Legislator Jurisprudence & Législation
ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.241.997 ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.241.997 Généré par l'IA

Court dismisses urgent suspension request for public sector selection decision due to lack of extreme necessity.

Numéro de cause ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.241.997
Autorité / Tribunal
Juridiction Belgique (BE)
Date de la décision
Issue du litige Rejeté (Dismissed)

Synthèse Legislator

Généré par l'IA

The Council of State rejected the applicant's request for an urgent suspension of the public employment agency's selection decision. The applicant argued that waiting for a formal annulment would result in a loss of promotion chances and vacancy filling, but failed to prove irreparable harm. The court ruled that the applicant could still challenge the final selection outcome to secure redress, meaning the extreme necessity condition under Article 17 of the Council of State Act was not met.

Regeste Legislator

Généré par l'IA

Article 17, §§ 1 and 4 of the Council of State Act; An urgent suspension request is only granted if the applicant demonstrates that the delay in annulment proceedings would cause irreparable harm that cannot be remedied later, and that no other effective means of redress exist.

Mots-clés

Généré par l'IA
urgent suspension request extreme necessity condition public sector selection irreparable harm standard annulment proceedings delay administrative redress Council of State Act évaluation des aptitudes des candidats

Dispositions légales citées

Généré par l'IA
Article 17, §§ 1 and 4 of the Council of State Act
Généré par l'IA

Vous souhaitez savoir comment cet arrêt s'applique à votre dossier ?

Analysez cette décision avec la législation fédérale, le droit cantonal, la doctrine et la jurisprudence subséquente dans Legislator AI.

Ouvrir dans Legislator →

Texte complet

RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK

VOORZITTER VAN DE IXe KAMER

nr. 241.997 van 28 juni 2018

in de zaak A. 225.516/IX-9321

In zake: Koenraad RUTTEN

bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Hilde Vermeiren kantoor houdend te 2000 Antwerpen Amerikalei 191

bij wie woonplaats wordt gekozen

tegen:

de VLAAMSE GEMEENSCHAP

bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Steve Ronse, Deborah Smets en Sofie Logie kantoor houdend te 8500 Kortrijk Beneluxpark 27B

bij wie woonplaats wordt gekozen

I. Voorwerp van de vordering

1. De vordering, ingesteld op 22 juni 2018, strekt tot de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van:

“- de expliciete beslissing van het Agentschap Overheidspersoneel om de kandidatuur van […] Koenraad Rutten voor de functie van teamleider contact-

diensten bij VDAB op grond van de resultaten die hij heeft behaald op de voorselectie niet verder in rekening te nemen, zoals meegedeeld middels e-mailbericht van 16 mei 2018, en naderhand aanvullend gemotiveerd middels e-mailbericht van 4 juni 2018 en middels e-mailbericht van 8 juni 2018;

- de impliciete beslissing van het Agentschap Overheidspersoneel waarbij de rangschikking van de kandidaten in de voorselectie definitief werd verklaard, alsook van alle andere beslissingen die hieruit voor[t]vloeien.”

IX-9321-1/8

II. Verloop van de rechtspleging

2. De verwerende partij heeft een nota ingediend.

De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 27 juni 2018, om 14.00 uur.

Staatsraad Bert Thys heeft verslag uitgebracht.

Advocaat Hilde Vermeiren, die verschijnt voor de verzoekende partij en advocaat Deborah Smets, die tevens loco advocaten Steve Ronse en Sofie Logie verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord.

Eerste auditeur-afdelingshoofd Werner Weymeersch heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven.

Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoör-

dineerd op 12 januari 1973.

III. Feiten

3.1. Verzoeker is ambtenaar van niveau B bij de Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding (VDAB). Hij is thans tewerkgesteld als teamleider van werkwinkel Copernicus van de VDAB te Antwerpen.

3.2. In de loop van 2018 wordt bekendgemaakt dat de VDAB statu-

taire “teamleiders contactdiensten” met de graad van adjunct van de directeur (niveau A, rang A1) zal selecteren.

IX-9321-2/8

Luidens het selectiereglement moeten de kandidaten op de ui-

terste inschrijvingsdatum ofwel aan de voorwaarden voor bevordering, ofwel aan de voorwaarden voor horizontale mobiliteit voldoen.

De selectieprocedure omvat vooreerst een “cv-screening” en vervolgens een “voorselectie op basis van [een] standaardvragenlijst”. In het se-

lectiereglement is in verband met de laatstgenoemde selectiefase onder meer be-

paald:

“Deze selectiefase is eliminerend.

Enkel wie minstens 60% behaalt op het geheel van de criteria én wie be-

hoort tot de 120 hoogst scorenden, kan deelnemen aan de volgende selectiefase.

Bij gelijkheid van punten kunnen dit er meer zijn. Wanneer een van de 120

hoogst scorende kandidaten zijn of haar kandidatuur intrekt tijdens deze selec-

tiefase, kan de volgende best scorende kandidaat alsnog uitgenodigd worden om deel te nemen.”

Daarna volgen voor de in aanmerking genomen kandidaten nog een “assessment center met persoonlijkheidsvragenlijst”, een “case” en, ten slotte, een “eindselectie: eindgesprek met redeneeroefening”.

Op basis van “het verkregen totaalbeeld” worden de kandidaten „geschikt‟ of „niet geschikt‟ bevonden. Wie „geschikt‟ wordt bevonden, wordt (zonder rangschikking) opgenomen in een wervingsreserve die één jaar geldig blijft, maar kan worden verlengd.

3.3. Verzoeker stelt zich kandidaat voor een bevordering tot team-

leider contactdiensten en beantwoordt de standaardvragenlijst die zal worden beoordeeld tijdens de voorselectie.

3.4. Met een e-mail van 16 mei 2018 deelt het agentschap Over-

heidspersoneel van de Vlaamse overheid aan verzoeker mee dat hij voldoet aan de formele deelnemingsvoorwaarden. Met betrekking tot de voorselectie op basis van de standaardvragenlijst wordt evenwel gesteld:

IX-9321-3/8

“Ondanks je wel 60% behaalde, behoorde je niet tot de 120 hoogst scorende kandidaten. We nemen je kandidatuur hierdoor niet verder in rekening.”

3.5. De vraag van verzoeker om feedback wordt door het agentschap Overheidspersoneel beantwoord met e-mails van 4 en 8 juni 2018. Luidens het eerstgenoemde e-mailbericht behaalde verzoeker in totaal 66,25% van de punten op de voorselectie en komt hij daarmee op de 167ste plaats in de rangschikking.

Het laatstgenoemde e-mailbericht maakt gewag van een 173ste plaats.

3.6. Met een e-mail van 8 juni 2018 vraagt verzoeker aan het agent-

schap Overheidspersoneel of hij “[i]n [het] kader van de openbaarheid van be-

stuur” inzage kan krijgen in zijn dossier.

IV. Herinnering aan de schorsingsvoorwaarden

4. Krachtens artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid slechts worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat min-

stens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden en dat een uiterst dringende nood-

zakelijkheid voorhanden is die onverenigbaar is met de behandelingstermijn van de gewone vordering tot schorsing.

V. Uiterst dringende noodzakelijkheid

Standpunt van verzoeker

5.1. Verzoeker voert in zijn inleidend verzoekschrift de volgende argumentatie aan om de uiterst dringende noodzakelijkheid van zijn vordering te onderbouwen:

“Door de beslissing om de kandidatuur van verzoeker niet verder in rekening te nemen, kan verzoeker niet deelnemen aan de volgende selectiefase in de se-

IX-9321-4/8

lectieprocedure en wordt hij geconfronteerd met een verlies van zijn kans op bevordering en met zijn kans in aanmerking te komen voor de vacature.

De selectieprocedure gaat momenteel verder. De selectieverantwoordelij-

ken zijn thans volop bezig met de jurygesprekken die eind juli 2018 zouden aflopen, waarna de eindbeslissingen en invulling van de vacatures zullen vol-

gen.

Dit dreigend verlies toont aan dat de schorsing van de tenuitvoerlegging, indien ze pas na het afwikkelen van de gewone schorsingsprocedure zou wor-

den uitgesproken, onherroepelijk te laat zou komen om het nadeel op te vangen of zijn belangen veilig te stellen.

Zonder onmiddellijke schorsingen van de in casu bestreden beslissingen, zal de selectieprocedure afgelopen zijn en de vacatures ingevuld.

5.2. Voorts betoogt verzoeker dat hij “de zaak zo spoedig mogelijk aanhangig [heeft] gemaakt bij de Raad van State en van meet af aan met de pas-

sende voortvarendheid [heeft] opgetreden”. Hij stelt dat hij nagenoeg onmiddellijk na de mededeling dat zijn kandidatuur niet verder in aanmerking zou worden ge-

nomen, feedback heeft gevraagd aan de verwerende partij om “alzo de eigenlijke motivering van deze beslissing te achterhalen”. Hij heeft vanwege die partij een antwoord ontvangen met e-mailberichten van 4 en 8 juni 2018. Gelet op de te-

genstrijdigheid in de aangebrachte motivering, heeft hij op 8 juni 2018 nog inzage in het dossier gevraagd, waartoe hij, na herhaald aandringen, op 22 juni 2018 de mogelijkheid heeft gekregen. Pas daarna, zo vervolgt verzoeker, heeft hij met kennis van zaken kunnen beslissen om de voorliggende vordering in te stellen.

5.3. Verzoeker besluit dat “[d]e zaak […] dermate dringend [is] dat enkel een procedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid een tijdige en afdoende bescherming kan bieden voor [zijn] in het geding zijnde belangen […], namelijk de mogelijkheid om kans te maken op de bevordering”.

Beoordeling

6. Er zij aan herinnerd dat de toepassing van de schorsingsproce-

dure bij uiterst dringende noodzakelijkheid een ernstige verstoring teweegbrengt in het normale verloop van de rechtspleging voor de Raad van State, dat ze de mo-

gelijkheden tot onderzoek van de zaak tot een strikt minimum beperkt en de uit-

IX-9321-5/8

oefening van de rechten van de verdediging van de verwerende partij aanzienlijk in het gedrang brengt.

De aanwending van die procedure moet dan ook zeer uitzonder-

lijk blijven in die zin dat ze slechts mag worden aangewend in die enkele gevallen dat het uiterst dringende karakter van de zaak meteen voor iedereen zonder meer duidelijk is of door de verzoekende partij op duidelijke en onomstootbare wijze wordt aangetoond. Luidens artikel 16, § 1, eerste lid, 7°, van het koninklijk besluit van 5 december 1991 „tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State‟ bevat het verzoekschrift waarin de uiterst dringende noodzake-

lijkheid wordt aangevoerd daartoe “een uiteenzetting van de feiten die de uiterst dringende noodzakelijkheid rechtvaardigen”.

Dit impliceert dat een verzoekende partij aan de hand van pre-

cieze en concrete gegevens aannemelijk moet maken dat de schorsing van de ten-

uitvoerlegging, indien ze pas na het afwikkelen van een gewone schorsingspro-

cedure zou worden uitgesproken, onherroepelijk te laat zou komen om het nadeel op te vangen of de belangen van de verzoekende partij veilig te stellen.

Niet minder dan het geval is in een gewone schorsingsprocedure, is vereist dat de verzoekende partij het resultaat van de procedure ten gronde niet kan afwachten om haar beslissing te verkrijgen, “op straffe zich in een toestand te bevinden met onherroepelijke schadelijke gevolgen” (memorie van toelichting, Parl.St. Senaat 2012-2013, nr. 5-2277/1, 13).

7. Rekening houdend met het voorgaande overtuigt verzoekers uiteenzetting van de uiterst dringende noodzakelijkheid van zijn vordering geens-

zins.

Voor zover verzoeker vaststelt dat hij nu niet meer kan deelne-

men aan de volgende selectiefase, wijst hij op een gevolg van de beslissing die op grond van de voorselectie ten aanzien van zijn kandidaatstelling is genomen en die

IX-9321-6/8

het eerste voorwerp van zijn vordering uitmaakt. Daarmee maakt hij echter nog niet duidelijk waarom hij bij uiterst dringende noodzakelijkheid voor dat gevolg moet worden behoed en hij in een toestand met op zijn minst wezenlijke schade-

lijke gevolgen dreigt terecht te komen indien hij de uitspraak over een beroep tot nietigverklaring zou dienen af te wachten.

Voor zover verzoeker stelt dat hij zal worden “geconfronteerd met een verlies van zijn kans op bevordering en […] zijn kans in aanmerking te komen voor de vacature”, blijkt uit niets en toont verzoeker niet aan dat een eventuele nietigverklaring van de bestreden beslissingen en de daaruit voort-

vloeiende verplichting voor het bestuur tot rechtsherstel niet daaraan zouden kunnen verhelpen.

De enkele omstandigheid dat zonder de onmiddellijke schorsing van de bestreden beslissingen “de selectieprocedure afgelopen [zal] zijn en de vacatures ingevuld” neemt niet weg dat verzoeker het eindresultaat van de com-

plexe administratieve verrichting die de selectie uitmaakt, namelijk de samenstel-

ling van de wervingsreserve, met een beroep tot nietigverklaring kan aanvechten teneinde voor hemzelf de mogelijkheid tot rechtsherstel te vrijwaren.

8. Daargelaten de vraag of verzoeker in dit geval met passende voortvarendheid zijn vordering heeft ingesteld, nu hij reeds met een e-mail van 16 mei 2018 in kennis is gesteld van de beslissing dat zijn kandidatuur niet verder in aanmerking zal worden genomen en hij derhalve reeds vanaf dat ogenblik de door hem gevreesde gevolgen voor de geambieerde bevordering kende of minstens diende te kennen, moet uit wat voorafgaat hoe dan ook worden besloten dat ver-

zoeker niet aannemelijk maakt dat alleen de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid hem kan behoeden voor een nadeel dat bezwaarlijk op een bevredigende wijze kan worden goedgemaakt indien nog moet worden ge-

wacht, zelfs op de afhandeling van een beroep tot nietigverklaring.

IX-9321-7/8

9. De schorsingsvoorwaarde van de uiterst dringende noodzake-

lijkheid is niet vervuld.

10. Er is bijgevolg niet voldaan aan alvast één van de voorwaarden gesteld in artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State die cumulatief vervuld moeten zijn, wil een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid worden ingewilligd.

BESLISSING

1. De Raad van State verwerpt de vordering.

2. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 20 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij.

Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 28 juni 2018, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit:

Bert Thys, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Vera Wauters, griffier.

De griffier De voorzitter

Vera Wauters Bert Thys

IX-9321-8/8

PDF document ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.241.997