Legislator Jurisprudence & Législation
ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.242.080 ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.242.080 Généré par l'IA

Court dismisses appeal against urgent expropriation for bicycle path construction due to insufficient urgency justification.

Numéro de cause ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.242.080
Autorité / Tribunal
Juridiction Belgique (BE)
Date de la décision
Issue du litige Rejeté (Dismissed)

Synthèse Legislator

Généré par l'IA

The Council of State rejected the applicant's appeal against a Flemish minister's decision to urgently expropriate land for a new bicycle path. The applicant argued the existing two-way path caused safety issues, but the court found this argument did not negate the urgency of the project. Consequently, the court ruled that the necessity and urgency of the expropriation were adequately motivated and dismissed the case.

Regeste Legislator

Généré par l'IA

Wet van 26 juli 1962 betreffende de rechtspleging bij hoogdringende omstandigheden inzake onteigening ten algemenen nutte; The court holds that an expropriation under urgent circumstances is valid if the necessity and urgency are sufficiently motivated, even if the applicant criticizes the project's timing or alternatives.

Mots-clés

Généré par l'IA
urgent expropriation bicycle path construction high urgency circumstances safety conflict justification procedural dismissal Flemish expropriation law adequate motivation impératifs de sécurité routière

Dispositions légales citées

Généré par l'IA
Wet van 26 juli 1962 betreffende de rechtspleging bij hoogdringende omstandigheden inzake onteigening ten algemenen nutte
Généré par l'IA

Vous souhaitez savoir comment cet arrêt s'applique à votre dossier ?

Analysez cette décision avec la législation fédérale, le droit cantonal, la doctrine et la jurisprudence subséquente dans Legislator AI.

Ouvrir dans Legislator →

Texte complet

RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK

Xe KAMER

nr. 242.080 van 5 juli 2018

in de zaak A. 221.073/X-16.822.

In zake : Joannes SCHRIJVERS

bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Wim Mertens kantoor houdend te 3580 Beringen Paalsesteenweg 81

bij wie woonplaats wordt gekozen

tegen :

het VLAAMSE GEWEST

bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Sven Vernaillen kantoor houdend te 2018 Antwerpen Mechelsesteenweg 27

bij wie woonplaats wordt gekozen

I. Voorwerp van het beroep

1. Het beroep, ingesteld op 23 december 2016, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van de Vlaamse minister van Mobiliteit, Openbare werken, Vlaamse Rand, Toerisme en Dierenwelzijn van 8 september 2016 waarbij in het algemeen belang voor de aanleg van een fietspad langs de Noordlaan N744 in Zutendaal de onroerende goederen aangeduid op het plan onmiddellijk in het bezit worden genomen en worden onteigend overeenkomstig de wet van 26 juli 1962 ‘betreffende de rechtspleging bij hoogdringende omstandigheden inzake onteigening ten algemenen nutte’.

X-16.822-1/9

II. Verloop van de rechtspleging

2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend.

Eerste auditeur-afdelingshoofd Ann Van Mingeroet heeft een verslag opgesteld.

Verzoeker en de verwerende partij hebben een laatste memorie ingediend.

De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 23 maart 2018.

Staatsraad Jan Clement heeft verslag uitgebracht.

Advocaat Joris Gebreurs, die loco advocaat Wim Mertens verschijnt voor de verzoekende partij, en advocaat Christophe Smeyers, die loco advocaat Sven Vernaillen verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord.

Eerste auditeur Tom De Waele heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven.

Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.

III. Feiten

3. Verzoeker is eigenaar van een perceel, kadastraal bekend afdeling 1, sectie B, nr. 6/v, gelegen langs de westelijke zijde van de gewestweg N744 te Zutendaal (hierna: verzoekers perceel). Langs de oostzijde van die gewestweg bevindt zich een tweerichtingsfietspad.

X-16.822-2/9

4. Bij het bestreden besluit beslist de Vlaamse minister van Mobiliteit, Openbare werken, Vlaamse Rand, Toerisme en Dierenwelzijn dat in het algemeen belang voor de aanleg van het fietspad aan de westzijde van de N744 (delen van) onroerende goederen op het grondgebied van de gemeente Zutendaal onmiddellijk in het bezit worden genomen en worden onteigend overeenkomstig de bepalingen van de wet van 26 juli 1962 ‘betreffende de rechtspleging bij hoogdringende omstandigheden inzake onteigening ten algemenen nutte’ (hierna: de wet van 26 juli 1962).

Verzoekers perceel wordt gedeeltelijk door de bestreden onteigening getroffen voor een oppervlakte van 1a 25ca (inneming 2).

5. Het bestreden besluit is als volgt gemotiveerd:

“Overwegende dat de N744 behoort tot het Bovenlokaal Functioneel Fietsroutenetwerk;

Overwegende dat op deze weg een geheel aan fietspaden nodig zijn om veilig per fiets naar het werk, school of winkel te gaan, de veiligheid van de functionele fietser is hierbij van cruciaal belang;

Overwegende dat momenteel de woningen aan de westzijde van de N744 niet ontsloten zijn met een fietspad, en de fietsers de rijbaan dienen over te steken naar het dubbelrichtingsfietspad aan de overzijde;

Overwegende dat door het oversteken van de weg de veiligheid van de fietser in het gedrang komt, fietsers die uit de Gelierseweg komen en richting Bilzen willen rijden moeten de gewestweg tweemaal oversteken;

Overwegende dat het Vlaams Gewest de woningen beter bereikbaar wil maken voor de fiets en het aantal oversteek bewegingen wil minimaliseren door de volgende maatregelen te treffen:

er wordt gekozen om een enkelrichtingsfietspad aan te brengen aan de westzijde tussen de Gelierseweg en de Boekweitstraat;

ter hoogte van het bos wordt het fietspad vrijliggend aangelegd voorzien met een maximale afscheiding voor het verkeer, de beleving van de fietser is zodoende meer naar het bos gericht dan naar de gewestweg;

in de tussenzone komt er een open gracht om de waterhuishouding te voorzien;

gelijktijdig met het aanleggen van een enkelrichtingsfietspad aan de westzijde wordt ook een volwaardige bushalte aan beide zijden uitgebouwd.

Overwegende dat er nog voldoende ruimtes, reeds eigendom van het Vlaams Gewest kunnen gebruikt worden om de haltehavens en nodige infrastructuur aan te leggen;

X-16.822-3/9

Overwegende dat het conflict met het gemotoriseerd [verkeer] op het betreffende wegsegment dermate groot is dat de veiligheid van de fietsers telkens in gevaar is bij de huidige oversteekbewegingen;

Overwegende dat vanuit de bewoners de vraag gekomen is om een veilige ontsluiting voor de fietser en de woningen te voorzien;

Overwegende dat de fietser zich ook op een veilige manier moet kunnen verplaatsen;

Overwegende dat de onteigeningen van de voor dit project vereiste percelen derhalve dringend gerealiseerd moeten worden en noodzakelijk zijn;

Gelet op de recente beschikbare ongevallengegevens van de politie MIDLIM met betrekking tot de periode 1/1/2012 tot en met 31 maart 2015.

Tijdens deze periode werden er in totaal 7 ongevallen met 2 lichtgewonden geregistreerd”.

IV. Onderzoek van de middelen

A. Tweede middel

Standpunt van de partijen

6.1. In een tweede middel voert verzoeker de schending aan van het materiëlemotiveringsbeginsel en van de artikelen 2 en 3 van de wet van 21 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’ (hierna: de formelemotiveringswet).

6.2. Volgens verzoeker blijkt uit het administratief dossier dat slechts één van de lichtgewonden die in de overwegingen van het bestreden besluit worden vermeld, een fietser was. De verkeersongevallen die zich ter plaatse hebben voorgedaan zijn dan ook, op één uitzondering na, volledig toe te schijven aan het gemotoriseerd verkeer onderling. Daaruit volgt volgens verzoeker dat het aangehaalde cijfermateriaal in ieder geval niet draagkrachtig is daar “het betrekking heeft op een heel ander aspect van de verkeersveiligheid”.

7. In zijn memorie van wederantwoord benadrukt verzoeker dat er “geen onteigeningsnoodzaak [is] wanneer er één ongeval met één licht gewonde fietser heeft plaats gevonden in de onderzochte periode van enkele jaren”.

X-16.822-4/9

8. In zijn laatste memorie stelt verzoeker dat “het bestreden besluit geen afdoende motivering verstrekt waaruit blijkt dat de hinder van de bushaltehavens voor omwonenden verenigbaar is met de vereisten van een goede ruimtelijke ordening”.

Beoordeling

9. Anders dan verzoeker blijkbaar meent, wordt de draagkracht van de in randnummer 5 aangehaalde motivering van de onteigeningsnoodzaak niet onderuit gehaald door het feit dat van de twee in het bestreden besluit aangehaalde verkeerslachtoffers er “maar één” een fietser was.

Daar verzoeker nalaat de motivering voor het overige te bekritiseren kan hij er niet van overtuigen dat ze niet afdoende zou zijn.

10. Met de – overigens onbegrijpelijke – argumentatie in zijn laatste memorie (randnr. 8) geeft verzoeker hoe dan ook een laattijdige en bijgevolg onontvankelijke nieuwe grondslag aan het middel.

11. Het middel wordt verworpen.

B. Eerste middel

Standpunt van de partijen

12.1. In een eerste middel voert verzoeker de schending aan van artikel 1 van de wet van 26 juli 1962 en van de artikelen 2 en 3 van de formelemotiveringswet.

12.2. In het eerste middelonderdeel stelt verzoeker dat er geen onteigeningsnoodzaak is omdat er langs de gewestweg N744 reeds een zeer veilige fietsverbinding aanwezig is. Het motief in het bestreden besluit dat “op deze weg een geheel aan fietspaden nodig zijn om veilig per fiets naar het werk,

X-16.822-5/9

school of winkel te gaan” is dan ook onjuist, minstens niet afdoende om de vermeende onteigeningsnoodzaak te ondersteunen.

12.3. In het tweede middelonderdeel stelt verzoeker dat uit de motivering van het bestreden besluit helemaal niet blijkt waarom de voorgenomen onteigening hoogdringend zou moeten worden gerealiseerd. Uit de rechtspraak van de Raad van State volgt immers dat niet kan worden aanvaard dat de verhoging van de verkeersveiligheid uit zijn aard steeds hoogdringend zou zijn. Volgens verzoeker beroept het bestreden besluit zich volstrekt ten onrechte op verkeersongevallen en lichtgewonden die te betreuren zouden zijn. Verzoeker verwijst hiervoor naar zijn uiteenzetting van het tweede middel “die hier als integraal herhaald wordt beschouwd”.

Verder kan volgens verzoeker het ter wille zijn van buurtbewoners onmogelijk de rechtens vereiste rechtvaardiging uitmaken.

“Trouwens”, zo voegt verzoeker er aan toe, “de meerderheid van de buurtbewoners is tegen het nieuwe geplande fietspad”.

13. In zijn memorie van wederantwoord stelt verzoeker dat het de verwerende partij “ontgaat […] dat de weg sowieso moet worden overgestoken wanneer bewoners zich naar de andere kant van de weg wensen te begeven”. Er hadden volgens verzoeker alternatieven moeten worden onderzocht, hetgeen niet is gebeurd.

14. In zijn laatste memorie schrijft verzoeker dat uit het administratief dossier “genoegzaam [blijkt] dat de ongevallen werden veroorzaakt door kop-staart aanrijdingen, controleverlies, loslopende dieren en de toestand van het wegdek”. Verzoeker leidt daaruit af dat de in het bestreden besluit aangehaalde cijfers niet aantonen dat “dat overstekende fietsers de oorzaak zijn van ongevallen, reden waarvoor er moet worden onteigend voor de aanleg van een extra fietspad”.

X-16.822-6/9

Beoordeling

15. Luidens artikel 1 van de wet van 26 juli 1962 kan de onteigening volgens de regels van die wet slechts geschieden “[w]anneer de Koning vaststelt dat de onmiddellijke inbezitneming van een of meer onroerende goederen ten algemenen nutte onontbeerlijk is”.

16. In de formele motieven van het bestreden besluit wordt omstandig ingegaan op het concrete verkeersveiligheidsprobleem van “cruciaal belang” dat zich langs de gewestweg N744 voordoet, meer bepaald de noodzaak voor fietsers die van de westzijde van die gewestweg komen en zich in de richting van Bilzen willen verplaatsen om de rijbaan over te steken teneinde het bestaande fietspad aan de oostzijde te bereiken.

17. Wat de noodzaak van de onteigening betreft beperkt verzoeker zich in het verzoekschrift tot het in herinnering brengen van het bestaan van het fietspad aan de oostzijde van de gewestweg N744, waarmee hij geenszins de in het vorige randnummer aangehaalde motieven met betrekking tot het laatstgenoemde verkeersveiligheidsprobleem ontkracht. Er moet immers worden vastgesteld dat dit probleem precies wordt veroorzaakt door het bestaan van het tweerichtingsfietspad aan de oostzijde van de gewestweg N744 en de afwezigheid van een fietspad aan de westzijde ervan. Aan die vaststelling gaat verzoeker ook in zijn memorie van wederantwoord voorbij. Verzoeker laat in die memorie verder volkomen na aan te duiden welke alternatieven de verwerende partij had moeten onderzoeken.

18. De argumentatie over de verkeersongevallen die verzoeker in zijn laatste memorie aanvoert (randnr. 15) is laattijdig en derhalve onontvankelijk. Ten overvloede valt nog op te merken dat verzoeker er ten onrechte aan voorbijgaat dat – binnen de door hem opgesomde oorzaken – het kan gaan om een ongeval waarbij een overstekende fietser het slachtoffer is van een automobilist die “controleverlies” lijdt.

X-16.822-7/9

19.1. De hoogdringendheid van de bestreden onteigening wordt gemotiveerd door de noodzaak om snel een einde te maken aan het meergenoemde verkeersveiligheidsprobleem, dat in de formele motieven omschreven wordt als een “dermate groot” conflict met gemotoriseerd verkeer dat fietsers “telkens in gevaar [komen]” bij het oversteken van de N744, en niet –

zoals het tweede middelonderdeel laat uitschijnen – door de overweging dat de verhoging van de verkeersveiligheid uit zijn aard steeds hoogdringend zou zijn.

19.2. De noodzaak om snel in te grijpen wordt in het bestreden besluit verder onderbouwd door er op te wijzen dat er ter plaatse twee lichtgewonden geregistreerd zijn.

Ter zake beperkt verzoeker zich wezenlijk tot een verwijzing naar het tweede middel, waarover hiervoor reeds is geoordeeld dat het verworpen moet worden.

19.3. De mening van verzoeker dat de meeste buurtbewoners tegen het nieuwe fietspad zijn, betreft opportuniteitskritiek die niet van aard is de hoogdringendheid te ontkrachten.

20. De conclusie is dat verzoeker niet aannemelijk maakt dat de noodzaak van de onteigening en de hoogdringendheid onvoldoende gemotiveerd zouden zijn.

21. Het middel wordt verworpen.

V. Conclusie

22. Gelet op de verwerping van de middelen hiervoor wordt besloten tot de verwerping van het beroep. Er dient dan ook geen uitspraak te worden gedaan over de door de verwerende partij opgeworpen vraag om een gebeurlijke nietigverklaring in omvang te beperken.

X-16.822-8/9

BESLISSING

1. De Raad van State verwerpt het beroep.

2. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro.

Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van vijf juli 2018, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit:

Johan Lust, kamervoorzitter, Jan Clement, staatsraad, Stephan De Taeye, staatsraad, bijgestaan door Frank Bontinck, griffier.

De griffier De voorzitter

Frank Bontinck Johan Lust

X-16.822-9/9

PDF document ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.242.080