Belgian State dismissed civil servant's appeal against annual performance evaluation rating of 'needs improvement'.
Synthèse Legislator
Généré par l'IAThe Council of State rejected Herman Roels' appeal seeking to annul his 2014 performance evaluation rating of 'needs improvement'. The court found that the functional chief correctly identified performance gaps during a mid-cycle meeting and offered sufficient time for remediation. Roels failed to address these issues despite clear warnings, making his expectation of a better final rating unreasonable.
Regeste Legislator
Généré par l'IAArticles 10 and 11 of the Law of 16 April 1994 on the organization of the public service; An employee cannot reasonably expect a favorable annual performance evaluation if they fail to remedy performance deficiencies explicitly identified by their supervisor during the evaluation cycle.
Mots-clés
Généré par l'IADispositions légales citées
Généré par l'IADécisions connexes
Généré par l'IATexte complet
RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK
IXe KAMER
nr. 241.985 van 28 juni 2018
in de zaak A. 216.786/IX-8699
In zake : Herman ROELS
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Pascal Lahousse kantoor houdend te 2800 Mechelen Leopoldstraat 64
bij wie woonplaats wordt gekozen
tegen :
de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Werk, Economie en Consumenten bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Carmenta Decordier kantoor houdend te 9041 Gent Harlekijnstraat 9
bij wie woonplaats wordt gekozen
I. Voorwerp van het beroep
1. Het beroep, ingesteld op 25 augustus 2015, strekt tot de nietigverklaring van “de beslissing [van 15 juli 2015] uitgaande van de Voorzitter van het Directiecomité FOD Economie, K.M.O., Middenstand en Energie en de evaluatiebeslissing van het jaar 2014 [van 7 januari 2015] met als eindvermelding ‘Te verbeteren’”.
II. Verloop van de rechtspleging
2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend.
IX-8699-1/17
Auditeur Melissa Celis heeft een verslag opgesteld.
De verzoekende partij heeft een laatste memorie ingediend.
De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 28 mei 2018.
Staatsraad Bruno Seutin heeft verslag uitgebracht.
Advocaat Elke Goossens, die loco advocaat Pascal Lahousse verschijnt voor de verzoekende partij en advocaat Emeline Willems, die loco advocaat Carmenta Decordier verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord.
Auditeur Melissa Celis heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven.
Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.
III. Feiten
3.1. Verzoeker is sinds 1 november 1990 tewerkgesteld bij de federale overheidsdienst Economie, KMO, Middenstand en Energie (hierna: de FOD Economie) in de graad van industrieel ingenieur. Sinds 1 september 2011
behoort hij tot de klasse A21.
3.2. Voor de evaluatiecyclus 2014 treedt M.L. op als functionele chef van verzoeker (hierna: de functionele chef) en P.B. als zijn hiërarchische meerdere (hierna: de hiërarchische meerdere).
IX-8699-2/17
3.3. Op 20 maart 2014 vindt een planningsgesprek plaats tussen verzoeker en de functionele chef. Tijdens dat gesprek worden acht prestatiedoelstellingen, vier ontwikkelingsdoelstellingen en een doelstelling met betrekking tot de beschikbaarheid voor de gebruikers van de dienst vastgelegd.
3.4. Op 17 juli 2014 vindt een functioneringsgesprek plaats tussen verzoeker en de functionele chef.
Er wordt vastgesteld dat alle in het planningsgesprek vastgelegde prestatiedoelstellingen tot nog toe slechts gedeeltelijk werden behaald.
Ook de vastgelegde ontwikkelingsdoelstellingen en de doelstelling in het kader van de beschikbaarheid voor de gebruikers van de dienst werden tot nog toe slechts gedeeltelijk behaald. Voorts worden in het verslag van dit functioneringsgesprek een aantal opmerkingen vermeld door de functionele chef, waaruit duidelijk blijkt dat er knelpunten zijn met betrekking tot verzoekers functioneren.
Het verslag van het functioneringsgesprek wordt op 7 augustus 2014 ondertekend door verzoeker en op 8 augustus 2014 door de functionele chef.
3.5. Op 12 december 2014 vindt een evaluatiegesprek plaats tussen verzoeker en de functionele chef. Laatstgenoemde stelt voor om aan verzoeker de eindvermelding ‘te verbeteren’ toe te kennen. Het “formulier van het evaluatiegesprek” wordt aan verzoeker ter kennis gebracht op 17 december 2014.
Dit is niet ondertekend.
3.6. Op 16 december 2014 beslist de hiërarchische meerdere om diens evaluatiecyclus over te nemen omdat door de functionele chef wordt voorgesteld een andere eindvermelding dan ‘voldoende’ toe te kennen.
3.7. Op 7 januari 2015 vindt een evaluatiegesprek plaats tussen verzoeker en de hiërarchische meerdere. Op basis van dit gesprek beslist
IX-8699-3/17
laatstgenoemde om verzoeker de eindvermelding ‘te verbeteren’ toe te kennen voor de evaluatiecyclus 2014.
Uit het evaluatieverslag blijkt dat verzoeker twee van de acht vastgelegde prestatiedoelstellingen niet heeft behaald en drie prestatiedoelstellingen slechts gedeeltelijk. Voorts heeft verzoeker ook twee van de vier vastgelegde ontwikkelingsdoelstellingen en de doelstelling met betrekking tot de beschikbaarheid voor de gebruikers van de dienst slechts gedeeltelijk behaald.
Wat het algemeen functioneren van verzoeker betreft, wordt in het evaluatieverslag de volgende opmerking geformuleerd:
“Eerlijkheid en oprechtheid zijn van belang.
Vaak voelt de medewerker zich aangevallen, terwijl er hem enkel taken worden toegekend.
Vaak neemt de medewerker stellingen voor de toekomst reeds aan als werkelijkheid (cfr gebruik databanken)
Medewerker dient aldus onderscheid te maken tussen feiten en mogelijkheden/toekomst.”
Wat de eindvermelding ‘te verbeteren’ betreft, wordt in het evaluatieverslag gemotiveerd:
“Herman Roels voldoet niet aan de verwachtingen. Contact werd opgenomen met hiërarchische meerdere.
De productiviteit kan hoger en ook het volgen van het beleid van de dienst moet verbeterd worden.”
Voorts kan onder ‘eventuele opmerkingen van de chef’ in het evaluatieverslag nog worden gelezen:
“Gezien de functionele chef […] ‘te verbeteren’ als eindvermelding gegeven heeft, heb ik als hiërarchische chef de medewerker uitgenodigd voor een gesprek.
Dit gesprek vond plaats op 7/01/2015, in aanwezigheid van een wettelijk tweetalige persoon […].
Ik volg de evaluatie en eindvermelding van [de functionele chef].”
IX-8699-4/17
Verzoeker voegt uitgebreid opmerkingen toe aan dat verslag.
Het verslag wordt ondertekend door de hiërarchische meerdere op 8 januari 2015, door adviseur-generaal C.D. in zijn hoedanigheid van directeur op 9 januari 2015
en door verzoeker op 12 januari 2015.
Verzoeker maakt die evaluatiebeslissing, met de daarin toegekende eindvermelding ‘te verbeteren’, tot het tweede voorwerp van het voorliggende beroep.
3.8. Op 15 januari 2015 stelt verzoeker een beroep in bij de voorzitter van het directiecomité van de FOD Economie tegen de hem op 7 januari 2015
toegekende eindvermelding ‘te verbeteren’ voor de evaluatiecyclus 2014.
Op 22 januari 2015 zendt de voorzitter van het directiecomité van de FOD Economie dit beroep samen met verzoekers evaluatiedossier aan de voorzitter van de interdepartementale beroepscommissie inzake evaluatie (hierna:
de beroepscommissie).
3.9. Op 2 juni 2015 vindt de zitting van de beroepscommissie plaats.
Zowel verzoeker als de hiërarchische meerdere wordt gehoord.
De beroepscommissie adviseert om de aan verzoeker toegekende eindvermelding ‘te verbeteren’ te behouden en motiveert dit als volgt:
“Overwegende dat het dossier een functiegesprek van de vorige evaluatiecyclus bevat;
Overwegende dat het dossier een planningsgesprek van 20 maart 2014
bevat;
Overwegende dat op 17 juli 2014 een functioneringsgesprek plaatsvond;
Overwegende dat het dossier een document evaluatiegesprek van 12 december 2014 met de functionele chef bevat;
Overwegende dat het dossier een document evaluatiegesprek van 7 januari 2015 met de hiërarchische chef bevat;
Overwegende dat artikel 14 §1 van het koninklijk besluit van 24 september 2013 betreffende de evaluatie in het federaal openbaar ambt bepaalt dat een ‘te verbeteren’ wordt toegekend aan het personeelslid dat:
IX-8699-5/17
- Ofwel maar tussen de 50 en 70% van zijn prestatiedoelstellingen heeft gerealiseerd;
- Ofwel de competenties die noodzakelijk zijn om zijn functie op een bevredigende wijze te kunnen blijven uitoefenen niet heeft ontwikkeld terwijl het die doelstelling kreeg toegewezen tijdens het planningsgesprek;
- Ofwel weinig beschikbaar was voor de gebruikers van de dienst;
- De bijdrage tot de teamprestaties wordt beoordeeld als een verzwarend of een verzachtend element.
Overwegende dat de taalwetgeving werd gerespecteerd aangezien er een wettelijk tweetalige aanwezig was bij het evaluatiegesprek met de hiërarchische chef, in het verslag geen bemerkingen werden weergegeven dat er onduidelijkheden waren en dat er geen rekening werd gehouden met de documenten die in het [F]rans werden opgesteld.
Overwegende dat uit het dossier blijkt dat de doelstellingen in het planningsgesprek voldoende duidelijk werden geformuleerd en op dat moment door geëvalueerde niet werden betwist;
Overwegende dat de meetinstrumenten om de doelstellingen te beoordelen weliswaar zeer beknopt werden omschreven maar dat uit de hoorzitting blijkt dat deze voldoende performant zijn;
Overwegende dat de termijnen in de prestatiedoelstellingen ruimer werden geformuleerd gezien geëvalueerde nieuw was op de dienst en het moeilijke dossiers betrof;
Overwegende dat uit de hoorzitting blijkt dat de communicatie op de dienst niet optimaal was maar toch blijkt dat geëvalueerde een degelijke en gepersonaliseerde begeleiding kreeg van zijn functionele chef;
Overwegende dat tijdens het functioneringsgesprek door de functionele chef duidelijk werd aangegeven dat er vooral op het vlak van de prestatiedoelstellingen en de beschikbaarheid ten aanzien van de gebruikers van de dienst problemen waren, dat er feedback werd gegeven alsook concrete richtlijnen voor de navolgende periode;
Overwegende dat het niet-behalen van de doelstellingen op een degelijke manier werd gemotiveerd door de evaluator;
Overwegende dat de functie van niveau A2 van de geëvalueerde een functie is die een relatief grote autonomie en verantwoordelijkheidszin vereist.
Overwegende dat de hoorzitting van de geëvalueerde tot vaststelling leidt dat hij een afwachtende houding met een gebrek aan initiatief en verantwoordelijkheidszin ten overstaan van zijn functie vertoont.”
Op 22 juni 2015 stuurt de voorzitter van de beroepscommissie een afschrift van het voormelde advies aan de voorzitter van het directiecomité van de FOD Economie en aan verzoeker.
IX-8699-6/17
3.10. Op 15 juli 2015 deelt de voorzitter van het directiecomité van de FOD Economie aan verzoeker mee dat de beroepscommissie van 2 juni 2015 het advies heeft verleend om de voorgestelde beoordelingsvermelding ‘te verbeteren’ te behouden en dat overeenkomstig artikel 32, tweede lid, van het koninklijk besluit van 24 september 2013 ‘betreffende de evaluatie in het federaal openbaar ambt’ de eindvermelding ‘te verbeteren’ definitief wordt. Dat is de eerste bestreden beslissing.
IV. Nadere precisering van het eerste voorwerp van het beroep
4. In verband met het instellen van een beroep tegen een evaluatieverslag en de daarin toegekende vermelding, bepaalt artikel 23 van het koninklijk besluit van 24 september 2013 ‘betreffende de evaluatie in het federaal openbaar ambt’ (hierna: het koninklijk besluit van 24 september 2013), zoals van toepassing ten tijde van verzoekers evaluatiecyclus 2014, het volgende:
“Binnen de twintig werkdagen na de kennisgeving van het verslag kan het personeelslid een schriftelijk beroep instellen tegen dit verslag en de vermelding die hem toegekend is.
Het beroep wordt ingesteld bij de leidend ambtenaar, die onmiddellijk, bij voorkeur per e-mail, een ontvangstbericht stuurt en het beroep onverwijld doorgeeft aan de bevoegde beroepscommissie. De leidend ambtenaar bezorgt deze ook een afschrift van het in artikel 21 bedoeld individueel evaluatiedossier.
Het beroep is opschortend. In voorkomend geval vangt de in artikel 33
bepaalde periode van zes maanden slechts aan op de dag na die waarop de leidend ambtenaar de ambtenaar het advies van de bevoegde commissie meedeelde samen met de beslissing die hij in voorkomend geval genomen heeft.”
Aangaande het advies van de beroepscommissie en de aan het personeelslid toegekende eindvermelding na het instellen van het beroep, bepalen de artikelen 31 en 32 van het koninklijk besluit van 24 september 2013, zoals van toepassing ten tijde van verzoekers evaluatiecyclus 2014:
“Art. 31. Het met redenen omkleed advies van de beroepscommissie bestaat hetzij uit een voorstel van een andere vermelding, hetzij uit een voorstel van behoud van de toegekende vermelding.
IX-8699-7/17
De voorzitter van de beroepscommissie deelt het advies mee aan de leidend ambtenaar en aan het personeelslid in beroep binnen de vijftien werkdagen en bezorgt er een kopie van aan de federale overheidsdienst Personeel en Organisatie.
Art. 32. Indien de beroepscommissie heeft voorgesteld de vermelding te wijzigen, neemt de leidend ambtenaar de beslissing hetzij de vermelding te wijzigen overeenkomstig het advies van de beroepscommissie, hetzij de oorspronkelijke vermelding te bevestigen, ofwel een andere vermelding toe te kennen. Hij deelt zijn beslissing aan het personeelslid in beroep mee binnen de twintig werkdagen na de ontvangst van het advies.
Indien de beroepscommissie heeft voorgesteld de vermelding te behouden, wordt deze definitief. De leidend ambtenaar brengt er het personeelslid in beroep onmiddellijk van op de hoogte en deelt hem het advies mee.”
Uit deze bepalingen blijkt dat het beroep van een personeelslid de beslissing omtrent zijn evaluatie schorst. Zo de beroepscommissie vervolgens adviseert om de aan het personeelslid toegekende vermelding te wijzigen, dient de leidend ambtenaar een nieuwe beslissing te nemen. Indien de beroepscommissie echter adviseert om de aan het personeelslid in zijn evaluatieverslag toegekende vermelding te behouden, dan wordt die vermelding definitief. De leidend ambtenaar brengt het personeelslid daarvan op de hoogte en deelt het advies van de beroepscommissie mee. De leidend ambtenaar neemt in dat geval geen nieuwe beslissing.
5. Te dezen heeft de beroepscommissie voorgesteld om de aan verzoeker door zijn hiërarchische meerdere in het evaluatieverslag van 7 januari 2015 toegekende eindvermelding ‘te verbeteren’ te behouden.
Overeenkomstig artikel 32, tweede lid, van het koninklijk besluit van 24 september 2013 is die eindvermelding daardoor definitief geworden, zonder dat een nieuwe beslissing inzake verzoekers evaluatie moest worden genomen.
Verzoeker is daarvan op de hoogte gebracht met het schrijven van de voorzitter van het directiecomité van de FOD Economie van 15 juli 2015. Dat schrijven – “de beslissing dd. 15.07.2015 uitgaande van de Voorzitter van het Directiecomité FOD
Economie, K.M.O., Middenstand en Energie” die verzoeker tot het eerste voorwerp van zijn beroep maakt – is slechts een loutere mededeling van het
IX-8699-8/17
voormelde advies van de beroepscommissie en geen rechtshandeling die middels een beroep bij de Raad van State kan worden aangevochten.
Uit het verzoekschrift blijkt evenwel genoegzaam dat verzoeker niet zozeer de mededeling van het advies van de beroepscommissie door de voorzitter van het directiecomité als zodanig viseert, maar veeleer het advies van de beroepscommissie zelf, dat doordat het voorstelt de toegekende beoordeling ‘te verbeteren’ te behouden, deze beoordeling definitief maakt en alzo wél een aanvechtbare handeling is.
Dat advies van de beroepscommissie wordt dan ook geacht het eerste voorwerp van het beroep uit te maken.
V. Onderzoek van de middelen
A. Eerste middel
Uiteenzetting van het middel
6. Het eerste middel is genomen uit de schending van de artikelen 17, 39 en 43ter van de op 18 juli 1966 gecoördineerde wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken (hierna: de bestuurstaalwet).
Verzoeker voert aan dat zijn evaluator – de hiërarchische meerdere – met wie hij op 7 januari 2015 een evaluatiegesprek heeft gehad, tot de Franse taalrol behoort, terwijl hijzelf tot de Nederlandse taalrol behoort. Weliswaar was tijdens dat gesprek een tweetalige ambtenaar aanwezig, maar deze is geheel passief gebleven en heeft geweigerd om tussen te komen en te vertalen. De tweetalige ambtenaar heeft voorts geweigerd om de Nederlandstalige opmerkingen van verzoekers initiële evaluator – de functionele chef – te vertalen naar het Frans voor de eentalige hiërarchische meerdere. De uitgebreide en gefundeerde opmerkingen van verzoeker op het evaluatieverslag werden evenmin vertaald. De
IX-8699-9/17
hiërarchische meerdere heeft deze opmerkingen niet gelezen, laat staan begrepen.
Nochtans dient elke appreciatie door een hiërarchische meerdere over het rendement of het gedrag van één van zijn ondergeschikten in beginsel te gebeuren in de taal van de beoordeelde ambtenaar. Dit impliceert eensdeels dat de beoordelingsstukken zijn opgesteld in de taal van de beoordeelde ambtenaar en anderdeels dat diegenen die de beoordeling doen op een wettige wijze doen blijken van de kennis van de taal van de beoordeelde. In het advies van de beroepscommissie van 2 juni 2015 wordt laconiek gesteld dat de taalwetgeving is gerespecteerd ingevolge de aanwezigheid van een wettelijk tweetalig persoon. Het doel van de taalwetgeving is echter dat de argumenten van de beoordeelde ambtenaar volledig worden begrepen door diegenen die hem beoordelen. Een louter passieve aanwezigheid van een tweetalige ambtenaar, die zelfs niet de moeite neemt om de fundamentele schriftelijke bemerkingen van de geëvalueerde te vertalen, volstaat niet om aan dat doel te voldoen. Overigens heeft de Raad van State in arrest nr. 218.310 van 5 maart 2012 geoordeeld dat een evaluatie van een ambtenaar zelfs zonder tussenkomst van vertalers dient te gebeuren.
Beoordeling
7. Verzoeker expliciteert niet op welke wijze hij het voornoemde artikel 43ter van de bestuurstaalwet, dat de organisatie van de FOD’s regelt vanuit het oogpunt van de taalregeling, geschonden acht. Dit noopt tot het besluit dat het middel onontvankelijk is in de mate dat de schending wordt aangevoerd van de voornoemde bepaling.
8.1. Krachtens artikel 39, § 1, van de bestuurstaalwet dienen de centrale diensten, waarvan de werkkring het ganse land bestrijkt, zich in hun binnendiensten te gedragen naar artikel 17, § 1, van de bestuurstaalwet met dien verstande dat de taalrol bepalend is voor de behandeling van de zaken vermeld onder B, 1°, van de laatstgenoemde bepaling.
IX-8699-10/17
Artikel 17, § 1, B, 1°, heeft betrekking op de zaken die een ambtenaar van de betrokken dienst betreffen.
Uit artikel 39, § 1, gelezen in samenhang met artikel 17, § 1, B, 1°, volgt dat iedere centrale dienst de taal van de taalrol van de ambtenaar gebruikt, indien de zaak betrekking heeft op een ambtenaar van een dergelijke dienst.
Aangezien verzoeker behoort tot de Nederlandse taalrol, diende de besluitvorming over zijn evaluatie in het Nederlands te gebeuren.
8.2. Verzoeker voert niet aan dat de stukken die betrekking hebben op zijn evaluatie van de evaluatiecyclus 2014 niet in het Nederlands zijn opgesteld.
Hij betwist ook niet dat het evaluatiegesprek van 7 januari 2015 met zijn Franstalige hiërarchische meerdere heeft plaatsgevonden in het Nederlands, in aanwezigheid van een wettelijk tweetalige ambtenaar.
Volgens verzoeker zou deze tweetalige ambtenaar evenwel hebben geweigerd om tussen te komen en te vertalen. Er moet evenwel worden vastgesteld dat verzoeker in dit verband in het evaluatieverslag geen opmerkingen heeft geformuleerd en in zijn verzoekschrift heeft verzoeker evenmin uiteengezet wat tijdens het evaluatiegesprek niet door de evaluator zou zijn begrepen en ten onrechte door de tweetalige ambtenaar niet zou zijn vertaald. Gelet op die vaststelling en op grond van de gegevens zoals ze aan de Raad van State zijn voorgelegd, kan slechts worden besloten dat verzoekers betoog niet meer is dan een loutere bewering, zonder bewijskracht.
8.3. Uit wat voorafgaat blijkt dat het middel niet gegrond is in de mate dat de schending van de artikelen 17 en 39 van de bestuurstaalwet wordt aangevoerd.
9. Het eerste middel dient te worden verworpen.
IX-8699-11/17
B. Tweede middel
Uiteenzetting van het middel
10. Het tweede middel is genomen uit de schending van artikel 8 van het koninklijk besluit van 24 september 2013 en “van de beginselen van behoorlijk bestuur in het algemeen en in het bijzonder […] van het zorgvuldigheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel”.
Verzoeker voert aan dat tijdens zijn evaluatieperiode 2014
slechts één functioneringsgesprek is gehouden. Uit dat gesprek van 17 juli 2014
kan niet worden afgeleid dat er dusdanige knelpunten bestonden die tot een eindevaluatie met de vermelding ‘te verbeteren’ moesten leiden. Verzoeker heeft tijdens het evaluatiejaar 2014 integendeel meermaals uitsluitend positieve feedback ontvangen van zijn evaluator en op basis daarvan mocht hij erop vertrouwen dat er geen ernstige knelpunten waren betreffende zijn functioneren.
Ook uit de omstandigheid dat de verwerende partij het niet nodig achtte om bijkomende functioneringsgesprekken te houden, moet worden afgeleid dat er geen noemenswaardige problemen waren met verzoekers functioneren en dat het evaluatieverslag minstens kon worden afgesloten met de vermelding ‘voldoet aan de verwachtingen’. Artikel 8 van het koninklijk besluit van 24 september 2013 bepaalt immers dat er functioneringsgesprekken moeten worden gehouden “telkens dat nodig is”, bijvoorbeeld wanneer er zich knelpunten voordoen, zodat daaraan kan worden geremedieerd. Indien de verwerende partij van oordeel was dat er toch problemen waren met verzoekers functioneren, diende zij minstens één of zelfs meerdere bijkomende functioneringsgesprekken te organiseren teneinde hem in staat te stellen daaraan te remediëren. Door dit niet te doen, faalt de verwerende partij in haar wettelijk opgedragen verplichting om de desbetreffende ambtenaar te begeleiden, te steunen en te coachen via functioneringsgesprekken. Zij schendt ook de zorgvuldigheidsplicht. Een normaal voorzichtige en redelijke overheid zou in dezelfde feitelijke omstandigheden
IX-8699-12/17
minstens één of meerdere bijkomende functioneringsgesprekken hebben georganiseerd. Verzoeker had zo snel mogelijk moeten worden ingelicht van het feit dat hij de hem opgelegde prestatiedoelstellingen niet zou behalen. De verwerende partij heeft echter verzuimd om gebruik te maken van de hiervoor door de wetgever ter beschikking gestelde middelen en aldus verzoeker de mogelijkheid ontnomen om in voorkomend geval remediërend te handelen.
Beoordeling
11. Het vertrouwensbeginsel is een beginsel van behoorlijk bestuur dat moet vermijden dat de rechtmatige verwachtingen welke de burger uit het bestuursoptreden put, worden tekortgedaan. Dit houdt in dat de burger moet kunnen vertrouwen op een vaste gedragslijn van de overheid of op toezeggingen of beloften die de overheid in een concreet geval heeft gedaan.
Het zorgvuldigheidsbeginsel houdt in dat het bestuur zijn beslissing op zorgvuldige wijze moet voorbereiden. Dit impliceert dat de beslissing dient te steunen op werkelijk bestaande en concrete feiten die met de vereiste zorgvuldigheid werden vastgesteld. De overheid is onder meer verplicht om zorgvuldig te werk te gaan bij de voorbereiding van de beslissing en de feitelijke en juridische aspecten van het dossier deugdelijk te onderzoeken, zodat zij met kennis van zaken kan beslissen.
12. Artikel 8 van het koninklijk besluit van 24 september 2013, zoals van toepassing ten tijde van verzoekers evaluatiecyclus 2014, luidt:
“Tijdens de evaluatieperiode wordt, telkens dat nodig is, een functioneringsgesprek gehouden tussen de evaluator en het personeelslid.
Tijdens het functioneringsgesprek kunnen onder meer aan bod komen:
1° oplossingen voor knelpunten in verband met het functioneren van het personeelslid;
2° oplossingen voor knelpunten die het bereiken van de afgesproken doelstellingen bemoeilijken; deze kunnen zowel betrekking hebben op de organisatie en de werking van de dienst, de begeleiding door de evaluator als op externe factoren;
3° de ontwikkeling van het personeelslid binnen de huidige functie;
IX-8699-13/17
4° de loopbaanperspectieven en -verwachtingen van het personeelslid en de ontwikkeling van competenties die hiervoor wenselijk zijn.
De prestatie- en ontwikkelingsdoelstellingen kunnen in onderling akkoord worden aangepast tijdens het functioneringsgesprek.
In het voorkomend geval, moeten de prestatiedoelstellingen verenigbaar zijn met de syndicale voorrechten bepaald in de wet van 19 december 1974 tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van haar personeel en het koninklijk besluit van 28 september 1984 tot uitvoering van de wet.
De prestatie- en ontwikkelingsdoelstellingen worden aangepast in geval van wijziging van de arbeidsregeling.
Het personeelslid kan een functioneringsgesprek vragen. De evaluator doet hem hiervan een ontvangstmelding bij voorkeur per e-mail.
Indien een personeelslid gedurende meer dan vijftig werkdagen ononderbroken afwezig is, nodigt de evaluator hem uit voor een functioneringsgesprek bij zijn werkhervatting.”
De voormelde bepaling legt de evaluerende overheid niet op hoeveel functioneringsgesprekken er tijdens een evaluatiecyclus moeten worden gehouden met het geëvalueerde personeelslid. Door te bepalen dat een functioneringsgesprek wordt gehouden “telkens dat nodig is”, wordt het aan de evaluerende overheid overgelaten om te oordelen of het houden van een functioneringsgesprek in een concreet geval al dan niet is aangewezen, dit naast de mogelijkheid voor het geëvalueerde personeelslid zelf om een functioneringsgesprek te vragen.
13. Te dezen betekent dit dat het, naast de mogelijkheid om zelf een functioneringsgesprek te vragen – wat verzoeker niet heeft gedaan – enkel aan de verwerende partij toeviel om te oordelen of er naast het functioneringsgesprek dat op 17 juli 2014 heeft plaatsgevonden nog één of meerdere bijkomende functioneringsgesprekken met verzoeker dienden te worden gehouden. Het valt niet aan de Raad van State toe om zich wat dat betreft in de plaats te stellen van de verwerende partij. De Raad van State kan enkel nagaan of de verwerende partij onredelijk of onzorgvuldig heeft gehandeld door niet over te gaan tot het houden van één of meerdere bijkomende functioneringsgesprekken met verzoeker.
IX-8699-14/17
In haar memorie van antwoord argumenteert de verwerende partij daaromtrent dat op basis van het functioneringsgesprek van 17 juli 2014
duidelijk werd aangegeven waar de knelpunten in verzoekers functioneren precies gesitueerd waren, wat het volgens haar niet nodig maakte om nog bijkomende functioneringsgesprekken te organiseren.
Inderdaad moet worden vastgesteld dat in het verslag van het functioneringsgesprek van 17 juli 2014 duidelijk wordt aangegeven dat alle in het planningsgesprek vastgelegde prestatiedoelstellingen tot nog toe “slechts gedeeltelijk” werden behaald, alsook de vastgelegde ontwikkelingsdoelstellingen en de doelstelling in het kader van de beschikbaarheid voor de gebruikers van de dienst. Het verslag bevat ook opmerkingen van de functionele chef waaruit het gebrekkige functioneren van verzoeker blijkt. Welnu, op basis van het functioneringsgesprek van 17 juli 2014 en het verslag dat daarvan werd opgesteld en door verzoeker werd ondertekend, wist verzoeker – of behoorde hij althans te weten – waar de knelpunten in zijn functioneren precies gesitueerd waren. In tegenstelling tot wat verzoeker beweert, is hem aldus wel de kans geboden om te remediëren aan de tijdens dat functioneringsgesprek vastgestelde knelpunten.
Er kan niet worden ingezien dat de verwerende partij onzorgvuldig of onredelijk heeft gehandeld door geen bijkomende functioneringsgesprekken te organiseren. Er heeft immers een functioneringsgesprek plaatsgevonden waarin duidelijk de knelpunten in verzoekers functioneren werden aangegeven. Dat gesprek vond plaats op 17 juli 2014, ongeveer in de helft van de evaluatiecyclus 2014, zodat eensdeels op basis van het functioneren van verzoeker gedurende een behoorlijk deel van de evaluatieperiode kon worden vastgesteld dat er verschillende knelpunten waren met betrekking tot dat functioneren en anderdeels binnen de nog resterende termijn van de evaluatieperiode – eveneens een behoorlijke periode van meer dan vijf maanden – aan verzoeker de mogelijkheid werd geboden om aan de vastgestelde knelpunten te remediëren. Het viel aan verzoeker toe om zijn functioneren aan te passen aan de gedane vaststellingen naar aanleiding van het functioneringsgesprek
IX-8699-15/17
van 17 juli 2014, hetgeen blijkens het uiteindelijke evaluatieverslag evenwel niet of alleszins onvoldoende is gebeurd.
Doordat in het verslag van het functioneringsgesprek van 17 juli 2014 uitdrukkelijk wordt vermeld dat alle opgelegde doelstellingen tot nog toe “slechts gedeeltelijk” werden behaald, wist verzoeker – of behoorde hij althans te weten – dat dit bezwaarlijk zou kunnen leiden tot een eindevaluatie met minstens de vermelding ‘voldoet aan de verwachtingen’, zo hij niet zou remediëren aan de vastgestelde knelpunten. Verzoeker kon naar aanleiding van dit functioneringsgesprek er niet op vertrouwen dat hem toch een eindevaluatie ‘voldoet aan de verwachtingen’ zou worden toegekend. In de mate dat verzoeker dienaangaande nog aanvoert dat zijn evaluator hem tijdens het evaluatiejaar 2014
meermaals positieve feedback heeft gegeven, moet worden opgemerkt dat hij daarmee geheel voorbijgaat aan de vastgestelde knelpunten in zijn functioneren.
Minstens op basis van het functioneringsgesprek van 17 juli 2014 en het verslag daarvan was hij maar al te goed op de hoogte van het feit dat er knelpunten waren in zijn functioneren. Hij kon er aldus niet op vertrouwen dat er geen ernstige knelpunten zouden zijn geweest. Zo hij dit toch heeft gedaan op basis van eventuele positieve opmerkingen, gaat het om niet rechtmatige verwachtingen, precies omdat evengoed in de loop van de evaluatieperiode van 2014 verschillende knelpunten in zijn functioneren werden vastgesteld, dermate dat dit zelfs aanleiding heeft moeten geven tot het houden van een functioneringsgesprek.
14. Uit wat voorafgaat volgt dat het tweede middel niet gegrond is.
BESLISSING
1. De Raad van State verwerpt het beroep.
2. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro en een
IX-8699-16/17
rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij.
Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 28 juni 2018, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit:
Geert Van Haegendoren, kamervoorzitter, Bruno Seutin, staatsraad, Bert Thys, staatsraad, bijgestaan door Tiny Temmerman, griffier.
De griffier De voorzitter
Tiny Temmerman Geert Van Haegendoren
IX-8699-17/17
PDF document ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.241.985