Court orders suspension of vending machine contract award to Coca-Cola due to lack of procedural justification.
Synthèse Legislator
Généré par l'IAThe Council of State ordered the immediate suspension of the execution of the decision awarding a vending machine contract to Coca-Cola European Partners Belgium. The plaintiff argued that the public procurement procedure lacked transparency and proper motivation, violating principles of equality and care. The court found the second claim serious because the plaintiff demonstrated a legitimate interest in the lack of reasoning for choosing a negotiation procedure without prior announcement, while dismissing the first claim due to insufficient proof of prejudice.
Regeste Legislator
Généré par l'IAArticles 7, § 10 and § 11, 1° of the Royal Decree of 18 April 2017; Articles 42, § 1, a) of the Law of 17 June 2016: A public authority must provide sufficient motivation for choosing a negotiation procedure without prior announcement, and a claimant must demonstrate a serious interest and concrete prejudice to obtain a suspension of execution.
Mots-clés
Généré par l'IADispositions légales citées
Généré par l'IADécisions connexes
Généré par l'IATexte complet
RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK
VOORZITTER VAN DE XIIe VAKANTIEKAMER
nr. 242.231 van 29 augustus 2018
in de zaak A. 225.841/XII-8595
In zake: bvba MERA-CLAEYS
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Neil Braeckevelt en Evelien Vanhauter kantoor houdend te 8000 Brugge Ezelstraat 25
bij wie woonplaats wordt gekozen
tegen:
HOGESCHOOL WEST-VLAANDEREN
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Maarten Vinckier, kantoor houdend te 8800 Roeselare Hoogleedsesteenweg 7
bij wie woonplaats wordt gekozen
I. Voorwerp van de vordering
1. De vordering, ingesteld op 3 augustus 2018, strekt tot de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van:
-“de beslissing […] van ongekende datum, waarbij werd beslist om de overheidsopdracht voor de uitbating van de drank- en snoepautomaten van de campussen HOWEST te plaatsen middels onderhandelingsprocedure zonder voorafgaande bekendmaking;
- de beslissing van het bestuurscomité van verwerende partij van 9 juli 2018
waarbij werd beslist om de overheidsopdracht voor de uitbating van de drank- en snoepautomaten van de campussen HOWEST te gunnen aan COCA-COLA
EUROPEAN PARTNERS BELGIUM.”
XII-8595-1/14
II. Verloop van de rechtspleging
2. De verwerende partij heeft een nota ingediend.
De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 28 augustus 2018, om 10u30.
Staatsraad Patricia De Somere heeft verslag uitgebracht.
Advocaat Evelien Vanhauter, die verschijnt voor de verzoekende partij, en advocaat Maarten Vinckier , die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord.
Auditeur Ines Martens heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven.
Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.
III. Feiten
3.1. De verwerende partij, de Hogeschool West-Vlaanderen (Howest), wenst een dienstverlener aan te stellen voor het leveren en uitbaten van drank- en snoepautomaten op alle Howest Campussen. De uitbating van de automaten gebeurt door de opdrachtnemer die daarvoor een commissie op de verkoopscijfers betaalt aan Howest.
De verwerende partij beslist hiertoe een overheidsopdracht voor diensten uit te schrijven die wordt toegewezen middels een onderhandelingsprocedure zonder bekendmaking.
Het betreft de eerste bestreden beslissing.
XII-8595-2/14
3.2. Wat betreft de gunning van de opdracht wordt in het bestek bepaald: “Evaluatie van offertes gebeurt op basis van ingediende offerte, die aanbod, verkoopprijzen & commissie bevat.”
3.3. Bij e-mailbericht van 22 juni 2018 worden drie bedrijven uitgenodigd om een voorstel in te dienen voor het uitbaten van de drank- en snoepautomaten.
Deze drie bedrijven dienen een voorstel in.
3.4. Bij e-mailbericht van 10 juli 2018 vraagt de aanbestedende overheid bijkomende informatie aan de inschrijvers inzake het verbruik van de voorgestelde automaten en de visie omtrent suikervrij/suikerarm aanbod.
3.5. Op 17 juli 2018 stelt de aanbestedende overheid een “verslag van opening van de inschrijvingen”. Daarin wordt het onderzoek van de offertes als volgt weergegeven:
“1. Voorgaande 1.1. Tabel met vergelijking van de prijzen voorafgaand aan de onderhandelingen
Volgnr. Naam inschrijver Met zetel te rangschikking 1 Mera-Claeys Ruddervoorde 3
2 Drink-o-Mat Harelbeke 2
3 Coca-Cola Anderlecht 1
1.2. Verslag van nazicht van de ingediende inschrijvingen De procedure werd opgesteld met een aantal uitsluitingsvoorwaarden, en een criterium laagste prijs. Alle inschrijvingen zijn volledig conform de bepalingen van het bestek en de wettelijke voorschriften.
Mera Claeys: bijkomende info werd gevraagd omtrent - Het gebruik van kartonnen bekers of gelijkwaardig: Mera Claeys bevestigt, bio-afbreekbaar cfr. Europese richtlijn.
- Werking van de betalingssystemen: kaartlezer Mi-fare (Xafax) en NFC voor bankkaart is voorzien - Warme dranken:bonenkoffie in varianten (cappucino, melk, koffie verkeerd, …)
zijn voorzien.
Drink-O-Mat: bijkomende info werd gevraagd omtrent - Werking van de betalingssystemen: kaartlezer Mi-fare (Xafax) en NFC voor bankkaart is voorzien
XII-8595-3/14
- Warme dranken:bonenkoffie in varianten (cappucino, melk, koffie verkeerd, …)
zijn voorzien, met bijkomend latte macchiato.
Coca-Cola: bijkomende info werd gevraagd omtrent - Werking van de betalingssystemen: kaartlezer Mi-fare (Xafax) en NFC voor bankkaart is voorzien - Warme dranken:bonenkoffie in varianten (cappucino, melk, koffie verkeerd, …)
zijn voorzien, met bijkomend latte macchiato.
De inschrijvingen voldoen in de substantiële elementen.
Op basis van voorgaand onderzoek worden de inschrijvingen bevestigd en kan een onderhandeling met de inschrijver(s) worden opgestart.
[…]
2. Fase van de onderhandelingen 2.1. Overleg met de geselecteerde aannemers:
Aan alle firma‟s werd bijkomende informatie gevraagd omtrent - Verbruik en energieklasse van de te plaatsen koeltoestellen, dit in functie van de user cost die ten laste blijft van Howest en dus een impact heeft op de totaalkost/opbrengst van de samenwerking - Assortiment suikervrije en suikerarme dranken en snacks:
° gezien dit op geen van de aanbiedingen duidelijk vermeld werd ° gezien het bestek een uiteenlopend (en onderling te bespreken) assortiment oplegt ° gezien de prijzen van deze producten afwijkend kunnen zijn van de andere en zo een ander totaalkost/opbrengst van de samenwerking kunnen genereren.
2.2. BAFO
Aansluitend gaven alle inschrijvers verdere info, die geen wijziging bracht aan de leveringsprijzen en dus ook niet aan de eindrangschikking Er werd een eindtabel opgemaakt van de margepercentages en de leveringspercentages, gespreid over frisdranken PET-fles, frisdranken blik, snacks en warme dranken.
2.3. Advies tot bestelling na onderhandeling komt Coca-Cola als beste uit de rangschikking deze rangschikking houdt rekening met - Voorgestelde aankoopprijzen (en daaruit volgende marges)
- Verbruik van de vending machines - De randvoorwaarden zoals vermeld in de gunningsleidraad.”
3.6. Op 9 juli 2018 (lees wellicht: 19 juli 2018) beslist de verwerende partij “[...] om de raamovereenkomst voor het uitbaten van de drank- en snackautomaten in Kortrijk en Brugge voor de volgende vier jaar te gunnen aan Coca-Cola European Enterprises [...]”.
Dit is de tweede bestreden beslissing.
XII-8595-4/14
3.7. Met een aangetekende brief van 19 juli 2018 wordt de verzoekende partij in kennis gesteld van de gemotiveerde gunningsbeslissing, onder verwijzing naar artikel 8, § 1, van de wet van 17 juni 2013 „betreffende de motivering, de informatie en de rechtsmiddelen inzake overheidsopdrachten, bepaalde opdrachten voor werken, leveringen en diensten en concessies‟ (hierna:
de wet van 17 juni 2013) en naar de mogelijkheid voor de verzoekende partij om tegen de bestreden beslissing een beroep in te dienen bij de Raad van State “binnen 15 dagen in geval van een vordering tot schorsing overeenkomstig artikel 15 [van de wet van 17 juni 2013]”.
Het verslag van opening van de inschrijvingen wordt aan deze beslissing gehecht.
IV. Schorsingsvoorwaarden
4.1. Krachtens artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid slechts worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden en dat een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is die onverenigbaar is met de behandelingstermijn van de gewone vordering tot schorsing.
4.2. In het inleidend verzoekschrift en in de nota lijken de partijen er geen bezwaar tegen te hebben dat te dezen de wet van 17 juni 2013 wordt toegepast, die voorziet in afwijkingen van de voormelde gemeenrechtelijke regeling van de schorsing. Geen van de partijen stelt de kwalificatie van de voorliggende dienstverlening als overheidsopdracht immers in vraag, hoewel de kwalificatie overheidsopdracht niet vanzelfsprekend is en de vraag rijst of het niet eerder een concessie betreft gelet onder meer op de omstandigheid dat het exploitatierisico volledig bij de dienstverlener lijkt te liggen.
Al bij al mag een eventuele verkeerde kwalificatie door een aanbestedende overheid echter niet ten nadele van een verzoekende partij spelen.
Dit soort kwalificaties zijn overigens in het algemeen al niet eenvoudig, hetgeen
XII-8595-5/14
inzake concessies blijkt uit Richtlijn 2014/23/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 februari 2014 „betreffende het plaatsen van concessieovereenkomsten‟ waarmee onder andere wordt beoogd de definitie van concessie te verduidelijken, door naar het “concept operationeel risico te verwijzen” omdat “met de interpretatie van de begrippen concessie en overheids-
opdracht samenhangende moeilijkheden hebben geleid tot aanhoudende rechtsonzekerheid bij de belanghebbenden en tot talrijke arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie” (overweging 18).
De kwalificatievraag kan relevant zijn voor de schorsingsvoorwaarde van de uiterst dringende noodzakelijkheid en de termijn binnen welke de vordering dient te zijn ingesteld. Te dezen wordt de ontvankelijkheid van de vordering echter niet betwist op grond van deze voorwaarden, en de Raad van State ziet ook geen reden om vast te stellen dat daar niet zou zijn aan voldaan. Gelet op de kwalificatie in het bestek van de gehele opdracht als overheidsopdracht, en gelet op de verwijzing in de bestreden beslissing naar de wet van 17 juni 2016 inzake overheidsopdrachten en in de kennisgeving naar de wet van 17 juni 2013, kan het de verzoekende partij niet worden ten kwade geduid zich te hebben gesteund op de meer vermelde wet van 17
juni 2013. Voorts zal hierna blijken dat bij de beoordeling van het tweede middel de voormelde kwalificatievraag ook geen belang lijkt te vertonen.
4.3. Om de voormelde redenen lijkt de wet van 17 juni 2013 te mogen worden toegepast op de huidige procedure.
Krachtens artikel 15, eerste lid, van die wet kan de uitvoering worden geschorst van de thans bestreden beslissing in aanwezigheid van een ernstig middel of een klaarblijkelijke onwettigheid.
Overeenkomstig artikel 15, tweede lid, echter wordt de vordering tot schorsing voor de Raad van State uitsluitend ingesteld volgens een procedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid.
Er dient te dezen dan ook enkel nog te worden onderzocht of minstens één ernstig middel wordt aangevoerd, dan wel een klaarblijkelijke
XII-8595-6/14
onwettigheid aanwezig is, die de nietigverklaring van de bestreden beslissing kunnen verantwoorden.
V. Onderzoek van de middelen
A. Tweede middel, gericht tegen de tweede bestreden beslissing
Standpunt van de partijen
5. De verzoekende partij voert in een tweede middel de schending aan van de formelemotiveringsplicht zoals vervat in artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen (hierna: de wet van 29 juli 1991) en artikel 29/1, §1, 2° van de wet van 17 juni 2013, alsook van het zorgvuldigheidsbeginsel en het transparantiebeginsel, zoals vervat in artikel 4 van de wet van 17 juni 2016 inzake overheidsopdrachten.
Zij acht de voormelde bepalingen en beginselen geschonden doordat de aanbestedende overheid heeft beslist om de opdracht te gunnen aan de gekozen inschrijver, zonder te motiveren waarom deze offerte moet worden beschouwd als de economisch meest voordelige offerte, terwijl voormelde bepalingen en beginselen bepalen dat elke gunningsbeslissing moet worden gemotiveerd, hetgeen impliceert dat de juridische en feitelijke motieven die aan de beslissing ten grondslag liggen, moeten worden vermeld. De verzoekende partij wijst erop dat in de bestreden gunningbeslissing niet wordt aangegeven waarom of op welke punten de begunstigde beter scoort dan de verzoekende partij. Zij hekelt ook het feit dat het resultaat van de weging van de gunningscriteria niet wordt meegedeeld, noch worden de totaalscores vermeld. De verzoekende partij betoogt dat het haar dan ook absoluut niet duidelijk is op welke punten haar offerte minder goed scoort en hoe de verwerende partij tot de tweede bestreden beslissing is gekomen, zodat zij bijgevolg niet zorgvuldig en transparant is tewerk gegaan.
De verwerende partij repliceert in haar nota dat de leidend ambtenaar een (als vertrouwelijk neergelegde) eindtabel heeft opgemaakt met daarin een vergelijking van de voorgestelde verkoopprijzen en commissies, het
XII-8595-7/14
verbruik van de machines voor gekoelde dranken en het aangeboden assortiment en dat uit deze tabel zou blijken dat de gekozen inschrijver de economisch meest voordelige offerte heeft. Uit de tabel blijkt immers dat alle inschrijvers dezelfde beoordeling krijgen op het criterium “aanbod” (“assortiment” genoemd in de eindtabel”) en op het (bijkomend) criterium “verbruik van de machines”. Het enige onderscheidende criterium is de “prijs” (omschreven als “verkoopprijzen en commissie” in het bestek) dat dus, naar het standpunt van de verwerende partij, doorslaggevend is om te bepalen welke inschrijver de economisch meest voordelige offerte heeft ingediend.
De verwerende partij verwijst ook naar haar betoog bij het derde onderdeel van het eerste middel waar zij stelt dat de gemiddelde verkoopprijs en de gemiddelde commissie voor elk van de vijf categorieën van producten die via de machines geleverd zouden worden, werd berekend, en vervolgens de gemiddelde commissie werd afgetrokken van de voorgestelde gemiddelde verkoopprijs, wat resulteerde in vijf scores per categorie. De vijf scores werden vervolgens samengeteld en gedeeld door vijf, wat dan resulteerde in een eindscore per inschrijver. Uit de vergelijkende eindtabel zou blijken dat de gekozen inschrijver het best scoorde op het criterium “prijs”.
Beoordeling
6. De bestreden beslissing moet, teneinde te voldoen aan de formelemotiveringsplicht, de juridische en feitelijke overwegingen vermelden die aan de beslissing ten grondslag liggen, en die motivering moet afdoende zijn teneinde de belanghebbende in staat te stellen terdege te oordelen of het zin heeft zich tegen de beslissing te verweren met de middelen die het recht hem ter beschikking stelt.
De formelemotiveringsplicht impliceert dat de motieven uit de bestreden beslissing zelf moeten blijken. Wel kan worden aangenomen dat aan die doelstelling is voldaan indien de betrokkene desgevallend langs een andere weg kennis heeft gekregen van de motieven waarop de beslissing is gesteund, ook al worden die motieven dan niet in de beslissing zelf veruitwendigd, met name wanneer de beslissing verwijst naar andere stukken.
XII-8595-8/14
Een dergelijke motivering door verwijzing dient evenwel aan bepaalde voorwaarden te voldoen. Vooreerst moet de inhoud van de stukken waarnaar wordt verwezen aan de betrokkene ter kennis zijn gebracht. Bovendien moeten de desbetreffende stukken zelf afdoende gemotiveerd zijn en mogen ze niet tegenstrijdig zijn. Ten slotte dienen de stukken in de uiteindelijke beslissing te worden bijgevallen door de beslissende overheid.
7. De draagwijdte van de formelemotiveringsverplichting lijkt te moeten worden beoordeeld in verhouding tot de graad van beoordelingsvrijheid waarover de aanbestedende overheid beschikt. Indien offertes worden gerangschikt, moet de motivering toestaan te achterhalen waarom de ene offerte voor de andere offerte wordt gerangschikt, in voorkomend geval rekening houdend met de beoordelingselementen zoals aangekondigd in de opdrachtdocumenten, zodat achteraf elke inschrijver kan nagaan of de rangschikking rechtmatig is geschied.
8. Te dezen gebeurt, overeenkomstig de algemene bepalingen van het bestek (onder punt “Gunning van de opdracht”), de evaluatie van de offertes op basis van de “ingediende offerte, die aanbod, verkoopprijzen & commissie” bevat.
In de bestreden beslissing zelf worden geen motieven weergegeven die geleid hebben tot de keuze voor de offerte van de begunstigde inschrijver.
Blijkens de sub 3.5. weergegeven formele motieven van het “verslag over de resultaten van het openen van de inschrijvingen”, dat samen met de bestreden beslissing aan de inschrijvers werd meegedeeld, werd “een eindtabel opgemaakt van de margepercentages en de leveringspercentages, gespreid over frisdranken PET-fles, frisdranken blik, snacks en warme dranken”, waarna werd geadviseerd dat “Coca-Cola als beste uit de rangschikking [komt]” en “deze rangschikking [...] rekening [houdt] met: [v]oorgestelde aankoopprijzen (en daaruit volgende marges)[...]”.
9. Op het eerste gezicht lijkt te moeten worden vastgesteld dat op grond van deze formele motieven het voor de verzoekende partij niet mogelijk lijkt
XII-8595-9/14
om met voldoende inzicht te begrijpen waarom met betrekking tot de volgens het bestek te evalueren elementen “assortiment”, “verkoopprijzen” en “commissie”, de offerte van de gekozen inschrijver beter scoort dan haar offerte, noch welk onderling belang aan de verschillende beoordelingselementen werd toegekend in de uiteindelijke keuze van de offerte.
Uit het motief dat deze rangschikking rekening houdt met “voorgestelde aankoopprijzen (en daaruit volgende marges)”, blijkt niet of de toegekende commissie als een afzonderlijk criterium werd beoordeeld, dan wel of enkel de totaalprijzen met inbegrip van de toegekende commissie werden vergeleken, dan wel enkel de aankoopprijzen. Evenmin blijkt op welke wijze het assortiment van de verschillende inschrijvers werd vergeleken en beoordeeld. Er wordt in het bestek geen verdere verduidelijking gegeven omtrent het onderlinge belang van de verschillende beoordelingselementen noch omtrent de toe te passen beoordelingsmethode zodat ook het samenlezen van het gunningsverslag met het bestek de verzoekende partij hieromtrent geen verder inzicht kan bieden.
10. De verwerende partij verwijst in haar nota naar de door de leidend ambtenaar opgestelde “prijsvergelijking eindtabel” die zij als vertrouwelijk stuk aan het administratief dossier toevoegt. Voor zover de verwerende partij van oordeel is dat zij deze tabel niet aan de inschrijvers diende mee te delen omdat deze bedrijfsgevoelige informatie zou bevatten, valt op het eerste gezicht niet in te zien waarom aan de verzoekende partij niet minstens de tabel kon worden meegedeeld waarin de gegevens met betrekking tot haar eigen offerte werden opgenomen, zodat zij minstens inzicht kreeg in welke gegevens uit haar offerte door de aanbestedende overheid in de beoordeling van de offertes werden betrokken. Bovendien lijkt de eindtabel ook informatie te bevatten waarvan niet onmiddellijk duidelijk blijkt dat het zou gaan om bedrijfsgevoelige informatie, zoals het aantal “soorten in assortiment” van elke inschrijver. Zelfs indien te dezen bepaalde of alle concrete gegevens uit de offertes niet zouden mogen worden bekendgemaakt, lijkt dit niet uit te sluiten dat een beoordeling wordt opgesteld en meegedeeld die enerzijds rekening houdt met het mogelijks vertrouwelijk karakter van bepaalde gegevens maar anderzijds ook met de verplichting uitdrukkelijk en afdoende te motiveren.
XII-8595-10/14
11. Bovendien rijst de vraag in welke mate het meedelen van de eindtabel de verzoekende partij wel voldoende inzicht zou hebben gegeven in de beoordeling die door de aanbestedende overheid werd doorgevoerd. Enkel met betrekking tot het criterium “assortiment” wordt uitdrukkelijk weergegeven dat dit voor geen van de inschrijvers tot puntenverlies aanleiding gaf. De in de nota beschreven beoordelingsmethode die zou hebben geresulteerd in een eindscore per inschrijver en waaruit zou blijken dat de gekozen inschrijver het beste zou gescoord hebben “op het criterium prijs”, lijkt op het eerste gezicht niet te kunnen worden afgeleid uit de “prijsvergelijking eindtabel”, waarop geen puntenscores of eindscores zijn opgenomen. Zelfs in de mate zou worden aangenomen dat de laagste gemiddelde “verkoopprijs” en de hoogste gemiddelde “commissie” als criterium werd gehanteerd, dan nog moet worden vastgesteld dat uit de eindtabel niet kan worden afgeleid hoe de aanbestedende overheid, op grond van deze beoordelingselementen, uiteindelijk tot de eindrangschikking van de offertes is overgegaan.
In het administratief dossier is bijgevolg evenmin een volledige verduidelijking terug te vinden van de toegepaste methode van beoordeling en het onderlinge belang van de beoordelingselementen.
Voor zover de verwerende partij in haar nota betoogt, en ook ter zitting bevestigt dat de begunstigde uiteindelijk werd gekozen enkel op het criterium “prijs gefactureerd door de leverancier”, lijkt dit motief strijdig te zijn met het bestek en aldus geen rechtsgrond te kunnen bieden aan de bestreden beslissing.
Het tweede middel is ernstig.
B. Derde middel
Uiteenzetting van het middel
12. De verzoekende partij voert in een derde middel, gericht tegen de eerste en tweede bestreden beslissing, de schending aan van de formelemotiveringsplicht zoals vervat in de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli
XII-8595-11/14
1991, artikel 4, eerste lid, 1° en tweede lid, in samenhang gelezen met artikel 5, 2°
van de wet van 17 juni 2013, artikel 42, §1 van de wet van 17 juni 2016 inzake overheidsopdrachten juncto artikel 90, eerste lid, 1°, artikel 11, eerste lid, 2° en artikel 7, § 10 en § 11, 1° van het koninklijk besluit van 18 april 2017 „plaatsing overheidsopdrachten in de klassieke sectoren‟, het gelijkheidsbeginsel en transparantiebeginsel zoals vervat in de artikelen 10 en 11 van de Grondwet en artikel 4 van de wet van 17 juni 2016 inzake overheidsopdrachten, het mededigingsbeginsel zoals vervat in artikel 5, § 1 van de wet van 17 juni 2016
inzake overheidsopdrachten, het zorgvuldigheidsbeginsel, het beginsel patere legem quam ipse fecisti en het gelijkheidsbeginsel.
Zij acht de voormelde bepalingen en beginselen geschonden doordat de aanbestedende overheid besliste om de opdracht te gunnen middels een onderhandelingsprocedure zonder bekendmaking, zonder dat zij op enig ogenblik aangaf wat de motieven waren om van deze procedure gebruik te maken. In de mate de aanbestedende overheid zou gemeend hebben beroep te kunnen doen op deze procedure op grond van artikel 42, § 1, a) van de wet van 17 juni 2016 inzake overheidsopdrachten, met name dat de goed te keuren uitgave lager is dan 144.000
euro excl. btw, wijst de verzoekende partij erop dat overeenkomstig artikel 7, § 10
en § 11, 1° van het koninklijk besluit van 18 april 2017 „plaatsing overheidsopdrachten in de klassieke sectoren‟ rekening moet worden gehouden met de totale vergoeding van de dienstverlener en de totale waarde voor de gehele looptijd van de opdracht.
Beoordeling
13. De verzoekende partij blijkt een offerte te hebben ingediend in de in het geding zijnde onderhandelingsprocedure zonder bekendmaking. In het verzoekschrift verduidelijkt zij niet hoe in die omstandigheid de aangeklaagde schendingen haar zouden hebben benadeeld. In het bijzonder geeft zij geenszins aan op welke wijze of in welke mate zij geschaad werd door het gebrek aan motivering van de keuze voor de onderhandelingsprocedure zonder bekendmaking, noch door het gebruik van deze procedure.
XII-8595-12/14
De verzoekende partij lijkt bijgevolg haar belang bij het middel en des te meer het ernstig karakter ervan niet te hebben aangetoond.
VI. Besluit en kosten
14. Het tweede middel is ernstig gebleken. De schorsing van de tenuitvoerlegging van de tweede bestreden beslissing dient dan ook te worden bevolen. Het eerste middel, eveneens gericht tegen de tweede bestreden beslissing, lijkt niet tot een ruimere schorsing te kunnen leiden en blijft bijgevolg onbesproken.
Het derde middel gericht tegen beide bestreden beslissingen is niet ernstig gebleken. De vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de eerste bestreden beslissing dient dan ook te worden verworpen.
15. Gelet op de hierna ingewilligde vordering tot schorsing en het daaropvolgend nog noodzakelijke procesverloop worden de kosten, daarin begrepen de rechtsplegingsvergoedingen, in beraad gehouden.
BESLISSING
1. De Raad van State beveelt de schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de beslissing van “9” juli 2018 van het bestuurscomité van Hogeschool West-Vlaanderen waarbij deze als aanbestedende overheid beslist om de overheidsopdracht voor de uitbating van de drank- en snoepautomaten van de campussen Howest te gunnen aan Coca-Cola European Partners Belgium bvba.
2. De Raad van State verwerpt de vordering voor het overige.
XII-8595-13/14
Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 29 augustus 2018, door de Raad van State, XIIe vakantiekamer, samengesteld uit:
Patricia De Somere, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Johan Pas, griffier.
De griffier De voorzitter
Johan Pas Patricia De Somere
XII-8595-14/14
PDF document ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.242.231