken is beperkt tot hun weerslag op de rapporten. De beroepscommissie is dan ook terecht van oordeel dat het vak Duits een indicatie kan vormen bij de deliberatieverrichtingen, maar geen op zichzelf staande beoordeling binnen een goedgekeurd leerplan, dus geen apart “buisvak” binnen de deliberatienormen. Indien verzoeker wenst voor te houden dat de andere leerling ten onrechte aan een deliberatie is ontsnapt doordat maar met één jaartekort rekening wordt gehouden, dan dient te worden vastgesteld dat deze andere leerling op basis van een andere voorwaarde gedelibereerd diende te wor-

den, zodat elk belang voor verzoeker ontbreekt.

Zelfs indien Duits bij de vergelijking wordt betrokken, noopt dit niet tot een ander deliberatieresultaat, gelet op de andere vaststellingen van de beroepscommissie.

Beoordeling

9. In de toelichting van het middel komt nergens ter sprake op welke wijze de bestreden beslissing volgens verzoeker strijdig is met “de ver-

plichting tot transparantie”, met “het redelijkheidsbeginsel” of met artikel 123/15, § 2, van de Codex Secundair Onderwijs; de toelichting van het geschonden ge-

noemde onpartijdigheidsbeginsel raakt niet verder dan een halve zin met een vage, niet onderbouwde veronderstelling.

In zoverre is het middel puur ballast en niet ernstig.

Een middel wint voorts niet aan overtuigingskracht door twee-

maal het gelijkheidsbeginsel geschonden te noemen en zowel te putten uit de formelemotiveringsplicht als uit de wet van 29 juli 1991 die deze verplichting bevat.

IX-9391-9/19

10. Zoals in zijn eerste verzoekschrift, dat geleid heeft tot schor-

singsarrest nr. 242.265 van 6 september 2018, voert verzoeker een schending aan van de motiveringsplicht – formeel zowel als materieel – en van het gelijkheids-

beginsel. Hij zou op niet deugdelijk verantwoorde wijze verschillend zijn behan-

deld in vergelijking met een klasgenoot die vergelijkbare of zelfs slechtere resul-

taten had dan hijzelf en een A-attest kreeg.

11.1. In hoofdorde wijst de verwerende partij deze grief af door zich te beroepen op de autonomie van de beroepscommissie.

11.2. De beroepscommissie oordeelt als ware zij zelf een klassenraad.

Zij mag aan de gegevens van het leerlingendossier meer of minder gewicht geven dan de klassenraad. Mocht zij dit niet, dan ware een beroep in de meeste gevallen zelfs nutteloos. De leerling verwacht immers nu net van zijn beroep dat de be-

roepscommissie in vergelijking met de klassenraad tot een voor hem gunstiger uitvallende appreciatie komt van zijn prestaties.

Heeft de verwerende partij het in zoverre bij het rechte eind om dit als uitgangspunt in herinnering te brengen, dan mag zij evenwel niet voorbij-

gaan aan de concrete omstandigheden van de zaak en, meer bepaald, het bestaan van in het toepasselijke schoolreglement opgenomen “deliberatienormen”.

Het feit alleen dat de zaak van verzoeker aan de beroepscom-

missie is voorgelegd en die van de medeleerling niet, verantwoordt dan op het eerste gezicht niet dat het gelijkheidsbeginsel zonder meer niet van toepassing zou kunnen zijn. Die redenering zonder meer bijvallen, zou immers betekenen dat leerlingen nooit nuttig kunnen aanvoeren dat de deliberatiecriteria niet op ieder van hen op gelijke wijze werden toegepast en dat zij overgeleverd zijn aan willekeur.

11.3. Deliberatie“normen” – en al zeker deliberatienormen die uitgaan van het schoolbestuur – zijn weliswaar enkel een richtlijn, een beleidslijn die de verwerende partij als organisator van haar onderwijs gehanteerd wil zien in elk

IX-9391-10/19

individueel evaluatieproces en waarin zij de principes verwoordt die zij zich voorneemt toe te passen in het kader van een zorgvuldige besluitvorming en met oog voor het gelijkheidsbeginsel.

Dergelijke deliberatiecriteria bevorderen het stroomlijnen van de besluitvorming en dienen aldus ook de rechtszekerheid, aangezien ze de leerling een zicht geven op de wijze waarop het orgaan dat met zijn evaluatie belast is, zijn discretionaire bevoegdheid zal uitoefenen.

Voor zover die criteria voor een leerling gunstig zijn, creëren de deliberatienormen des te meer een verwachtingspatroon.

11.4. Waar de beroepscommissie dan in haar autonomie rekening mee moet houden in deze zaak, is dus net het feit dat in het schoolreglement delibera-

tiecriteria zijn uitgeschreven.

Dit betekent geenszins dat deze “deliberatienormen” bindend zijn: waren zij dat, dan zouden ze ingrijpen op de bevoegdheid van het orgaan dat met evaluatie is belast. Deliberatiecriteria ontslaan het met de evaluatie belaste orgaan niet ervan telkens rekening te houden met de specifieke merites van iedere evaluatie. Het betekent wel dat de klassenraad en, na hem, de beroepscommissie, niet zonder goede, in de beslissing terug te vinden redenen, van die criteria mag afwijken.

In samenhang met het gelijkheidsbeginsel betekent het prima facie ook dat wanneer de klassenraad zich de in het schoolreglement opgenomen deliberatienormen eenmaal eigen heeft gemaakt en bij de evaluatie van de leer-

lingen van zijn klas heeft toegepast, op de beroepscommissie een versterkte plicht rust om toe te lichten waarom zij in voorkomend geval zou afstappen van de toe-

passing van die normen op die leerlingen die zich vervolgens tot haar richten in het kader van een beroep.

IX-9391-11/19

12. In arrest nr. 242.265 van 6 september 2018 stelt de Raad van State vast dat “niet geheel onterecht […] met verzoeker [lijkt] te moeten worden besloten dat zijn cijfers vergelijkbaar of zelfs beter zijn dan van de betrokken medeleerling”, maar dat “verzoeker evenwel geen enkel inzicht [verwerft] in de elementen en concrete afwegingen die in het ene geval voor de eindconclusie van het C-attest en in het andere geval voor het A-attest hebben meegespeeld”. De beslissing van de beroepscommissie “lijkt bijgevolg niet wettig gemotiveerd”. Wat het gelijkheidsbeginsel betreft, overweegt de Raad dat het middel voorbarig is, omdat hij “niet beschikt over alle nuttige gegevens om zich uit te spreken over de aangevoerde schending van het gelijkheidsbeginsel” en “het eerst aan de be-

roepscommissie [staat] om haar standpunt te verduidelijken” . De Raad overweegt nog daarbij:

“Van de beroepscommissie mocht worden verwacht dat zij aantoont dat de deliberatiecriteria op beide leerlingen op gelijke wijze werden toegepast, dat zij nagaat of de leerlingen zich effectief in gelijke omstandigheden bevinden en, in de mate waarin dit het geval is, dat zij aangeeft wat dan volgens haar in de onderscheiden concrete dossiers aanleiding geeft om verzoeker een C-attest toe te kennen, terwijl de andere leerling een A-attest heeft verworven. Dat de beroepscommissie als orgaan met hervormings-

bevoegdheid autonoom oordeelt en in voorkomend geval inderdaad binnen de grenzen van de redelijkheid ook strenger mag oordelen dan de delibe-

rerende klassenraad, doet hieraan geen afbreuk. Dit onderzoek kan zij immers doen door de specifieke redenen van de klassenraad over te nemen en bij te vallen indien die redenen haar overtuigend overkomen, dan wel op grond van haar eigen autonome beoordelingsbevoegdheid deugdelijke ei-

gen motieven te geven.”

13. Het schorsingsarrest brengt de beroepscommissie ertoe om de zaak opnieuw te onderzoeken. De beslissing van 21 augustus 2018 wordt inge-

trokken en ze wordt vervangen door een nieuwe beslissing waarbij de beroeps-

commissie opnieuw tot een C-attest besluit.

14. In de thans bestreden beslissing maakt de beroepscommissie een vergelijking tussen verzoeker en een medeleerling. Daarbij komen zowel “cijfer-

matige elementen” als “niet-cijfermatige elementen” aan bod.

IX-9391-12/19

De bestreden beslissing geeft aan dat “zowel de niet-cijfermatige als de cijfermatige elementen […] in het nadeel van verzoeker [spelen]” en dat voor verzoeker – “in vergelijking met de andere leerling” – “veel duidelijker [is]

dat hij zowel qua ingesteldheid om te leren als qua kennis niet bekwaam is om het hogere leerjaar aan te vatten”. Om tot dat besluit te komen werden “beide leer-

lingendossiers […] op dezelfde wijze beoordeeld”.

15.1. Wat de “cijfermatige elementen” betreft, herinnert de bestreden beslissing in de eerste plaats aan de “deliberatienormen”, namelijk “minimaal 50%

halen op het jaartotaal (specifieke berekening) voor elk vak”, “minimaal 40%

halen op EX2 voor elk vak” en “niet meer dan 3 tekorten halen EX2”.

15.2. De beroepscommissie stelt vast dat verzoeker twee jaartekorten heeft. De medeleerling tekent ook twee jaartekorten op, waaronder een tekort voor Duits.

Volgens de beroepscommissie is evenwel bij de toepassing van de deliberatienormen met het tekort voor Duits geen rekening te houden, omdat dit vak behoort tot het complementaire gedeelte van de studierichting. In de bestreden beslissing wordt dit alzo toegelicht:

“- de deliberatienormen • minimaal 50% halen op het jaartotaal (specifieke berekening) voor elk vak (*)

o verzoeker - aardrijkskunde (43/100)

- toegepaste informatica (39/100)

o andere leerling - toegepaste informatica (48/100)

• minimaal 40% halen op EX2 voor elk vak (*)

o beide leerlingen voldoen hieraan • niet meer dan 3 tekorten halen EX2 (*)

(*) hierbij wordt geen rekening gehouden met • het levensbeschouwelijke vak (wordt op zichzelf beoordeeld)

• het complementair vak Duits o voor complementaire vakken worden geen leerplannen ingediend bij de overheid

IX-9391-13/19

o de overheid stelt in dat geval ook geen te bereiken eindtermen op m.a.w.

deze vakken worden niet meegenomen in het beslissingsproces o zoals voor de verplichte leerstof van de lestijden „basisvorming‟ en „specifiek gedeelte‟ wordt de leerstof voor complementaire vakken on-

dervraagd; de resultaten ervan leiden eveneens tot rapportcijfers voor da-

gelijks werk en examens (zie schoolreglement) maar spelen slechts een indicatieve rol naar de leerling toe • de opsplitsing van het vak toegepaste economie in de deelvakken TE

bedrijfseconomie en TE recht; de regelgeving legt eindtermen op voor het vak toegepaste economie als één geheel; de opsplitsing op een rapport kan alleen indicatief zijn voor de leerling hoe hij presteert op de onderscheiden onderdelen. Voor het geheel van het vak zijn beide leerlingen geslaagd op jaarbasis.”

15.3. Vanuit die optiek detecteert de beroepscommissie, wat de eerste “deliberatienorm” betreft, bij verzoeker “twee grote tekorten op de jaarresultaten”

– aardrijkskunde (43%) en toegepaste informatica (39%) – en ziet zij bij de be-

trokken medeleerling bijgevolg slechts “één licht tekort” – toegepaste informatica (48%).

Om dezelfde redenen worden, ter beoordeling van de tweede “deliberatienorm”, ook de examencijfers van periode 2 voor Duits niet betrokken bij de vergelijking tussen verzoeker en de andere leerling – de medeleerling be-

haalde daarbij een resultaat van 29%.

Uit de beslissing blijkt op het eerste gezicht dat de beroeps-

commissie vervolgens ervan uitgaat dat met het vak Duits niet enkel voor de toe-

passing van deze deliberatiecriteria, maar ook voor het geheel van de evaluatie geen rekening wordt gehouden. Het jaartekort van deze leerling voor Duits (38%)

komt in de vergelijking tussen beide leerlingen in het geheel niet ter sprake.

15.4. Kortom, het jaartekort voor Duits (38%) van de medeleerling wordt prima facie, om de zo-even aangehaalde redenen, “niet meegenomen in het beslissingsproces”.

IX-9391-14/19

Dit wordt door de verwerende partij ook bevestigd in haar nota en op de terechtzitting.

16. Verzoeker meent dat de bestreden beslissing hierdoor “ten on-

rechte abstractie [maakt] van de resultaten van het vak Duits voor wat betreft de medeleerling”. Hij acht dit in strijd met het schoolreglement.

17. Naar luid van punt 4.3.2 „Deliberatienormen‟ van het op deze zaak toepasselijke schoolreglement van het koninklijk atheneum te Zaventem moet een leerling van de derde graad, wil hij slagen “via een A- of B-attest […] cumu-

latief [voldoen] aan al de onderstaande voorwaarden”, namelijk “[d]e leerling moet voor elk vak op het jaartotaal minimum 50% behalen” én “[o]p het laatste examen is voor elk vak een minimumcijfer van 40% vereist”. Daaraan wordt nog toege-

voegd dat “de leerling [bovendien] bij de laatste examenperiode […] niet meer dan 3 tekorten [mag] behalen”, waarbij onder „tekort‟ wordt verstaan: “minder dan 50% van de punten op het examen van een vak.”

Voor een leerling die voor één poolvak niet voldoet aan minstens één van de eerste twee voormelde voorwaarden, of voor twee niet-poolvakken niet voldoet aan ten minste één van de drie voorwaarden, “neemt de delibererende klassenraad autonoom de beslissing over de eventuele toekenning van een A-, B-

of C-attest of bijkomende proef op basis van o.a. dagelijks werk, inzet, ziekte, evolutie, resultaten, …”.

Het vak „toegepaste economie‟ is blijkens het schoolreglement het (enige) poolvak in de door verzoeker gevolgde studierichting.

Het schoolreglement bepaalt voorts onder punt „4. Leerlingen worden geëvalueerd‟ wat volgt:

“Voor alle punten waar in dit reglement over evaluatie wordt gesproken, wordt naast de verplichte leerstof van de uren uit de „basisvorming‟ en uit het „specifiek gedeelte‟ ook de leerstof ondervraagd die aangeboden wordt via de uren uit het Complementaire Gedeelte. De resultaten van deze on-

IX-9391-15/19

dervragingen worden mee in aanmerking genomen voor het bepalen van de quoteringen op de rapporten DW en de examens.”

Ten slotte bepaalt het schoolreglement, onder punt 4.3.1, over de beraadslaging door de delibererende klassenraad:

“Tijdens de beraadslaging zal de klassenraad rekening houden met  de behaalde resultaten zoals ze op het rapport staan […]”

18. Zoals in het aangehaalde schorsingsarrest van 6 september 2018

is aangegeven, dient eerst te blijken dat beide leerlingen zich effectief in gelijke omstandigheden bevinden met betrekking tot hun resultaten.

Houdt de sub 15 weergegeven redenering van de beroepscom-

missie steek, dan volgt daaruit dat verzoeker met twee (grotere) jaartekorten (aardrijkskunde 43% en toegepaste informatica 39%) en de medeleerling met één (lichter) jaartekort (toegepaste informatica 48%) zich in een zodanig verschillende situatie bevinden ten aanzien van de evaluatieprocedure, dat ze niet vergelijkbaar zijn en het gelijkheidsbeginsel niet geschonden is. De medeleerling zou dan “voor elk vak op het jaartotaal minimum 50% behalen” en door aan die voorwaarde te voldoen, op grond van de weergegeven “deliberatienormen” automatisch geslaagd verklaard zijn terwijl over verzoeker een deliberatie moest volgen. Alle overige overwegingen van de beroepscommissie zijn dan overtollige motieven, zodat de erop geformuleerde kritiek, zelfs al ware die terecht, niet tot nietigverklaring –

thans: schorsing – kan leiden.

19. Naar het voorlopig oordeel van de Raad houdt de redenering van de beroepscommissie evenwel geen steek.

20. Vooraf moet al worden vastgesteld dat vooralsnog door de Raad van State zelfs niet kan worden geverifieerd of de delibererende klassenraad de deliberatienormen inderdaad op die wijze heeft toegepast op de medeleerling zoals de beroepscommissie vooropstelt – wat nochtans haar uitgangspunt is om de be-

IX-9391-16/19

handeling van verzoeker en zijn klasgenoot onderling te vergelijken. Dat het complementair vak buiten het evaluatieproces wordt gehouden, lijkt alvast niet uitdrukkelijk te lezen in het schoolreglement, in de klassenraadbeslissing of in de notulen van de deliberatie. Er blijkt ook niet hoe die informatie aan de beroeps-

commissie anderszins bekend zou zijn geraakt. Misschien heeft een van haar „in-

terne‟ leden die ook deelnam aan de deliberatie van de klassenraad haar dit gemeld, maar daarvan lijkt dan geen spoor te vinden in de beschikbare stukken van het administratief dossier. Ook op de terechtzitting heeft de verwerende partij dit niet kunnen verduidelijken.

21. Hoe dan ook, de stelling van de beroepscommissie over de vakken van het complementair gedeelte lijkt geen steun te vinden in de aange-

haalde passages van het schoolreglement, en op het eerste gezicht evenmin elders in het schoolreglement.

Het lijkt net niet met elkaar te rijmen dat het schoolreglement enerzijds bepaalt dat voor vakken van het complementaire gedeelte – die vaak ook mee het karakteristieke van de studierichting bepalen – wel degelijk ook de leerstof wordt ondervraagd, dat de resultaten van die ondervragingen mede in aanmerking worden genomen voor het bepalen van de quoteringen op de rapporten dagelijks werk en de examens en vooral dat de delibererende klassenraad – en derhalve bij uitbreiding: de beroepscommissie – bij de beraadslaging over het wel of niet slagen van leerlingen rekening moet houden met de behaalde resultaten “zoals ze op het rapport staan”, en anderzijds die vakken als “niet ter zake doende” wegzet.

22. Het schoolreglement weerspreekt met andere woorden op het eerste gezicht dat deze punten zonder meer “niet [worden] meegenomen in het beslissingsproces”.

Is Duits geen algemeen „basisvak‟ en al zeker geen „poolvak‟ voor de gekozen richting, het is een „vak‟ van het betrokken leerjaar waarvan

IX-9391-17/19

punten worden vastgesteld die dus relevant lijken “waar in dit reglement over evaluatie wordt gesproken”.

In die omstandigheden moet – voorlopig – worden geoordeeld dat de beroepscommissie, door de resultaten van de medeleerling van verzoeker voor het complementaire vak Duits in het geheel niet in rekening te brengen bij haar vergelijking, de deliberatiecriteria niet voor beide leerlingen op gelijke wijze heeft toegepast. Die deliberatiecriteria lijken immers, zoals voorgeschreven in het schoolreglement, “voor elk vak” te moeten worden afgetoetst – en Duits lijkt, tot nader bericht en ondanks het feit dat het in de studierichting van verzoeker en zijn medeleerling tot het complementaire gedeelte behoort, nog steeds een “vak”.

Evenmin lijkt de beroepscommissie vervolgens correct rekening te hebben gehouden met “de behaalde resultaten zoals ze op het rapport staan”.

Hiermee is niet gezegd dat de resultaten voor een complementair vak hetzelfde gewicht in de schaal moeten leggen als de resultaten voor de overige vakken, zoals tegen de resultaten voor een richtingsspecifiek vak of een geïntegreerde proef ook anders kan worden aangekeken dan tegen de resultaten voor een niet-richtingsspecifiek vak. Die afweging maakt de beroepscommissie echter niet, en het staat niet aan de Raad van State om op dat vlak in de plaats van de be-

roepscommissie te treden en gevolgtrekkingen te doen.

23. Er is de Raad voorts in deze procedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid door de verwerende partij vooralsnog geen duidelijke en on-

dubbelzinnige reglementering aangewezen die de stelling van de beroepscom-

missie bevestigt.

24. Wat voorafgaat houdt in dat de beroepscommissie haar beoor-

deling van de „cijfermatige elementen‟ lijkt te steunen op een fundamenteel ver-

keerd uitgangspunt, wat op zich al volstaat om het middel ernstig te bevinden.

25. Er is in zoverre voldaan aan de schorsingsvoorwaarden.

IX-9391-18/19

BESLISSING

1. De Raad van State beveelt de schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de beslissing van de beroepscommissie van scholengroep 10 van het Gemeenschapsonderwijs van 11 september 2018, waarbij het aan Radi Boudou toegekende oriënteringsattest C wordt ge-

handhaafd.

2. De Raad van State verwerpt de vordering voor het overige.

Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 27 september 2018, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit:

Geert Van Haegendoren, kamervoorzitter, bijgestaan door Tiny Temmerman, griffier.

De griffier De voorzitter

Tiny Temmerman Geert Van Haegendoren

IX-9391-19/19

PDF document ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.242.455