Legislator Jurisprudence & Législation
ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.242.321 ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.242.321 Généré par l'IA

Court suspends school board decision due to insufficient motivation regarding student's learning disorder accommodations.

Numéro de cause ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.242.321
Autorité / Tribunal
Juridiction Belgique (BE)
Date de la décision
Issue du litige Admis (Allowed)

Synthèse Legislator

Généré par l'IA

The Council of State granted an urgent suspension of the school board's decision to restrict Lysander Bürmann's vocational orientation. The student argued that his poor grades resulted from inadequate support for his learning disorder, including inaccessible computer tests and missing French instruction, which the board ignored. The court ruled that the board's failure to address these specific grievances rendered the decision's motivation insufficient, necessitating the suspension.

Regeste Legislator

Généré par l'IA

Articles 17, §§ 1 and 4 of the Council of State Act; A decision is invalid if the board fails to provide a reasoned response to specific grievances raised by the applicant regarding the circumstances of the case.

Mots-clés

Généré par l'IA
urgent suspension insufficient motivation learning disorder vocational orientation school board decision remedial measures procedural fairness compétence linguistique

Dispositions légales citées

Généré par l'IA
Articles 17, §§ 1 and 4 of the Council of State Act
Généré par l'IA

Vous souhaitez savoir comment cet arrêt s'applique à votre dossier ?

Analysez cette décision avec la législation fédérale, le droit cantonal, la doctrine et la jurisprudence subséquente dans Legislator AI.

Ouvrir dans Legislator →

Texte complet

RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK

VOORZITTER VAN DE IXe KAMER

nr. 242.321 van 13 september 2018

in de zaak A. 226.063/IX-9369

In zake: Lysander BÜRMANN

bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Christophe Vangeel kantoor houdend te 2018 Antwerpen Lange Lozanastraat 24

bij wie woonplaats wordt gekozen

tegen:

de VZW PROVINCIALAAT BROEDERS VAN LIEFDE

bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Jan Fiers kantoor houdend te 9000 Gent Groot-Brittanniëlaan 12

bij wie woonplaats wordt gekozen

I. Voorwerp van de vordering

1. De vordering, ingesteld op 4 september 2018, strekt tot de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van de beslissing van 22 augustus 2018 van de beroepscommissie voor het Sint-Eduardusinstituut te Merksem waarbij de beslissing van de delibererende klassenraad om aan Lysander Bürmann een oriënteringsattest B toe te kennen met clausulering voor “algemeen secundair onderwijs” en voor “Lichamelijke opvoe-

ding en sport TSO, Industriële wetenschappen TSO, Biotechnische wetenschap-

pen TSO, Sociale en technische wetenschappen TSO, Handel TSO, Han-

del-talen TSO, Toerisme TSO” wordt gehandhaafd.

IX-9369-1/18

II. Verloop van de rechtspleging

2. De verwerende partij heeft een nota ingediend.

De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 10 september 2018, om 11.30 uur.

Staatsraad Bert Thys heeft verslag uitgebracht.

Advocaat Christophe Vangeel, die verschijnt voor de verzoe-

kende partij en advocaat Valérie Vandenhaesevelde, die loco advocaat Jan Fiers verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord.

Eerste auditeur-afdelingshoofd Diane Mareen heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven.

Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördi-

neerd op 12 januari 1973.

III. Feiten

3.1. Verzoeker is tijdens de schooljaren 2016-2017 en 2017-2018

leerling van het eerste leerjaar van de tweede graad van het technisch secundair onderwijs (TSO), studierichting Lichamelijke opvoeding en Sport, aan het Sint-Eduardusinstituut te Merksem.

3.2. Bij het einde van het schooljaar 2017-2018 behaalt hij een jaar-

totaal van 55% van de punten, met tekorten voor het vak „Nederlands‟ (49%) en het vak „Frans‟ (38%).

IX-9369-2/18

De delibererende klassenraad beslist dan aan verzoeker een oriënteringsattest B toe te kennen met clausulering voor “algemeen secundair onderwijs” en voor “Lichamelijke opvoeding en sport TSO, Industriële weten-

schappen TSO, Biotechnische wetenschappen TSO, Sociale en technische we-

tenschappen TSO, Handel TSO, Handel-talen TSO, Toerisme TSO”.

De klassenraad adviseert:

“Kies een minder zware technische-theoretische richting of beroepsrichting die de combinatie met je sport mogelijk maakt.”

3.3. Het door de moeder van verzoeker aangevraagde overleg leidt tot de beslissing van de schooldirectie dat “het niet opportuun is om een nieuwe de-

libererende klassenraad samen te roepen”.

3.4. Op 4 juli 2018 stelt verzoeker tegen het hem toegekende oriën-

teringsattest B een beroep in bij het schoolbestuur.

Hij voert voor de beroepscommissie de schending aan van “de motiveringsplicht, minstens van het redelijkheidsbeginsel en zorgvuldigheidsbe-

ginsel”.

Verzoeker argumenteert vooreerst dat geen motivering van de aangevochten clausulering voorligt. Zo bevat de beslissing van de klassenraad geen globale beoordeling, motiveert ze niet waarom hij een minder zware richting zou moeten kiezen en laat ze niet toe te begrijpen hoe tekorten op twee vakken die niet richtingspecifiek zijn, de aangevochten clausulering zouden kunnen verant-

woorden. Verzoeker wijst voorts op zijn “positieve evolutie”, onder meer voor het vak „wiskunde‟. Hij vermeldt ook dat hij zijn studies wenst voort te zetten in het atheneum te Boom waar hij slechts de helft van het huidige aantal uren Nederlands zou moeten volgen, zodat dit vak “veel minder doorslaggevend” zou worden.

IX-9369-3/18

Volgens verzoeker houdt de beslissing van de klassenraad bo-

vendien geen rekening met alle gegevens van zijn dossier en geeft ze geen ant-

woord op de door hem ingeroepen elementen, waaronder de gebrekkige begelei-

ding van zijn leerstoornis die “een onmiskenbare en nefaste impact [heeft] gehad op de resultaten”. Hij somt daarbij de volgende maatregelen op die volgens hem werden miskend:

“1. Zo mocht Lysander zijn toetsen normaal gezien op de computer afleggen, dit heeft steeds een zeer gunstig effect gehad. Wanneer deze maatregel correct zou zijn toegepast, zou er ook geen schommeling zijn over het geheel jaar.

2. Toetsen worden niet conform de sticord[i]maatregelen verbeterd.

Vb. Tijdens de inzage dd. 02.07 van examen Nederlands: schrijven 0/10, teksten waren wel echt heel lang en zijn niet voorgelezen.

3. Frans is niet voorgelezen en pc heeft niet gewerkt.

4. Examens Pasen zijn niet gemaakt op pc: Frans en Engels.

5. Zeer frappant is ook te moeten vaststellen op het eindrapport dat er wordt vermeld dat de afspraken niet werden nagekomen voor Frans. Dit terwijl ver-

zoekers nooit op de hoogte werden gesteld van enige afspraken.

6. Verder dient er opgemerkt te worden dat er gedurende drie maanden geen leraar Frans aanwezig was. Wanneer er uiteindelijk een nieuwe leraar was, werden er elke week toetsen gegeven, 1 maandag voor dinsdag van ten minste 1 hoofdstuk 7 blz. (niet haalbaar zeker niet als dit over 40 woorden gaat): hier ook geen respijt, compensatie of uitstel, wanneer dit werd gevraagd.

7. Er dient dus besloten te worden dat het tekort voor Frans niet louter te wijten is aan Lysander maar aan de omstandigheden van afgelopen jaar. Dit wordt ook aangetoond door de mediaan van de klas, hieruit blijkt duidelijk dat de volledige klas hinder heeft ondervonden […] door de afwezigheid van de leerkracht.”

Verzoeker vraagt ten slotte de toekenning van een A-attest of, zo nodig, het opleggen van een alternatieve maatregel om alle twijfel over zijn kunnen weg te nemen.

3.5. Op 22 augustus 2018 wordt de raadsman van verzoeker door de beroepscommissie gehoord.

Na beraadslaging neemt de beroepscommissie de thans bestre-

den beslissing om het aan verzoeker toegekende oriënteringsattest B met clausu-

lering voor “algemeen secundair onderwijs” en voor “Lichamelijke opvoeding en

IX-9369-4/18

sport TSO, Industriële wetenschappen TSO, Biotechnische wetenschappen TSO, Sociale en technische wetenschappen TSO, Handel TSO, Handel-talen TSO, Toerisme TSO” te handhaven.

De beslissing van de beroepscommissie vermeldt de volgende motivering:

“De interne beroepscommissie is van oordeel dat de delibererende klassen-

raad in eer en geweten een weloverwogen beslissing genomen heeft.

De motivering van het uitgereikte attest werd wel degelijk aan de ouders bezorgd.

Er werden geen nieuwe inhoudelijke elementen aangebracht tijdens het verhoor.

Uit het leerlingendossier besluit de commissie dat de school voldoende begeleiding en kansen heeft geboden aan Lysander.”

Het verslag van de zitting van de beroepscommissie, dat door de raadsman van verzoeker mede is ondertekend, vermeldt de volgende “reactie” van de commissie op de argumentatie van verzoeker:

“jaar opnieuw gedaan. L. dubbelt jaar, heeft weer aantal tekorten. In dit op-

zicht neemt klassenraad een correcte beslissing. De toekomst van L in deze richting is te zwaar om hem verder te laten gaan. Hij mag naar een vierde jaar, maar we zien zijn toekomst niet in deze richting omdat ze theoretisch te zwaar is. Het ontneemt hem de kans voor sport, anderzijds wil de klassenraad hem behoeden voor een „watervalcarrière‟.

Na het schooljaar 16-17 heeft hij ook een B-attest gekregen met de suggestie om het jaar best niet te hernemen. Het was toen al een waarschuwing. Er is een prospectiviteit in de deliberatie vanuit de school naar L toe.

Reactie commissie omtrent motivering beslissing: „Het is afgedaan met 1 zin‟.

Er bestaat nochtans een document met de motivering van de beslissing die aan de ouders is overgemaakt.

Antwoord advocaat: dit document is hen niet bekend.

Op het gesprek op 2 juli over de betwisting van het attest hebben de ouders dit document onder ogen gekregen.

Advocaat zegt dat zij dit document niet ontvangen heeft.

Reactie commissie over „gebrekkige begeleiding‟: de commissie heeft het dossier bekeken. Er zijn toch regelmatig pogingen ondernomen om L te bege-

leiden. Op 12 september is een mail naar de moeder gestuurd om een gesprek aan te gaan met de school. Na twee weken stuurde de school dus al signalen uit naar de ouders. Het is dus niet zo dat de school systematisch in gebreke is ge-

bleven.

IX-9369-5/18

ASS, dyslexie... De school is ervaren in het herkennen van bepaalde leerstoor-

nissen.

Advocaat: heeft geen kennis van signalen die in de loop van het schooljaar zijn gestuurd naar de ouders.”

IV. Herinnering aan de schorsingsvoorwaarden

4. Krachtens artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid slechts worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat min-

stens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden en dat een uiterst dringende nood-

zakelijkheid voorhanden is die onverenigbaar is met de behandelingstermijn van de vordering tot schorsing.

V. Uiterst dringende noodzakelijkheid

Standpunt van de partijen

5. Verzoeker beroept zich, wat de uiterst dringende noodzakelijk-

heid van zijn vordering betreft, op het dreigende verlies van een schooljaar doordat hij met het hem toegekende oriënteringsattest zijn normale studieloopbaan niet kan voortzetten. Hij laat gelden dat een uitspraak over een gewone procedure tot schorsing te laat zou komen “om nog alle verloren tijd in te halen van het zesde jaar [versta: vierde jaar] waarnaar hij dan wel zou mogen overgaan”. Volgens ver-

zoeker is “[d]e verloren tijd […] reeds aan het lopen en moet [deze] ten allen koste beperkt worden zodat een mogelijke positieve beslissing van een A attest nog zin zou kunnen hebben”.

Voorts stelt verzoeker dat hij de bestreden beslissing op 24 au-

gustus 2018 heeft ontvangen, zodat hij “voldoende diligent [heeft] gehandeld bij het instellen van huidig schorsingsverzoek”.

IX-9369-6/18

6. De verwerende partij betwist in haar nota de uiterst dringende noodzakelijkheid van de vordering. Zij wijst erop dat verzoeker niet moet over-

schakelen naar het TSO, aangezien hij reeds een studierichting in deze onder-

wijsvorm volgt. Bovendien heeft hij het derde jaar reeds “gedubbeld” en zou hij “niet naar het zesde maar naar het vierde schooljaar [versta: leerjaar]” gaan. Ten slotte ziet de verwerende partij geen probleem in het inschrijven van verzoeker als vrije leerling van het vierde jaar. Dit zou een tijdelijke oplossing zijn in de stu-

dierichting van verzoekers keuze, die bij “[e]en eventuele terugkeer” minder pro-

blemen zou scheppen.

Volgens de verwerende partij kan ook moeilijk worden aange-

nomen dat verzoeker diligent heeft gehandeld, nu hij twaalf dagen heeft gewacht om zijn vordering in te stellen, waardoor het schooljaar reeds was aangevangen vooraleer stappen werden ondernomen. Zij voegt eraan toe zelf “steeds prompt [te hebben] gestatueerd en dit bijzonder snel en efficiënt aan [verzoeker] [te hebben]

betekend”.

Beoordeling

7. Ten onrechte betwist de verwerende partij verzoekers uiteenzet-

ting van de uiterst dringende noodzakelijkheid van zijn vordering.

Het mag immers vaste rechtspraak van de Raad van State heten dat het dreigende verlies van een schooljaar – waarvan ook verzoeker met reden gewag maakt – een nadeel uitmaakt dat binnen een gewone schorsingsprocedure niet tijdig kan worden gekeerd.

De omstandigheid dat verzoeker reeds leerling is van het TSO, dat hij het eerste leerjaar van de tweede graad in de studierichting Lichamelijke opvoeding en Sport reeds heeft overgedaan en dat verzoeker niet naar het zesde jaar maar naar het vierde jaar van het secundair onderwijs zou kunnen overgaan, verandert niets daaraan.

IX-9369-7/18

Voorts mag het verzoeker niet kwalijk worden genomen dat hij zich zou gedragen naar de bestreden evaluatiebeslissing in afwachting van de uitspraak van de bevoegde rechter. De verplichting die op elke verzoekende partij rust om, binnen de grenzen van wat redelijk is, zelf het nodige te doen dat binnen haar macht ligt om het gevreesde nadeel te voorkomen of te beheersen, houdt immers niet in dat van een leerling wordt vereist dat hij als vrije leerling het toe-

gekende attest voorlopig negeert.

8. De verwerende partij betwist niet dat verzoeker de bestreden beslissing op 24 augustus 2018 heeft ontvangen. Verzoeker heeft op 4 september 2018, dit wil zeggen elf dagen later, de voorliggende vordering ingesteld. In dit geval kan aan verzoeker dan ook geen onnodig talmen of gebrek aan diligentie bij het instellen van zijn vordering worden verweten.

Voor zover de verwerende partij ter staving van het beweerde gebrek aan diligentie van verzoeker zich beroept op haar eigen “prompt [statue-

ren]” en “bijzonder snel en efficiënt [betekenen]”, moet worden opgemerkt dat de beroepscommissie van de verwerende partij na verzoekers beroep van 4 juli 2018

pas op 20 augustus 2018 daarover een beslissing heeft genomen, zodat het niet mag verbazen, laat staan aan verzoeker ten kwade worden geduid, dat het nieuwe schooljaar inmiddels een aanvang heeft genomen.

9. De voorwaarde van de uiterst dringende noodzakelijkheid van de vordering is vervuld.

VI. Ernst van het enige middel

Standpunt van de partijen

10. Verzoeker voert in een enig middel de schending aan van “de motiveringsplicht en het redelijkheidsbeginsel”. Hij laat gelden dat de bestreden

IX-9369-8/18

beslissing gesteund is op motieven die niet correct zijn en dat ze niet antwoordt op “de talrijke elementen die in het kader van het intern beroep werden opgeworpen”.

Volgens verzoeker poneert de beroepscommissie allerlei stel-

lingen zonder deze te onderbouwen. Zo wordt gesteld dat de klassenraad een correcte beslissing nam, aangezien verzoeker een aantal tekorten behaalde na het jaar te hebben overgedaan. Hoe die tekorten zich verhouden tot zijn goede resul-

taten voor de overige vakken en een dragende motivering kunnen zijn voor de aangevochten clausulering is voor verzoeker evenwel een raadsel. Voorts wordt gesteld dat het vierde jaar voor verzoeker te zwaar zal zijn, maar waarom het vierde jaar zwaarder zou zijn dan het derde jaar blijft volgens verzoeker onduidelijk en is in strijd met “het graad-karakter”. Verzoeker stelt eveneens in het duister te tasten met betrekking tot de hem toegeschreven theoretische zwakte, waaruit die dan wel zou blijken en hoe die hem zou verhinderen om het volgende jaar te slagen. Ver-

zoeker stelt ook vast dat er volgens de bestreden beslissing regelmatig pogingen werden ondernomen om hem te begeleiden, maar dat men niet verder komt dan de vermelding dat eenmalig een e-mail naar zijn moeder werd gezonden, wat overi-

gens niet juist is. Dat de school ervaren zou zijn in het herkennen van leerstoor-

nissen is niet relevant, aldus verzoeker, aangezien ten aanzien van hem niet op een correcte wijze werd gehandeld.

Verzoeker leidt uit het voorgaande een schending af van de materiëlemotiveringsplicht.

Voorts laat verzoeker gelden dat de bestreden beslissing geen globale beoordeling bevat zoals vereist om een B-attest te rechtvaardigen en dat ze geen rekening houdt met de elementen die hij heeft ingeroepen om alsnog een A-attest toe te kennen of een bijkomende proef op te leggen. Volgens verzoeker blijft de argumentatie van zijn beroepschrift volstrekt onbeantwoord, zo ook zijn grieven met betrekking tot de gebrekkige begeleiding van zijn leerstoornis en het gebrek aan aangepaste maatregelen, die hij uitvoerig heeft uiteengezet.

IX-9369-9/18

Doordat de bestreden beslissing zijn argumentatie helemaal negeert en steunt op “niet bewezen, niet beargumenteerde en niet op het dossier gesteunde vaagheden”, is volgens verzoeker niet voldaan aan de motiveringsplicht die vereist dat de feitelijke en juridische motieven in de beslissing zelf worden weergegeven en niet onredelijk zijn.

11. De verwerende partij werpt vooreerst op dat verzoeker zowel de schending aanvoert van de formelemotiveringsplicht als de schending van de materiëlemotiveringsplicht, maar dat beide schendingen niet gelijktijdig aanwezig kunnen zijn. Volgens de verwerende partij maakt verzoeker niet duidelijk welke van haar handelingen of overwegingen de ene norm schenden en welke de andere.

Er is, aldus de verwerende partij, bijgevolg geen sprake van een ernstig middel, zijnde een middel dat zich onmiddellijk aan de beoordelaar presenteert als duide-

lijk en vaststaand.

Met betrekking tot de aangevoerde schending van de formele-

motiveringsplicht laat de verwerende partij gelden dat verzoeker geen enkel ar-

gument aanhaalt waarop niet zou zijn geantwoord. Hij stelt slechts dat voor elk aangevoerd element een argumentatie voorhanden is, maar dat deze niet toereikend is. Wanneer verzoeker evenwel kritiek kan uitoefenen op de motieven van de bestreden beslissing, bewijst hij dat hij de motieven ervan kent en dat het doel van de formelemotiveringsplicht derhalve bereikt is.

Wat de aangevoerde schending van de materiëlemotiverings-

plicht betreft, betoogt de verwerende partij dat verzoeker deze verplichting te eng bekijkt wanneer hij alleen uitgaat van het verslag van de vergadering van de be-

roepscommissie van 22 augustus 2018. Uit dit verslag kan worden afgeleid dat de beroepscommissie bij het nemen van de bestreden beslissing rekening heeft ge-

houden met alle elementen aanwezig in het administratief dossier, zoals punten-

lijsten, e-mailberichten en andere relevante informatie. Volgens de verwerende partij “heeft [zij] zich dus wel degelijk gebaseerd op deugdelijke gronden”. Ver-

zoeker was van die elementen op de hoogte, aangezien een motiveringsblad werd

IX-9369-10/18

neergelegd dat meerdere motiveringspunten bevat die ook al werden besproken tijdens het overleg met de schooldirectie.

De verwerende partij argumenteert voorts dat er geen sprake is van een verregaand en ongenuanceerd uitsluitingsverbod. Zij benadrukt dat de bestreden beslissing de veruitwendiging is van “de prospectieve pedagogische afweging van de delibererende klassenraad – en vervolgens van de beroepscom-

missie – over [verzoekers] slaagkansen”. De uitsluiting voor ASO-richtingen was logisch aangezien verzoeker reeds een TSO-richting volgde. Om verzoeker te behoeden voor “een watervaleffect” kwam er bovendien een uitsluiting voor alle theoretisch zware TSO-opleidingen. Volgens de verwerende partij was verzoeker op de hoogte, aangezien er verschillende waarschuwingen zijn geweest. Zij ver-

wijst naar het zorgdossier waarin alle contacten met de ouders zijn opgenomen.

De verwerende partij betwist vervolgens dat er een gebrekkige begeleiding en een gebrek aan aangepaste maatregelen waren om tegemoet te komen aan verzoekers leerproblematiek. Zij verwijst naar “elementen reeds op-

geworpen tijdens het gesprek bij de directie” en naar verduidelijkingen vanwege de leerkrachten Frans en Nederlands. Zij stelt dat “[a]lle elementen die verzoeker en zijn ouders aangeven[,] werden [...] weerlegd en besproken door en tijdens de interne beroepscommissie”. Volgens haar zijn “er nog bijkomende e-mailberichten en nog extra duiding van de leerkrachten neergelegd, die het beeld van [verzoeker]

en de correctheid van [de bestreden] beslissing nog meer bevestigen”.

De verwerende partij voegt er nog aan toe dat indien zou worden geoordeeld dat de school onvoldoende maatregelen heeft genomen, dit volgens de rechtspraak van de Raad van State hoogstens kan betekenen dat de school schuld treft of mede schuldig is aan het minder gunstige eindresultaat van de leerling, maar die vaststelling er niet toe kan leiden dat het uiteindelijke resultaat als beter dient te worden geëvalueerd dan het is.

IX-9369-11/18

Ten slotte is er volgens de verwerende partij ook geen sprake van een schending van het redelijkheidsbeginsel. Zij stelt dat de stukken van het ad-

ministratief dossier en ook de standpunten van de leerkrachten bekend waren, onder meer via het “SmartSchoolaccount”, zodat de bestreden beslissing geen verrassing kon zijn. Volgens de verwerende partij heeft de school “meermaals [...]

advies gegeven en verduidelijkt dat het beter moest om met een A-attest te kunnen slagen”.

Beoordeling

12. De bestreden beslissing kent aan verzoeker bij het einde van het eerste leerjaar van de tweede graad, studierichting Lichamelijke opvoeding en Sport, een oriënteringsattest B toe met clausulering voor “algemeen secundair onderwijs” en voor “Lichamelijke opvoeding en sport TSO, Industriële weten-

schappen TSO, Biotechnische wetenschappen TSO, Sociale en technische we-

tenschappen TSO, Handel TSO, Handel-talen TSO, Toerisme TSO”.

Een dergelijk B-attest betekent luidens artikel 39 van het besluit van de Vlaamse Regering van 19 juli 2002 „betreffende de organisatie van het voltijds secundair onderwijs‟ “dat de leerling het leerjaar met vrucht beëindigd heeft in de betrokken school en derhalve tot het volgend leerjaar mag worden toegelaten, behalve in bepaalde onderwijsvormen en/of onderverdelingen”. Arti-

kel 38, 1°, van hetzelfde besluit preciseert dat een leerling “met vrucht” het eerste leerjaar van de tweede graad beëindigt “indien hij in voldoende mate de doelstel-

lingen die in het leerplan zijn opgenomen heeft bereikt en aldus bekwaam wordt geacht zijn studies voort te zetten in het volgend leerjaar”.

13. Het toekennen van een B-attest vereist van de beroepscommissie een „prospectief‟ – dit wil zeggen: een vooruitziend en toekomstverkennend –

onderzoek. De leerling is immers geslaagd, heeft de leerplandoelstellingen “in voldoende mate” bereikt en wordt geacht zijn studies te kunnen voortzetten. Toch oordeelt de beroepscommissie dat de betrokken leerling in het volgende schooljaar

IX-9369-12/18

bepaalde studierichtingen niet aankan. Met dit oordeel stelt de beroepscommissie zich als het ware in de plaats van de delibererende klassenraad van het volgende schooljaar, tot wiens autonomie het zou behoren om over het al dan niet slagen voor dat schooljaar te oordelen. De clausulering beperkt ook de principiële vrijheid van studiekeuze in hoofde van de leerling of zijn ouders.

De delibererende klassenraad of de beroepscommissie kan op grond van zwakke studieresultaten een onderbouwd advies geven om een studie-

richting te ontraden, of zelfs een formele waarschuwing, of hij kan vakantietaken opleggen, maar de uiteindelijke verantwoordelijkheid laten bij de leerling die, het weze herhaald, geslaagd is verklaard. De beroepscommissie die een B-attest toe-

kent, verkiest evenwel in de plaats van die leerling de studiekeuze gedeeltelijk te bepalen.

14. Om de zo-even vermelde reden mag van een beroepscommissie die beslist een oriënteringsattest B toe te kennen, een sterk doorgedreven motive-

ring worden verwacht, zowel vanuit formeel oogpunt – de uitdrukkelijke en af-

doende vermelding van de motieven in de deliberatiebeslissing – als vanuit mate-

rieel oogpunt – de aanwezigheid van een deugdelijke grondslag van die beslissing in het dossier. De beroepscommissie moet daarom met overtuigende motieven aantonen dat de kansen van de betrokken leerling om te slagen voor het volgende leerjaar van dezelfde studierichting zo miniem zijn, dat hem zelfs niet de moge-

lijkheid mag worden geboden dat volgende leerjaar in die studierichting aan te vatten. Zij moet daartoe haar prospectieve beslissing om een B-attest uit te reiken steunen op de concrete en objectieve gegevens van het individuele dossier van de betrokken leerling.

15. Verzoeker voert enerzijds aan dat de motieven die in de bestre-

den beslissing zijn vermeld niet correct zijn. Hij betwist aldus de materiële deug-

delijkheid van de vermelde motieven. Voorts laat hij gelden dat de bestreden be-

slissing bovendien te kort komt aan de formelemotiveringsplicht, doordat ze geen antwoord geeft op de grieven die hij in het kader van de beroepsprocedure heeft

IX-9369-13/18

aangevoerd, onder meer met betrekking tot een gebrekkige ondersteuning van zijn leerstoornis.

Die twee aspecten van het middel lijken elkaar niet uit te sluiten, maar vullen elkaar op het eerste gezicht aan. Anders dan de verwerende partij beweert, staat niets eraan in de weg dat verzoeker alzo in één middel zowel de schending van de materiëlemotiveringsplicht aanvoert als de schending van de formelemotiveringsplicht.

16.1. De beroepscommissie overweegt dat verzoeker het jaar “dub-

belt” en weer een aantal tekorten heeft behaald, zodat de klassenraad een correcte beslissing heeft genomen. De beroepscommissie stelt, zoals de klassenraad, dat de studierichting theoretisch te zwaar is voor verzoeker.

Dit standpunt van de beroepscommissie is, zoals verzoeker te-

recht aanvoert, evenwel een loutere stelling die niet in het minst is onderbouwd.

Het enkele feit dat verzoeker tekorten heeft behaald voor Frans en Nederlands vermag op zich niet te verantwoorden dat aan verzoeker de aangevochten clausu-

lering wordt opgelegd. Er moet immers in acht worden genomen dat verzoeker volgens de beroepscommissie, niettegenstaande die tekorten, het jaar met vrucht heeft beëindigd. Indien de beroepscommissie van oordeel is dat uit die tekorten kan worden afgeleid dat verzoeker geen reële kans maakt om voor het volgende leer-

jaar van de tweede graad te slagen, dient zij die opvatting te steunen op concrete gegevens van verzoekers dossier en op grond van een prospectief onderzoek op een overtuigende wijze aan te geven waarom die gegevens, in het licht van de opleiding die verzoeker in het tweede leerjaar van de tweede graad zou te wachten staan, redelijkerwijze toelaten tot de opgelegde clausulering te besluiten.

De verwerende partij beweert weliswaar dat “de motivering van de beslissing” aan de ouders is bezorgd, maar daargelaten dat dit niet blijkt uit de stukken waarop de Raad van State vermag acht te slaan, dient erop te worden gewezen dat die motivering door de beroepscommissie zelf moet worden verstrekt,

IX-9369-14/18

aangezien het aan haar toekomt om, na verzoekers beroepsmiddelen in overweging te hebben genomen, autonoom een beslissing over verzoekers evaluatiedossier te nemen. De verwerende partij mag dan al wel beweren dat de beroepscommissie bij het nemen van de bestreden beslissing met alle mogelijke gegevens van dat dossier rekening heeft gehouden, toch moet worden vastgesteld dat zulks helemaal niet blijkt uit haar beslissing, zelfs niet wanneer die beslissing wordt gelezen in sa-

menhang met het verslag van haar vergadering, waarvan verzoeker kennis heeft kunnen nemen.

16.2. Gelet op wat voorafgaat, voert verzoeker op het eerste gezicht terecht aan dat de vermelde motieven van de bestreden beslissing niet deugdelijk onderbouwd zijn en als zodanig de aangevochten clausulering niet vermogen te verantwoorden.

17.1. Daarenboven mag een leerling die gebruik maakt van de ver-

haalmogelijkheid tegen de beslissing van de delibererende klassenraad en aldus een samenkomst van de beroepscommissie uitlokt, verwachten dat deze commissie kennisneemt van zijn grieven, ze beoordeelt en beantwoordt. Het bestaan en de zin van een beroepsprocedure vereisen dat de motivering van de beslissing van de beroepscommissie er blijk van geeft dat de bezwaren van de leerling daadwerkelijk in overweging zijn genomen en in de nieuwe beoordeling zijn betrokken, dat de leerling begrijpt waarom die argumenten de beroepscommissie niet konden over-

tuigen en dat ten minste een uitdrukkelijk antwoord wordt gegeven op de vragen die voor de leerling blijkens zijn beroepschrift van wezenlijk belang zijn en die, mochten ze terecht gesteld zijn, mogelijk tot een voor de leerling gunstiger resul-

taat leiden.

Een beroepscommissie moet daarbij extra omzichtig handelen én motiveren in het geval zij een leerling, die geslaagd is verklaard, toch middels een B-attest de toegang ontzegt tot bepaalde studierichtingen.

IX-9369-15/18

17.2. Verzoeker heeft omstandig zijn grieven tegen de beslissing van de delibererende klassenraad voorgelegd aan de beroepscommissie.

Hij argumenteerde onder meer dat niet wordt gemotiveerd waarom hij een minder zware richting zou moeten kiezen en dat niet valt te be-

grijpen hoe tekorten op twee vakken die niet richtingspecifiek zijn, de aange-

vochten clausulering zouden kunnen verantwoorden. Hij wees ook op zijn “posi-

tieve evolutie”, onder meer voor het vak „wiskunde‟. Hij vermeldde voorts dat hij zijn studies wil voortzetten in het atheneum te Boom waar hij slechts de helft van het huidige aantal uren Nederlands zou moeten volgen, zodat dit vak “veel minder doorslaggevend” zou worden.

Verzoeker ging tevens uitvoerig in op de aangevoerde gebrek-

kige begeleiding van zijn leerstoornis en het gebrek aan aangepaste maatregelen.

Hij heeft in dit verband gewezen op het niet mogen afleggen van toetsen op de computer, op verbeteringen die niet conform de sticordimaatregelen gebeurden, op het niet voorlezen van Franse teksten en het niet gewerkt hebben van de computer.

Hij liet ook gelden dat bij de paasexamens de examens over de vakken Frans en Engels niet op de computer konden worden afgelegd en er drie maanden lang geen leerkracht Frans aanwezig was, waarvan de ganse klas hinder heeft ondervonden, zoals is aangetoond door de mediaan van de behaalde resultaten. Volgens ver-

zoeker heeft de gebrekkige remediëring van zijn leerstoornis “een onmiskenbare en nefaste impact gehad op de resultaten”.

Verzoeker stelde het opleggen van een alternatieve maatregel voor, zoals een vakantietaak, een bijkomende proef of een literatuurstudie, om alle twijfel over zijn kunnen weg te nemen.

De beroepscommissie heeft zelf enkel verwezen naar de moti-

vering van de klassenraad, namelijk: “Kies een minder zware techni-

sche-theoretische richting of beroepsrichting die de combinatie met je sport mo-

IX-9369-16/18

gelijk maakt”. Zij heeft evenwel geen gemotiveerd antwoord gegeven op de zo-even vermelde grieven van verzoeker.

Weliswaar voert de verwerende partij terecht aan dat de eventu-

ele vaststelling van gebreken in de begeleiding van verzoeker, zijn resultaten niet beter kunnen maken dan ze zijn, maar dat is allerminst dienstig, nu verzoeker het eerste leerjaar van de tweede graad met vrucht heeft beëindigd en een prospectieve beoordeling van verzoekers slaagkansen voor het tweede jaar van de tweede graad ervan moet uitgaan dat verzoeker wel een passende begeleiding krijgt.

17.3. Ook in de mate dat verzoeker geen antwoord heeft gekregen op zijn beroepsgrieven, voldoet de motivering van de bestreden beslissing derhalve op het eerste gezicht niet.

18. Het enige middel is ernstig.

19. Uit wat voorafgaat volgt dat voldaan is aan de voorwaarden gesteld in artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State die cumulatief vervuld moeten zijn wil een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid worden toegewezen.

BESLISSING

De Raad van State beveelt de schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de beslissing van 22 augustus 2018 van de beroepscommissie voor het Sint-Eduardusinstituut te Merksem waarbij de beslissing van de delibererende klassenraad om aan Lysander Bürmann een oriënteringsattest B toe te kennen met clausulering voor “algemeen secundair onderwijs” en voor “Lichamelijke opvoeding en sport TSO, Industriële we-

tenschappen TSO, Biotechnische wetenschappen TSO, Sociale en technische wetenschappen TSO, Handel TSO, Handel-talen TSO, Toerisme TSO” wordt gehandhaafd.

IX-9369-17/18

Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 13 september 2018, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit:

Bert Thys, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier.

De griffier De voorzitter

Joris Casneuf Bert Thys

IX-9369-18/18

PDF document ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.242.321