Cassation appeal dismissed due to late fee payment; case struck off roll with fee refund and opposing party awarded costs.
Synthèse Legislator
Généré par l'IAThe Court of Cassation declared the cassation appeal inadmissible because the applicant failed to pay the required court fee within the statutory deadline. Although the applicant was invited to pay, they only remitted the amount late in April 2018, triggering the automatic striking off of the case under transitional rules. Consequently, the appeal was dismissed, the fee was refunded to the applicant, and the opposing party was awarded legal costs.
Regeste Legislator
Généré par l'IAArticles 6 and 71 of the Royal Decree of 30 November 2006; Article 46 of the Royal Decree of 25 December 2017: A cassation appeal is struck off the roll if the required fee is not paid within thirty days of receipt of the payment form, resulting in the dismissal of the appeal and award of costs to the opposing party.
Mots-clés
Généré par l'IADispositions légales citées
Généré par l'IADécisions connexes
Généré par l'IATexte complet
RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK
VOORZITTER VAN DE IXe KAMER
nr. 242.262 van 6 september 2018
in de zaak A. 220.923/IX-8987
In zake : Lesley DENIE
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Paul De Brouwer kantoor houdend te 9500 Geraardsbergen Moenebroekstraat 33C
bij wie woonplaats wordt gekozen
tegen :
de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Justitie bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Bernard Derveaux kantoor houdend te 1000 Brussel Verenigingstraat 28
bij wie woonplaats wordt gekozen
I. Voorwerp van het cassatieberoep
1. Het cassatieberoep, ingesteld op 9 december 2016, strekt tot de nietigverklaring van beslissing A.R. M15-0761-5 van 10 november 2016 van de Commissie voor financiële hulp aan slachtoffers van opzettelijke gewelddaden en aan de occasionele redders.
II. Verloop van de rechtspleging
2. Bij beschikking nr. 12.256 van 22 december 2016 wordt het cassatieberoep toelaatbaar verklaard.
Er is toepassing gemaakt van artikel 21, tweede lid, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973 en van artikel 15
IX-8987-1/6
van het koninklijk besluit van 30 november 2006 „tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State‟.
De memorie van antwoord werd op 3 februari 2017 aan de verzoekende partij ter kennis gebracht.
De mogelijkheid om te worden gehoord werd op respectievelijk 11 april 2017 en 13 april 2017 aan de verwerende partij en de verzoekende partij ter kennis gebracht.
De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 16 april 2018.
Staatsraad Bruno Seutin heeft verslag uitgebracht.
Advocaat Karo De Jonge, die loco advocaat Paul De Brouwer verschijnt voor de verzoekende partij en advocaat Bernard Derveaux, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord.
Eerste auditeur-afdelingshoofd Peter Provoost heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven.
Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.
III. Beoordeling
3. De hoofdgriffier heeft melding gemaakt van bovengenoemd artikel 21, tweede lid, bij het versturen aan verzoekster van een kopie van de memorie van antwoord, alsook van artikel 15, § 1, van het koninklijk besluit van 30 november 2006 „tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van
IX-8987-2/6
State‟.
Verzoekster heeft binnen de termijn van dertig dagen, gesteld in artikel 14 van voornoemd koninklijk besluit, geen memorie van wederantwoord aan de griffie toegestuurd. De partijen hebben niet gevraagd om te worden gehoord.
Met toepassing van de voormelde wettelijke en reglementaire bepalingen zou bijgevolg het ontbreken van het vereiste belang bij verzoekster moeten worden vastgesteld.
4.1. Het voorgaande sub 3 moet evenwel terzijde worden geschoven om de volgende reden.
Verzoekster die nochtans door de griffie van de Raad van State met een aangetekende brief van 13 december 2016 was uitgenodigd om het rolrecht ten bedrage van 200 euro op de daarvoor bestemde rekening te betalen, had tot de inwerkingtreding van artikel 46 van het koninklijk besluit van 25 december 2017 „tot wijziging van diverse besluiten betreffende de procedure voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State‟ – inwerkingtreding op 1 maart 2018 – het rolrecht nog steeds niet betaald.
Luidens artikel 46, eerste lid, van het koninklijk besluit van 25 december 2017 moeten in de zaken, ingeleid vóór de inwerkingtreding van dit besluit en waarin het rolrecht nog niet werd gekweten, de partijen die werden uitgenodigd het recht te voldoen, op straffe van verwerping, het verschuldigde bedrag betalen binnen dertig dagen na de inwerkingtreding van dit koninklijk besluit.
Artikel 46, tweede lid, van het koninklijk besluit van 25 december 2017 bepaalt dat in geval van niet-betaling, de bepalingen gelden van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 „tot regeling van de rechtspleging
IX-8987-3/6
voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State‟, van het koninklijk besluit van 5 december 1991 „tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State‟ en van het koninklijk besluit van 30 november 2006 „tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State‟ met betrekking tot de gevolgen van die niet-betaling en tot de mogelijkheid voor de betrokken partijen om gehoord te worden, al naargelang het geval.
4.2. Met een aangetekende brief van 1 maart 2018, door verzoekster ontvangen op 2 maart 2018, is met toepassing van voornoemd artikel 46, eerste lid, aan verzoekster gevraagd het verschuldigde rolrecht van 200 euro te betalen.
Verzoekster heeft het rolrecht pas betaald op 16 april 2018 en bijgevolg laattijdig.
Luidens artikel 6 van het voornoemde koninklijk besluit van 30 november 2006, gelezen in samenhang met artikel 71, vierde lid, van het voornoemde besluit van de Regent van 23 augustus 1948, wordt het ingestelde beroep van de rol geschrapt indien de bedoelde rekening niet is gecrediteerd binnen de termijn van dertig dagen na ontvangst van het overschrijvingsformulier.
Toegepast op de voorliggende zaak betekent dit dat verzoeksters cassatieberoep van de rol moet worden geschrapt. Het laattijdig betaalde rolrecht dient aan verzoekster te worden terugbetaald.
IV. Rechtsplegingsvergoeding
5. De verwerende partij vraagt in haar memorie van antwoord de toekenning van een basisrechtsplegingsvergoeding ten bedrage van 700 euro. Op de terechtzitting heeft zij haar eis verminderd tot het minimumbedrag van 140 euro.
6. Luidens artikel 30/1, § 1, eerste lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan de afdeling Bestuursrechtspraak een rechts-
IX-8987-4/6
plegingsvergoeding toekennen die een forfaitaire tegemoetkoming is in de kosten en honoraria van de advocaat van de in het gelijk gestelde partij.
In de voorliggende zaak kan de verwerende partij, ingevolge de schrapping van de zaak van de rol wegens laattijdige betaling van het rolrecht door verzoekster, worden beschouwd als “de in het gelijk gestelde partij” en komt zij derhalve in aanmerking voor de toekenning van een rechtsplegingsvergoeding.
7. In aanmerking genomen dat de verwerende partij zich tegen het verzoekschrift heeft verweerd in een memorie van antwoord, kan haar vraag tot toekenning van een rechtsplegingsvergoeding worden ingewilligd.
BESLISSING
1. De zaak wordt van de rol geschrapt.
2. Het rolrecht ten bedrage van 200 euro dient aan de verzoekende partij te worden terugbetaald.
3. De verzoekende partij is een rechtsplegingsvergoeding van 140 euro verschuldigd aan de verwerende partij.
IX-8987-5/6
Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 6 september 2018, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit:
Bruno Seutin, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Tiny Temmerman, griffier.
De griffier De voorzitter
Tiny Temmerman Bruno Seutin
IX-8987-6/6
PDF document ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.242.262