Court dismisses appeal due to withdrawal after auditor report and rejects damages claim without finding illegality.
Synthèse Legislator
Généré par l'IAThe Council of State dismissed the applicant's appeal for annulment of a disciplinary sanction and rejected the accompanying damages claim. The applicant failed to request continuation of proceedings after receiving the auditor's report recommending dismissal, triggering a statutory presumption of withdrawal. Since the court did not establish the alleged illegality of the disciplinary decision, the request for compensation was automatically rejected under procedural rules.
Regeste Legislator
Généré par l'IAArticles 21, paragraph 7; Article 25/3, paragraph 3 of the General Rules of Procedure: A failure to request continuation after an auditor's report establishes a presumption of withdrawal, and without a finding of illegality, any claim for damages must be rejected.
Mots-clés
Généré par l'IADispositions légales citées
Généré par l'IADécisions connexes
Généré par l'IATexte complet
RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK
VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER
nr. 242.033 van 2 juli 2018
in de zaak A. 217.963/XIV-36.843
In zake: Marian ZORILA
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Anna Segers kantoor houdend te 2000 Antwerpen Amerikalei 122
bij wie woonplaats wordt gekozen
tegen:
de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Justitie kantoor houdend te 1000 Brussel Willebroekkaai 33
I. Voorwerp van het beroep
1. Het beroep, ingesteld op 28 december 2015, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van de gevangenisdirecteur van Turnhout van 26 oktober 2015 waarbij aan verzoeker de tuchtsanctie wordt opgelegd van “30 dagen ATV van 23.10.2015 tem 21.11.2015”.
Verzoeker vordert tevens een schadevergoeding tot herstel “ex artikel 11bis van de Wet op de Raad van State bij nietigverklaring van de tuchtbeslissing dd. 26 oktober 2015 voor de schending van de rechten van verdediging, beginselen van behoorlijk bestuur en de wet, voorafgaand, tijdens en na de tuchtprocedure die tot de tuchtbeslissing hebben geleid […] [a]ls ook een schadevergoeding tot herstel voor elke uitgezeten dag in afzondering (ATV) in uitvoering van de uitgesproken (onrechtmatige) tuchtsanctie”.
XIV-36.843-1/4
II. Verloop van de rechtspleging
2. Bij arrest nr. 236.510 van 23 november 2016 is het debat heropend.
De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend.
Auditeur Inge Vos heeft een verslag opgesteld.
Dat verslag werd aan verzoeker ter kennis gebracht op 8 maart 2018.
Op 26 april 2018 heeft de hoofdgriffier, op verzoek van het aangewezen lid van het auditoraat, aan verzoeker de mededeling ter kennis gebracht, bedoeld in artikel 14quater van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 „tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State‟.
Verzoeker heeft niet gevraagd om te worden gehoord.
Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.
III. Beoordeling
3. In het auditoraatsverslag wordt de verwerping van het beroep voorgesteld.
Naar luid van artikel 21, zevende lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State geldt ten aanzien van de verzoekende partij een vermoeden van afstand van geding wanneer zij, na de kennisneming van het XIV-36.843-2/4
verslag van de auditeur waarin de verwerping of de onontvankelijkheid van het beroep wordt voorgesteld, geen verzoek tot voortzetting van de procedure indient binnen een termijn van dertig dagen die ingaat met de betekening van het verslag.
Verzoeker heeft geen verzoek tot voortzetting van de procedure ingediend.
4. Het vermoeden van afstand van geding is te dezen van toepassing.
IV. Vordering tot schadevergoeding tot herstel
5. Verzoeker vordert een schadevergoeding tot herstel ten bedrage van “2.500 euro morele schadevergoeding, vermeerderd met een schadevergoeding van 30 euro per dag voor de uitgezeten tuchtsanctie van 30 dagen […]”.
6. Artikel 25/3, § 3, van de algemene procedureregeling bepaalt dat “indien geen onwettigheid wordt vastgesteld, […] het arrest dat de procedure tot nietigverklaring afsluit, eveneens het verzoek om schadevergoeding tot herstel af[wijst]”. Tot een vaststelling van onwettigheid is de Raad van State in dit arrest, dat de procedure tot nietigverklaring afsluit, niet gekomen. Die vaststelling alleen reeds volstaat om het verzoek tot schadevergoeding tot herstel af te wijzen.
BESLISSING
1. De Raad van State stelt de afstand van het geding vast.
2. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro.
XIV-36.843-3/4
Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van twee juli tweeduizend achttien, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit:
Geert Debersaques, kamervoorzitter, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier.
De griffier De voorzitter
Joris Casneuf Geert Debersaques
XIV-36.843-4/4
PDF document ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.242.033