Legislator Jurisprudence & Législation
ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.242.313 ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.242.313 Généré par l'IA

Court dismisses request for summary debate, ordering full trial due to lack of urgency and need for party participation.

Numéro de cause ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.242.313
Autorité / Tribunal
Juridiction Belgique (BE)
Date de la décision
Issue du litige Rejeté (Dismissed)

Synthèse Legislator

Généré par l'IA

The Council of State dismissed the request to conduct a summary debate, instead ordering the case to proceed to a full hearing with three judges. The auditeur-general had recommended expanding the appeal's subject matter to include a subsequent permit revocation, arguing this prevented a legal vacuum. However, the court held that such procedural expansion and the assessment of the parties' interest in challenging the original decision cannot be resolved in a summary procedure.

Regeste Legislator

Généré par l'IA

Articles 93 and 160 of the Constitution; The Council of State must apply summary debate procedures with utmost caution and cannot use them to decide on the substantive expansion of an appeal's subject matter or the parties' interest in litigation, as this requires a full hearing to ensure legal certainty.

Mots-clés

Généré par l'IA
summary debate procedure expansion of appeal subject legal certainty principle full hearing requirement procedural urgency contestation de la radiation suspension de l'expulsion suspension du permis de construire

Dispositions légales citées

Généré par l'IA
Article 160 of the Constitution
Article 93 of the General Rules of Procedure for the Administrative Branch of the Council of State
Généré par l'IA

Vous souhaitez savoir comment cet arrêt s'applique à votre dossier ?

Analysez cette décision avec la législation fédérale, le droit cantonal, la doctrine et la jurisprudence subséquente dans Legislator AI.

Ouvrir dans Legislator →

Texte complet

RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK

VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER

nr. 242.313 van 13 september 2018

in de zaak A. 223.952/VII-40.150.

In zake : 1. Thomas VAN HUELE

2. Vof LOTAS

3. de BVBA ORION DYNAMIC

4. Wim LIEVENS

bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Arnold Gits en Elias Gits kantoor houdend te 8500 Kortrijk President Kennedypark 31A

bij wie woonplaats wordt gekozen

tegen :

het VLAAMSE GEWEST

bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Kristien Vanderheiden en Jan Bergé kantoor houdend te 3000 Leuven Diestsevest 47, bus 001

bij wie woonplaats wordt gekozen

Tussenkomende partij :

1. de NV CREELLE - CLGTRANS

bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Wim De Cuyper en Koenraad Van De Sijpe kantoor houdend te 9100 Sint-Niklaas Vijfstraten 57

bij wie woonplaats wordt gekozen 2. de BVBA AUDE AERDEMOLEN

bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Lieven De Wolf kantoor houdend te 1853 Strombeek-Bever Oude Mechelsestraat 165

bij wie woonplaats wordt gekozen

VII-40.150-1/7

I. Voorwerp van het beroep

1. Het beroep, ingesteld op 20 november 2017, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van de Vlaamse minister van Omgeving, Natuur en Landbouw van 15 september 2017 waarbij het beroep ingesteld tegen de beslissing van de deputatie van de provincieraad van West-Vlaanderen van 9 maart 2017, houdende het verlenen van de milieuvergunning aan de NV Creelle - CLGTrans voor het opvullen van vijvers met uitgegraven bodem, gelegen aan de Hoornstraat te Beernem, gedeeltelijk gegrond wordt verklaard en de beroepen beslissing wordt gewijzigd.

II. Verloop van de rechtspleging

2. Bij arrest nr. 240.707 van 9 februari 2018 heeft de Raad van State bij uiterst dringende noodzakelijkheid de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing van 15 september 2017 geschorst, op vordering van vierde verzoeker.

Eerste auditeur-afdelingshoofd Peter Provoost heeft een verslag overeenkomstig artikel 93 van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: algemeen procedurereglement) opgesteld.

Met toepassing van artikel 93, lid 2, van het algemeen procedurereglement heeft de eerste tussenkomende partij een nota ingediend.

De verzoekende partijen en de verwerende partij hebben een nota ingediend.

Eerste auditeur-afdelingshoofd Peter Provoost heeft een aanvullend verslag opgesteld.

VII-40.150-2/7

De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 6 september 2018.

Kamervoorzitter Eric Brewaeys heeft verslag uitgebracht.

Advocaat Elias Gits, die verschijnt voor de verzoekende partijen, advocaat Jan Bergé, die verschijnt voor de verwerende partij, advocaat Deira De Rijcke, die loco advocaat Koenraad Van De Sijpe verschijnt voor de eerste tussenkomende partij, en advocaat Inge Willemsen, die loco advocaat Lieven De Wolf verschijnt voor de tweede tussenkomende partij, zijn gehoord.

Eerste auditeur-afdelingshoofd Peter Provoost heeft advies gegeven.

Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.

III. Feiten

3. Bij arrest nr. 240.707 van 9 februari 2018 heeft de Raad van State bij uiterst dringende noodzakelijkheid de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing van 15 september 2017 geschorst, op vordering van vierde verzoeker.

In dat arrest werden tevens de verzoeken tot tussenkomst van de NV Creelle-CLGtrans en van de BVBA Aude Aerdemolen ingewilligd.

4. Noch de verwerende partij, noch de tussenkomende partijen, hebben na de kennisgeving van het schorsingsarrest gevraagd om de rechtspleging verder te zetten. Er werd door deze partijen ook geen memorie neergelegd. De verwerende partij had wel naar aanleiding van de vordering tot schorsing het administratief dossier neergelegd.

VII-40.150-3/7

5. Op 13 maart 2018 trekt de minister de beslissing van 15 september 2017 in, en verleent tegelijk een nieuwe milieuvergunning, met hetzelfde voorwerp. De in de beslissing van de deputatie van de provincieraad van West-Vlaanderen van 9 maart 2017 opgelegde bijzondere vergunningsvoorwaarden worden gewijzigd als volgt:

“In artikel 4 wordt in bijzondere voorwaarde 2) de volgende zin geschrapt:

„De wegen op het terrein van de inrichting moeten verhard en afhankelijk van de mate van vervuiling schoongemaakt worden‟, In artikel 4 wordt bijzondere voorwaarde 5) geschrapt”.

6. Het schrappen van bijzondere vergunningsvoorwaarde 5 wordt als volgt gemotiveerd:

“Overwegende dat de westelijke vijver in het verleden groter was dan zijn huidige vorm; dat er illegaal industrieel afval en bouwafval werd gestort; dat er volgens oriënterende bodemonderzoeken verontreinigingen voorkomen met zware metalen, PAK‟s en minerale olie;

Overwegende dat in het bestreden besluit als bijzondere voorwaarde werd opgelegd dat de bodemsaneringsdeskundige voor de aanvang van de werkzaamheden voor het aanvullen van de vijver een maatregelenplan opstelt in functie van de aanwezigheid van elk oriënterend bodemonderzoek en elk bodemsaneringsproject in de onmiddellijke nabijheid, waarbij elk risico op bijkomende verontreiniging en/of verspreiding van de aanwezige verontreinigingen van bodem en grondwater wordt uitgesloten;

Overwegende dat de exploitant op 16 mei 2017 een nieuw oriënterend bodemonderzoek (2017-Z0-755) heeft laten uitvoeren, specifiek voor de bodems van de vijvers; dat dit nieuw oriënterend bodemonderzoek werd uitgevoerd naar aanleiding van de bijzondere voorwaarde; dat uit dit onderzoek het volgende is gebleken:

- oostelijke vijver: geen verontreinigingen in het slib op de bodem van de vijver, de grond onder de vijverbodem en het grondwater;

- westelijke vijver: na analyse zijn in twee van de vijf slibstalen van de vijver concentraties gemeten net boven de richtwaarde voor benzo(a)pyreen in het vaste deel van de aarde; deze verhoogde concentratie wordt beschouwd als historische verontreiniging en overschrijdt de 80% bodemsaneringsnorm niet;

- het vermoeden van de stortactiviteiten in de vijvers wordt dus niet bevestigd door de veldwerkzaamheden en analysegegevens;

- er zijn dus verder geen maatregelen vereist;

Overwegende dat op basis van dit oriënterend bodemonderzoek op 7 juni 2017 bodemattesten werden afgeleverd voor de percelen van de twee vijvers:

dat in die attesten wordt gesteld dat op deze grond geen verdere maatregelen

VII-40.150-4/7

moeten worden uitgevoerd;

Overwegende dat, gezien er geen maatregelen vereist zijn, er bijgevolg geen verontreiniging van het grondwater verwacht wordt; dat er ook geen verspreiding zal zijn van de aanwezige verontreinigingen;

Overwegende dat de procedure voor het uitvoeren van een oriënterend bodemonderzoek los staat van de vergunningsprocedure; dat voor zover een oriënterend bodemonderzoek geen ernstige bedreiging aantoont, er geen noodzaak tot het uitvoeren van een verder onderzoek of sanering is; dat het bijgevolg aangewezen is om de opgelegde voorwaarde in het bestreden besluit te schrappen […]”.

7. Op 15 maart 2018 legt de verwerende partij haar besluit van 13 maart 2018 neer op het elektronisch platform, om de Raad van State te informeren dat het beroep met rolnummer A. 223.952/VII-40.150 geen voorwerp meer heeft. Volgens dezelfde begeleidende brief bezorgt ze een kopie aan de raadslieden van de tussenkomende partijen, maar blijkbaar niet aan de verzoekende partijen.

8. De verzoekende partijen hebben geen annulatieberoep aangetekend tegen de tweede beslissing.

9. De auditeur, belast met het onderzoek van de zaak, is van oordeel dat het voorwerp van het beroep ambtshalve moet worden uitgebreid tot het tweede besluit van 13 maart 2018 houdende intrekking van het besluit van 15 september 2017, en waarbij het beroep ingesteld tegen de beslissing van de deputatie van de provincieraad van West-Vlaanderen van 9 maart 2017, houdende het verlenen van vergunning voor het opvullen van vijvers met uitgegraven bodem, gelegen aan Hoornstraat te Beernem, gedeeltelijk gegrond wordt verklaard en de beroepen beslissing wordt gewijzigd. Dit advies is als volgt gemotiveerd:

“Door de geschorste vergunning formeel in te trekken maar tegelijk een wat het voorwerp betreft identieke vergunning te verlenen heeft de verwerende partij het aan verzoeker bij voorraad toegekende rechtsherstel (dixit het schorsingsarrest) terzijde geschoven.

Om de door artikel 160 van de Grondwet en de gecoördineerde wetten op de Raad van State georganiseerde rechtsbescherming geen lege doos te laten zijn, moet het voorwerp van het beroep ambtshalve worden uitgebreid tot het besluit van 13 maart 2018”.

VII-40.150-5/7

IV. Korte debatten

10. De korte debattenprocedure van artikel 93 van het procedurereglement moet door de Raad van State met de nodige ernst en omzichtigheid worden toegepast en kan alleen in uitzonderlijke omstandigheden worden gevolgd. De inwilliging van dit verzoek door de alleenrechtsprekende rechter doet immers afbreuk aan de algemene regel dat de kamer ten gronde terechtzitting houdt met drie leden, nadat de partijen de mogelijkheid hebben gehad schriftelijk hun standpunt uiteen te zetten.

11. Wanneer de Raad van State in het raam van een kortedebattenprocedure, zoals te dezen, wordt uitgenodigd het beroep ambtshalve uit te breiden en het middel gegrond te bevinden, verzet de rechtszekerheid er zich tegen dat formeel bestaande en uiterlijk regelmatige rechtshandelingen buiten enig regelmatig beroep om in vraag zouden kunnen worden gesteld. De vraag of het aan de Raad van State toekomt zich in de plaats te stellen van de verzoekende partijen om te oordelen of zij er belang bij hebben het oorspronkelijke beroep tot nietigverklaring uit te breiden dan wel deze handelingen niet aan te vechten, is dan ook geen aangelegenheid die met korte debatten kan worden beslecht.

BESLISSING

1. De Raad van State heropent het debat.

2. De zaak wordt verwezen naar de gewone rechtspleging.

3. De Raad van State gelast het door de auditeur-generaal aan te stellen lid van het auditoraat met het verder onderzoek van de zaak.

VII-40.150-6/7

Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van dertien september tweeduizend achttien, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit:

Eric Brewaeys, kamervoorzitter, bijgestaan door Bart Tettelin, griffier.

De griffier De voorzitter

Bart Tettelin Eric Brewaeys

VII-40.150-7/7

PDF document ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.242.313