Legislator Jurisprudence & Législation
ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.241.984 ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.241.984 Généré par l'IA

Court dismisses public servant's dismissal appeal due to lack of legal interest after prior evaluation annulment.

Numéro de cause ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.241.984
Autorité / Tribunal
Juridiction Belgique (BE)
Date de la décision
Issue du litige Rejeté (Dismissed)

Synthèse Legislator

Généré par l'IA

The Court of Justice of the Flemish Community rejected the public servant's appeal against his dismissal for permanent professional incapacity. The applicant argued that prior annulment of his negative performance evaluations violated his rights, but the court held these errors were already ruled inadmissible. Consequently, the court found the applicant lacked the necessary legal interest to pursue the dismissal annulment since the conditions for incapacity were definitively met.

Regeste Legislator

Généré par l'IA

Articles XI 8, § 1 of the Flemish Personnel Statute; The court may dismiss an annulment action for lack of legal interest when the substantive conditions for dismissal are already fulfilled and cannot be undone by declaring the dismissal void.

Mots-clés

Généré par l'IA
lack of legal interest permanent professional incapacity dismissal of public servant Flemish Personnel Statute annulment action substantive conditions fulfilled procedural dismissal détournement de retenues sur les salaires

Dispositions légales citées

Généré par l'IA
Article XI 8, § 1 of the Flemish Personnel Statute
Généré par l'IA

Vous souhaitez savoir comment cet arrêt s'applique à votre dossier ?

Analysez cette décision avec la législation fédérale, le droit cantonal, la doctrine et la jurisprudence subséquente dans Legislator AI.

Ouvrir dans Legislator →

Texte complet

RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK

IXe KAMER

nr. 241.984 van 28 juni 2018

in de zaak A. 219.436/IX-8874

In zake: Stijn EECKHAUT

bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Gitte Laenen kantoor houdend te 2800 Mechelen Antwerpsesteenweg 16-18

bij wie woonplaats wordt gekozen

tegen:

de VLAAMSE GEMEENSCHAP

bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Aube Wirtgen en Toon Moonen kantoor houdend te 1050 Brussel Louizalaan 99

bij wie woonplaats wordt gekozen

I. Voorwerp van het beroep

1. Het beroep, ingesteld op 6 juni 2016, strekt tot de nietigverkla-

ring van het besluit van 6 april 2016 van de secretaris-generaal van het departement Economie, Wetenschap en Innovatie van de Vlaamse overheid waarbij Stijn Eeckhaut wegens definitieve beroepsongeschiktheid wordt ontslagen.

II. Verloop van de rechtspleging

2. Bij arrest nr. 236.724 van 12 december 2016 is de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit verworpen.

De verzoekende partij heeft een verzoekschrift tot voortzetting van de rechtspleging ingediend.

IX-8874-1/8

De verwerende partij heeft een memorie van antwoord inge-

diend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend.

Eerste auditeur Marijke Van Limbergen heeft een verslag op-

gesteld.

De verzoekende partij en de verwerende partij hebben een laatste memorie ingediend.

De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 28 mei 2018.

Staatsraad Bert Thys heeft verslag uitgebracht.

De verzoekende partij en advocaat Toon Moonen, die tevens loco advocaat Aube Wirtgen verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord.

Eerste auditeur Marijke Van Limbergen heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven.

Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoör-

dineerd op 12 januari 1973.

III. Feiten

3.1. Verzoeker is sinds 1 augustus 2007 als statutair ambtenaar met de graad van adjunct van de directeur werkzaam bij de afdeling Onderzoek van het departement Economie, Wetenschap en Innovatie (hierna: het departement EWI)

van de Vlaamse overheid.

IX-8874-2/8

3.2. Medio 2014 dient verzoeker een klacht in bij de Vlaamse ombudsman met betrekking tot de behandeling van subsidiedossiers op zijn afdeling en de druk die hij ervaart op de werkvloer, waardoor hij overeenkomstig artikel 17bis van het decreet van 7 juli 1998 ‘houdende instelling van de Vlaamse ombudsdienst’ onder de bescherming van deze ombudsman wordt geplaatst.

3.3. Op 23 februari 2015 heeft verzoeker met zijn afdelingshoofd, die zijn eerste evaluator is, een evaluatiegesprek met betrekking tot zijn functioneren tijdens het werkjaar 2014.

Op 3 maart 2015 wordt verzoeker ervan in kennis gesteld dat hem voor het werkjaar 2014 de evaluatie ‘onvoldoende’ wordt toegekend.

Verzoeker stelt op 17 maart 2015 een beroep in tegen deze be-

slissing bij de raad van beroep voor de diensten van de Vlaamse overheid (hierna:

de raad van beroep).

Op 20 april 2015 verklaart de raad van beroep het beroep ont-

vankelijk en adviseert hij aan de directieraad van het departement EWI, met zes stemmen voor en één stem tegen, dat de evaluatie ‘onvoldoende’ voor het werk-

jaar 2014 gegrond is.

Op 27 april 2015 spreekt de directieraad van het departement EWI zich definitief uit over de evaluatie van verzoeker voor het werkjaar 2014. Hij beslist, met unanimiteit, dat de evaluatie ‘onvoldoende’ behouden blijft.

Verzoeker vecht onder meer deze beslissing aan met een beroep tot nietigverklaring bij de Raad van State (rolnummer A. 216.358/IX-8679). Bij arrest nr. 241.982 van heden is dit beroep verworpen.

3.4. Op 23 juli 2015 beslist de secretaris-generaal van het departe-

ment EWI om verzoeker de tuchtstraf ‘tuchtschorsing met salarisinhouding voor

IX-8874-3/8

een periode van 3 maanden’ op te leggen op grond van feiten die “getuigen van een inbreuk op de gehoorzaamheidsplicht van personeelsleden” en “de vastgestelde werkattitude [die] niet in overeenstemming is met de loyauteitsplicht, de plicht tot samenwerken en de richtlijnen inzake klantgerichtheid”.

Verzoeker stelt tegen deze beslissing een beroep in bij de raad van beroep.

De raad van beroep beslist op 8 september 2015, met unanimi-

teit, dat verzoeker in aanmerking komt voor de tuchtstraf ‘tuchtschorsing met salarisinhouding voor drie maand’, waarbij de salarisinhouding wordt bepaald op één vijfde van de nettobezoldiging.

Verzoeker vecht ook deze beslissing aan met een beroep tot nietigverklaring bij de Raad van State (rolnummer A. 217.505/IX-8748). Deze zaak is nog hangende.

3.5. Op 8 januari 2016 heeft een evaluatiegesprek plaats tussen verzoeker en zijn eerste en zijn tweede evaluator met betrekking tot zijn functio-

neren tijdens het werkjaar 2015.

De einduitspraak van de evaluatoren, ondertekend op 11 januari 2016, luidt: ‘onvoldoende’.

Verzoeker stelt op 28 januari 2016 tegen deze beslissing een beroep in bij de raad van beroep.

Op 30 maart 2016 verklaart de raad van beroep het beroep ont-

vankelijk en beslist hij, met unanimiteit, dat de evaluatie ‘onvoldoende’ voor het werkjaar 2015 gegrond is.

IX-8874-4/8

Verzoeker vecht onder meer deze beslissing van de raad van beroep aan met een beroep tot nietigverklaring bij de Raad van State (rolnummer A. 219.410/IX-8873). Bij arrest nr. 241.983 van heden is dit beroep verworpen.

3.6. Op 6 april 2016 beslist de secretaris-generaal van het departe-

ment EWI dat verzoeker, gelet op de twee opeenvolgende negatieve evaluaties, definitief beroepsongeschikt wordt bevonden en wordt ontslagen.

Dit is de bestreden beslissing in de voorliggende zaak.

IV. Samenvoeging

Vraag van de verwerende partij

4. De verwerende partij vraagt in haar memorie van antwoord om het thans voorliggende beroep, “[g]elet op de samenhang met het beroep tot nie-

tigverklaring betreffende de evaluatie ‘onvoldoende’ voor het werkjaar 2015 en in het belang van de goede rechtsbedeling”, samen te voegen met het beroep tot nietigverklaring in de zaak A. 219.410/IX-8873.

Beoordeling

5. Beide bedoelde zaken zijn, wat het beroep tot nietigverklaring betreft, op dezelfde terechtzitting behandeld en in beraad genomen. De goede rechtsbedeling vergt niet dat beide zaken met toepassing van de algemene proce-

dureregeling worden samengevoegd.

V. Ontvankelijkheid

6. Artikel XI 5, eerste lid, 3°, van het besluit van de Vlaamse Re-

gering van 13 januari 2006 ‘houdende vaststelling van de rechtspositie van het personeel van de diensten van de Vlaamse overheid’ (hierna: het Vlaams perso-

IX-8874-5/8

neelsstatuut) bepaalt dat tot ambtsneerlegging aanleiding geeft: “de definitief vastgestelde beroepsongeschiktheid, zoals bepaald in artikel XI 8, § 1.”

Artikel XI 8, § 1, van hetzelfde besluit luidt als volgt:

“De ambtenaar is definitief beroepsongeschikt als hij na een evaluatie ‘on-

voldoende’ bij één van de twee eerstvolgende evaluaties een tweede evaluatie ‘onvoldoende’ krijgt. De ambtenaar wordt dan ontslagen.”

7. Uit de voormelde reglementaire bepalingen, waarvan verzoeker in zijn middelen niet opwerpt dat ze onwettig zouden zijn, volgt dat de beslissing van het bestuur om een ambtenaar die na een evaluatie ‘onvoldoende’ bij één van de twee eerstvolgende evaluaties opnieuw een evaluatie ‘onvoldoende’ krijgt, af te danken wegens definitieve beroepsongeschiktheid, berust op een gebonden be-

voegdheid.

8. In dit geval werd door de directieraad van het departement EWI

op 27 april 2015 en door de raad van beroep op 30 maart 2016 aan verzoeker respectievelijk voor de werkjaren 2014 en 2015 de evaluatie ‘onvoldoende’ toe-

gekend. Verzoeker heeft tegen elk van deze twee – zelfs opeenvolgende – evalua-

ties ‘onvoldoende’ een beroep tot nietigverklaring ingesteld bij de Raad van State.

De desbetreffende beroepen zijn evenwel door de Raad van State verworpen, respectievelijk bij de arresten nrs. 241.982 en 241.983 van heden, zodat deze twee evaluaties ‘onvoldoende’ definitief en onaantastbaar zijn geworden.

Zoals de Raad van State ook al eerder met betrekking tot een gelijkaardige zaak heeft geoordeeld in zijn arrest nr. 225.159 van 21 oktober 2013, moet dan ook worden aangenomen dat de verwerende partij krachtens artikel XI 8, § 1, van het Vlaams personeelsstatuut niet anders kon en mocht beslissen dan verzoeker overeenkomstig artikel XI 8, § 1, van het Vlaams personeelsstatuut definitief beroepsongeschikt te verklaren en hem ambtshalve te ontslaan. De be-

streden beslissing kon en mocht met andere woorden niet anders luiden dan ze nu doet.

IX-8874-6/8

9. De door verzoeker in zijn middelen aangevoerde schending van de formele- en de materiëlemotiveringsplicht, het onafhankelijkheids- en het on-

partijdigheidsbeginsel, het zorgvuldigheidsbeginsel, het redelijkheids- en het evenredigheidsbeginsel, de hoorplicht en de rechten van verdediging, kan hem dan ook geen soelaas bieden. Daargelaten dat de aangevoerde onwettigheden meren-

deels betrekking hebben op de door verzoeker bestreden evaluatiebeslissingen en als zodanig reeds ongegrond zijn bevonden door de voornoemde verwerpingsar-

resten van de Raad van State, kan verzoeker ze niet dienstig aanvoeren tegen de thans bestreden ontslagbeslissing. De voorwaarden voor zijn ontslag wegens be-

roepsongeschiktheid zijn immers definitief vervuld en de verwerende partij kan en mag daaraan geen ander gevolg verbinden dan zijn ontslag, zodat een eventuele nietigverklaring van de bestreden beslissing hoe dan ook niet kan bewerkstelligen dat verzoeker rechtmatig in dienst van de verwerende partij vermag te blijven.

10. Voor zover verzoeker in zijn eerste middel laat gelden dat arti-

kel XI 8 van het Vlaams personeelsstatuut de keuze laat tussen de toekenning van een verbrekingsvergoeding, dan wel de eerbiediging van een opzeggingstermijn, en dat de verwerende partij daarbij beschikt over een discretionaire beslissings-

marge die dient te worden gemotiveerd, moet erop worden gewezen dat die keuze slechts een modaliteit van het ontslag betreft. Aangezien het ontslag van verzoeker bij de bestreden beslissing onmiddellijke ingang vindt, maar gepaard gaat met de toekenning van een verbrekingsvergoeding die overeenstemt met de te respecteren opzeggingstermijn, valt niet in te zien dat verzoeker door die keuze een nadeel zou ondergaan dat zijn actueel belang bij het voorliggende beroep zou kunnen ver-

antwoorden.

11. In die omstandigheden dient ambtshalve te worden opgeworpen dat verzoeker thans, ná de verwerping van zijn beroepen tot nietigverklaring van de hem toegekende evaluaties ‘onvoldoende’ voor de werkjaren 2014 en 2015, niet langer het rechtens vereiste belang heeft bij zijn voorliggend beroep tot nietigver-

klaring van zijn ontslag wegens beroepsongeschiktheid.

IX-8874-7/8

BESLISSING

1. De Raad van State verwerpt het beroep.

2. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring en van de vordering tot schorsing, begroot op een rolrecht van 400 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 840 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij.

Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 28 juni 2018, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit:

Geert Van Haegendoren, kamervoorzitter, Bruno Seutin, staatsraad, Bert Thys, staatsraad, bijgestaan door Tiny Temmerman, griffier.

De griffier De voorzitter

Tiny Temmerman Geert Van Haegendoren

IX-8874-8/8

PDF document ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.241.984