Legislator Jurisprudence & Législation
ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.241.996 ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.241.996 Généré par l'IA

Court dismisses bid protest against tender specs facilitating a specific contractor's advantage.

Numéro de cause ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.241.996
Autorité / Tribunal
Juridiction Belgique (BE)
Date de la décision
Issue du litige Rejeté (Dismissed)

Synthèse Legislator

Généré par l'IA

The Council of State rejected the bid protest filed by four companies against specific terms in a dredging tender. The applicants argued that a clause granting a permit to a rival contractor constituted an illegal facilitation, while the port authority maintained the text was merely informational. The court found the applicants lacked standing because a prior ruling had already annulled the winning bid decision based on similar grounds.

Regeste Legislator

Généré par l'IA

Articles 10 and 11 of the Public Procurement Act; A bid protest is inadmissible if the applicant has lost their current interest due to a prior annulment of the award decision based on the same legal grounds.

Mots-clés

Généré par l'IA
public procurement bid protest admissibility loss of interest standing requirement tender specifications annulment of award facilitation of competition régimes douaniers particuliers

Dispositions légales citées

Généré par l'IA
Articles 10 and 11 of the Public Procurement Act

Jurisprudence citée

Généré par l'IA
Arrêt 238.248 van 18 mei 2017
Généré par l'IA

Vous souhaitez savoir comment cet arrêt s'applique à votre dossier ?

Analysez cette décision avec la législation fédérale, le droit cantonal, la doctrine et la jurisprudence subséquente dans Legislator AI.

Ouvrir dans Legislator →

Texte complet

RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK

XIIe KAMER

nr. 241.996 van 28 juni 2018

in de zaak A. 209.879/XII-7437

In zake: 1. de NV ONDERNEMINGEN JAN DE NUL

2. de NV DREDGING INTERNATIONAL

samen vormend een thv 3. de NV DEME ENVIRONMENTAL CONTRACTORS

4. de NV ENVISAN

bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Bob Martens, Annelies Verlinden en Evelien De Raeymaecker kantoor houdend te 1050 Brussel Louizalaan 106

bij wie woonplaats wordt gekozen

tegen:

het GEMEENTELIJK HAVENBEDRIJF ANTWERPEN

bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten David D’Hooghe en Rozanne Vander Hulst kantoor houdend te 1000 Brussel Loksumstraat 25

bij wie woonplaats wordt gekozen

I. Voorwerp van het beroep

1. Het beroep, ingesteld op 11 oktober 2013, strekt tot de nietig-

verklaring van “de beslissing van onbekende datum van het Gemeentelijk Haven-

bedrijf Antwerpen tot handhaving en aanvulling van het Bestek B10133

betreffende de openbare aanbesteding voor aanneming van werken ‘Verdie-

pingsbaggerwerken Antwerpse dokkencomplex Rechteroever 4de Havendok’, waarvan [de nv Ondernemingen Jan De Nul, de nv Dredging International, samen vormend een thv, de nv Deme Environmental Contractors en de nv Envisan]

XII-7437-1/14

kennis hebben gekregen naar aanleiding van het Terechtwijzend Bericht nr. 2

[…], gepubliceerd in het Bulletin der Aanbestedingen d.d. 14 augustus 2013 […], alsook van de daarmee onderliggende samenhangende voorbeslissing, zijnde het tekstfragment op pagina 2 van het Bestek B10133 […] ‘Hij kan hiervoor desgewenst gebruik maken van de toelating van het Havenbedrijf voor transport van de baggerspecie naar De Slufter, die momenteel in aanvraag is, van zodra deze wordt toegekend’ in zoverre dit tekstfragment uit het Bestek uitwerking vindt ingevolge de voormelde beslissing van onbekende datum van het Gemeentelijk Havenbedrijf Antwerpen […]”.

II. Verloop van de rechtspleging

2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partijen hebben een memorie van wederantwoord ingediend.

Eerste auditeur Jozef Stevens heeft een verslag opgesteld.

De verzoekende partijen en de verwerende partij hebben een laatste memorie ingediend.

De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 12 juni 2018.

Staatsraad Pierre Barra heeft verslag uitgebracht.

Advocaten Bob Martens en Annelies Verlinden, die verschijnen voor de verzoekende partijen, en advocaat Rozanne Vander Hulst, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord.

Eerste auditeur-afdelingshoofd Ann Eylenbosch heeft een met dit arrest, behalve wat de kosten betreft, eensluidend advies gegeven.

XII-7437-2/14

Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.

III. Feiten

3.1. Het Gemeentelijk Havenbedrijf Antwerpen schrijft een overheidsopdracht voor werken uit met betrekking tot verdiepingsbaggerwerken ter hoogte van het Antwerpse dokkencomplex “Rechteroever 4e havendok” met het oog op meer diepgang voor de scheepvaart.

3.2. De opdracht wordt gepubliceerd in het Bulletin der Aanbestedingen van 15 mei 2013.

3.3. De opdracht is onderworpen aan het bijzonder bestek B10133

“Verdiepingsbaggerwerken Antwerpse dokkencomplex Rechteroever 4de haven-

dok”. De opdracht wordt gegund via een openbare aanbesteding.

Het voorwerp van de opdracht wordt in het bestek omschreven als volgt:

“De aanneming heeft als doel het uitvoeren van verdiepingsbaggerwerken in het Antwerpse dokkencomplex rechteroever met het oog op meer diepgang voor scheepvaart.

De totale opdracht van dit bestek heeft als doel om steiger 281 in het 4de havendok in de haven bereikbaar te maken voor zeeschepen met een diepgang van 14 m (zie plan): De verdiepingswerken naar steiger 281 in het 4de havendok zijn noodzakelijk omdat de steiger 281 een upgrade onderging om zeeschepen met een grotere diepgang te kunnen ontvangen.

De steiger is in exploitatie door ATPC (Antwerp Processing Company).

De opdracht omvat in hoofdzaak baggerwerkzaamheden van veront-

reinigde baggerspecie. De baggerspecie dient milieuvriendelijk gebaggerd en verwijderd te worden.

De gebaggerde specie wordt eigendom van de aannemer. De aannemer staat in voor het bekomen van alle noodzakelijke vergunningen en certificaten in het kader van de afvoer van de baggerspecie. Hij kan hiervoor desgewenst gebruik maken van de toelating van het Havenbedrijf

XII-7437-3/14

voor transport van de baggerspecie naar De Slufter, die momenteel in aanvraag is, van zodra deze wordt toegekend.”

3.4. Op 19 juli 2013 wordt in het Bulletin der Aanbestedingen een eerste terechtwijzend bericht (hierna: TWB 1) gepubliceerd met betrekking tot de opdracht waarbij onder meer punt 1.3 “voorwerp van de opdracht” in het bestek wordt aangevuld als volgt:

“Aan deze toelating is een bergingsovereenkomst met De Slufter ver-

bonden, die als bijlage aan het bestek wordt gevoegd. Indien de aannemer gebruik maakt van de bedoelde toelating verbindt hij zich ertoe om de bepalingen van de bedoelde bergingsovereenkomst integraal na te leven.

Dit betekent onder meer dat hij zich ertoe verbindt om de vermelde betalingsovereenkomst met Havenbedrijf Rotterdam nv af te sluiten, alsook om de vermelde algemene acceptatie- en operationele leverings-

voorwaarden en het acceptatieprotocol na te leven. Hij verbindt er zich eveneens toe om het Havenbedrijf te vrijwaren voor elke vorm van schade die het Havenbedrijf zou lijden doordat de bedoelde bergings-

overeenkomst met Havenbedrijf Rotterdam nv niet correct nageleefd wordt.”

3.5. Het Gemeentelijk Havenbedrijf Antwerpen dient op 26 juni 2013 een kennisgevingsdocument voor grensoverschrijdende afvaloverbrenging in bij de Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij (hierna: OVAM ) met het oog op het verkrijgen van een toelating voor transport van baggerspecie naar De Slufter te Rotterdam zodat de inschrijvers eventueel kunnen gebruikmaken van deze toelating zoals voorzien in het bestek.

Deze toelating van OVAM voor grensoverschrijdende afvaloverbrenging wordt verkregen op 5 augustus 2013. Op 6 augustus 2013

wordt ook toestemming verkregen van de Nederlandse autoriteiten.

3.6. Op 14 augustus 2013 wordt een tweede terechtwijzend bericht (hierna: TWB 2) gepubliceerd in het Bulletin der Aanbestedingen waarin melding wordt gemaakt van voormelde toestemmingen:

XII-7437-4/14

“Bijgevoegd vindt u de toelating voor grensoverschrijdend transport van baggerspecie naar De Slufter, zijnde de beslissingen aangaande kennisgeving BE001003673 van OVAM van 5 augustus 2013 en van de Nederlandse staatssecretaris van infrastructuur en milieu van 6 augustus 2013 (bijlagen 1 en 2). Indien de aannemer gebruik maakt van de bedoelde toelating:

- verbindt hij zich ertoe om zelf in te staan voor het vervullen van alle voorwaarden die uitdrukkelijk of impliciet in de toelating zijn vermeld, zoals onder meer de verplichte registratie van de vervoerder van afvalstoffen alsook de voorwaarden van art. 16 van de Verordening (EG) 1013/2006 betreffende de overbrenging van afvalstoffen aangaande de voormeldingen van de transporten en de bij elke overbrenging te vervullen formaliteiten; de aannemer verbindt zich er eveneens toe om het Havenbedrijf te vrijwaren voor elke vorm van schade die het Havenbedrijf zou lijden doordat de bedoelde voorwaarden niet correct nageleefd worden; de aannemer voegt bij zijn inschrijving een verklaring waarin hij uitdrukkelijk de genoemde verbintenissen ten aanzien van het Havenbedrijf aangaat;

- dient hij het totale bedrag van de milieuheffingen op grond van art. 48, §2, 17° van het Afvalstoffendecreet dat ingevolge de bedoelde transporten verschuldigd is (zie de laatste paragraaf van de beslissing van OVAM van 5 augustus 2013), in de prijs vermeld in de offerte op te nemen; het tarief van de milieuheffing (niet-compenserend tarief)

bedraagt EUR 0,12 per ton (zie het e-mailbericht van OVAM van 13 augustus 2013 - bijlage 3[)].

Hierbij dient opgemerkt te worden dat de identiteit van de geplande vervoerder, zoals weergegeven op het kennisgevingsdocument dat goedgekeurd werd door de Nederlandse staatssecretaris van infrastructuur en milieu (zie bijlage …), slechts voorlopig en uitsluitend met het oog op het doorlopen van de kennisgevingsprocedure werd ingevuld, de identiteit van de werkelijke vervoerder zal aan de bevoegde autoriteiten worden gemeld, van zodra deze desgevallend bij het gunnen van de huidige opdracht bekend zal zijn.

De aanbestedingsdatum blijft behouden.”

3.7. De eerste en de tweede verzoekende partij stellen een vordering in tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid van “de beslissing van onbekende datum van het Gemeentelijk Havenbedrijf Antwerpen tot handhaving en aanvulling van het Bestek B10133 betreffende de openbare aanbesteding voor aanneming van werken ‘Verdiepingsbaggerwerken Antwerpse dokkencomplex Rechteroever 4de Havendok’, waarvan [de nv Ondernemingen Jan De Nul en de nv Dredging International] kennis hebben

XII-7437-5/14

gekregen naar aanleiding van het Terechtwijzend Bericht nr. 2 […], gepubliceerd in het Bulletin der Aanbestedingen d.d. 14 augustus 2013”.

Bij arrest nr. 224.688 van 17 september 2013 verwerpt de Raad deze vordering.

3.8. De openingszitting vindt volgens de nota plaats op 26 augustus 2013. Er worden drie offertes ingediend:

1) de bv Martens en Van Oord Aannemingsbedrijf, 2.668.800,00 euro, 2) de thv “Verdieping H4H”, 6.413.200,00 euro, 3) de nv Aannemingsbedrijf Aertssen, 6.921.888,37 euro.

3.9. Op 14 oktober 2013 gunt de verwerende partij de opdracht aan de bv Martens en Van Oord Aannemingsbedrijf.

De verzoekende partijen vorderen de nietigverklaring van deze gunning en bij arrest nr. 238.248 van 18 mei 2017 vernietigt de Raad van State deze gunning.

3.10. Op vordering van de nv Silvamo hervormt het hof van beroep te Antwerpen bij arrest van 9 april 2015 het vonnis van de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen, zetelend zoals in kort geding, van 21 november 2013, en verklaart “de overheidsopdracht geconcretiseerd in de bergingsovereenkomsten van [31.05.2013] en 25.06.2013, onverbindend met betrekking tot de nog uit te voeren verbintenissen”. Het Gemeentelijk Havenbedrijf Antwerpen dient op 10 juli 2015 cassatieberoep in tegen dit arrest.

Bij arrest van 28 april 2017 – nr. C.15.0296.N – verwerpt het Hof van Cassatie het beroep van het Gemeentelijk Havenbedrijf Antwerpen.

3.11. Bij arrest nr. 232.753 van 29 oktober 2015 vernietigt de Raad van State “het besluit van de Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij van

XII-7437-6/14

5 augustus 2013 houdende toestemming voor de grensoverschrijdende overbrenging van afvalstoffen zoals omschreven in kennisgeving BE001003673”.

IV. Ontvankelijkheid van het beroep

Excepties van de verwerende partij

4. In haar memorie van antwoord betoogt de verwerende partij dat het beroep tegen het TWB 2, onontvankelijk is omdat het geen aanvechtbare administratieve rechtshandeling is maar een loutere uitvoeringshandeling.

Deze kennisgeving – het terechtwijzend bericht – is volgens de verwerende partij te onderscheiden van de toelating zelf, die wel rechtsgevolgen heeft. Deze toelating gaat uit van OVAM, niet van de verwerende partij.

Voorts is, zo vervolgt de verwerende partij, het beroep gericht tegen de mogelijkheid om baggerspecie in “De Slufter” te deponeren laattijdig.

Immers, deze mogelijkheid zit reeds vervat in het initiële bestek dat werd bekendgemaakt op 15 mei 2013.

Ook betoogt de verwerende partij dat de verzoekende partijen geen belang hebben bij het beroep.

Er is immers geen griefhoudend karakter aangezien een eventuele vernietiging van TWB 2 niet belet dat op grond van het initieel bestek een offerte gesteund op “De Slufter” sowieso in aanmerking kan/moet komen voor de gunning. TWB 2 is een loutere kennisgeving van de OVAM-toelating; de vernietiging ervan of van de OVAM-toelating zelf houdt niet in dat er geen mogelijkheid meer zou zijn om naar “De Slufter” te transporteren aangezien een inschrijver zelf toelating tot grensoverschrijdend transport mag aanvragen.

XII-7437-7/14

Ook hebben de eerste en de tweede verzoekende partij volgens de verwerende partij geen persoonlijk en rechtstreeks belang omdat zij zich in werkelijkheid beroepen “op het belang van hun in Vlaanderen gelegen zuster/verwerkingsbedrijven [die over een verwerkingsinstallatie beschikken], om aldus een offerte op basis van transport naar De Slufter uitgesloten te (kunnen)

zien”. Voorts konden de verzoekende partijen ook inschrijven door gebruik te maken van “De Slufter”. Ook hebben zij het bestek of de OVAM-toelating aangevochten.

Wat de derde en de vierde verzoekende partij betreft, beschikken die volgens de verwerende partij evenmin over een persoonlijk en rechtstreeks belang. Zij hebben zelf niet deelgenomen aan de gunningsprocedure voor de baggerwerken.

5. De verzoekende partijen wijzen er in hun memorie van wederantwoord op dat het aangevochten bericht TWB 2 effectief de rechtstoestand van de verzoekende partijen wijzigt en dat het dus meer is dan een loutere uitvoeringshandeling. Zij betogen:

“Immers, tot tien dagen vóór de indiening van de offertes, wisten Verzoekende Partijen enkel dat de aanvraag voor grensoverschrijdend transport bij de OVAM (mogelijk) in behandeling was. Het is dan ook niet onlogisch dat zij – gelet op het feit dat over de aanvraag verder niets werd vernomen – uitgingen van het feit dat de toelating voor grensoverschrijdend transport niet was verkregen en daarmee door geen van de potentiële gegadigden rekening kon worden gehouden.

Doordat alsnog een toelating voor grensoverschrijdend transport voorhanden bleek waardoor het storten van deze baggerspecie in De Slufter mogelijk werd, terwijl die mogelijkheid voorheen onbestaande was gelet op het ontbreken van de vereiste toelating, had de opname van de inhoud van het Terechtwijzend Bericht nr. 2 weldegelijk rechts-

gevolgen tot gevolg nu plots bleek een bijkomende (onwettige)

uitvoeringswijze te zijn gefaciliteerd waarop de gegadigden van de Tweede Opdracht een beroep zouden kunnen doen.

Het feit dat deze mogelijkheid reeds voorafgaand in het Bestek werd vermeld, doet aan het voorgaande geen afbreuk. In het Bestek werd immers louter melding gemaakt van de aanvraag van de toelating tot grensoverschrijdend transport die in voorkomend geval zou worden voorgelegd, zonder dat nog maar enigszins duidelijk was of die toelating

XII-7437-8/14

was aangevraagd, laat staan zou worden verkregen. Door alsnog voorafgaand aan de uiterste indieningsdatum van de offertes de mogelijkheid tot het deponeren van de baggerspecie in De Slufter te faciliteren en kenbaar te maken aan de gegadigden, kreeg de mededeling in het Bestek uitwerking en deed die rechtsgevolgen ontstaan.”

Voorts is het beroep evenmin laattijdig aangezien TWB 2 de mogelijkheid tot het benutten van de optie “De Slufter” reëel maakt.

Ook betogen de verzoekende partijen dat zij belang hebben bij hun beroep.

Wat de eerste en de tweede verzoekende partij betreft, wijzen zij erop dat zij baggeraars zijn die de opdracht in de wacht wensen te slepen en dus het baggerproject willen realiseren en de baggerspecie verwerken in de lokale verwerkingsinstallaties; hun mogelijke gunning wordt in het gedrang gebracht “door de onwettige mogelijkheid gecreëerd in het Bestek (onder verwijzing naar de toelating van de OVAM d.d. 5 augustus 2013) om baggerspecie afkomstig van het vierde havendok af te voeren naar en te deponeren in het depot van De Slufter in Rotterdam”. Zij worden verhinderd een competitieve en wettige offerte in te dienen “aangezien inschrijvers die gebruik maken van de onwettige uitvoerings-

methode, gelet op de dumpingprijzen die door de Haven van Rotterdam worden aangeboden, steeds een substantieel lagere offerteprijs zullen kunnen aanbieden”.

“Het aanbieden van een competitieve én wettige offerte gaan in casu dan ook niet samen”.

Wat de derde en de vierde verzoekende partij betreft, blijven deze partijen bij hun standpunt vertolkt in het inleidend verzoekschrift, namelijk dat zij belang hebben.

Voorts stellen de verzoekende partijen dat de verwerende partij ten onrechte beweert dat de bestreden beslissing niet griefhoudend zou zijn. De vernietiging van TWB 2 impliceert immers dat er geen toelating voor grens-

overschrijdend transport van OVAM meer voorligt zodat er slechts “één en

XII-7437-9/14

dezelfde uitvoeringswijze geldt, namelijk die waarin de opdrachtnemer zelf in de verwerking en desgevallend het deponeren van de baggerspecie dient te voorzien”. De bevoordeling door de verwerende partij van de oplossing “De Slufter” zou dan ook wegvallen.

In de eerste plaats wijzen zij erop dat zij in hun eerste middel betogen dat de OVAM-toelating onwettig is. Deze problematiek mag hier zeker, in tegenstelling tot bij een schorsingsprocedure, ten gronde aan bod komen.

Voorts wijzen zij erop dat, doordat TWB 2 de toelating van OVAM vermeldt, de verwerende partij zo tevens de voorwaarden die OVAM oplegt, ook als verbintenissen oplegt aan de inschrijvers. Ook menen zij dat de verwerende partij zelf blijkbaar zal instaan of instaat voor de door OVAM geëiste borgstelling ad 1,2 miljoen euro. Het vaststellen van de onwettigheid van de OVAM-beslissing zal ertoe leiden dat de bevoordeling van “De Slufter”-optie door de verwerende partij wegvalt.

6. In het auditoraatsverslag wordt geconcludeerd dat “het bestredene […] geen administratieve rechtshandeling [is] zodat het beroep ratione materiae onontvankelijk is”; voorts dat de derde en de vierde verzoekende partij geen belang hebben bij het beroep; ten slotte, dat er ambtshalve dient op te worden gewezen dat de gunningsbeslissing vernietigd is, dat de OVAM-toelating evenzeer vernietigd is en dat het hof van beroep “de overheidsopdracht, geconcretiseerd in de voormelde bergingsovereenkomsten, onverbindend [heeft]

verklaard met betrekking tot de nog uit te voeren verbintenissen” zodat hoe dan ook geen enkele verzoekende partij nog een belang heeft bij het beroep.

7. In hun laatste memorie dringen de verzoekende partijen erop aan dat de middelen worden onderzocht en wijzen zij op het volgende.

In de eerste plaats benadrukken zij dat TWB 2 wel degelijk een bestekswijziging is en rechtsgevolgen inhoudt. Het houdt ten aanzien van het initiële bestek en TWB 1 een essentiële aanvulling in die het vorige mogelijk

XII-7437-10/14

maakt, namelijk de mogelijkheid om gebruik te maken van de piste “De Slufter”, door de goedgekeurde OVAM-toelating met de verbintenissen die aan die toelating kleven.

Wat het belang van de derde en de vierde verzoekende partij betreft, gedragen de verzoekende partijen “zich ter zake naar de wijsheid van [de]

Raad”.

Wat de ambtshalve exceptie van het auditoraatsverslag betreft, betwisten de verzoekende partijen deze conclusie. De verwijzing naar de nietigverklaring van de OVAM-toelating is irrelevant zolang de consequenties hiervan niet effectief zijn veruitwendigd door de nietigverklaring van de bestreden beslissing. Zo ook is de verwijzing naar de procedure van het hof van beroep niet dienstig; de verzoekende partijen waren geen partij in die zaak, wel de nv Silvamo; het voorwerp in die procedure is in geen geval gelijkaardig aan de gunningsprocedure hier. De verzoekende partijen menen dat hun gekwalificeerd moreel belang bij de nietigverklaring van TWB 2 hier intact blijft; enkel door een nietigverklaring wordt verzekerd dat de besteksbepalingen worden vastgesteld in overeenstemming met de ter zake geldende reglementering.

Beoordeling

8. In het arrest van de Raad van State nr. 238.248 van 18 mei 2017 werd de voormelde gunningsbeslissing van 14 oktober 2013 vernietigd.

In deze orde van gedachten neemt de Raad hier aan dat de verwerende partij door de mogelijkheid te creëren de baggerspecie te deponeren in “De Slufter”, wetende dat deze uitvoeringswijze veruit de beste koop was, een bestek heeft opgesteld waarbij zij beoogde dat deze uitvoeringswijze de uitkomst zou zijn.

XII-7437-11/14

In het hier aan de orde zijnde TWB 2 wordt de inmiddels door de verwerende partij verkregen OVAM-toelating bij het bestek gevoegd en worden de inschrijvers die willen gebruikmaken van deze toelating, een aantal bijkomende verbintenissen, ditmaal uit deze toelating, opgelegd.

De verzoekende partijen vechten TWB 2 aan dat de laatste hier relevante wijziging van het bestek bevat, wat een aanvechtbare rechtshandeling is als besteksbepaling en niet louter een kennisgeving.

TWB 2 is het essentiële bestekssluitstuk om de piste “De Slufter”, zoals de verwerende partij die voor ogen staat, maximaal te faciliteren en te bevoordelen ten aanzien van een andere piste; nadat de verwerende partij een bergingsovereenkomst heeft gesloten, verkrijgt zij de grensoverschrijdende toelating onder meer door zich garant te stellen. Dit alles neemt zij op in het bestek.

In die optiek mag worden aangenomen dat de inspanning die de verwerende partij levert voor deze bevoordeling, culmineert in TWB 2, die de eerste twee fasen, initieel bestek en TWB 1, die verwijzen naar de uiteindelijke toelating, omvat en finaliseert, aangezien geheel de handelwijze om de piste van “De Slufter” te promoten, conceptueel één geheel uitmaakt. In die zin is het beroep niet onontvankelijk omdat de piste van “De Slufter” reeds initieel mogelijk was; het was alsdan niet mogelijk onder de genoemde faciliterende omstandigheden. Ook is het beroep niet laattijdig; het is ingesteld binnen de beroepstermijn na de bekendmaking van TWB 2.

De eerste en de tweede verzoekende partij zijn geïnteresseerd om de overheidsopdracht van het baggeren uit te voeren; zij hebben zich ook als inschrijvers gemanifesteerd. Zij wensen deze opdracht uit te voeren zonder de volgens hen onwettige uitvoeringswijze van “De Slufter”, minstens zonder dat deze uitvoeringswijze bevoordeeld wordt. In die zin hebben zij belang bij het

XII-7437-12/14

instellen van het beroep dat gericht is tegen de besteksbepalingen die deze piste betreffen.

Het beroep van de derde en vierde verzoekende partij is niet ontvankelijk. Zoals de Raad reeds heeft overwogen onder het randnummer 12 van het arrest 238.248 van 18 mei 2017 beschikken zij niet over het vereiste belang, wat zij niet betwisten in hun laatste memorie.

Wat de eerste en tweede de verzoekende partij betreft, moet worden opgemerkt dat de gunningsbeslissing voor de overheidsopdracht van de baggerwerken is vernietigd door het zo-even vermelde arrest. In dit arrest wordt de onwettigheid en de nietigverklaring van de OVAM-toelating aangegrepen om de gunningsbeslissing aan te merken als behept met een schending van de materiëlemotiveringsplicht. In die omstandigheden hebben de eerste en de tweede verzoekende partij hun actueel belang bij het beroep verloren maar dienen de kosten van het beroep ten laste van de verwerende partij te worden gelegd.

BESLISSING

1. De Raad van State verwerpt het beroep.

2. De verwerende partij wordt voor twee vierden en de derde en de vierde verzoekende partij elk voor een vierde verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 700 euro.

XII-7437-13/14

Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 28 juni 2018, door de Raad van State, XIIe kamer, samengesteld uit:

Dierk Verbiest, kamervoorzitter, Johan Bovin, staatsraad, Pierre Barra, staatsraad, bijgestaan door Greta Scheveneels, griffier.

De griffier De voorzitter

Greta Scheveneels Dierk Verbiest

XII-7437-14/14

PDF document ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.241.996