Legislator Jurisprudence & Législation
ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.242.412 ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.242.412 Généré par l'IA

Court dismisses suspension request for medical exam decision due to improper use of appeal rights.

Numéro de cause ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.242.412
Autorité / Tribunal
Juridiction Belgique (BE)
Date de la décision
Issue du litige Rejeté (Dismissed)

Synthèse Legislator

Généré par l'IA

The Council of State rejected the applicant's urgent request to suspend the confirmation of her failure in the Flemish medical licensing exam. The applicant failed to provide sufficient detail regarding her grievances to the exam commission before seeking judicial intervention. Consequently, the court ruled that she improperly exhausted her administrative remedies and lacked a serious legal ground for suspension.

Regeste Legislator

Généré par l'IA

Articles 17, §§ 1 and 4 of the Council of State Rules; The Council of State cannot substitute for the exam commission when the applicant fails to present grievances with the required completeness and precision to the competent administrative body.

Mots-clés

Généré par l'IA
improper exhaustion of remedies urgent suspension request medical licensing exam administrative appeal procedure lack of serious grounds échec définitif aux examens renvoi malgré motifs médicaux procédure de récusation

Dispositions légales citées

Généré par l'IA
Articles 17, §§ 1 and 4 of the Council of State Rules
Généré par l'IA

Vous souhaitez savoir comment cet arrêt s'applique à votre dossier ?

Analysez cette décision avec la législation fédérale, le droit cantonal, la doctrine et la jurisprudence subséquente dans Legislator AI.

Ouvrir dans Legislator →

Texte complet

RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK

VOORZITTER VAN DE IXe KAMER

nr. 242.412 van 24 september 2018

in de zaak A. 226.145/IX-9385

In zake: Inne HENDRICX

bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Pieter Jongbloet kantoor houdend te 3010 Leuven Oude Diestsesteenweg 13

bij wie woonplaats wordt gekozen

tegen:

de VLAAMSE GEMEENSCHAP

bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Sofie Logie en Matthias Castelein kantoor houdend te 8500 Kortrijk Beneluxpark 27B

bij wie woonplaats wordt gekozen

I. Voorwerp van de vordering

1. De vordering, ingesteld op 14 september 2018, strekt tot de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van ―de beslissing van de voorzitter van de examencommissie toegangsexamen arts en tandarts van 30 augustus 2018 tot bevestiging van de beslissing dat Inne Hendricx niet geslaagd is voor het toelatingsexamen‖.

2. Tevens wordt gevorderd om ―de verwerende partij op te leggen om binnen een termijn van uiterlijk 7 dagen vanaf het tussen te komen arrest een nieuwe beslissing te nemen‖.

IX-9385-1/17

II. Verloop van de rechtspleging

3. De verwerende partij heeft een nota ingediend.

De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 20 september 2018, om 10.30 uur.

Staatsraad Bert Thys heeft verslag uitgebracht.

Advocaten Pieter Jongbloet en Joeri Leten, die verschijnen voor de verzoekende partij en advocaat Matthias Castelein, die tevens loco advocaat Sofie Logie verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord.

Auditeur Jurgen Neuts heeft een met dit arrest eensluidend ad-

vies gegeven.

Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, ge-

coördineerd op 12 januari 1973.

III. Regelgeving en feiten

4.1. Bij het decreet van 8 december 2017 ‗houdende wijziging van het decreet van 30 april 2009 betreffende het secundair na secundair onderwijs en het hoger beroepsonderwijs en de Codex Hoger Onderwijs van 11 oktober 2013, wat betreft het hoger onderwijs‘ werd met ingang van 1 januari 2018 een nieuwe regeling ingevoerd betreffende het toelatingsexamen voor de opleiding van arts en het toelatingsexamen voor de opleiding van tandarts in de Vlaamse Gemeenschap.

Het besluit van de Vlaamse Regering van 2 februari 2018

‗houdende de organisatie van het toelatingsexamen arts en het toelatingsexamen tandarts‘ (hierna: het besluit van de Vlaamse Regering van 2 februari 2018) stelt

IX-9385-2/17

onder meer nadere regels vast met betrekking tot de organisatie en de evaluatie van beide examens.

4.2. De Vlaamse Regering organiseert nu jaarlijks, in de periode van 1 tot 15 juli, een toelatingsexamen voor de opleiding van arts (artikel II.187, § 6, 1°

en 3°, van de Codex Hoger Onderwijs en artikel 19 van het besluit van de Vlaamse Regering van 2 februari 2018).

Dat toelatingsexamen beoogt het toetsen van de bekwaamheid van de studenten om een geneeskundige opleiding met succes af te ronden. Een gunstige rangschikking op grond van dit examen geldt als een ―bijkomende toela-

tingsvoorwaarde‖ voor inschrijving in een bacheloropleiding in het studiegebied Geneeskunde (artikel II.187, § 1, van de Codex Hoger Onderwijs).

Het examen bestaat uit twee onderdelen: vooreerst een onderdeel ‗wetenschappelijke kennis en inzicht in de vakken biologie, fysica, chemie en wiskunde (KIW)‘ (hierna ook: ‗kennis en inzicht in de wetenschappen‘) en voorts een onderdeel ‗generieke competenties die aansluiten bij themata uit de beroeps-

praktijk van artsen (GC)‘ (hierna ook: ‗generieke competenties‘) (artikel II.187, § 5, van de Codex Hoger Onderwijs en artikel 22, eerste lid, van het besluit van de Vlaamse Regering van 2 februari 2018). Deze twee onderdelen van het examen hebben hetzelfde gewicht (artikel 27, eerste lid, van het besluit van de Vlaamse Regering van 2 februari 2018).

Het examen is vergelijkend van aard. De kandidaten die ten minste de helft van de bepaalde punten behalen op alle onderdelen van het examen zijn geslaagd. De geslaagde kandidaten worden gerangschikt in volgorde van de behaalde numerieke score. De geslaagde kandidaten met de hoogste behaalde scores worden gunstig gerangschikt, rekening houdend met het vooropgestelde (start)quotum van 1102. Is het aantal geslaagde kandidaten hoger dan het voor-

opgestelde quotum, dan wordt een cesuur getrokken. Dit gebeurt principieel tussen

IX-9385-3/17

de kandidaten met een verschillend examenresultaat (artikel II.187, §§ 3 en 4, van de Codex Hoger Onderwijs).

Alle vragen van het toelatingsexamen zijn meerkeuzevragen met vier antwoordmogelijkheden per vraag. Slechts één antwoordmogelijkheid per vraag is juist. Een juist antwoord levert positieve punten op, een fout antwoord levert negatieve punten op en geen antwoord levert nul punten op (artikel 27, vierde lid, 1° en 2°, van het besluit van de Vlaamse Regering van 2 februari 2018).

4.3. Nadere voorschriften met betrekking tot het toelatingsexamen zijn door de examencommissie vastgesteld in het ‗Werkingsreglement en exa-

menreglement toelatingsexamens arts en tandarts 2018‘ (hierna: het werkings- en examenreglement).

4.4. Verzoekster neemt op 3 juli 2018 deel aan het toelatingsexamen arts.

4.5. Na beraadslaging op 9 juli 2018 kent de examencommissie aan verzoekster de volgende punten toe: 59 op 120 punten voor het onderdeel ‗kennis en inzicht in de wetenschappen‘, 78 op 120 punten voor het onderdeel ‗generieke competenties‘ en 137 op 240 punten in het totaal.

De examencommissie verklaart verzoekster ―niet geslaagd‖.

Zij licht daarbij nog toe dat werd beslist om aan alle deelnemers tien bijkomende punten toe te kennen, die gelijk verdeeld zijn over de beide exa-

menonderdelen. Die bijkomende punten zijn ―bijgeteld bij de [voormelde] drie resultaten‖.

4.6. Met een e-mailbericht van 18 juli 2018 deelt de voorzitter van de examencommissie de voormelde resultaten aan verzoekster mee.

IX-9385-4/17

4.7. Met een brief van 30 juli 2018 stelt verzoekster, samen met haar vader, een beroep in bij de voorzitter van de examencommissie tegen de beslissing van deze commissie waarbij zij niet geslaagd is verklaard voor het toelatings-

examen. Die brief luidt als volgt:

―Op 3 juli nam mijn dochter deel aan de toelatingsproef geneeskunde, zij behoorde tot groep Geel.

Volgens verschillende leerkrachten blijkt er enige dubbelzinnigheid te be-

staan rond het juiste antwoord op biologie vraag 7.

Tijdens het examen dacht mijn dochter dat zowel antwoorden a. als d. correct waren. Vermits een giscorrectie wordt toegepast heeft zij deze vraag echter opengelaten. Die vraag heeft haar dus geen punten opgeleverd. Indien er slechts één juist antwoord was had zij deze vraag wel (juist) ingevuld en 3 punten meer behaald.

Kunt u meer duidelijkheid verschaffen over het juiste antwoord? Gelieve indien van toepassing ook het examenresultaat van mijn dochter aan te passen.‖

4.8. Op 30 augustus 2018 beslist de interne beroepsinstantie, die is samengesteld uit de examencommissie (artikel 64 van het werkings- en examen-

reglement), dat verzoeksters beroep ontvankelijk, maar niet gegrond is. Zij moti-

veert deze beslissing in een brief aan verzoekster als volgt:

―In uw brief betwist u dat er voor vraag 7 van biologie een eenduidig ant-

woord was.

U argumenteert dat het antwoord in het gele boekje of in het blauwe boekje ook correct is: M (profase 2 van de meiose) = 2M (profase 1 van de meiose).

Deze betwisting kan ondubbelzinnig worden verworpen.

De te volgen redenering is immers als volgt:

- het vertrekpunt is een cel in diploïde toestand. Het aantal chromosomen bedraagt 2N met N gelijk aan het aantal chromosomen in de haploïde cel.

- voorafgaand aan de meiose worden de chromosomen tijdens de S-fase van de celcyclus verdubbeld waardoor elk chromosoom uit twee chro-

matiden bestaat en de cel in totaal 2*2N chromatiden bevat.

- De meiose of reductiedeling bestaat uit twee opeenvolgende celdelingen (meiose 1 en meiose 2) waarbij de profase 1 de aanvangsfase van de eerste deling is en profase 2 de aanvangsfase van de tweede deling.

- Het aantal chromatiden in profase 1 van de meiose is dus gelijk aan 2*2N. Er heeft immers nog geen enkele deling plaatsgevonden.

- Tijdens meiose 1 gaan de cellen over van diploïde naar haploïde toestand door scheiding van de homologe chromosomenparen. Elke dochtercel

IX-9385-5/17

ontvangt de helft van het aantal chromatidenparen. Het aantal chromati-

den in elke dochtercel bedraagt dus 2*N.

- Het aantal chromosomen in profase 2 van de meiose is dus gelijk aan 2*N.

- Tijdens meiose 2 krijgt elke dochtercel van elk chromatidenpaar één chromatide. Het aantal chromatiden bedraagt nu N en de chromatiden verworden terug tot chromosomen (N in aantal).

Verder staat in de opgave duidelijk vermeld dat M gelijk is aan de hoe-

veelheid DNA in diverse stadia van de celcyclus. Hieruit volgt dat de waarde van M varieert in de loop van de celcyclus. M is dus geen constante waarde, maar zal in functie van de celcyclus variëren naarmate de cel N, 2N of 2*2N

chromosomen/chromatiden bevat (zie boven). Als we nu het DNA-gehalte in de cel (=M) gelijk stellen aan het aantal chromosomen/chromatiden op dat moment van de meiose, dan geldt:

- M (profase 1 van de meiose) = 2*2N

- M (profase 2 van de meiose) = 2*N

Invulling van deze waarden in antwoordmogelijkheid in het gele boekje of in blauwe boekje geeft dan - M (profase 2 van de meiose) = 2M (profase 1 van de meiose) of - (2*N) = 2(2*2N) wat non-sensicaal is. Bijgevolg is deze antwoordmo-

gelijkheid verkeerd.

Samengevat, bij aanvang van meiose 1 (profase 1) heeft elke cel 2x zoveel DNA als bij profase 2 van de meiose.

De examencommissie verklaart het beroep ongegrond.‖

Dit is de bestreden beslissing.

IV. Herinnering aan de schorsingsvoorwaarden

5. Krachtens artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid slechts worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat min-

stens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden en dat een uiterst dringende nood-

zakelijkheid voorhanden is die onverenigbaar is met de behandelingstermijn van de gewone vordering tot schorsing.

IX-9385-6/17

V. Ernst van het enige middel

Uiteenzetting van het middel

6. Verzoekster voert in haar inleidend verzoekschrift een enig middel aan, dat zij als volgt formuleert:

―Eerste middel, genomen uit de schending van artikelen 6, 25 en 27, 1° van het Besluit van de Vlaamse Regering houdende de organisatie van het toela-

tingsexamen arts en het toelatingsexamen tandarts (hierna […] ‗het besluit‘), artikelen 16 en 52 van het Werkingsreglement en examenreglement toela-

tingsexamens arts en tandarts 2018 (hierna […] ‗het reglement‘), het gelijk-

heidsbeginsel, alsook de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, in het bijzonder het zorgvuldigheidsbeginsel en het redelijkheidsbeginsel, Doordat, middels het bestreden besluit wordt geoordeeld dat een vraag, meer precies bio07 niet geneutraliseerd dient te worden, Terwijl, volgens artikel 27, 1° van het besluit en 52 van het reglement er slechts één antwoordmogelijkheid per vraag correct is, En terwijl, uit de vraagstelling zoals geformuleerd in vraag bio07 op twee manieren geïnterpreteerd kan worden, waarbij meerdere antwoorden correct kunnen zijn (zie toelichting middel), En terwijl, in het bestreden besluit enkel wordt aangetoond dat, indien men de vraag op een bepaalde manier interpreteert, er slechts één antwoord correct is (zie toelichting middel), En terwijl, ook uit de statistische gegevens blijkt dat de vraag problematisch is of minstens kan zijn, En terwijl, twee andere vragen werden wel geneutraliseerd net omwille van het feit dat men de vraag en bijhorende stellingen op verschillende wijze kon interpreteren, En terwijl, uit artikelen 6 en 25 van het besluit en 16 van het reglement en de beginselen van behoorlijk bestuur volgt dat een overheid bij het organiseren en beoordelen van het examen vragen die op meerdere wijze geïnterpreteerd kunnen worden en een dubbelzinnigheid bevatten, geneutraliseerd kunnen en moeten worden voor de berekening van de resultaten, En terwijl, de neutralisatie van de betrokken vraag tot gevolg zou hebben dat beroepster geslaagd is op de toegangsproef, Zodat, het bestreden besluit de in het middel geciteerde bepalingen en be-

ginselen schendt door een dubbelzinnige en onduidelijke vraag op te nemen in de quotering en berekening van de resultaten van het toelatingsexamen en deze vervolgens niet neutraliseert.‖

IX-9385-7/17

Verzoekster licht dit middel vervolgens als volgt toe:

―A) Algemeen – Vraag bio07

De betrokken vraag luidt:

Bij een cel wordt de hoeveelheid DNA (= M) gemeten in diverse stadia van de celcyclus. Welke uitspraak met betrekking tot de hoeveelheden DNA is juist?

M (profase 2 van de meiose) = 2M (profase 1 van de meiose)

M (G1 vóór de mitose) = M (G2 vóór de meiose)

M (anafase van de mitose) = M (anafase 2 van de meiose)

M (G1 vóór de mitose) = M (profase 2 van de meiose)

Beroepster wenst eerst en vooral met klem te benadrukken dat de betrokken onduidelijkheid die hieronder wordt toegelicht op geen enkele wijze betrekking heeft op de eigenlijke uitwerking van theoretische leer van de celcyclus. De onduidelijkheid volgt zuiver uit de onduidelijke vraagstelling en bijhorende stellingen.

Zeer bondig samengevat tracht men middels deze vraag de kennis van kan-

didaten te testen aangaande de verschillende stadia van de celcyclus en de in-

vloed op de hoeveelheid DNA in een cel. Het is namelijk zo dat elke van de stappen van mitose, meiose-I, meiose-II etc. de hoeveelheid DNA kan ver-

meerderen en verminderen.

Indien men aldus als kandidaat weet wat het effect is van ‗profase 2 van de meiose‘ en alle andere stappen van de celcyclus op de hoeveelheid DNA, zou men de vraag perfect moeten kunnen oplossen.

In casu is met name de eerste stelling van belang, dit antwoord is volgens de commissie onbetwistbaar fout, waar beroepster en enkele experten van oordeel zijn dat dit antwoord correct kan zijn. Deze stelling heeft betrekking op de verhouding tussen de hoeveelheid DNA in de fases profase 2 van de meiose en Profase 1 van de meiose.

Het effect is simpel gesteld:

Profase 2 - 2 maal aantal chromatiden Profase 1 - 2 maal 2 maal aantal chromatiden (of 4 maal aantal chromatiden)

Er is dus een verhouding van 1 op 2 tussen de twee fases. Nogmaals, dit element staat volledig buiten discussie. Zo wordt gesteld in het bestreden be-

sluit: ‗Samengevat, bij aanvang van meiose 1 (profase 1) heeft elke cel 2x zo-

veel DNA als bij profase 2 van de meiose.‘

Hieronder wordt echter aangetoond dat men de vraag en bijhorende stelling op twee manieren kan lezen waardoor men, ondanks de kennis dat ‗bij aanvang van meiose 1 (profase 1) heeft elke cel 2x zoveel DNA als bij profase 2 van de meiose‘ het antwoord op de vraag toch zal verschillen, zuiver omwille van de interpretatie van de vraag en bijhorende stelling B) De eerste stelling in verhouding met de vraagstelling Beroepster is (samen met de experten van [R.]) van oordeel dat de vraag en de betrokken stelling (in samenlezing) op verschillende wijzen geïnterpreteerd kunnen worden. De eerste stelling is de enige waarbij niet gevraagd wordt of de hoeveelheid identiek is, doch waar naar een verhouding gevraagd wordt. Het is precies daar waar de vraagstelling de nodige duidelijkheid ontbeert. Beroepster licht toe:

IX-9385-8/17

B.1 Interpretatie A

Beroepster zal hieronder toelichten hoe zij de eerste stelling (in relatie tot de vraagstelling) op het examen interpreteerde.

De vraag leest letterlijk:

Bij een cel wordt de hoeveelheid DNA (= M) gemeten in diverse stadia van de celcyclus. Welke uitspraak met betrekking tot de hoeveelheden DNA is juist?

M (profase 2 van de meiose) = 2M (profase 1 van de meiose)

Het is hierbij van cruciaal belang dat de aanduiding (=M) wordt geplaatst achter de woorden ‗de hoeveelheid DNA‘.

Beroepster las de stelling dan ook als: de hoeveelheid DNA in profase 1 is gelijk aan de dubbele hoeveelheid van DNA (2M=dubbel van de hoeveelheid DNA) van de hoeveelheid van DNA in de profase 2? [voetnoot: Hieronder wordt toegelicht dat, naast een groot aantal kandidaten (zowel sterke als zwakke kandidaten) ook experten biologie de vraag op deze wijze interpreteren.]

Beroepster kende de verschillende stappen in de celcyclus en kwam tot het besluit dat dit correct is. Er is meer (exact het dubbel) DNA in de profase 1 dan de profase 2. Dit gegeven staat overigens vast. In het bestreden besluit wordt zelfs gesteld: ‗Samengevat, bij aanvang van meiose 1 (profase 1) heeft elke cel 2x zoveel DNA als bij profase 2 van de meiose.‘

Toegepast op stelling A in de kwestieuze vraag is dit: als in profase 2 de hoeveelheid DNA gelijk is aan ‗M‘, dan is deze hoeveelheid in profase 1 gelijk aan 2M, namelijk het dubbele.

Beroepster paste aldus haar kennis van de celcyclus correct toe om tot het besluit te komen dat de eerste stelling als correct kan worden geïnterpreteerd.

B.2 Interpretatie B

De opsteller van de vraag (en de vraagcommissie) lezen de stelling echter als volgt:

De hoeveelheid DNA zoals gemeten in profase 2, is 2 maal de hoeveelheid DNA zoals gemeten in profase 1.

Wetende dat de hoeveelheid DNA in profase 1 groter is dan in profase 2, ziet men uiteraard dat deze stelling incorrect is. Feit is echter dat uit de vraagstelling alles behalve duidelijk blijkt dat men met M bedoelt ‗de hoeveelheid DNA zoals gemeten in de desbetreffende fase‘, en dat daarmee ‗M‘ dus geen constante maar een variabele is.

B.3 Voorbeeld naar analogie Een simpel (doch compleet hypothetisch) voorbeeld naar analogie (zonder complexe wetenschappelijke termen) maakt de onnauwkeurigheid, minstens de dubbelzinnigheid van de vraag duidelijk:

De gemiddeld hoeveelheid werklozen (M) verschilt in de verschillende toe-

standen van de wereldeconomie. Deze zin komt in abstracto identiek overeen met de betrokken vraag.

Hierbij zou (louter als voorbeeld) gelden dat in geval van hoogconjunctuur, deze hoeveelheid gelijkt is aan 2 maal X (waarbij X staat voor een variabele die afhangt van land tot land en de verschillende eigenschappen van dit land). In geval van laagconjunctuur is dit 4 maal X.

Er is aldus een identieke verhouding als in de examenvraag. In de ene situatie 2x en in de andere 4x.

IX-9385-9/17

Stelt men dezelfde vraag:

M (hoogconjunctuur) = 2M (laagconjunctuur)?

Ook hier kan men, gelet op het feit dat in de vraagstelling enkel wordt gesteld dat ‗M=aantal werklozen‘ de vraag lezen als volgt: Is er in de laagconjunctuur sprake van een dubbel aantal werklozen (2M) in vergelijking met de hoog-

conjunctuur? De stelling is duidelijk correct.

Verduidelijkt men echter dat men met M bedoeld ‗aantal werklozen in de desbetreffende conjunctuur‘, dan kan men niet anders dan besluiten dat de vraag leest: ‗In het aantal werklozen in de hoogconjunctuur gelijk aan twee maal het aantal werklozen in laagconjunctuur?‘ Deze stelling is duidelijk incorrect.

B.4. besluit De dubbelzinnigheid van de vraagstelling schuilt dus in de kwalificatie van het symbool M. Symbool M wordt in de vraagstelling enkel omschreven als ‗de hoeveelheid DNA‘ zonder daarbij te vermelden op welk punt in het delings-

proces deze hoeveelheid wordt bepaald. Beroepster is er volstrekt begrijpelijk vanuit gegaan dat deze M gold als de hoeveelheid DNA voorafgaand aan het meiotisch proces, en waarbij de hoeveelheid in profase 1 effectief gelijk is aan 2X deze hoeveelheid in profase 2.

Gelet op het feit dat de kwestieuze vraag ook reeds als problematisch naar voor kwam uit de itemresponsanalyse duidt op het feit dat niet alleen beroepster bij het analyseren van de vraag M als een constante waarde heeft genomen.

Door ‗M‘ niet te beschouwen als het symbool voor de hoeveelheid DNA

voor de opstart van de celdeling (waarbij deze hoeveelheid in profase 2 de helft bedraagt van de hoeveelheid in profase 1), maar wel als een hoeveelheid die verschilt naargelang de fase waarin men ze meet, komt men tot net het omge-

keerde resultaat.

Het is immers evident dat de hoeveelheid DNA gemeten in fase 2 (na de reductie) onmogelijk groter kan zijn dan in fase 1 (voor de reductie).

Uit de erg onduidelijk wijze waarop de waarde van het Symbool M wordt omschreven in de opgave enerzijds en het cruciale belang dat aan deze waarde wordt gehecht in de beoordeling van stelling A, waar de verhouding tussen M

en 2M bepalend is voor het antwoord, volgt dat de vraag effectief dubbelzinnig is, en daardoor op beroep van verzoekster in toepassing van artikel 16 van het reglement diende te worden geneutraliseerd, wat voor verzoekster tot gevolg heeft dat zij geslaagd is C) Verslag beraadslagingen Zoals eerder vermeld, werd de vraag aan de hand van de statische gegevens opgemerkt als mogelijke probleemvraag en werd vervolgens inhoudelijk on-

derzocht doch niet geneutraliseerd. De commissie stelt:

bio07: De vraag is eenduidig en inhoudelijk correct opgesteld en heeft slechts één juist antwoord. De vraag behoort tot het leerstofoverzicht. Wellicht ligt de moeilijkheid van de vraag in de correcte interpretatie van de verschillende stappen van mitose, meiose-I, meiose-II en de celcyclus. Belangrijk zijn het moment van DNA verdubbeling tijdens de S-fase voorafgaand aan zowel een mitose deling als een meiose-I deling maar niet voorafgaand aan een meiose-II

deling. Ook de telkens halvering van de DNA hoeveelheid na zowel meiose-I

(= verdeling homologen) als na meiose-II (= verdeling dochterchromatiden)

dient in rekening gebracht te worden.

IX-9385-10/17

Zoals blijkt is deze analyse in casu volstrekt niet dienstig. Het probleem schuilt zich geenszins in de vermeende gebrekkige kennis van de celcyclus, wel in tegendeel. Het is net door een gedegen kennis dat men de ‗fout‘ kan maken.

Enkel iemand die de celcyclus kent, kan op basis van de interpretatie zoals uiteengezet in deel B.1 tot het besluit komen dat het antwoord juist is.

Wanneer de onduidelijkheid van een vraag tot gevolg heeft dat wie inhou-

delijk de onderzochte kennis kent, net daarom een fout kan maken, is er een probleem met de vraag.

D) Individuele itemanalyse van de vraag Beroepster heeft tevens de specifieke statistische gegevens van vraag bio07

opgevraagd en mogen ontvangen van de commissie.

Het valt hierbij sterk op dat het grootste deel van de studenten ervoor koos om, net als beroepster, blanco te antwoorden. Dit sterk uiteraard de stelling dat de vraag onduidelijk was. Studenten die tot de vaststelling kwamen dat de vraag twee correcte antwoorden kent, hetgeen incorrect moet zijn daar slechts één antwoord juist kan zijn, kiezen logischerwijs veiligheidshalve om de vraag blanco te laten.

Daarnaast is het tevens zeer opvallend dat de tweede grootste categorie kiest voor de stelling die hierboven uitvoerig werd toegelicht ( M (profase 2 van de meiose) = 2M (profase 1 van de meiose)). Nog belangrijker is dat tevens de hoogst scorende studenten in grote aantallen dit antwoord kozen.

Gelet op het bovenstaande blijkt andermaal dat beroepster (net als het me-

rendeel van de studenten) de vraag heeft opgelaten en dat dit niet werd gedaan omwille van een gebrekkige kennis van de biologie (zoals zonder enige moti-

vering wordt verondersteld door de commissie), doch wel omdat de vraag twee correcte antwoorden kan bevatten, hetgeen niet verenigbaar is met het regle-

ment. De statistische gegevens gelden hierbij als duidelijk, aanvullend bewijs.

De vraag scoort niet slecht omwille van de moeilijkheid van het ondervraagde hoofdstuk (zoals de commissie stelt), doch wel omwille van de onzorgvuldig-

heid, minstens de dubbelzinnigheid van de vraagstelling en bijhorende stellin-

gen.

E) Inhoud bestreden besluit Ook in het bestreden besluit wordt enkel uitvoerig ingegaan op de effecten van de verschillende cycli op de hoeveelheid DNA.

De essentie van de vraag komt volgens de commissie neer op het volgende:

‗Samengevat, bij aanvang van meiose 1 (profase 1) heeft elke cel 2x zoveel DNA als bij profase 2 van de meiose.‘

Beroepster kan dit niet genoeg beamen. Het bovenstaande besluit uit het bestreden besluit is volledig correct en heeft tot gevolg dat men de eerste stel-

ling als correct kan interpreteren.

Uit dit alles blijkt dan ook zeer duidelijk dat bij het opstellen van de vraag en de bijhorende stellingen, men één correct antwoord heeft willen voorzien en 3 ‗afleiders‘. Deze afleiders zijn afleidend omdat iemand met gebrekkige kennis van biologie hierbij een fout kan maken omtrent de toepassing van de te kennen leerstof. De afleider is uiteraard absoluut niet op een bepaalde wijze opgesteld om mensen met een gedegen kennis van de leerstof in kwestie omwille van interpretatiemogelijkheden van de vraag in de war te brengen. Het was dan ook nooit de bedoeling van de opsteller van de vraag dat er eventuele misverstanden

IX-9385-11/17

zouden kunnen bestaan over de juiste inhoudelijke betekenis van de stellingen.

Dit volgt ironisch genoeg allemaal juist uit het feit dat enkel iemand met ge-

degen kennis van de materie op basis van de onduidelijkheid tot het besluit kan (en moet) komen dat het antwoord correct is.

F) Onderzoek [R.] en elementen die wijzen op onduidelijke vraagstelling Onderhavig geschil heeft aldus louter betrekking op de eventuele onduide-

lijkheid van de vraagstelling en heeft in wezen dan ook compleet geen relatie met enige kennis van biologie.

De onduidelijkheid van de vraag zou aldus tevens mensen met een zeer ge-

degen kennis van biologie moeten kunnen verwarren.

Dit wordt volledig bevestigd in het verslag van [R.]. [R.] is een non-profit organisatie voor professionele studiebegeleiding [...] met een specifiek aanbod voor toelatingsexamen geneeskunde. Medewerkers van [R.] (experten en leer-

krachten in de verschillende relevante disciplines) helpen hierbij kandidaten bij de voorbereiding.

Zij kwamen tot een identieke vaststelling als beroepster. Kort samengevat:

‗In profase 2 van de meiose II (haploid) is er voorafgaand een reductiedeling geweest van de chromosomen. In meiose I zijn de homologen uit elkaar ge-

trokken geweest met als gevolg dat er in de dochtercellen van meiose I nog maar 2 chromosomen aanwezig zijn met zusterchromatiden. Dit wilt zeggen dat er 4 chromatiden aanwezig zijn (= M hoeveelheid DNA)

In profase 1 van de meiose I (diploid) heeft er voorafgaand in de interfase een verdubbeling van de hoeveelheid DNA plaatsgevonden in de S-periode. Er zijn in deze fase 4 chromosomen met zusterchromatiden aanwezig. Dit wilt zeggen dat er 2 x 4 = 8 chromatiden aanwezig zijn (= 2M hoeveelheid DNA).

Dus —› M (profase 2 van de meiose) = 2M (profase 1 van de meiose). Hierbij kan men stellen dat deze antwoordmogelijkheid ook correct is.‘

Inderdaad, ook [R.] interpreteert de stelling als zijnde ‗Is de hoeveelheid DNA in profase 1 gelijk aan de dubbel hoeveelheid van DNA (2M=dubbel van de hoeveelheid DNA) van de hoeveelheid van DNA in de profase 2?‘.

Daarnaast wijst beroepster andermaal op de statistische gegevens. Niet al-

leen werd opvallend veel fout geantwoord, tevens is het niet zo dat voorname-

lijk de zwakkere kandidaten (van wie een minder gedegen kennis van biologie kan worden vermoed) slechts scoorden. De misinterpretatie volgt met andere woorden volledig uit de onduidelijke vraagstelling en niet uit een mogelijk in-

correcte toepassing van de ondervraagde leerstof.

Tot slot verwijst concluante naar de twee vragen die wel werden geneutra-

liseerd in het kader van de beraadslagingsvergadering. Ook hier werden de vragen geneutraliseerd niet omwille van incorrectheden inzake de toepassing van de te leren leerstof, doch wel omdat men de vraag op verschillende wijze kon interpreteren, waardoor iemand die de leerstof perfect kende, toch een fout antwoord kon geven.

Gelet op al het bovenstaande kan niet anders dan besloten worden dat de vraag onvoldoende nauwkeurig is opgesteld, minstens te veel ruimte open laat voor verschillende interpretaties. Zoals meermaals aangehaald door de Com-

missie is de vraag opgesteld om de kennis van de kandidaten te testen aan-

gaande de celcyclus. De eventuele ‗fout‘ die werd gemaakt door beroepster, is dan ook zuiver te wijten aan de gebrekkige vraagstelling.

IX-9385-12/17

De vraag dient dan ook wel degelijk geneutraliseerd te worden hetgeen ui-

teraard de onwettigheid van het bestreden besluit impliceert.

G) Vergelijking met andere geneutraliseerde vragen Zoals meermaals aangegeven werden twee andere vragen, die ook door de statistische analyse als mogelijk problematisch werden ervaren.

De vraag Wis07 werd geneutraliseerd na inhoudelijke analyse. Er werd een oppervlakte gevraagd, te meten op een x- en y-as. De vraag werd geneutrali-

seerd omwille van het feit dat ‗De omschrijving van dit gebied is voor inter-

pretatie vatbaar waardoor er onduidelijkheid is of de punten onder de X-as wel of niet tot het beoogde gebied behoren.‘

De neutralisatie had aldus niets te maken met een mogelijke inhoudelijke wiskundige fout, doch wel zuiver met een vraagstelling die voor interpretatie vatbaar was. Opvallend is hierbij dat deze ‗alternatieve interpretatie‘ in dit geval niet tot een bijkomend of verschillend antwoord kan leiden. Dit uiteraard in tegenstelling tot de betrokken vraag waar dit beroep betrekking op heeft. De fouten die werden gemaakt hadden aldus in dit geval wel zuiver te maken met een gebrek aan wiskundig inzicht, desondanks werd de vraag toch geneutrali-

seerd.

De vraag Che04 werd tevens geneutraliseerd. De gelijkenis met de vraag bio07 is in zekere zin treffend. In deze vraag werd gevraagd ‗hoeveel maal de druk toeneemt‘ na een bepaalde chemische reactie.

De commissie besloot:

‗De meer frequent gekozen afleider kan verklaard worden door een interpreta-

tieprobleem in de vraagstelling. Verwijst ‗toegenomen‘ naar een increment (wat er bijkomt) dan wel naar een verhouding? In het eerste geval is het antwoord ‗5

maal‘, in het tweede geval ‗6 maal‘. Vermits zowel ‗5 maal‘ als ‗6 maal‘ in de antwoordmogelijkheden voorkwamen, besluit de examencommissie dat de vraag onvoldoende eenduidig is. De examencommissie beslist om deze vraag te neutraliseren.‘

Ook hier betrof het aldus zuiver een probleem naar interpretatie waarbij gepolst werd naar de verhouding tussen twee situaties. Ook hier konden kan-

didaten, op basis van gedegen kennis van de materie, een antwoord als correct beschouwen dat volgens de commissie fout was, puur om wille van een andere interpretatie van de vraagstelling.

Een gebrek aan eenduidige interpretatie lag aan de basis van de neutralisatie van de vraag. Dit gebrek aan eenduidigheid is tevens terug te vinden in bio07.‖

Beoordeling

7. Artikel 33 van het besluit van de Vlaamse Regering van 2 fe-

bruari 2018 bepaalt dat een kandidaat die oordeelt dat een ongunstige beslissing van de examencommissie aangetast is door een schending van het recht, toegang heeft tot een interne beroepsprocedure.

IX-9385-13/17

Luidens artikel 64 van het werkings- en examenreglement wordt het intern beroep behandeld door de interne beroepsinstantie, die is samengesteld uit ―de examencommissie met de voorzitter van de examencommissie als voor-

zitter‖.

8. De Raad van State vermag als wettigheidsrechter slechts toezicht te houden op de wettigheid van de voor hem bestreden beslissing van de voormelde beroepsinstantie en niet zelf als een hoger beroepsorgaan in de plaats van die be-

roepsinstantie te handelen. Het komt met andere woorden niet aan de Raad van State toe om zijn oordeel over het slagen van een deelnemer aan het toelatings-

examen voor de opleiding van arts in de plaats te stellen van de beslissing die de examencommissie daarover heeft genomen. Het ligt evenmin op de weg van de Raad van State om in de plaats van de examencommissie aan de verzoekende partij die voor hem optreedt, opheldering te geven over grieven, bezwaren of beden-

kingen die deze partij heeft met betrekking tot het verloop van het toelatingsexa-

men, in het bijzonder met betrekking tot de validiteit van gestelde vragen.

De betrokken deelnemer aan het toelatingsexamen dient zijn grieven tijdig aan de beroepsinstantie voor te leggen, zodat die daarover een be-

slissing kan nemen. De Raad van State vermag naderhand, desgevallend, te oor-

delen over de wettigheid van die beslissing.

9. In het licht van wat zo-even in herinnering werd gebracht, valt de zeer summiere en vage aard op van het beroepschrift dat verzoekster bij de voor-

zitter van de examencommissie tegen haar examenresultaat heeft ingediend.

Verzoekster vermeldt daarin uitsluitend dat ―[v]olgens verschillende leerkrachten‖

er ―enige dubbelzinnigheid‖ blijkt te bestaan ―rond het juiste antwoord op biologie vraag 7‖, dat zij dacht dat zowel antwoord A als antwoord D juist was en dat zij de vraag heeft opengelaten ―[v]ermits een giscorrectie wordt toegepast‖. Zij vraagt de examencommissie om ―meer duidelijkheid [te] verschaffen over het juiste ant-

woord‖ en ―indien van toepassing ook [haar] examenresultaat […] aan te passen‖.

IX-9385-14/17

Aldus laat verzoekster de examencommissie helemaal in het ongewisse waaruit de beweerde ―dubbelzinnigheid‖ – voorafgegaan door het woord ‗enige‘ – zou bestaan en op grond van welke redenering zij daartoe meent te kunnen besluiten. Zij brengt ook niet ter sprake of de dubbelzinnigheid die zij voor ogen heeft, maar die zij geheel onbepaald laat, gelegen is in de vraagstelling zelf, in de mogelijke antwoorden daarop of in één welbepaald antwoord.

10. Dat door verzoekster bij de beroepsinstantie een weinigzeggend beroepschrift werd ingediend, staat in schril contrast met de stelligheid, de omvang en de gedetailleerdheid van de uiteenzetting waarmee verzoekster thans voor de Raad van State haar gelijk beoogt te halen. Zij licht nu – voor het eerst – beargu-

menteerd toe dat volgens haar de vraag op twee wijzen kan worden geïnterpre-

teerd, dat de examencommissie uitgaat van een welbepaalde interpretatie van de vraagstelling – waarbij het symbool ‗M‘ ―geen constante maar een variabele is‖ –

die tot het juiste antwoord D leidt, maar dat dit niet de enige mogelijke interpretatie is, dat integendeel volgens háár interpretatie, die steunt op een correcte kennis en toepassing van de celcyclus, ook antwoordmogelijkheid A juist is en dat vragen die alzo op meerdere wijzen kunnen worden geïnterpreteerd, moeten worden geneu-

traliseerd. Verzoekster doet ook gelden dat de itemresponsanalyse reeds uitwees dat vraag 7 ‗biologie‘ problematisch was en zij legt uit waarom zij de daaropvol-

gende analyse van de vraag door de examencommissie niet bijvalt. Daarbij ver-

wijst zij naar ―een identieke vaststelling‖ van een organisatie voor professionele studiebegeleiding ―met een specifiek aanbod voor toelatingsexamen geneeskunde‖

en maakt zij een vergelijking met andere geneutraliseerde vragen.

11. Zoals de verwerende partij op het eerste gezicht terecht laat gelden in haar nota, gaat deze argumentatie van verzoekster ―de contouren van het interne beroepschrift te buiten‖. Verzoekster heeft op het eerste gezicht in haar beroepschrift aan de examencommissie slechts een verduidelijking gevraagd naar aanleiding van ―enige‖, niet in het minst gespecificeerde ―dubbelzinnigheid‖, maar géén antwoord op een voldoende precies geformuleerde grief met betrekking tot eventueel uiteenlopende, mogelijke interpretaties van die vraag.

IX-9385-15/17

Het komt nochtans, zoals zo-even sub 8 is opgemerkt, aan de examencommissie en niet aan de Raad van State toe om over een dergelijke grief een (deskundig) standpunt in te nemen. De Raad van State vermag, desgevallend, hoogstens nadien na te gaan of het antwoord dat op de grief van verzoekster door de examencommissie werd gegeven, de wettigheidstoets kan doorstaan. Verzoek-

ster lijkt, door ten aanzien van de examencommissie al te summier en vaag te blijven over wat volgens haar het wezenlijke probleem was dat de rechtsgeldigheid van vraag 7 ‗biologie‘ aantastte, als het ware aan deze commissie de kans te hebben ontzegd om daarover als deskundig orgaan een standpunt in te nemen en de nodige klaarheid te scheppen.

12. Dit klemt des te meer, zo lijkt, nu verzoekster – blijkens een mededeling op de website van het toelatingsexamen – tussen 13 juli en 31 juli 2018

op digitale wijze toegang had tot de kopieën van haar antwoordbladen, de exa-

menvragen én de antwoordsleutels van het onderdeel ‗kennis en inzicht in de we-

tenschappen‘.

Waarom zij dan een dergelijk summier en vaag beroepschrift bij de voorzitter van de examencommissie heeft ingediend en zij niet precies heeft aangekaart wat zij thans – voor het eerst – voor de Raad van State aanvoert, ver-

antwoordt verzoekster niet in het minst. Net zomin overigens als de reden waarom zij de verklaring van ―experten en leerkrachten‖ waarop zij zich beroept, niet aan de examencommissie heeft voorgelegd.

13. In die omstandigheden lijkt te moeten worden vastgesteld dat verzoekster de beroepsmogelijkheid waarin is voorzien door artikel 33 van het besluit van de Vlaamse Regering van 2 februari 2018 niet op een gepaste wijze heeft aangewend. Zij mag dienvolgens ook niet rechtmatig verwachten dat zij van de examencommissie een afdoende antwoord verkrijgt op bezwaren die zij aan deze commissie niet met de minimaal vereiste volledigheid en precisie heeft voorgelegd. Evenmin mag zij verwachten dat de Raad van State in de plaats van de examencommissie treedt en thans voor opheldering over die grieven zal zorgen.

IX-9385-16/17

14. Het enige middel is in die omstandigheden niet ontvankelijk.

VI. Slotsom wat de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid en de gevorderde voorlopige maatregel betreft

15. Aangezien verzoekster geen ernstig middel aanvoert, is niet voldaan aan alvast één van de voorwaarden gesteld in artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State die cumulatief vervuld moeten zijn wil een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid worden ingewilligd.

16. Alleen al om diezelfde reden kan ook geen gunstig gevolg worden gegeven aan de door verzoekster bijkomend gevorderde voorlopige maatregel.

BESLISSING

De Raad van State verwerpt de vordering.

Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 24 septem-

ber 2018, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit:

Bert Thys, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Tiny Temmerman, griffier.

De griffier De voorzitter

Tiny Temmerman Bert Thys

IX-9385-17/17

PDF document ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.242.412