Legislator Jurisprudence & Législation
ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.242.303 ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.242.303 Généré par l'IA

Court annuls provincial decision for insufficient motivation regarding environmental permit compatibility with local planning.

Numéro de cause ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.242.303
Autorité / Tribunal
Juridiction Belgique (BE)
Date de la décision
Issue du litige Rejeté (Dismissed)

Synthèse Legislator

Généré par l'IA

The Council of State annulled the Provincial Deputation's decision rejecting a challenge to a municipal environmental permit for a funeral home. The plaintiffs argued the provincial authority failed to provide specific factual grounds for its conclusion that the facility complied with local spatial planning rules. The court held that vague references to general advice were inadequate, as the advice relied on incorrect assumptions that building permits automatically ensure environmental compatibility.

Regeste Legislator

Généré par l'IA

Art. 100 § 1, 1st al. of the Code of Administrative Justice; Art. 100 § 2, 1st al. of the Code of Administrative Justice: A decision is void if the authority fails to provide a precise and adequate motivation based on specific facts, particularly when relying on advice that rests on erroneous premises regarding the compatibility of an activity with its immediate surroundings.

Mots-clés

Généré par l'IA
insufficient motivation environmental permit spatial planning funeral home procedural defect provincial decision administrative review autorisation de décharge

Dispositions légales citées

Généré par l'IA
Art. 100 § 1, 1st al. of the Code of Administrative Justice
Art. 100 § 2, 1st al. of the Code of Administrative Justice
Généré par l'IA

Vous souhaitez savoir comment cet arrêt s'applique à votre dossier ?

Analysez cette décision avec la législation fédérale, le droit cantonal, la doctrine et la jurisprudence subséquente dans Legislator AI.

Ouvrir dans Legislator →

Texte complet

RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK

VIIe KAMER

nr. 242.303 van 13 september 2018

in de zaak A. 218.776/VII-39.641.

In zake : 1. Jan DE BORGER

2. Ronny THEUNIS

3. Erdal GUNGOR

4. Laura CUYT

5. Ivan KETELS

bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Bernard Deltour kantoor houdend te 1200 Brussel Brand Whitlocklaan 132

bij wie woonplaats wordt gekozen

tegen :

de DEPUTATIE VAN DE PROVINCIE ANTWERPEN

Tussenkomende partij :

de NV VAN HUMBEECK

bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Tom Swerts kantoor houdend te 2800 Mechelen Antwerpsesteenweg 16-18

bij wie woonplaats wordt gekozen

I. Voorwerp van het beroep

1. Het beroep, ingesteld op 21 maart 2016, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van de deputatie van de provincie Antwerpen van 7 januari 2016 waarbij het beroep ingesteld tegen de beslissing van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Willebroek van 3 juli 2015, houdende het verlenen aan de NV Van Humbeeck van de milieuvergunning voor het verder exploiteren en veranderen van een rouwcentrum, gelegen aan de Oud-Strijdersstraat 19 te Willebroek, ongegrond wordt verklaard.

VII-39.641-1/12

II. Verloop van de rechtspleging

2. Bij arrest nr. 235.015 van 9 juni 2016 is de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing verworpen.

De eerste, tweede, vierde en vijfde verzoekende partij hebben een verzoekschrift tot voortzetting van de rechtspleging ingediend.

De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de vier voornoemde verzoekende partijen hebben een memorie van wederantwoord ingediend.

De tussenkomende partij heeft een memorie ingediend.

Eerste auditeur Ronny Vercruyssen heeft een verslag opgesteld.

De verwerende en de tussenkomende partij hebben een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De eerste, tweede, vierde en vijfde verzoekende partij hebben een laatste memorie ingediend.

De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 19 april 2018.

Staatsraad Peter Sourbron heeft verslag uitgebracht.

Advocaat Bernard Deltour, die verschijnt voor de verzoekende partijen, adviseur Mark Michiels, die verschijnt voor de verwerende partij, en advocaat Tom Vanderreydt, die loco advocaat Tom Swerts verschijnt voor de tussenkomende partij, zijn gehoord.

VII-39.641-2/12

Eerste auditeur Ronny Vercruyssen heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven.

Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.

III. Feiten

3.1. Op 26 maart 2015 dient de NV Van Humbeeck een milieuvergunningsaanvraag in voor het verder exploiteren en veranderen van een rouwcentrum, bestaande uit een rouwkamer, koffietafels en uitvaartcentrum.

3.2. Bij besluit van 3 juli 2015 verleent het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Willebroek de gevraagde vergunning. Concreet bestaat het voorwerp van de vergunning uit: een afvalwaterzuiveringsinstallatie voor het lozen van 2 m³/u onbehandeld bedrijfsafvalwater dat geen gevaarlijke stoffen bevat, diverse airconditioninginstallaties met een vermogen van in totaal 48,8 kW en een bovengrondse houder voor 10.000 liter mazout.

3.3. Tegen deze beslissing wordt bij de deputatie van de provincie Antwerpen bestuurlijk beroep ingesteld.

3.4. In het kader van de beroepsprocedure worden de volgende adviezen verleend:

a) de afdeling Milieuvergunningen adviseert op 25 september 2015 gunstig over de aanvraag; de beroepen vergunning dient behouden te worden mits aanvulling van de bijzondere voorwaarden;

b) op 5 januari 2016 stelt de Provinciale Milieuvergunningscommissie (hierna: PMVC) voor om de beroepen beslissing te bevestigen en de opgelegde bijzondere voorwaarden aan te vullen.

VII-39.641-3/12

3.5. Met een besluit van 7 januari 2016 bevestigt de deputatie van de provincie Antwerpen de beroepen beslissing van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Willebroek en vult zij de bijzondere vergunningsvoorwaarden aan.

Dit is de thans bestreden beslissing.

IV. Afstand van geding

4. Naar luid van artikel 17, § 7, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, geldt ten aanzien van de verzoekende partij een vermoeden van afstand van geding wanneer zij, nadat de vordering tot schorsing van een akte of een reglement is afgewezen, geen verzoek tot voortzetting van de rechtspleging indient binnen een termijn van dertig dagen die ingaat met de kennisgeving van het arrest.

Bij arrest nr. 235.015 van 9 juni 2016 is de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit verworpen. De derde verzoekende partij heeft geen verzoek tot voortzetting van de rechtspleging ingediend. Er bestaat aanleiding om te haren aanzien de afstand van het geding vast te stellen.

5. In de laatste memorie doet de vierde verzoekende partij uitdrukkelijk afstand van het geding.

V. Ontvankelijkheid van het beroep

Excepties

6. De tussenkomende partij werpt op dat eerste verzoeker geen belang heeft bij het beroep aangezien hij op 2,4 kilometer van de inrichting woont, waardoor hij onmogelijk rechtstreekse hinder ervan kan ondervinden. Ten aanzien

VII-39.641-4/12

van de overige verzoekende partijen merkt zij op dat zij de bestuurlijke beroepsprocedure zelf niet hebben uitgeput. Ten slotte stelt de tussenkomende partij dat de aangevoerde nadelen in de eerste plaats voortvloeien uit de verleende stedenbouwkundige vergunning.

7. In de memorie van wederantwoord beklemtoont eerste verzoeker dat hij zich beroept op zijn hoedanigheid van eigenaar van het aanpalende gebouw en dat de uitbreiding van het rouwcentrum een vermindering meebrengt van de licht- en luchtinval ter hoogte van de terrassen van de appartementen. Ook zou de luchtkwaliteit, de verkeersveiligheid en de levenskwaliteit in de nabije omgeving drastisch afnemen door de bijkomende verkeersstromen, ten gevolge waarvan de waarde van de betrokken appartementen gevoelig zal dalen. Inzake het belang van de overige verzoekende partijen wordt verduidelijkt dat zij zich uitdrukkelijk hebben aangesloten bij het ingediende beroepschrift, dat de kennisgeving van de bestreden beslissing ook tot hen was gericht, dat het voorts volstaat dat de bestreden beslissing in laatste administratieve aanleg werd genomen, dat zij allen woonachtig zijn in het appartement aanpalend aan het rouwcentrum, dat de levenskwaliteit in hun appartementen gevoelig zal verminderen doordat hun terrassen worden ingekokerd met een aanzienlijke beperking van de licht- en luchtinval tot gevolg, dat een nooduitgang (via de terrassen) aan hen wordt ontnomen en dat de capaciteitstoename van de inrichting bijkomende verkeersstromen genereert met alle nadelige gevolgen van dien, zelfs in die mate dat de buurt onleefbaar dreigt te worden.

8. In haar laatste memorie herhaalt de tussenkomende partij dat de beweerde hinder in eerste instantie voortvloeit uit de corresponderende stedenbouwkundige vergunning. Zelfs indien de beweerde hinder toegeschreven zou kunnen worden aan de thans bestreden milieuvergunning, wordt volgens haar niet met concrete en specifieke gegevens aangetoond dat de verzoekende partijen deze hinder daadwerkelijk zullen ondervinden.

VII-39.641-5/12

Beoordeling

9. Het wordt niet betwist dat eerste verzoeker eigenaar is van een gebouw dat paalt aan de vergunde inrichting. Op zich verschaft dit feit hem het vereiste belang om de bestreden milieuvergunning in rechte aan te vechten, ongeacht de ligging van zijn effectieve woonplaats.

De bestreden beslissing is een in laatste aanleg en na uitputting van alle administratieve beroepen genomen beslissing over een milieuvergunningsaanvraag die in beginsel op ontvankelijke wijze voor de Raad van State kan worden bestreden. Daarbij is het van geen belang dat de oorspronkelijk tweede en vijfde verzoekende partij zelf geen administratief beroep zouden hebben ingediend.

De verzoekende partijen maken aannemelijk dat de verandering van de bestaande inrichting - algemeen beschouwd - gepaard gaat met een toename van omgevingshinder die mede teweeggebracht wordt door de exploitatie van het rouwcentrum. Derhalve wordt niet aangenomen dat de door de verzoekende partijen aangevoerde nadelen uitsluitend toe te schrijven zijn aan de tenuitvoerlegging van de overeenstemmende stedenbouwkundige vergunning.

De excepties worden verworpen.

VI. Onderzoek van de middelen

Derde middel

Standpunt van de partijen

10. In een derde middel wordt de schending opgeworpen van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke

VII-39.641-6/12

motivering van de bestuurshandelingen (hierna: motiveringswet) en van de materiëlemotiveringsplicht.

De (eerste, tweede en vijfde) verzoekende partijen betogen dat de verwerende partij de bouwdiepte en -hoogte van het rouwcentrum enkel heeft beoordeeld rekening houdend met de stedenbouwkundige impact, terwijl een effectieve en betekenisvolle motivering in het kader van een milieuvergunningsaanvraag moet aangeven hoe de kwestieuze inkokering van de terrassen in het aanpalende appartementsgebouw geen onaanvaardbare gevolgen heeft voor het leefmilieu. In dit verband wijzen zij erop dat zowel in het bezwaarschrift van 28 mei 2015, als in het administratief beroepschrift van 12 augustus 2015, werd aangekaart dat de inrichting van het rouwcentrum strijdig is met een goede ruimtelijke ordening, onder meer doordat de constructie vanaf de eerste verdieping de lucht- en lichtinval goeddeels ontneemt aan de nabijgelegen appartementen. Voorts merken de verzoekende partijen op dat in het advies van de PMVC van 10 november 2015 met betrekking tot de licht- en luchtinval van de appartementen wordt vermeld dat “het DRV duidelijk [stelt] dat de aanvraag in overeenstemming is met de voorschriften van het BPA […] [en dat] [v]oor het overige […] de PMVC zich niet [dient] uit te spreken over bouwdieptes en -hoogtes”. Het verslag van de hoorzitting van 5 januari 2016 stelt dat “[d]e PMVC

[…] zich niet [hoeft] uit te spreken over bouwdieptes en -hoogtes […] [en dat,]

[w]at betreft de milieutechnische beoordeling […] de hinderaspecten van de aangevraagde activiteiten [worden] beoordeeld”. Het volstaat, aldus de verzoekende partijen, niet dat de PMVC verwijst naar de, laattijdig gunstige, stedenbouwkundige beoordeling van Ruimte Vlaanderen van de betrokken bouwdieptes en -hoogtes. Immers, door de afwijkingen op de toegestane bouwdieptes en -hoogtes worden hun terrassen ingekokerd waardoor de licht- en luchtinval in de appartementen grotendeels wordt belemmerd. Deze belemmering van de licht- en luchtinval zorgt voor een drastisch verminderde levenskwaliteit die door de verwerende partij ten onrechte niet zou zijn onderzocht, terwijl zij als milieuvergunningverlenende overheid precies bevoegd was om deze milieuhinder te beoordelen.

VII-39.641-7/12

11. De verwerende partij antwoordt dat de bouwplannen uitvoerig werden beoordeeld in het kader van de stedenbouwkundige vergunningsaanvraag en dat de uitvoeringsplannen, bijgevoegd aan de milieuvergunningsaanvraag, niet gaan tot op detailniveau. Daarenboven spreekt het volgens haar voor zich dat de door de verzoekende partijen aangehaalde problematiek uitsluitend te kaderen is binnen de beoordeling van de stedenbouwkundige vergunningsaanvraag en volledig vreemd is aan de milieuvergunningsaanvraag.

12. In hun memorie van wederantwoord vestigen de verzoekende partijen de aandacht op een aantal foto’s, genomen in de periode augustus-september 2016, die moeten aantonen dat er sprake is van een kennelijk onredelijke en feitelijk incorrecte beoordeling van de milieuvergunningsaanvraag.

13. De tussenkomende partij laat gelden dat de inrichting volgens de bepalingen van het geldende Bijzonder Plan van Aanleg (hierna: BPA) gelegen is in een zone voor gemengde functies, gesloten woningbouw en garages. Zij wijst erop dat met betrekking tot de stedenbouwkundige toetsing de bestreden beslissing verwijst naar het laattijdig advies van Ruimte Vlaanderen dat werd bijgetreden door de PMVC. Wat betreft de beoordeling van de lucht- en lichtinval in relatie tot de bouwdieptes en -hoogtes, poneert de tussenkomende partij dat deze in essentie neerkomt op een stedenbouwkundige toetsing die verband houdt met de inhoudelijke toepassing van de bestemmingsvoorschriften. Deze beoordeling moest dan ook enkel plaatsvinden in het kader van de stedenbouwkundige vergunningsaanvraag. In dit verband meent zij dan ook te kunnen volstaan met een verwijzing naar de motieven van de corresponderende stedenbouwkundige vergunning. Uit de lezing van de bestreden beslissing moet worden geconcludeerd dat de verzoekende partijen niet op goede gronden aanvoeren dat de repercussies van de vergunde exploitatie op de omwonenden en de omgeving niet werden onderzocht.

VII-39.641-8/12

14. In haar laatste memorie voegt de tussenkomende partij nog toe dat de verwerende partij terecht kon oordelen dat, aangezien de aanvraag voldoet aan de bepalingen van het vigerende BPA, deze ook geacht wordt in overeenstemming te zijn met de goede ruimtelijke ordening. De verwerende partij was er dienvolgens niet toe gehouden om de aanvraag bijkomend te toetsen aan de goede ruimtelijke ordening overeenkomstig artikel 4.3.1, § 2, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening. Voorts benadrukt zij dat niet wordt betwist dat de betreffende adviezen aan de verzoekende partijen ter kennis zijn gebracht. Deze stukken zijn zelf afdoende gemotiveerd en zijn allerminst tegenstrijdig. Zij worden in de uiteindelijke beslissing bijgevallen door de beslissende overheid. De verwerende partij kon dan ook volstaan met een loutere verwijzing naar de uitgebrachte adviezen die op hun beurt verwijzen naar de motivering in het kader van de intussen definitief geworden stedenbouwkundige vergunning.

Beoordeling

15. De milieuvergunningverlenende overheid moet nagaan of de inrichting verenigbaar is met de omgeving en de goede plaatselijke ruimtelijke ordening. De beslissing over de milieuvergunningsaanvraag dient dan ook in een eigen redengeving aan te geven waarom de inrichting verenigbaar wordt geacht met de goede plaatselijke ruimtelijke ordening.

Overeenkomstig de vereisten van de artikelen 2 en 3 van de motiveringswet moet de gegeven motivering afdoende zijn. Afdoende betekent dat de motieven pertinent moeten zijn, dit wil zeggen dat ze duidelijk met de beslissing te maken moeten hebben, en tevens dat ze draagkrachtig zijn, dit wil zeggen dat de aangehaalde redenen volstaan om de genomen beslissing in rechte te verantwoorden.

16. In de voor de beoordeling van het middel relevante motieven van de bestreden beslissing wordt het volgende gesteld:

VII-39.641-9/12

“Gelet op de ligging van de inrichting in een woongebied van het gewestplan Mechelen; dat de inrichting tevens gelegen is in het BPA

Dendermondsesteenweg-Zuid, goedgekeurd bij MB van 9 maart 2015, in volgende zoneringen: zone voor gemengde functies, zone voor gesloten woningbouw en zone voor garages;

[…];

Overwegende dat ter zake het advies van het DRV gunstig is; dat de exploitatie gebeurt binnen de stedenbouwkundige vergunde gebouwen en constructies; dat de activiteit van de inrichting […] verenigbaar [is] met het woongebied volgens het gewestplan Mechelen en de zone voor gemengde functies, zone voor gesloten woningbouw en zone voor garages volgens het BPA Dendermondsesteenweg-Zuid; dat de activiteiten worden uitgeoefend in een bestaande vergunde inrichting en verenigbaar zijn met de bestemmingsvoorschriften van het gebied; dat de geplande uitbreidingen de goede ruimtelijke ordening niet in het gedrang brengen; dat er principieel geen bezwaar tegen de verdere exploitatie en uitbreiding van de bestaande inrichting is;

[…];

Overwegende dat tevens uit de gegevens van het dossier, en meer bepaald de adviezen van DRV en de PMVC duidelijk blijkt dat de beoogde activiteiten in overeenstemming zijn met de voorschriften van het toepasselijke BPA; dat de aanvraag in overeenstemming is met de wettelijke bepalingen, alsook met de goede plaatselijke ordening en met zijn onmiddellijke omgeving;

Overwegende dat ook voor het overige uitdrukkelijk wordt verwezen naar de adviezen van het DRV en de PMVC, zoals hierboven weergegeven;

Overwegende dat gesteld kan worden dat de exploitatie van de inrichting, die het voorwerp van de voormelde milieuvergunningsaanvraag uitmaakt, verenigbaar is met voormelde ruimtelijke en stedenbouwkundige voorschriften”.

17. Bovenstaande motivering maakt niet duidelijk op grond van welke precieze gegevens, eigen aan de zaak, de verwerende partij tot het besluit is gekomen dat de vergunde inrichting verenigbaar is met de goede plaatselijke ruimtelijke ordening. De verwijzing naar de “gegevens van het dossier” is te algemeen en te vaag om te dienen als afdoende onderbouwing van de conclusie dat de aanvraag “in overeenstemming is […] met de goede plaatselijke ordening en met zijn onmiddellijke omgeving”. Dit motiveringsgebrek wordt niet goedgemaakt door de verwijzing “voor het overige” naar de adviezen van het DRV en de PMVC.

Die, weliswaar gunstige, adviezen steunen immers in belangrijke mate, zo niet uitsluitend, op de in rechte foutieve aannames dat de verenigbaarheid met de onmiddellijke omgeving volgt uit het loutere feit dat de exploitatie zal plaatsvinden in stedenbouwkundig vergunde constructies en de bestemmingsvoorschriften van

VII-39.641-10/12

het gewestplan en het BPA zich in principe niet verzetten tegen de exploitatie van een uitvaartcentrum. De afwezigheid van een afdoende motivering op het vlak van de verenigbaarheid van de inrichting met de onmiddellijke omgeving, klemt des te meer in het licht van de omstandige feitelijke onderbouwing van de in het beroepschrift geuite bezwaren.

Het middel is gegrond.

BESLISSING

1. De Raad van State stelt de afstand van het geding vast ten aanzien van de derde en de vierde verzoekende partij.

2. De Raad van State vernietigt het besluit van de deputatie van de provincie Antwerpen van 7 januari 2016 waarbij het beroep ingesteld tegen de beslissing van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Willebroek van 3 juli 2015, houdende het verlenen aan de NV Van Humbeeck van de milieuvergunning voor het verder exploiteren en veranderen van een rouwcentrum, gelegen aan de Oud-Strijdersstraat 19 te Willebroek, ongegrond wordt verklaard.

3. Dit arrest dient bij uittreksel te worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als het vernietigde besluit.

4. De derde verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van haar vordering tot schorsing, begroot op 200 euro.

De vierde verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van haar vordering tot schorsing en beroep tot nietigverklaring, begroot op 400 euro.

Het Vlaamse Gewest wordt verwezen in de overige kosten van de vordering tot schorsing en van het beroep tot nietigverklaring, begroot op 1.200 euro.

VII-39.641-11/12

De tussenkomende partij wordt verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op 150 euro.

Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van dertien september tweeduizend achttien, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit:

Eric Brewaeys, kamervoorzitter, Pierre Lefranc, staatsraad, Peter Sourbron, staatsraad, bijgestaan door Elisabeth Impens, griffier.

De griffier De voorzitter

Elisabeth Impens Eric Brewaeys

VII-39.641-12/12

PDF document ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.242.303