Legislator Jurisprudence & Législation
ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.241.983 ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.241.983 Généré par l'IA

Court dismisses civil servant's appeal against negative performance evaluation citing lack of bias and abuse of power.

Numéro de cause ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.241.983
Autorité / Tribunal
Juridiction Belgique (BE)
Date de la décision
Issue du litige Rejeté (Dismissed)

Synthèse Legislator

Généré par l'IA

The Council of State rejected Stijn Eeckhaut's appeal against his negative performance evaluation for 2015 and the subsequent administrative court ruling. Eeckhaut, a civil servant who had lodged a complaint with the Flemish Ombudsman regarding workload pressure, argued that his department head's evaluation was biased and constituted an abuse of power. The court found no evidence of bias in the appeal board's decision and determined that the Ombudsman's complaint did not cause the negative evaluation, thus rejecting the claims of procedural violations and improper intent.

Regeste Legislator

Généré par l'IA

Articles 17bis of the Decree of 7 July 1998; Article 17 of the Code of Public Service: A civil servant's complaint to the Ombudsman does not automatically constitute grounds for a negative performance evaluation, and the absence of proven bias or abuse of power leads to the dismissal of such appeals.

Mots-clés

Généré par l'IA
civil servant performance evaluation administrative ombudsman complaint abuse of power doctrine procedural fairness violation unanimous administrative court decision régime disciplinaire recours du personnel plainte à l'autorité de surveillance

Dispositions légales citées

Généré par l'IA
Article 17bis of the Decree of 7 July 1998 establishing the Flemish Ombudsman Service
Title VI, Chapter II of the Laws on the Council of State

Jurisprudence citée

Généré par l'IA
Généré par l'IA

Vous souhaitez savoir comment cet arrêt s'applique à votre dossier ?

Analysez cette décision avec la législation fédérale, le droit cantonal, la doctrine et la jurisprudence subséquente dans Legislator AI.

Ouvrir dans Legislator →

Texte complet

RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK

IXe KAMER

nr. 241.983 van 28 juni 2018

in de zaak A. 219.410/IX-8873

In zake: Stijn EECKHAUT

bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Gitte Laenen kantoor houdend te 2800 Mechelen Antwerpsesteenweg 16-18

bij wie woonplaats wordt gekozen

tegen:

de VLAAMSE GEMEENSCHAP

bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Aube Wirtgen en Toon Moonen kantoor houdend te 1050 Brussel Louizalaan 99

bij wie woonplaats wordt gekozen

I. Voorwerp van het beroep

1. Het beroep, ingesteld op 2 juni 2016, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van de evaluatoren van 11 januari 2016 waarbij aan Stijn Eeckhaut de evaluatie ‘onvoldoende’ voor het werkjaar 2015 wordt toegekend, evenals van de beslissing van de raad van beroep voor de diensten van de Vlaamse overheid van 30 maart 2016 waarbij de evaluatie ‘onvoldoende’ van Stijn Eeckhaut voor het werkjaar 2015 gegrond wordt verklaard.

II. Verloop van de rechtspleging

2. Bij arrest nr. 236.723 van 12 december 2016 is de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissingen verworpen.

IX-8873-1/53

De verzoekende partij heeft een verzoekschrift tot voortzetting van de rechtspleging ingediend.

De verwerende partij heeft een memorie van antwoord inge-

diend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend.

Eerste auditeur Marijke Van Limbergen heeft een verslag op-

gesteld.

De verzoekende partij en de verwerende partij hebben een laatste memorie ingediend.

De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 28 mei 2018.

Staatsraad Bert Thys heeft verslag uitgebracht.

De verzoekende partij en advocaat Toon Moonen, die tevens loco advocaat Aube Wirtgen verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord.

Eerste auditeur Marijke Van Limbergen heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven.

Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoör-

dineerd op 12 januari 1973.

III. Feiten

3.1. Verzoeker is sinds 1 augustus 2007 als statutair ambtenaar met de graad van adjunct van de directeur werkzaam bij de afdeling Onderzoek van het

IX-8873-2/53

departement Economie, Wetenschap en Innovatie (hierna: het departement EWI)

van de Vlaamse overheid.

3.2. Medio 2014 dient verzoeker een klacht in bij de Vlaamse ombudsman met betrekking tot de behandeling van subsidiedossiers op zijn afdeling en de druk die hij ervaart op de werkvloer, waardoor hij overeenkomstig artikel 17bis van het decreet van 7 juli 1998 ‘houdende instelling van de Vlaamse ombudsdienst’ onder de bescherming van deze ombudsman wordt geplaatst.

3.3. Op 23 februari 2015 heeft verzoeker met zijn afdelingshoofd, die zijn eerste evaluator is, een evaluatiegesprek met betrekking tot zijn functioneren tijdens het werkjaar 2014.

Op 3 maart 2015 wordt verzoeker ervan in kennis gesteld dat hem voor het werkjaar 2014 de evaluatie ‘onvoldoende’ wordt toegekend.

Verzoeker stelt op 17 maart 2015 een beroep in tegen deze be-

slissing bij de raad van beroep voor de diensten van de Vlaamse overheid (hierna:

de raad van beroep).

Op 20 april 2015 verklaart de raad van beroep het beroep ont-

vankelijk en adviseert hij aan de directieraad van het departement EWI, met zes stemmen voor en één stem tegen, dat de evaluatie ‘onvoldoende’ voor het werk-

jaar 2014 gegrond is.

Op 27 april 2015 spreekt de directieraad van het departement EWI zich definitief uit over de evaluatie van verzoeker voor het werkjaar 2014. Hij beslist, met unanimiteit, dat de evaluatie ‘onvoldoende’ behouden blijft.

Verzoeker vecht onder meer deze beslissing aan met een beroep tot nietigverklaring bij de Raad van State (rolnummer A. 216.358/IX-8679). Bij arrest nr. 241.982 van heden is dit beroep verworpen.

IX-8873-3/53

3.4. Op 23 juli 2015 beslist de secretaris-generaal van het departe-

ment EWI om verzoeker de tuchtstraf ‘tuchtschorsing met salarisinhouding voor een periode van 3 maanden’ op te leggen op grond van feiten die “getuigen van een inbreuk op de gehoorzaamheidsplicht van personeelsleden” en “de vastgestelde werkattitude [die] niet in overeenstemming is met de loyauteitsplicht, de plicht tot samenwerken en de richtlijnen inzake klantgerichtheid”.

Verzoeker stelt ook tegen deze beslissing een beroep in bij de raad van beroep.

De raad van beroep beslist op 8 september 2015, met unanimi-

teit, dat verzoeker in aanmerking komt voor de tuchtstraf ‘tuchtschorsing met salarisinhouding voor drie maand’, waarbij de salarisinhouding wordt bepaald op één vijfde van de nettobezoldiging.

Verzoeker vecht ook deze beslissing aan met een beroep tot nietigverklaring bij de Raad van State (rolnummer A. 217.505/IX-8748). Deze zaak is nog hangende.

3.5. Op 8 januari 2016 heeft een evaluatiegesprek plaats tussen verzoeker en zijn eerste en zijn tweede evaluator met betrekking tot zijn functio-

neren tijdens het werkjaar 2015.

Het verslag van dit gesprek luidt als volgt:

“Op vrijdag 8/1/16 werd om 10u een eerste poging ondernomen om het evaluatiegesprek te houden. Betrokkene weigerde echter het gesprek te houden, aangezien hij de tweede evaluator ook verwachtte, zonder dat hij daarvoor een vraag had ingediend conform art. IV.4. van het VPS (‘Op verzoek van de geë-

valueerde of een evaluator gebeurt het evaluatiegesprek met twee evaluato-

ren.’). Zijn misinterpretatie berustte op het feit dat de bevestiging van uitnodi-

ging tot het ploeggesprek ondertekend werd door beide evaluatoren. Het afde-

lingshoofd heeft dan aangegeven dat persoonlijke nota’s steeds door beide evaluatoren worden ondertekend, en dat het schrijven een bevestiging was van het via outlook verstuurde vergaderverzoek waarin enkel de eerste evaluator en betrokkene waren opgenomen. Na deze uitleg bleef betrokkene weigeren om

IX-8873-4/53

het gesprek te houden.

Om 10u30 kon dan toch het gesprek gestart worden aangezien de 2de eva-

luator bereid was om aanwezig te zijn bij het gesprek. De 2de evaluator bevestigt bij het begin van het gesprek het standpunt van de 1ste evaluator dat indien de geëvalueerde de aanwezigheid wenst van de 2de evaluator, hij daartoe het ver-

zoek dient te uiten; en dat de aangetekende brief louter een schriftelijke beves-

tiging was van het via outlook verstuurde vergaderverzoek tussen betrokkene en zijn eerste evaluator, wat vooral werd ingegeven omdat het management had vastgesteld dat betrokkene niet verbonden was met internet.

Er wordt aansluitend vastgesteld dat er geen zelfevaluatie door betrokkene werd ingediend, ondanks het feit dat hem nadrukkelijk werd gevraagd het ge-

sprek op deze wijze mee voor te bereiden (zie de uitnodiging tot het PLOEG-

gesprek, die via een aangetekend schrijven werd bevestigd, dat op 18/12/2015

aan betrokkene werd verstuurd. 3 werkdagen later wordt een aangetekende zending als ontvangen beschouwd, wat betekent dat de bevestiging op woens-

dag 23/12/2015 is toegekomen bij betrokkene. Bovendien is een kopie van deze aangetekende zending, op vraag van betrokkene, ook via gewone post aan zijn raadsheer gestuurd.

De 1ste evaluator geeft daarna aan betrokkene een kopie van zijn voorbe-

reiding voor het gesprek. Op vraag van de 1ste evaluator hoe het gesprek volgens betrokkene best kan aangepakt worden, geeft betrokkene te kennen dat hij schriftelijk zal reageren op dit ontwerp van evaluatieverslag. Hierop ontstaat een semantische discussie over het statuut van dit document waarvan betrok-

kene kopie heeft ontvangen. Uiteindelijk wordt, na voorlezing van enkele VPS

artikels (IV.2; IV.4; IV.5) waar de procedure over de evaluatie wordt toegelicht, bevestigd dat dit document enkel een voorbereiding is van de 1ste evaluator voor het te voeren evaluatiegesprek. Van het gesprek zal een evaluatieverslag op-

gemaakt worden, waarop betrokkene dan binnen de 15 kalenderdagen kan re-

ageren en/of in beroep tegen kan gaan. Betrokkene reageert hierop met te ver-

wijzen naar het meest recente schrijven van zijn raadsheer, dat EWI heeft ont-

vangen op 7/01/2016, én herhaalt dat hij schriftelijk zal reageren op het verslag.

Daarop wordt overeengekomen om per deel van het document tot lezing over te gaan en te zien of betrokkene na elk deel alsnog wil reageren.

Onderstaande cursieve tekst wordt bijgevolg door de 1ste evaluator voor-

gelezen. De opmerkingen die betrokkene en de tweede evaluator tijdens het evaluatiegesprek toevoegen, worden tussen deze cursieve alinea’s vermeld (recht gedrukt).

In 2015 zijn de samenwerking met zijn afdelingshoofd én zijn arbeids-

prestaties systematisch verslechterd en tot een volledige stopzetting gekomen.

Dit is nog een verergering t.o.v. de slechte prestaties in 2014, die toen al niet meer als een normale werksituatie werd bestempeld. Ook de afstraling op de gehele afdeling en zelfs op de gehele werkvloer is nog toegenomen, temeer daar in 2015 zelfs collega’s van andere afdelingen dienden in te springen om taken over te nemen die betrokkene niet meer wou uitvoeren. Nochtans werden in het kader van de evaluatie 2014 en planning 2015, die op hetzelfde moment werd gehouden – met name op 23 februari 2015 – de verwachtingen van het ma-

nagement naar de functiehouder zowel inhoudelijk als naar competenties en attitudes bevestigd. Het opgestelde evaluatiedocument alsook het plannings-

IX-8873-5/53

document wou betrokkene echter niet ondertekenen. Het planningsdocument werd in overleg met betrokkene nochtans aangepast waar mogelijk, of werd deels bevestigd na argumentatie van het afdelingshoofd, maar betrokkene bleef weigeren om het document te ondertekenen. Uiteindelijk werd het hem, op vraag van zijn raadsheer, aangetekend verstuurd op 8/7/15. Dergelijk gedrag inzake het weigeren van documenten te ondertekenen en bijgevolg aangete-

kende zendingen te gebruiken worden in 2015 een constante omdat dit uitein-

delijk de enige vorm nog is van communicatie die mogelijk is tussen het De-

partement EWI en betrokkene. Verre van ideaal en zeker niet als normale werksituatie te beschouwen.

Als repliek op deze voorgelezen inleiding verwijst betrokkene naar het recentste schrijven van zijn raadsheer, dat EWI heeft ontvangen op 7/01/2016

en naar alle in dat schrijven vernoemde documenten.

Periode voorafgaand aan het voorstel tot tuchtsanctie.

Ondanks herhaalde verwittigingen en een aanzet tot het maken van duide-

lijke werkafspraken gedurende de eerste weken en maanden van 2015, wordt door betrokkene geen enkele output meer geleverd. Hierdoor komen meerdere dossiers in het gedrang, met negatieve gevolgen (stijging van de werkdruk) voor meerdere collega’s en vaak met financiële implicaties voor de gesubsidieerden.

Betrokkene weigert opgelegde taken uit te voeren, zowel naar inhoud toe, als wat communicatie en rapportering met derden (zowel klanten, collega’s als de politieke overheid) betreft. Niet alleen zijn opdrachten binnen de afdeling worden genegeerd maar ook zijn taken als vertegenwoordiger van de afdeling in algemene vergaderingen worden verwaarloosd of genegeerd.

Samengevat komen de feiten in de eerste 3 maanden van 2015 neer op het weigeren van taken uit te voeren, weigeren van overleg en deelnames aan vergaderingen, weigeren poststukken over zijn dossiers te ontvangen, weigeren documenten te ondertekenen, weigeren deel te nemen aan de algehele vervan-

ging van IT apparatuur (met opleiding).

N.a.v. een gesprek tussen de SG en betrokkene dat plaatsvond tussen 14/1/15 en 21/1/15 werd op vraag van betrokkene afgesproken dat hij terug volledige controle over zijn dossiers krijgt (dossiers die in 2014 door zijn af-

delingshoofd dienden overgenomen te worden om ze nog tijdig voor het jaar-

einde af te ronden) en er terug de verantwoordelijkheid over neemt. Als gevolg van deze afspraak en n.a.v. de met betrokkene gemaakte afspraken tijdens het bilateraal overleg met zijn afdelingshoofd op 27/1/15 wordt door het afde-

lingshoofd op 28/1/15 de opdracht gegeven aan de administratieve onder-

steunster om de EPO stukken (elektronische post databank) aan te passen en terug op naam van betrokkene te zetten. Deze opdracht werd op 3/2/15 afge-

rond en alle EPO stukken staan dan terug op betrokkene zijn naam. Prompt reageert hij naar de EPO medewerker dat zijn afdelingshoofd de dossierbe-

handelaar is.

Op 21 januari 2015 wordt een overleg met zijn afdelingshoofd geweigerd.

Op het bilateraal werkoverleg van 27/1/15 tussen betrokkene en zijn afde-

lingshoofd worden per dossier duidelijke afspraken gemaakt, waarvan sommige met duidelijke timing. Dit wordt in een mail van 28/1/15 door het afdelings-

hoofd aan betrokkene bevestigd. Er wordt meteen ook al een volgend bilateraal werkoverleg gepland op 10/2/15. Op dat werkoverleg van 10/2/15 kan echter

IX-8873-6/53

zelfs de stand van zaken dossiers niet besproken worden. Betrokkene bleef namelijk maar herhalen dat we naast mekaar aan het praten zijn, en dat hij daarvoor past. Op de vraag van het afdelingshoofd wat er dan volgens hem moet afgesproken worden, kreeg het afdelingshoofd geen antwoord meer.

Vervolgens is betrokkene uit de vergadering gegaan, nog voor dat we over de stand van zaken van de dossiers an sich konden spreken. Op 11/2/15 wordt dit in een mail aan hem door zijn afdelingshoofd meegedeeld. Het afdelingshoofd doet een nieuwe poging tot werkoverleg, maar het geplande overleg op 27/2/15

moet met een week uitgesteld worden omdat betrokkene opnieuw verlof vraagt voor die dag. Het afdelingshoofd vraagt via mail van 26/2/15 wel al een over-

zicht op van de stand van zaken van de dossiers. Dit overzicht wordt echter nooit bezorgd. De week nadien vraagt betrokkene om dat overleg opnieuw uit te stellen. Het afdelingshoofd weigert dit echter en overleg vindt dan toch plaats op 6 maart 2015. Tijdens dat overleg op 6/3/15 wordt nagegaan wat intussen de stand van zaken is. De gemaakte afspraken van januari worden herhaald; met bijkomende verduidelijking wat timing van bepaalde taken betreft. In een mail van diezelfde dag van het afdelingshoofd aan betrokkene wordt dit bevestigd.

Maar de afspraken worden opnieuw niet nagekomen. Ook niet na een herinne-

ringsmail van het afdelingshoofd op 12/3/15 en op 18/3/15. Op die datum zijn een aantal van de afgesproken deadlines alweer overschreden. Tijdens het volgende bilateraal werkoverleg op 26/3/15 blijkt dat geen enkele van de af-

gesproken taken/timings werden nagekomen. De betrokkene geeft geen uitleg hiervoor. Het overleg mondt uit in een beschuldiging van de betrokkene aan het afdelingshoofd en in stilzwijgen als de stand van zaken van de taken ter sprake komt. Het afdelingshoofd noteert dit in een mail aan betrokkene op dezelfde dag.

Een van de afspraken gemaakt tijdens het bilateraal overleg op 27/1/15

was het tijdig en uiterlijk eind januari bezorgen aan de inspectie van financiën van het ontwerp MB (Ministerieel Besluit) voor de KVAB subsidie 2015. Het afdelingshoofd stelt op 2/2/15 vast dat deze afspraak niet werd nagekomen en dat bijgevolg het dossier te laat is. Hij herinnert betrokkene hieraan op 2/2/15

via een mail. Uiteindelijk diende deze taak door een collega overgenomen te worden.

Op 28/1/15 vraagt het kabinet een nota voor te bereiden tegen 4/2/15

(datum werd bekomen na onderhandeling tussen afdelingshoofd en de adjunct kabinetschef) over de volgens betrokkene bestaande juridische problemen m.b.t. de benoemingen in de KVAB en hierover te overleggen met de adjunct kabinetschef (AKC) op 13/2/15. De opdracht wordt via mail op 28/1/15 aan betrokkene overgemaakt. Deze nota werd nooit opgeleverd, ook niet na her-

haaldelijke vraag (zie mail van 4/2/15 waarbij verlofaanvraag voor 5/2 en 6/2/15 wordt geweigerd omdat de nota nog niet werd opgeleverd; zie mail van 11/2/15 met verslag van overleg op 10/2/15). Het overleg met de AKC diende derhalve door het afdelingshoofd op 13/2/15 geannuleerd te worden.

Het MB voor subsidie 2015 aan IWT (Agentschap voor Innovatie door Wetenschap en Technologie) werd door betrokkene niet tijdig en nadien zelfs helemaal niet opgemaakt. De subsidie aanvraag is bij EWI ontvangen op 5/2/15

via mail en op 12/2/15 via gewone post, en wordt normaliter vanuit het principe inzake klantvriendelijkheid op zo kort mogelijke tijd opgestart. Uiteindelijk

IX-8873-7/53

diende deze taak door een collega overgenomen te worden.

Betrokkene werd tot 2 keer toe uitgenodigd voor een bezoek aan de be-

drijfsarts (5 februari ’15 voor afspraak op 6/2/15; op 10/2/15 wordt betrokkene opnieuw uitgenodigd voor nieuwe afspraak op 13/2/15 met uitdrukkelijke vermelding dat dit verplicht is). Betrokkene reageerde niet op de vergader-

verzoeken (schriftelijk via mail op 5/2/15 en 10/2/15, en mondeling door per-

soneelsdienst op 5/2/15) en komt uiteindelijk niet opdagen blijkens berichten van de arbeidsgeneesheer dd. 6/2/15 en 13/2/15, zonder dit te melden, zonder voorlegging van een (medisch) attest of zich op enigerlei wijze te verontschul-

digen. Op 16/2/15 meldt betrokkene aan de hr-adviseur dat die fout is.

Ook buiten de eigen afdeling blijft betrokkene regelmatig afwezig in het interne EWI themateam ‘Efficiënte dienstverlening’ (werkgroep) waar hij zijn afdeling moet vertegenwoordigen; of blijkt dat hij ook daar gemaakte afspraken niet nakomt/uitvoert. Ook dit is een feit dat al in 2014 werd vastgesteld en dus ook in 2015 vastgesteld blijft. Het afdelingshoofd werd op 11/2/15 op de hoogte gebracht door de coördinator van het themateam van het niet meewerken van betrokkene binnen het themateam, het niet naleven van afspraken en niet uit-

voeren van zijn (deel)taken binnen het team. Op 27/3/15 komt de coördinator van het themateam efficiënte dienstverlening weer bij afdelingshoofd langs om haar negatieve ervaringen met betrokkene mee te delen. Zij bevestigt dit later in een mail. Op 30/3/15 meldt de coördinator van het themateam efficiënte dienstverlening via mail aan het afdelingshoofd dat het verslag dat door be-

trokkene diende opgemaakt te worden, nog steeds niet werd ontvangen. Het afdelingshoofd stuurt via mail op 31/3/15 een herinnering naar betrokkene, maar de taak wordt niet uitgevoerd en dient uiteindelijk door een collega overgenomen te worden.

Op vraag van betrokkene, en zoals afgesproken op een overleg bij de ombudsdienst op 21 november 2014, wordt een nieuwe poging ondernomen door het afdelingshoofd tot overleg met afdeling Kennisbeheer teneinde de taakafbakening tussen beide afdelingen te bespreken. Op 12 februari 2015 werd dit punt geagendeerd; betrokkene vraagt echter spoedverlof aan die dag zelf.

Hetzelfde gebeurt voor een geplande meeting met dezelfde afdeling op 23 fe-

bruari. Deze keer laat het afdelingshoofd de vergadering zonder betrokkene doorgaan, echter zonder bespreking van het agendapunt dat door betrokkene werd aangevraagd. Op vraag van betrokkene wordt tegenwoordig standaard de agenda van het Ecoom comité vooraf doorgestuurd. Op 27/2/15 krijgt hij van zijn afdelingshoofd via mail de vraag om de jongste agenda van dit comité te screenen op relevante punten. Hij reageert niet, noch naar eigen afdelings-

hoofd, noch naar de afdeling Kennisbeheer. Pas op 6/3/15 en enkel na vraag van zijn afdelingshoofd tijdens het bilateraal overleg, geeft hij te kennen dat hij geen opmerkingen had bij de agenda. Het comité had dan intussen wel al ver-

gaderd.

De betrokkene levert geen input voor een antwoord op parlementaire vraag 327 m.b.t. ‘Innovatieve energiewinning Onderzoek’ die deels over zijn dossiers en thematiek gaat en waarvoor hij met IWT contact diende op te ne-

men. Op 19/2/15 werd hij hier nogmaals via mail door de coördinator parle-

mentaire vragen op gewezen. Op 20/2/15 meldt de coördinator via mail aan het afdelingshoofd dat zij ‘de taken van Stijn heb moeten overnemen omdat hij niet

IX-8873-8/53

reageerde op geen enkele mail en geen input gaf voor het antwoord op deze vraag.’ De IWT contactpersoon i.v.m. IOF/Interface (Industrieel Onderzoeks-

fonds) dossier, vraagt op 13/2/15 via mail informatie op bij betrokkene. Zij herinnert hem nogmaals aan de vraag op 25/2/15. Bij gebrek aan respons vraagt zij via mail op 2/3/15 aan het afdelingshoofd of zij bij hem terecht kan.

Er wordt afgesproken dat zij betrokkene nogmaals aan de vraag zal herinneren (via mail op 4/3/15), én dat het afdelingshoofd dit ter sprake zal brengen op het overleg op 6/3/15. (zie hoger). Tot op heden heb ik geen antwoord aan IWT

gezien…

Op 10/3/15 vindt een door Departement Financiën en Begroting aange-

vraagd overleg plaats, dat deels over betrokkene zijn dossiers zal gaan. Be-

trokkene vraagt de dag ervoor opnieuw verlof aan terwijl hij reeds op de hoogte was van dit overleg.

Op 13/3/15 komt een volgende parlementaire vraag binnen, nr 434 Dier-

proeven voor wetenschappelijk onderzoek. Ook hiervoor kan betrokkene input opvragen via het IWT. Op 3/4/15 bevestigt de coördinator parlementaire vra-

gen dat er opnieuw geen input werd geleverd door de betrokkene.

Op 17/3/15 wordt aan betrokkene via mail input gevraagd voor een do-

cument van de Europese Commissie. Reacties moeten uiterlijk maandag 23/3/15 bij [K. B.] zijn, met cc aan afdelingshoofd. Er komt geen reactie op de vraag.

In januari 2014 werd gestart met een procedure op het niveau van het departement waarbij alle laptops van het hele departement worden vervangen en worden voorzien van een ander besturingssysteem. De start van dit proces ging gepaard met demo’s, informatieronden, vraag een keuze te maken tussen verschillende toestellen,... Betrokkene heeft hier nooit op gereageerd en be-

antwoordde ook geen mails daarover, en dus werd er voor hem een keuze van toestel gemaakt door de IT verantwoordelijke. In de periode januari 2015 tot maart 2015 werd dan per groep gestart met deze vervanging van apparatuur.

Hiervoor diende het oude toestel te worden ingeleverd bij de outsourcer –

HP-Belgacom, voorzien van de toegangspaswoorden waarna HPB de transitie doet. Op 19/3/15 meldt de IT verantwoordelijke dat betrokkene niet heeft deelgenomen aan de vervanging van de laptops en het softwarepakket Office.

Via mail van het afdelingshoofd wordt betrokkene diezelfde dag erop gewezen dat dit voor heel EWI de bedoeling is, en dat hij op 2/4 alsnog een nieuwe laptop zal krijgen; samen met opleiding. Op 30 maart 2015 vraagt betrokkene verlof aan voor 1 tot 3 april. Op 1/4/15 meldt de IT verantwoordelijke, als antwoord op diens vraag naar laatste stand van zaken, dat er aan betrokkene werd meegedeeld dat er nog een mogelijke datum voor vervanging overblijft, zijnde laatste maandag van april, 27ste. Betrokkene liet weten ‘dat hij nog ging zien’.

Uiteindelijk zal een schrijven van zijn raadsheer volgen op 3/4/15 waarbij wordt meegedeeld dat betrokkene de laptop niet wenst in te ruilen gezien de intussen lopende beroepsprocedure tegen de negatieve evaluatie over het werkjaar 2014. Op 27/7/15 wordt via fax door de raadsheer gevraagd dat de laptop ook tijdens de tuchtperiode kan behouden worden, wat door EWI op 29/7/15 werd bevestigd.

Op 25/3/15 wordt het afdelingshoofd via mail op de hoogte gebracht door

IX-8873-9/53

collega’s die begin maart reeds informatie aan betrokkene hebben gevraagd als dossierbeheerder van KVAB, m.b.t. aangerekende onkosten voor een confe-

rentie (Perseus) die in het najaar zal georganiseerd worden. Zij melden dat ze er nog steeds geen antwoord op kregen.

Op basis van bovenstaande feiten wordt op 8 april een voorstel tot tucht-

straf voorgelegd door het afdelingshoofd aan de secretaris-generaal (SG) van EWI, die na de hele procedure te hebben doorlopen, deze tuchtschorsing van 3 maanden met inhouding van een deel van de wedde op 23/7/15 ook effectief maakte. Dit tuchtdossier wordt tijdens het evaluatiegesprek en in deze schrif-

telijke neerslag slechts pro memorie en voor de volledigheid vermeld.

Als repliek op dit voorgelezen deel verwijst betrokkene naar het recentste schrijven van zijn raadsheer, dat EWI heeft ontvangen op 7/01/2016 en naar alle in dat schrijven vernoemde documenten, met nadruk op de passages over het tuchtdossier die betrokkene voor bovenstaande voorgelezen deel van de tekst meest van belang lijken.

Periode tussen het voorstel tot tuchtsanctie en de start van de schorsings-

periode.

In de tijdspanne tussen het voorleggen aan de SG en het definitief beves-

tigen van de tuchtstraf, was er helaas ook geen kentering te merken in de werkattitude. Integendeel, nog meer taken werden niet meer uitgevoerd.

Op 24/4/15 doet het afdelingshoofd een nieuwe poging om werkoverleg te houden. Betrokkene weigert en meldt dat hij nieuwe datum en uur zal voor-

stellen. Op 28/4/15 vraagt afdelingshoofd aan betrokkene naar zijn beloofde datumvoorstel voor werkoverleg. Tegelijk wordt de opdracht gegeven om pri-

oritair de MB’s voor KVAB en IWT klaar te maken tegen uiterlijk 8/5/2015. De gevraagde MB’s voor KVAB en IWT worden echter niet opgeleverd door de betrokkene en de taak moet door een collega overgenomen worden. Op 13/5/15

wordt een persoonlijke nota gestuurd en gemaild aan betrokkene i.v.m. zijn weigering de gevraagde prioritaire MB’s op te maken. Er wordt hem ook ge-

wezen op het feit dat hij nog steeds geen nieuwe datum voor werkoverleg heeft overgemaakt en dat bijgevolg door het afdelingshoofd zelf terug een datum wordt vastgelegd op 29/5/15. Het geplande werkoverleg wordt opnieuw door betrokkene geweigerd. Het afdelingshoofd is hierdoor verplicht om het intussen dringend geworden KVAB dossier formeel weg te nemen bij betrokkene en aan een andere collega door te geven voor verdere opvolging en afhandeling. Het Afdelingshoofd maakt hierover een volgende persoonlijke nota op 3/6/15.

Vanaf 30/4/15 komen de jaarrapporten IOF/Interface binnen van de uni-

versiteiten, en dienen door betrokkene verder behandeld te worden. Op 4/5/15

wordt laatste rapportering ontvangen. Op 4/6/15 stuurt IWT haar jaarlijkse evaluatie over het interface gezamenlijke rapport naar betrokkene voor verder gevolg i.k.v. het IOF/lnterface dossier. Gezien de tuchtschorsing is het afde-

lingshoofd genoodzaakt de controle van deze rapportering door andere colle-

ga’s (zelfs van andere afdeling) te laten uitvoeren en afwerken.

Op 8/6/15 wordt door ERAC coördinator ook aan betrokkene gevraagd, samen met andere collega’s, om input te leveren en deel te nemen aan overleg ter voorbereiding van de ERAC roadmap. Op 1/9/15 wordt aan het stakehol-

dersveld meegedeeld dat de taken van betrokkene inzake ERA roadmap (tech-

transfer) overgenomen worden door een collega van een andere afdeling tij-

IX-8873-10/53

dens (en na) de tuchtschorsing.

Op 12/5/15 vraagt een ondersteuner aan betrokkene info over een status van een oud dossier in DOSOP. Ondersteuners bevestigen op 28/5/15 aan het afdelingshoofd dat de eerder gevraagde taken door betrokkene niet werden uitgevoerd.

Op 27/5/15 wordt aan betrokkene gevraagd na te gaan of er in de agenda van het volgende ECOOM comité relevante punten staan en of hierover voor-

afgaand overleg met AKB nodig/gewenst is. Op 1/6/15 meldt het afdelingshoofd van AKB dat er geen reactie is gekomen van betrokkene op de vraag dd. 27/5/2015 m.b.t. de agenda van het ECOOM comité. Het afdelingshoofd geeft zelf aan dat punt 5 mogelijks nuttig kan zijn voor EWI.

Op 27/5/15 meldt de themateam (IT) verantwoordelijke dat de AOND pa-

gina in FIKS nog steeds niet werd opgeleverd door betrokkene. Afdelingshoofd zal dit tijdens het werkoverleg dat op 29/5/2015 gepland staat, betrokkene nogmaals aan herinneren. Ook deze opdracht zal uiteindelijk tijdens de tucht-

schorsing door een collega overgenomen en afgewerkt worden.

Op 6/7/15 wordt onder meer aan betrokkene input gevraagd voor een dringende vraag van kabinetschef [A.]. Deze keer komt er wel input van be-

trokkene.

Op 9/7/15 heeft betrokkene via de ombudsdienst te kennen gegeven nu toch naar de arbeidsgeneesheer te willen gaan. Er wordt onmiddellijk voor hem een afspraak gemaakt voor 6/08/2015. De arbeidsgeneesheer vraagt na dat gesprek om een nieuwe afspraak te beleggen na de tuchtperiode.

Als repliek op dit voorgelezen deel verwijst betrokkene naar het recentste schrijven van zijn raadsheer, dat EWI heeft ontvangen op 7/01/2016 en naar alle in dat schrijven vernoemde documenten, en bovendien met nadruk naar het schrijven van zijn raadsheer van 28/9/2015.

Periode na de schorsingsperiode.

Waar het management had gehoopt op een kentering na de tuchtschorsing van 3 maanden, waarvan men hoopte dat betrokkene ze zou gebruiken om na te denken over zijn toekomst binnen de afdeling, het Departement of de Vlaamse overheid in het algemeen, stelden we echter vast dat er na deze periode een totale stopzetting was van zijn presteren. In deze hele periode weigerde de be-

trokkene zijn (2) laptops te openen noch zich aan te loggen, en zat hij hele dagen aan een leeg bureau louter te lezen of zelfs uren naar buiten te staren.

Op 9/11/15, de eerste werkdag na de tuchtschorsing en aansluitend verlof, wordt de account van betrokkene opnieuw opengesteld. Op 16/11/15 meldt betrokkene dat er toch nog problemen zouden zijn met zijn laptop; het afde-

lingshoofd bevraagt zich en dringt op 19/11/15 aan bij IT om dit probleem op te lossen. Intussen vraagt betrokkene op 17/11/15 een nieuwe en extra account (e-mailadres) aan; de SG gaat hier niet op in. Op 20/11/15 meldt IT dat er blijkbaar geen laptopprobleem is maar weigert betrokkene gewoon om zich aan te loggen. Vermeende problemen kunnen op die manier ook niet nagegaan noch opgelost worden door IT collega’s. Op 30/11/15 brengen IT collega’s het af-

delingshoofd op de hoogte van het feit dat betrokkene al een 2e laptop heeft aangevraagd en gekregen op 10/11/2015. Maar blijkbaar heeft hij die nog niet terug gegeven noch heeft hij zich daarop al evenmin aangelogd.

IX-8873-11/53

Op 9/11/15 is betrokkene mee gegaan met de vervangende collega naar de meeting van het TTE. Hij zal vanaf nu die taak terug opnemen. Op 16/12/15

neemt hij echter geen deel aan de volgende vergadering van het TTE noch voerde hij de hem daar toegewezen taken uit.

Op 10/11/15 wordt werkoverleg gehouden met betrokkene teneinde de stand van zaken van zijn dossiers te overlopen zoals tijdens de tuchtschorsing voortgezet, en teneinde verdere werkafspraken te maken. Het KVAB-dossier wordt ook al deels terug naar hem overgeheveld (luik benoemingen). Er wordt ook meteen een nieuwe datum vastgelegd voor een volgend werkoverleg op 23/11/15 (later wegens terreuralarm verplaatst naar 27/11/15). Dat overleg wordt door betrokkene geweigerd en hij verwijst naar de brief van zijn raads-

heer i.v.m. de laptop waar eerst op moet geantwoord worden.

Naar aanleiding van deze zin vraagt de 2de evaluator hoe deze weigering gebeurde (via een outlook-weigering van een vergaderverzoek of op een andere manier). Nazicht door de 1ste evaluator na afloop van het gesprek wijst uit dat de weigering mondeling gebeurde door betrokkene toen hij samen met zijn afde-

lingshoofd was (zie mail van 27/11/15 om 18u27).

Aan betrokkene wordt op 8/12/15 een persoonlijke nota aangetekend ver-

stuurd, met cc aan zijn raadsheer zoals door betrokkene gevraagd. Reden voor de nota is de weigering om te overleggen over stand van zaken van zijn taken op 27/11/2015.

Op 17/11/15 wordt een mail intake IOF/Interface en waarop nog geen antwoord kwam van kabinet conform de gemaakte afspraken doorgestuurd naar betrokkene voor verdere opvolging. Deze taak wordt door betrokkene niet uitgevoerd.

Naar aanleiding van deze zin vraagt de 2de evaluator hoe deze afspraken werden gemaakt. Gebeurde dit in het afdelingsoverleg, zoals vermoed door de 1ste evaluator? De geëvalueerde antwoordt dat hij zich dit niet herinnert. Nazicht door de 1ste evaluator na afloop van het gesprek wijst uit dat de afspraak wel degelijk in het afdelingsoverleg gebeurde (zie mail van 17/11/15 om 9u15).

Op 18/11/15 vraagt afdelingshoofd aan betrokkene om de door UAntwer-

pen gevraagde informatie te willen bezorgen. Deze taak wordt door betrokkene niet uitgevoerd.

Er wordt een nieuwe poging ondernomen om het door betrokkene ge-

vraagde overleg tussen AOND en AKB te houden; met name op 11/12/2015.

Bilaterale meeting met AKB werd georganiseerd; betrokkene weigerde echter deel te nemen aan dit overleg. Er werd tot 13u45 gewacht op hem; er werd enkele keren gekeken of hij al terug aan zijn bureau zat aangezien hij in de voormiddag wel aanwezig was en door zijn afdelingshoofd erop gewezen werd dat het overleg om 13u30 zou plaatsvinden. Uiteindelijk kan het afdelingshoofd betrokkene spreken aan zijn bureau en hij weigert om naar de meeting te ko-

men. Verder geeft hij te kennen dat hij ‘alles reeds heeft gezegd wat hij wou zeggen’. Gezien de afwezigheid van betrokkene kan het punt niet besproken worden en wordt uiteindelijk de vergadering beëindigd zonder bespreking.

Op 27/11/15, nadat betrokkene eerst had geweigerd om de ERA slides samen met vervangende collega aan te passen, heeft hij er uiteindelijk toch mee ingestemd. De presentatie wordt echter gegeven door de collega die zijn taak had overgenomen tijdens de tuchtschorsing.

IX-8873-12/53

Er wordt een nieuwe afspraak voor betrokkene gemaakt bij de arbeidsge-

neesheer op 4/12/2015. Die stelt echter vast dat de situatie op het werk nog niet is gewijzigd en raadt aan om de herplaatsing verder op te starten. EWI had hiervoor al aan het einde van de tuchtschorsing spontaan met AgO contact opgenomen op 22/10/15 om de procedure Werkwijzer verder te zetten.

Naar aanleiding van deze zin vraagt de 2de evaluator aan betrokkene of er intussen al terug contacten zijn tussen hem en Werkwijzer. Dit wordt bevestigd door betrokkene.

Op 9/12/15 wordt parlementaire vraag nr 152 over een dossier van be-

trokkene ontvangen en aan betrokkene overgemaakt voor verdere afhandeling.

Ook mondeling wordt hij hierover aangesproken. Betrokkene geeft echter te kennen dat hij hiervoor niets zal doen want dat alles via zijn raadsheer moet gebeuren. De coördinator van parlementaire vragen wordt daarom door het afdelingshoofd gevraagd om zelf de vraag aan IWT over te maken voor ontwerp van antwoord.

Op 14/12/15 meldt de coördinator JOP (Jaarlijks ondernemingsplan)

rapportering 2015 aan afdelingshoofd dat betrokkene geen rapportering heeft uitgevoerd en door betrokkene werd doorverwezen naar het afdelingshoofd.

Op 15/12/15 vraagt de financieel ondersteuner nazicht van dossiers ‘check voor archief’ in DOSOP. Betrokkene weigert deze taak uit te voeren. Dezelfde datum nam betrokkene ook geen deel aan het maandelijkse afdelingsoverleg.

Naar aanleiding van deze zin vraagt de 2de evaluator of betrokkene zich had verontschuldigd voor dit afdelingsoverleg. Betrokkene verwijst naar het schrijven van zijn raadsheer van 24/11/2015 en het meest recente schrijven van zijn raadsheer, dat EWI heeft ontvangen op 7/01/2016 en naar alle in dat schrijven vernoemde documenten.

De evaluatoren geven aan dat betrokkene alle reeds vernoemde referentiedata na het gesprek uiteraard nog kan verifiëren en kan corrigeren mocht dit nodig blijken.

Op 21/12 herhaalt de financieel ondersteuner de vraag voor dossiernazicht ‘check voor archief’. Echter zonder resultaat.

Op 16/12/15 worden de nieuwe aanvragen voor benoemingsdossier KVAB

in de post ontvangen. Betrokkene heeft de vorige besluiten echter nog steeds niet verwerkt.

Op 22/12/15 wordt opnieuw een persoonlijke nota opgemaakt inzake de niet uitgevoerde afspraken en taken. Deze wordt via aangetekend schrijven aan betrokkene bezorgd met cc aan zijn raadsheer.

Als repliek op dit voorgelezen deel verwijst betrokkene naar het recentste schrijven van zijn raadsheer, dat EWI heeft ontvangen op 7/01/2016 en naar alle in dat schrijven vernoemde documenten, met nadruk op het meest recente schrijven alsook op het schrijven van 24/11/15 en 23/12/15.

Conclusie De voorgaande veelvuldige en herhaaldelijke feiten uit de 3 vernoemde perioden tonen aan dat er geen enkele input werd geleverd door betrokkene in zijn dossiers, en dat feiten herhaaldelijk voorkomen in hetzelfde werkjaar, maar dikwijls tevens een herhaling zijn van het vorige werkjaar 2014. Verder blijkt hieruit dat er van een normale werkrelatie totaal geen sprake meer is, en dat betrokkene in 2015 ook de verwachtingen inzake persoonlijke competenties,

IX-8873-13/53

welke behoren bij zijn functie, niet inlost: betrokkene heeft geen enkele ver-

antwoordelijkheid opgenomen over zijn dossiers noch meewerkte aan enig streven naar voortdurend verbeteren, hij toont geen klantvriendelijkheid en weigert samenwerking intern en extern de eigen afdeling en entiteit, hij neemt inzake zijn takenpakket geen initiatief meer, en vooral heeft hij zijn werk niet uitgevoerd. Het is derhalve duidelijk dat dit herhaaldelijk en volgehouden ge-

drag totaal onacceptabel is, waardoor de einduitspraak voor deze evaluatie negatief luidt.

Het afdelingshoofd wijst tenslotte de betrokkene op de statutaire gevolgen van deze 2de opeenvolgende onvoldoende evaluatie.

Als repliek op dit voorgelezen deel verwijst betrokkene naar het recentste schrijven van zijn raadsheer, dat EWI heeft ontvangen op 7/01/2016 en naar alle in dat schrijven vernoemde documenten.

Hierna bevestigt de 1ste evaluator dat hij asap het verslag zal afwerken en bezorgen. Daartoe informeert hij bij betrokkene naar de door hem gewenste manier, waarop deze bevestigt om dit via aangetekend schrijven aan hem te sturen met cc via gewone post aan zijn raadsheer.

Daarna wordt nogmaals overlopen wat er werd besproken en welke toe-

voegingen er van betrokkene in het verslag zullen gevoegd worden. Bij het overlopen van die toevoegingen op de grote voorgelezen delen vermeldt be-

trokkene dat hij 2 dossiers bij de Raad van State heeft ingediend, zoals ook vermeld in het meest recente schrijven van zijn raadsheer. Beide evaluatoren wijzen betrokkene erop dat zij maar weet hebben van 1 dossier Raad van State, met name over de negatieve evaluatie over het werkjaar 2014.”

De einduitspraak van de evaluatoren, ondertekend op 11 januari 2016, luidt: ‘onvoldoende’.

Dit is de eerste bestreden beslissing.

3.6. Verzoeker stelt op 28 januari 2016 tegen deze beslissing een beroep in bij de raad van beroep.

Op 30 maart 2016 verklaart de raad van beroep het beroep ont-

vankelijk en beslist hij, met unanimiteit, dat de evaluatie ‘onvoldoende’ voor het werkjaar 2015 gegrond is.

Deze beslissing steunt op de volgende overwegingen:

“Overwegende dat een evaluatie geen sanctiemiddel is, maar een motiverend instrument ter begeleiding van de personeelsleden: aan de hand van de evalua-

IX-8873-14/53

tieprocedure gaat men na hoe een personeelslid heeft gefunctioneerd en in hoeverre de vooropgestelde doelstellingen werden bereikt; Overwegende dat indien een personeelslid slecht functioneert afgewogen moet worden of dit te wijten is aan zijn falen waarbij de evaluatieprocedure kan gevolgd worden of eerder aan diens manifeste onwil, hetgeen een tekortkoming is o.m. aan de loyaliteit- en gehoorzaamheidsplicht waarbij een tuchtprocedure kan overwo-

gen worden; Overwegende dat het ene echter het andere niet uitsluit en beide kunnen gecumuleerd worden, zonder dat dit een schending uitmaakt van het non bis in idem beginsel; Overwegende immers dat de evaluatie geen sanctie-

middel is zodat ze ook niet kan aangezien worden als een sanctie voor dezelfde feiten. (R.V.St. 25.01.2007 Moons nr. 167.117); Overwegende ten overvloede dat in de evaluatie van het werkjaar 2015 niet alleen feiten van vóór de tucht-

procedure doch ook feiten van erna in aanmerking werden genomen;

Overwegende dat de verzoeker ten onrechte voorhoudt dat de evaluatie gebeurde in strijd met art. IV 1 VPS nu hij niet meer dan drie maanden prestaties heeft verricht na ontvangst van het planningsdocument; Overwegende dat nergens bepaald wordt dat de in aanmerking te nemen periode van drie maanden prestaties enkel een aanvang neemt na ontvangst van het planningsdocument;

Overwegende overigens dat de vaste functiebeschrijving onverminderd bleef bestaan;

Overwegende dat voldaan is aan de vereiste van artikel IV 3 VPS: dat uit de toelichting inzake dit artikel als functionele chef een persoon wordt verstaan die in de hiërarchie van de werkvloer boven de geëvalueerde staat;

Overwegende dat de motiveringsplicht inhoudt dat de betrokkene in staat wordt gesteld ten volle te begrijpen welke feiten in aanmerking werden geno-

men en waarom deze aanleiding geven tot een negatieve evaluatie; Overwe-

gende dat het evaluatieverslag hieraan volkomen voldoet, terwijl geenszins bewezen is dat geen rekening gehouden werd met relevante opmerkingen van de verzoeker; Overwegende dat dit niet inhoudt dat verplicht moet ingegaan worden op alle voorgedragen argumenten; Overwegende dat evenmin een in-

breuk werd gepleegd op de motiveringsplicht zoals opgelegd door het klok-

kenluiders statuut;

Overwegende dat de in de evaluatie aangebrachte argumenten geen uit-

staans hebben met de bij de Ombudsdienst aanhangige klacht, doch enkel be-

trekking hebben op de beoordeling van de prestaties geleverd door de verzoe-

ker; Overwegende ten overvloede dat vaststaat dat de feiten daterend van vóór de tuchtprocedure geen uitstaans hebben met het klokkenluiders statuut, zoals bevestigd door de Ombudsman op 20.05.2015, terwijl de feiten van nadien een uitvloeisel/herhaling zijn van een volgehouden negatieve gedraging; Overwe-

gende dat de persoonlijke nota’s, die toegevoegd werden aan het evaluatiever-

slag, eveneens vermelden dat de feiten erin vervat geen uitstaans hebben met de ingediende klacht;

Overwegende dat geenszins aangetoond is dat de negatieve evaluatie werd opgesteld in strijd met het onpartijdigheid- en onafhankelijkheid beginsel m.a.w. dat de evaluatoren zelf een rechtstreeks persoonlijk belang (weze het een moreel belang) zouden hebben; Overwegende dat de klacht bij de Vlaamse Ombudsman niet gericht is tegen de persoon van de evaluatoren, maar onder meer handelde over een interpretatieverschil met betrekking tot de toepassing

IX-8873-15/53

van de regelgeving; Overwegende trouwens dat het dossier van de Vlaamse Ombudsman reeds afgesloten was op 2 juli 2014; Overwegende dat uit de de-

batten is gebleken dat de verzoeker niet ontkent dat er niets van input of output is geweest en dat niet kan voorbijgegaan worden aan het feit dat de verzoeker zelfs na de tuchtprocedure volhardde in zijn eerder aangenomen houding, en zelfs weigerde in te loggen op het netwerk (voetnoot pagina 7 verzoekschrift verzoeker), in plaats van hieruit lessen te trekken en het tij alsnog te laten keren;

Overwegende dat uit het onderzoek van de zaak en uit de debatten is gebleken dat de overheid herhaaldelijke inspanningen heeft gedaan om de verzoeker te-

rug normaal te laten functioneren, zoals daar zijn: overleg, beroep op een ver-

trouwenspersoon, de arbeidsgeneesheer, inschakeling van de ombudsdienst, werkwijzer en de secretaris-generaal;

Overwegende dat niet te kort is gekomen aan de hoorplicht nu vaststaat dat de verzoeker gehoord werd in het kader van de planning en ter gelegenheid van de evaluatie werd uitgenodigd voor een evaluatiegesprek, een zelfevaluatie in te dienen, en meermaals uitgenodigd werd voor gesprekken en werkoverleg als-

ook bilateraal overleg, doch dit meermaals weigerde.”

Dit is de tweede bestreden beslissing.

3.7. Op 6 april 2016 beslist de secretaris-generaal van het departe-

ment EWI dat verzoeker, gelet op de twee opeenvolgende negatieve evaluaties, definitief beroepsongeschikt wordt bevonden en wordt ontslagen.

Verzoeker vecht ook deze beslissing aan met een beroep tot nietigverklaring bij de Raad van State (rolnummer A. 219.436/IX-8874). Bij arrest nr. 241.984 van heden wordt dit beroep verworpen.

IV. Ontvankelijkheid van het beroep

Standpunt van de partijen

4. De verwerende partij werpt in haar memorie van antwoord op dat het beroep, voor zover het gericht is tegen de eerste bestreden beslissing – de evaluatiebeslissing van 11 januari 2016 – niet ontvankelijk is, omdat die beslissing geen eindbeslissing is en de tweede bestreden beslissing – de beslissing van de raad van beroep van 30 maart 2016 waarbij verzoekers evaluatie ‘onvoldoende’ voor het werkjaar 2015 gegrond wordt verklaard – in de plaats daarvan is gekomen.

IX-8873-16/53

5. Verzoeker repliceert in zijn memorie van wederantwoord uit-

voerig dat hij een duidelijk belang heeft bij “het voeren van onderhavige proce-

dure”.

Hij stelt voorts dat hij “wordt geconfronteerd met de situatie waarin de navolgende beslissingen dusdanig werden beïnvloed door de eerste bestreden beslissing, die met manifeste onwettigheid is behept, dat het voor de rechtszekerheid noodzakelijk is dat alle geviseerde rechtshandelingen uit de rechtsorde zouden worden verwijderd”.

Hij betoogt dat de raad van beroep “[d]oor geen rekening te houden met de ingediende bezwaren inzake de feiten, door zelfs niet in te gaan op de in het beroepschrift aangevoerde schending van de zorgvuldigheidsplicht en door de materiële motiveringsplicht als ongegrond te verwerpen de feitelijke mo-

tieven van de oorspronkelijke evaluatiebeslissing volledig uit beeld [heeft] ge-

bracht”.

Hij besluit dat het beroep ontvankelijk is ingesteld tegen de beide bestreden beslissingen en voegt er nog aan toe dat “waar het beroep is in-

gesteld tegen de eerste bestreden beslissing, dit bij gebrek aan weerlegging van de feitelijke motieven uit de oorspronkelijke evaluatiebeslissing in de tweede be-

streden beslissing, gelezen dient te worden als een beroep tegen de (zo goed als volledig) ontbrekende of ongegronde motieven uit de tweede bestreden beslis-

sing”.

Beoordeling

6.1. Dat verzoeker, zoals hij beweert, belang heeft bij de nietigver-

klaring van de hem toegekende evaluatie ‘onvoldoende’ voor het werkjaar 2015

staat buiten kijf, maar houdt geen verband met de door de verwerende partij op-

geworpen exceptie, die ervan uitgaat dat die evaluatie definitief is uitgesproken door de raad van beroep en dat de beslissing van de raad van beroep in de plaats is

IX-8873-17/53

gekomen van de oorspronkelijke evaluatiebeslissing van de evaluatoren, welke geen aanvechtbare eindbeslissing is.

6.2. Voor zover verzoeker in zijn repliek doet gelden dat de raad van beroep niet is ingegaan op sommige van de door hem ingeroepen bezwaren, ziet hij op de grond van de zaak, maar weerlegt hij niet de opgeworpen exceptie.

6.3. Verzoekers betoog dat “het beroep [...] ingesteld tegen de eerste bestreden beslissing [...] gelezen dient te worden als een beroep tegen de (zo goed als volledig) ontbrekende of ongegronde motieven uit de tweede bestreden be-

slissing” is voor de Raad van State onbegrijpelijk en wordt dan ook niet in aan-

merking genomen.

7. Artikel I 9, § 1, van het besluit van de Vlaamse Regering van 13 januari 2006 ‘houdende vaststelling van de rechtspositie van het personeel van de diensten van de Vlaamse overheid’ (hierna: het Vlaams personeelsstatuut) luidt als volgt:

“Voor de diensten van de Vlaamse overheid wordt een adviserende be-

roepscommissie opgericht, hierna te noemen raad van beroep.

In afwijking van het eerste lid wordt aan de raad van beroep, in geval van eenparigheid, een beslissende bevoegdheid toegekend.”

Hieruit blijkt dat de raad van beroep in beginsel slechts een adviserende bevoegdheid heeft, maar dat hij evenwel een beslissende bevoegdheid heeft wanneer zijn advies met eenparigheid wordt uitgebracht. Dit impliceert dat de raad van beroep in dit laatst bedoelde geval een nieuwe beslissing neemt die in de plaats komt van de evaluatiebeslissing waartegen het beroep bij deze raad is ingesteld.

In dit geval blijkt dat de raad van beroep op 30 maart 2016 met eenparigheid van stemmen uitspraak heeft gedaan over het door verzoeker inge-

stelde beroep tegen de evaluatie ‘onvoldoende’ die hem op 11 januari 2016 door zijn evaluatoren werd toegekend. Bijgevolg moet worden besloten dat de beslis-

IX-8873-18/53

sing van de raad van beroep in de plaats is gekomen van die beslissing van de evaluatoren.

Aldus is de oorspronkelijke evaluatiebeslissing van verzoekers evaluatoren geen eindbeslissing en kan ze niet ontvankelijk met een beroep tot nietigverklaring bij de Raad van State worden bestreden.

8. De exceptie is gegrond.

9. Het beroep wordt hierna slechts verder onderzocht voor zover het gericht is tegen de tweede bestreden beslissing (hierna: de bestreden beslis-

sing).

V. Onderzoek van de middelen

A. Eerste middel

Uiteenzetting van het middel

10. Verzoeker voert in een eerste middel de schending aan van de formele- en de materiëlemotiveringsplicht, de hoorplicht en de rechten van ver-

dediging, het zorgvuldigheidsbeginsel, het evenredigheids- en het redelijkheids-

beginsel, alsook de schending van de bepalingen van deel IV van het Vlaams personeelsstatuut.

11. Een eerste middelonderdeel ontleent hij aan de schending van de formele- en de materiëlemotiveringsplicht, de hoorplicht en de rechten van ver-

dediging, het zorgvuldigheidsbeginsel en artikel IV 6 van het Vlaams personeels-

statuut.

Verzoeker argumenteert vooreerst dat op de verwerende partij een “verstrengde motiveringsplicht” rust ingevolge de bescherming die hij als

IX-8873-19/53

klokkenluider geniet. Hij stelt dat hij reeds in zijn beroepschrift voor de raad van beroep wees op de schending van de formele- en de materiëlemotiveringsplicht, alsook op de schending van de hoorplicht en de rechten van verdediging. De raad van beroep gaat hieraan evenwel voorbij en antwoordt slechts met een stan-

daardmotivering die reeds werd aangewend ter gelegenheid van verzoekers beroep tegen de evaluatie ‘onvoldoende’ voor het werkjaar 2014, zonder de in de evaluatie opgenomen elementen expliciet te toetsen. Tevens gaat de raad van beroep, ver-

wijzend naar de bevestiging door de Vlaamse ombudsman dat de feiten van vóór de tuchtprocedure “geen uitstaans hebben met het klokkenluiders statuut”, eraan voorbij dat ook de ombudsman in zijn brief van 20 mei 2015 genoegen nam met een abstracte en vormelijke stijlformule. Verzoeker beaamt dat de motiverings-

plicht niet inhoudt dat op alle aangevoerde argumenten moet worden geantwoord, maar hij acht het onaanvaardbaar dat “men amper argumenten kan vinden waarop wél is ingegaan, ondanks [zijn] uitgebreide argumentatie”. Hij voegt eraan toe dat de raad van beroep ook niet ingaat op de door hem in zijn beroepschrift aange-

voerde schending van het zorgvuldigheidsbeginsel en van artikel IV 6 van het Vlaams personeelsstatuut, noch op de aangevoerde machtsafwending. Volgens verzoeker is voorts de beperkte motivering inzake de aangevoerde schending van het onpartijdigheids- en het onafhankelijkheidsbeginsel geheel niet draagkrachtig en weerlegt ze zijn argumentatie niet, zoals ook blijkt uit het tweede middel. Ook de motivering inzake de aangevoerde schending van de artikelen IV 1 en IV 3 van het Vlaams personeelsstatuut laat te wensen over.

Verzoeker laat voorts gelden dat de verwerende partij niet aan de hoorplicht heeft voldaan door hem alleen maar uit te nodigen voor een hoorzitting.

Hij diende ook effectief de kans te krijgen om zijn opmerkingen te formuleren.

Evenzeer dienden de argumenten die hij heeft aangevoerd in zijn verzoekschriften voor de Raad van State en in zijn brieven aan de verwerende partij van 28 sep-

tember 2015, 24 november 2015, 23 december 2015 en 7 januari 2016, waarnaar hij heeft verwezen, te worden weerlegd. Volgens verzoeker diende de verwerende partij daarnaast, voorafgaand aan de negatieve evaluatie, minstens formele aan-

IX-8873-20/53

wijzingen te geven over een mogelijke negatieve evaluatie, wat evenmin is ge-

beurd.

Verzoeker stelt dat hij bijna alle aantijgingen reeds weerlegde en de correcte feiten reeds schetste in zijn verweer- en beroepschriften en de talrijke brieven van zijn raadsman, maar dat de verwerende partij en de raad van beroep hebben nagelaten daarop in te gaan.

Hij geeft vervolgens een zeer uitvoerige “feitelijke weerlegging”

van verschillende elementen van het evaluatieverslag. Hij onderscheidt daarbij de volgende elementen: “a. [u]itnodiging en aanwezigheid van twee evaluatoren”, “b. [z]elfevaluatie”, “c. [v]oorbereiding gesprek & repliek verzoeker”, “d. [d]e zgn. slechte prestaties van verzoeker” en “e. [s]chrijven raadsman verzoeker –

verslag evaluator”. Daarnaast betoogt verzoeker dat de diverse, door de evaluato-

ren aangehaalde feiten en vaststellingen in het evaluatieverslag geen correcte weergave zijn van de realiteit. Hij bekritiseert de motivering betreffende de “[p]eriode voorafgaand aan het voorstel tot tuchtsanctie”, de “[p]eriode tussen het voorstel tot tuchtsanctie en de start van de schorsingsperiode” en de “[p]eriode na de schorsingsperiode”.

Wat de “conclusie” van het evaluatieverslag betreft, betoogt verzoeker dat, aangezien uit de feiten duidelijk blijkt dat zijn legitieme opmer-

kingen permanent werden genegeerd en het werken hem op diverse wijzen geheel onmogelijk werd gemaakt, het onaanvaardbaar is dat de verwerende partij aanvoert dat hij geen input zou hebben geleverd. Dat hij geen enkele verantwoordelijkheid zou hebben opgenomen, is volgens verzoeker een bewering die past in een door de verwerende partij “geconstrueerd verhaal”.

Verzoeker stelt dat hij het tegenbewijs van de in aanmerking genomen feiten levert en dat de verwerende partij derhalve niet op een redelijke wijze tot een tweede negatieve evaluatie kon beslissen.

IX-8873-21/53

Hij wenst voorts “een aantal zaken te benadrukken” met be-

trekking tot zijn klacht bij de Vlaamse ombudsman. Hij wijst onder meer op zijn groeiend wantrouwen tegenover de ombudsman, op de herhaalde initiatieven die hij zelf nam om tot een oplossing te komen en op de inperking van zijn klacht door de ombudsdienst tot “een zgn. dispuut over IOF-cijfers”.

Verzoeker stelt ten slotte dat, in strijd met artikel IV 6 van het Vlaams personeelsstatuut, persoonlijke nota’s werden opgesteld zonder dat hij ook maar op enige wijze werd gehoord. Ook werden de argumenten die hij meermaals herhaalde, geheel terzijde geschoven.

12. In een tweede middelonderdeel voert verzoeker de schending aan van het zorgvuldigheidsbeginsel, het redelijkheids- en het evenredigheidsbe-

ginsel en de artikelen IV 1, IV 3 en IV 6 van het Vlaams personeelsstatuut.

Verzoeker acht het zorgvuldigheidsbeginsel geschonden doordat de verwerende partij zich meermaals schuldig heeft gemaakt aan de schending van de hoorplicht. Hij verwijst hiervoor naar zijn argumentatie over het eerste mid-

delonderdeel. Volgens verzoeker kan een zorgvuldig en redelijk handelende overheid een evaluatie bovendien niet motiveren aan de hand van “partiële, een-

zijdig opgestelde en bovendien foutieve argumenten”. De onzorgvuldigheid van de verwerende partij op dit vlak blijkt, aldus verzoeker, uit de omstandigheid dat hij tijdens het evaluatiegesprek zo goed als uitsluitend met aantijgingen werd gecon-

fronteerd die hij reeds meermaals had weerlegd, maar de verwerende partij niet-

temin bleef vasthouden aan de door haar opgesomde feiten, zonder zijn weerleg-

ging in haar beoordeling te betrekken. Verzoeker laat tevens gelden dat het eva-

luatieverslag een onjuiste weergave van het evaluatiegesprek bevat.

Verzoeker stelt voorts dat zijn argumentatie aantoont dat de negatieve evaluatie volledig in wanverhouding staat tot de feiten en dat uit deze evaluatie niet zijn eigen disfunctioneren blijkt, maar wel het flagrante disfunctio-

IX-8873-22/53

neren van zijn afdelingshoofd, het management van het departement EWI en de raad van beroep.

Volgens verzoeker is het vrijwel geheel onmogelijk om geen willekeur af te leiden uit de bestreden beslissing, temeer omdat binnen het depar-

tement EWI geen sanctiecultuur bestaat. Sedert zijn klacht bij de ombudsman stelt de verwerende partij alles in het werk om hem te ontslaan. Het feit dat de hem ten laste gelegde feiten geheel onjuist zijn, wijst op willekeur. Het is volgens ver-

zoeker in redelijkheid ondenkbaar dat enige andere overheid de thans bestreden evaluatiebeslissing zou nemen, aangezien geen feiten voorhanden zijn die aan de grondslag van een dergelijke beslissing kunnen liggen.

Verzoeker argumenteert voorts dat het optreden van het hoofd van de afdeling Strategie en Coördinatie als tweede evaluator ingaat tegen arti-

kel IV 3 van het Vlaams personeelsstatuut, aangezien dit afdelingshoofd slechts bij afwezigheid van de secretaris-generaal functionele chef van hem was. Hij voegt eraan toe dat de bestreden beslissing geen gegronde argumentatie aanbrengt die zou kunnen verantwoorden dat dit afdelingshoofd als zijn tweede evaluator op-

treedt.

Verzoeker betoogt ten slotte dat de motivering van de bestreden beslissing met betrekking tot de aangevoerde schending van artikel IV 1 van het Vlaams personeelsstatuut niet correct is, nu de PLOEG-cyclus een planning im-

pliceert, waarbij de zogenaamde functiebeschrijving waaraan de raad van beroep refereert, een onderdeel is van het planningsdocument. Er bestond, aldus verzoe-

ker, evenwel een duidelijke betwisting over deze functiebeschrijving en dit zoge-

naamde planningsdocument voor het werkjaar 2015, dat hem pas midden juli met een aangetekend schrijven werd bezorgd en waarbij geen rekening werd gehouden met de door hem geformuleerde opmerkingen. Bovendien merkte hij meermaals op dat dossiers hem op informele en niet-consensuele wijze werden onttrokken en terug toegeschoven. Volgens verzoeker werden zowel het planningsdocument als

IX-8873-23/53

de functiebeschrijving door de verwerende partij met de voeten getreden, maar vormen ze thans wel de basis voor zijn tweede negatieve evaluatie.

13.1. In zijn memorie van wederantwoord formuleert verzoeker kri-

tiek op specifieke aspecten van het standpunt dat het auditoraat ten aanzien van het middel heeft ingenomen in zijn verslag over de vordering tot schorsing.

Voor zover deze kritiek door de Raad van State kan worden begrepen en zonder meer kan worden betrokken op de beoordeling van het middel in arrest nr. 236.723 van 12 december 2016 over verzoekers vordering tot schor-

sing, houdt ze wezenlijk in dat:

- het niet aan verzoeker staat om aan te tonen dat de motieven van de beslissing van de raad van beroep niet volstaan als antwoord op de door hemzelf aangevoerde schendingen;

- uit het evaluatieverslag niet blijkt dat de evaluatoren de repliek van verzoeker in overweging hebben genomen;

- bezwaarlijk kan worden gesteld dat de rechten van verdediging niet van toepas-

sing zijn, nu “een uiterst cruciaal deel van de evaluatie” mede het voorwerp is van een tuchtprocedure en de rechten van verdediging ook van toepassing zijn bij verkapte tuchtmaatregelen;

- de hoorplicht als algemeen rechtsbeginsel primeert op en ruimer is dan de artikelen IV 2 en IV 4 van het Vlaams personeelsstatuut en niet een louter vormelijke invulling mag krijgen; dat de hoorplicht in het kader van de procedure bij de raad van beroep niet buiten beschouwing mag blijven;

- de argumentatie door verwijzing naar bijgevoegde stukken te verklaren is door de bekommernis “dat de taak van de rechter niet mag bemoeilijkt worden door het indienen van uitgebreide geschriften”; dat in de memorie van wederantwoord naar concrete pagina’s wordt verwezen, voor zover dat al niet was gebeurd;

- het planningsdocument voor het werkjaar 2015 niet aan verzoeker ter onderte-

kening werd voorgelegd, maar hem midden juli 2015 werd opgestuurd, zodat de evaluatie gebeurde in strijd met artikel IV 1 van het Vlaams personeelsstatuut;

IX-8873-24/53

- verzoeker een argumentatie van vele pagina’s voorlegt, alsook een honderdtal stukken, zodat de vaststelling dat hij niet aannemelijk maakt dat de verwerende partij niet is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens en deze niet correct heeft beoordeeld, niet geloofwaardig is;

- de regels van de bewijslast meermaals met de voeten worden getreden;

- niettegenstaande de voor verzoeker verregaande gevolgen, in de bestreden be-

slissing geen afweging van verschillende middelen terug te vinden is;

- de raad van beroep onzorgvuldig heeft gehandeld wanneer hij verzoekers veel-

heid van argumenten niet in overweging heeft genomen of onbesproken heeft gelaten;

- verzoeker nooit een formeel schrijven heeft ontvangen dat het onderzoek van de Vlaamse ombudsman was afgerond; dat duidelijk uit het inleidend verzoekschrift blijkt dat naderhand nog ongeoorloofde druk op verzoeker werd uitgeoefend; dat verzoeker het oordeel van de Vlaamse ombudsman betwist.

13.2. Verzoeker bekritiseert ook direct arrest nr. 236.723 van 12 december 2016 over zijn vordering tot schorsing. Hij doet in essentie gelden dat:

- hij meermaals heeft gewezen op het belang van de hoorplicht als beginsel van behoorlijk bestuur en de krachtens dit beginsel op de verwerende partij rustende verplichting om verzoeker te horen, gelet op de gevolgen van de bestreden beslis-

sing;

- de aangevoerde schendingen en machtsafwending wel degelijk ernstig zijn en dat verzoeker “dan ook belang [heeft] bij de grief inzake formele motivering”;

- de omstandigheid dat de Raad van State in het voormelde arrest opteert voor het woord ‘lijkt’, de aangevoerde motiveringsgebreken bevestigt;

- zijn argumentatie met betrekking tot het planningsdocument ruimer is dan alleen de vaststelling dat het niet ondertekend is; dat de bewijslast wordt omgekeerd wanneer hem wordt verweten dat hij niet aantoont dat de tekortkomingen in zijn functioneren specifiek betrekking hebben op betwiste verplichtingen uit het plan-

ningsdocument;

IX-8873-25/53

- in het voormelde arrest geen sprake is van een concrete toetsing van de positie van verzoekers tweede evaluator aan de gestelde en toegelichte voorwaarden, waardoor de Raad van State “zich op deze manier aan [zijn] motiveringsplicht onttrekt”.

13.3. Verzoeker formuleert ten slotte kritiek op het standpunt van de verwerende partij in haar memorie van antwoord.

Wat het eerste middelonderdeel betreft, herhaalt hij nagenoeg integraal zijn eigen standpunt en formuleert hij enkele bijkomende opmerkingen.

Zo stelt hij dat de verwerende partij de formelemotiveringsplicht herleidt tot de kennisneming van de motieven die het bestuur in zijn beslissing opneemt. Wat de verhoogde motiveringsplicht betreft, kan de loutere vermelding in de bestreden beslissing dat er geen verband zou zijn tussen de ingediende klacht bij de om-

budsman en de evaluatie ‘onvoldoende’, niet betekenen dat er ook effectief geen verband is. Verzoeker stelt voorts dat hij wel degelijk in eerdere fasen van de besluitvorming heeft gereageerd op de tenlasteleggingen, maar dat hij moet vast-

stellen dat de verwerende partij steeds opnieuw ervoor opteert zijn argumenten gewoon aan de kant te schuiven. Volgens verzoeker voert de verwerende partij enkel inhoudloze argumenten aan en poogt zij zich in te dekken tegen een moge-

lijke vaststelling van de schending van de motiveringsplicht door op foutieve wijze te stellen dat niet kan worden afgedaan aan de overkoepelende vaststelling dat verzoekers functioneren tijdens het werkjaar 2015 onvoldoende was. Verzoeker citeert nu ook uitvoerig uit het verzoekschrift tot nietigverklaring dat hij bij de Raad van State heeft ingediend tegen de hem opgelegde tuchtstraf. Voorts meent verzoeker dat de verwerende partij de feiten niet correct voorstelt en sommige feiten uit hun context haalt en verdraait om hem in een slecht daglicht te stellen.

Verzoeker meent dat de ondertekende exemplaren van de persoonlijke nota’s die de verwerende partij thans toevoegt, niets afdoen aan de aangevoerde schending van artikel IV 6 van het Vlaams personeelsstatuut en van het zorgvuldigheids-

beginsel.

IX-8873-26/53

Met betrekking tot het tweede middelonderdeel stelt verzoeker vast dat de bewijslast op een totaal foutieve wijze bij hem wordt gelegd en bena-

drukt hij dat hij uitvoerig de correcte feiten heeft uiteengezet en de argumentatie van de verwerende partij heeft weerlegd.

14. In zijn laatste memorie herhaalt verzoeker zijn kritiek op het auditoraatsverslag van 2 augustus 2016 over de vordering tot schorsing en op arrest nr. 236.723 van 12 december 2016 dat over die vordering uitspraak doet.

Beoordeling van het eerste en het tweede middelonderdeel, tezamen genomen

15. Behoudens in het geval van een uitdrukkelijk andersluidend voorschrift zijn de rechten van verdediging in louter administratieve aangelegen-

heden slechts van toepassing in tuchtzaken. De thans bestreden beslissing betreft evenwel de evaluatie van verzoekers functioneren tijdens het werkjaar 2015 en is derhalve als zodanig géén tuchtbeslissing. Anders dan verzoeker, overigens laat-

tijdig, in zijn memorie van wederantwoord aanvoert, blijkt bovendien uit niets dat de thans bestreden beslissing verzoeker op een verdoken wijze ook tuchtrechtelijk zou beogen te straffen. De omstandigheid dat sommige van de aan verzoeker verweten tekortkomingen in zijn functioneren mede aanleiding zouden hebben gegeven tot een tuchtprocedure die tegen hem is gevoerd en waarvan het resultaat door verzoeker met een afzonderlijk beroep tot nietigverklaring bij de Raad van State wordt bestreden, maakt van de thans bestreden evaluatiebeslissing nog geen tuchtbeslissing.

De rechten van verdediging zijn in dit geval derhalve niet van toepassing.

Het middel is dan ook niet ontvankelijk voor zover het de schending van verzoekers rechten van verdediging aanvoert.

IX-8873-27/53

16. Verzoeker voert in het middel ook de schending aan van de hoorplicht. Krachtens dit beginsel van behoorlijk bestuur mag een administratieve overheid tegen niemand een maatregel nemen die van aard is om de belangen van de betrokkene ernstig aan te tasten, zonder dat hem vooraf de gelegenheid wordt geboden om zijn standpunt daarover op een nuttige wijze ter kennis te brengen van het bestuur.

Dit beginsel is evenwel slechts van toepassing in de mate dat de regelgeving de rechten die de betrokkene op dat vlak ten aanzien van het bestuur kan laten gelden, niet heeft geregeld.

In dit geval is in de artikelen IV 2 en IV 4 van het Vlaams per-

soneelsstatuut het volgende bepaald:

“Art. IV 2. De evaluatie gebeurt door een gesprek en een verslag waaraan een tegensprekelijke procedure is gekoppeld, zoals bepaald in dit deel.

[…]

Art. IV 4. De evaluatie gebeurt na een gesprek tussen de geëvalueerde en ten minste één evaluator. […]

Op verzoek van de geëvalueerde of een evaluator gebeurt het evaluatie-

gesprek met twee evaluatoren.

Indien de geëvalueerde afwezig is tijdens de evaluatieperiode, gebeurt de evaluatie indien mogelijk mondeling of anders schriftelijk.

[…].”

De Raad van State overwoog reeds in zijn arrest nr. 229.090 van 7 november 2014 dat hieruit lijkt te moeten worden afgeleid dat een onderscheid moet worden gemaakt tussen het tot stand komen van de evaluatie enerzijds en de betwisting ervan anderzijds. De Raad overwoog in dit verband in het voormelde arrest:

“Dat onderscheid lijkt aangegeven in het Vlaams personeelsstatuut zelf, waarvan artikel IV 2, eerste lid, onder het hoofdstuk ‘Basisprincipes van de evaluatie’ bepaalt dat de evaluatie gebeurt door een gesprek en een verslag waaraan een tegensprekelijke procedure is gekoppeld. In de toelichting bij het voornoemde statuut, waarnaar de verwerende partij verwijst, wordt enerzijds gesteld dat de ‘[b]asisprincipes van de evaluatie blijven het gesprek en het verslag’ en dat ‘[a]lles [...] derhalve vermeden [moet] worden om enkel een

IX-8873-28/53

schriftelijke evaluatie af te leveren zonder dialoog’. Anderzijds wordt erop gewezen dat ‘[h]et tegensprekelijk karakter bestaat uit de mogelijkheid om opmerkingen te maken op het verslag (en uit beroep bij onvoldoende voor de ambtenaar)’.

Het evaluatieproces van een ambtenaar, dat ertoe strekt het functioneren van de betrokkene te optimaliseren in het belang van de dienst, veeleer dan de be-

trokkene te sanctioneren voor de tekortkomingen in zijn functioneren, steunt wezenlijk op een interactieve verhouding tussen het personeelslid en zijn eva-

luatoren – twee functionele chefs – die bevoorrechte getuigen zijn van zijn functioneren, onder meer door plannings- en functioneringsgesprekken. Zo ook wordt het evaluatiegesprek in het Vlaams personeelsstatuut een ‘basisprincipe’ van de evaluatie genoemd, zonder hetwelk van een evaluatie in de zin van ar-

tikel IV 2 van het Vlaams personeelsstatuut geen sprake lijkt te kunnen zijn.”

De Raad van State ziet geen reden om thans anders te oordelen en bevestigt dit oordeel, ten gronde, voor de voorliggende zaak.

De mogelijkheid voor verzoeker om op een nuttige wijze zijn standpunt te laten gelden is aldus reglementair bepaald en het blijkt niet dat deze regeling niet alle garanties zou inhouden die het bestuur krachtens het beginsel van de hoorplicht ten aanzien van verzoeker verschuldigd zou zijn.

Verzoeker betwist niet dat hij werd uitgenodigd voor een eva-

luatiegesprek op 8 januari 2016 tijdens hetwelk hij zijn standpunt met betrekking tot zijn functioneren tijdens het werkjaar 2015 heeft kunnen laten gelden ten aan-

zien van zijn evaluatoren. Eerder werd hem gevraagd om ter voorbereiding van dat evaluatiegesprek een zelfevaluatie te bezorgen. Over het evaluatiegesprek is een verslag opgesteld door beide evaluatoren, dat besluit tot de eindevaluatie ‘onvol-

doende’. Verzoeker heeft daartegen dan weer een beroep kunnen instellen bij de raad van beroep. Hij toont niet aan dat zou zijn tekortgedaan aan de artikelen IV 2

en IV 4 van het Vlaams personeelsstatuut betreffende de totstandkoming van de evaluatie, krachtens welke hij zijn standpunt over zijn functioneren tijdens een evaluatiegesprek diende te kunnen laten gelden, of aan de mogelijkheid tot be-

twisting van de evaluatie middels het toevoegen van opmerkingen of het instellen van een beroep waarbij hij zijn bezwaren diende te kunnen uiteenzetten ten aanzien van de raad van beroep.

IX-8873-29/53

Voor zover verzoeker beoogt te doen gelden dat de verwerende partij ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de argumenten die hij met betrekking tot zijn evaluatie heeft aangevoerd, doelt hij veeleer op een schending van de materiëlemotiveringsplicht – welke hierna zal worden onderzocht – dan op een schending van de zogenaamde hoorplicht.

17.1. De artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’ verplichten de overheid ertoe in de akte de juridische en feitelijke overwegingen op te nemen die aan de beslissing ten grondslag liggen, en dit op een “afdoende” wijze. Het afdoende karakter van de motivering betekent dat de motivering pertinent moet zijn, dit wil zeggen dat ze duidelijk met de beslissing te maken moet hebben, en dat ze draag-

krachtig moet zijn, dit wil zeggen dat de aangehaalde redenen moeten volstaan om de beslissing te dragen.

De belangrijkste bestaansreden van deze formelemotiverings-

plicht bestaat erin dat de betrokkene in de hem aanbelangende beslissing zelf de motieven moet kunnen aantreffen op grond waarvan ze werd genomen, derwijze dat blijkt, of minstens kan worden nagegaan of de overheid is uitgegaan van ge-

gevens die in rechte en in feite juist zijn, of zij die gegevens correct heeft beoor-

deeld en of zij op grond daarvan in redelijkheid tot haar beslissing is kunnen ko-

men, zodat de betrokkene met kennis van zaken zou kunnen uitmaken of het aangewezen is de beslissing met een annulatieberoep te bestrijden.

17.2. In dit geval is de bestreden beslissing afdoende formeel gemo-

tiveerd door de vermelding van de hiervóór sub 3.6 aangehaalde redenen die de raad van beroep ertoe hebben gebracht de evaluatie ‘onvoldoende’ van verzoekers functioneren gegrond te bevinden. De raad van beroep gaat daarbij in op de door verzoeker in zijn beroepschrift geformuleerde grieven tegen de ongunstige evalu-

atiebeslissing van 11 januari 2016, die hij verwerpt, en hij valt voorts de motieven van de evaluatiebeslissing bij. De formeel vermelde motieven blijken draag-

krachtig, óók wat de aangevoerde schending van het onafhankelijkheids- en het

IX-8873-30/53

onpartijdigheidsbeginsel en van de artikelen IV 1 en IV 3 van het Vlaams perso-

neelsstatuut betreft.

Voor zover verzoeker in een uitvoerig betoog in zijn inleidend verzoekschrift aanvoert dat de formeel vermelde motieven in feite en in rechte niet deugdelijk zijn, beoogt hij andermaal veeleer een schending van de materiëlemo-

tiveringsplicht.

17.3. Verzoeker laat gelden dat de in zijn beroepschrift aangevoerde schending van het zorgvuldigheidsbeginsel en van artikel IV 6 van het Vlaams personeelsstatuut en de machtsafwending niet “aan bod komen” in de bestreden beslissing van de raad van beroep.

Verzoeker heeft evenwel geen belang bij deze grief, nu die be-

weerde schendingen en machtsafwending hierna sub 19.3, 21 en 29 hoe dan ook niet gegrond worden bevonden.

17.4. Verzoeker betoogt voorts dat in de bestreden beslissing geen spoor is terug te vinden van de voorgeschreven verhoogde motiveringsplicht, gelet op het protocol van 9 mei 2014 ‘tot regeling van de bescherming van de klok-

kenluiders’, in het bijzonder artikel 3, eerste lid. Volgens verzoeker blijkt uit de bestreden beslissing niet dat de aangehaalde feiten geen uitstaans zouden hebben met de door hem gedane melding als klokkenluider.

Artikel II 4, § 1, van het Vlaams personeelsstatuut bepaalt het volgende:

“Tijdens de beschermingsperiode, bedoeld in artikel II 3, § 2, kan het per-

soneelslid niet onderworpen zijn aan een tuchtstraf of een andere open of ver-

doken maatregel om redenen die verband houden met de melding van de on-

regelmatigheid. De bewijslast hiervoor berust bij de bevoegde overheid.

Als de bevoegde overheid tijdens de beschermingsperiode een tuchtstraf oplegt of andere maatregelen neemt ten aanzien van het personeelslid moet de overheid in de motivering duidelijk aangeven dat er geen verband is tussen de tuchtstraf of de maatregel en de melding van de onregelmatigheid.”

IX-8873-31/53

De motiveringsplicht waarvan sprake in deze statutaire bepaling, is ook vermeld in artikel 3, eerste lid, van het voornoemde protocol.

Uit de bestreden beslissing blijkt dat aan deze specifieke moti-

veringsplicht is voldaan, nu daarin uitdrukkelijk wordt overwogen:

“dat de in de evaluatie aangebrachte argumenten geen uitstaans hebben met de bij de Ombudsdienst aanhangige klacht, doch enkel betrekking hebben op de beoordeling van de prestaties geleverd door de verzoeker; [...] ten overvloede dat vaststaat dat de feiten daterend van vóór de tuchtprocedure geen uitstaans hebben met het klokkenluiders statuut, zoals bevestigd door de Ombudsman op 20.05.2015, terwijl de feiten van nadien een uitvloeisel/herhaling zijn van een volgehouden negatieve gedraging; [...] dat de persoonlijke nota’s, die toege-

voegd werden aan het evaluatieverslag, eveneens vermelden dat de feiten erin vervat geen uitstaans hebben met de ingediende klacht.”

18.1. De materiëlemotiveringsplicht houdt in dat iedere administra-

tieve rechtshandeling moet steunen op motieven waarvan het feitelijk bestaan naar behoren bewezen is en die in rechte ter verantwoording van die handeling in aanmerking kunnen worden genomen.

Bij de beoordeling van de naleving van de materiëlemotive-

ringsplicht vermag de Raad van State zijn oordeel omtrent de feiten niet in de plaats te stellen van het oordeel van het bestuur. Hij vermag enkel na te gaan of het bestuur is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of het die correct heeft be-

oordeeld en of het op grond daarvan in redelijkheid tot zijn besluit is kunnen ko-

men.

18.2. Zoals zo-even reeds werd vastgesteld, wordt in de bestreden beslissing uiteengezet op grond van welke motieven de raad van beroep besluit tot de gegrondheid van de evaluatie ‘onvoldoende’ van verzoeker. De raad van beroep weerspreekt daarbij de grieven van verzoeker en sluit zich tevens aan bij de be-

vindingen van het evaluatieverslag.

IX-8873-32/53

Blijkens het evaluatieverslag steunt verzoekers evaluatie ‘on-

voldoende’ voor het werkjaar 2015 op de vaststelling dat de “veelvuldige en her-

haaldelijke feiten […] [aan]tonen […] dat er geen enkele input werd geleverd door betrokkene in zijn dossiers, en dat feiten herhaaldelijk voorkomen in hetzelfde werkjaar, maar dikwijls tevens een herhaling zijn van het vorige werkjaar 2014” en dat “er van een normale werkrelatie totaal geen sprake meer is, en […] betrokkene in 2015 ook de verwachtingen inzake persoonlijke competenties, welke behoren bij zijn functie, niet inlost: betrokkene heeft geen enkele verantwoordelijkheid opgenomen over zijn dossiers noch […]werkte [hij mee] aan enig streven naar voortdurend verbeteren, hij toont geen klantvriendelijkheid en weigert samen-

werking intern en extern de eigen afdeling en entiteit, hij neemt inzake zijn ta-

kenpakket geen initiatief meer, en vooral heeft hij zijn werk niet uitgevoerd”.

18.3. Met de verwerende partij moet vooreerst worden opgemerkt dat verzoekers kritiek op de beoordeling van de feiten die zich hebben voorgedaan tijdens het werkjaar 2014 en op de evaluatie van zijn functioneren tijdens dat werkjaar, waartegen hij eveneens een beroep tot nietigverklaring heeft ingesteld bij de Raad van State, in de voorliggende zaak niet relevant is, aangezien de bestreden beslissing enkel het functioneren van verzoeker tijdens het werkjaar 2015 beoor-

deelt.

Voor zover verzoeker feiten ter discussie stelt die betrekking hebben op zijn functioneren vóór 2015, wordt het middel bijgevolg niet in aan-

merking genomen.

18.4. Voor zover verzoeker in zijn inleidend verzoekschrift voorts herhaaldelijk stelt dat de verschillende aantijgingen reeds werden weerlegd in zijn verzoekschrift tot nietigverklaring van de evaluatie ‘onvoldoende’ die hem werd toegekend voor het werkjaar 2014 en in zijn verzoekschrift tot nietigverklaring van de hem opgelegde tuchtstraf en dat deze argumentatie “in onderhavig verzoek-

schrift integraal als hernomen [dient te worden] beschouwd”, moet worden op-

geworpen dat met verzoekers argumentatie in vroegere verzoekschriften geen

IX-8873-33/53

rekening kan worden gehouden. Een verzoekschrift tot nietigverklaring dient immers in beginsel alle argumenten te bevatten die een verzoekende partij voor de Raad van State wenst aan te voeren tegen de bestreden beslissing. De verzoekende partij mag zich derhalve niet ertoe beperken te verwijzen naar andere verzoek-

schriften, die betrekking hebben op andere aangevochten beslissingen. Voor zover verzoeker in zijn memorie van wederantwoord de bedoelde argumentatie alsnog aanhaalt, moet worden opgeworpen dat hij dat laattijdig en derhalve niet op een ontvankelijke wijze doet, nog daargelaten de vraag of die argumentatie, die we-

zenlijk betrekking heeft op andere beslissingen, onverminderd ten aanzien van de thans bestreden beslissing zou kunnen worden ingeroepen.

Verzoekers argumentatie wordt hierna dan ook slechts onder-

zocht in de mate dat ze uitdrukkelijk in het inleidend verzoekschrift is opgenomen en uitgewerkt.

18.5. Aansluitend bij het voorgaande mag verzoeker de verwerende partij ook niet verwijten dat zij geen rekening heeft gehouden met de argumenten die hij heeft aangevoerd in zijn vroegere verzoekschriften tot nietigverklaring bij de Raad van State en in zijn vroegere beroepschriften voor de raad van beroep. De raad van beroep die de bestreden beslissing heeft genomen, dient immers evenzeer slechts rekening te houden met de argumenten die verzoeker in zijn beroepschrift tegen de evaluatie ‘onvoldoende’ voor het werkjaar 2015 bij hem heeft aange-

bracht.

18.6.1. Verzoeker zet in zijn inleidend verzoekschrift een uitvoerige “feitelijke weerlegging” uiteen van de elementen van het evaluatieverslag. Uit zijn uiteenzetting blijkt dat hij vaak een eigen interpretatie aan de feiten geeft of ze in een ander daglicht poogt te stellen en dat hij zijn eigen versie van de feiten wenst te laten prevaleren op deze van de verwerende partij.

In dit verband dient te worden herinnerd aan de sub 18.1 reeds ter sprake gebrachte toetsingsbevoegdheid van de Raad van State waarbij alleen

IX-8873-34/53

een onredelijke beoordeling door het bestuur zou kunnen leiden tot een nietigver-

klaring van de bestreden beslissing.

Daarbij komt nog dat een eenzijdige administratieve rechts-

handeling van het bestuur, zoals de bestreden beslissing er één is, een vermoeden van wettigheid geniet, óók wat de eraan ten grondslag liggende motieven betreft.

Het staat dan ook aan de verzoekende partij voor de Raad van State om aan de hand van overtuigende argumenten de ondeugdelijkheid van die motieven aan te tonen.

De bewijslast op dit vlak rust op de verzoekende partij. Loutere beweringen of verwijzingen zonder meer naar neergelegde stukken zijn daartoe bovendien on-

toereikend en leiden ertoe, in dit geval, dat verzoeker ten onrechte meent “een dovemansgesprek” te voeren.

Het is mede vanuit die optiek dat hierna verzoekers “feitelijke weerlegging” wordt onderzocht.

18.6.2. Verzoeker formuleert vooreerst bedenkingen bij de “[u]itnodiging [voor het evaluatiegesprek] en [de] aanwezigheid van twee evalu-

atoren”. Hij betoogt dat het evaluatieverslag dienaangaande geen correcte weer-

gave van de feiten bevat en dat de handelwijze van de verwerende partij, meer bepaald de initiële afwezigheid van de tweede evaluator bij het evaluatiegesprek, bij hem de nodige twijfels doet rijzen, aangezien hij een persoonlijke uitnodiging ontving die ondertekend was door beide evaluatoren en hij derhalve redelijker-

wijze ervan mocht uitgaan dat zij beiden aanwezig zouden zijn bij het evaluatie-

gesprek. Hij benadrukt voorts dat noch artikel IV 4 van het Vlaams personeels-

statuut, noch de toelichting bij dit statuut vereist dat de aanwezigheid van een tweede evaluator schriftelijk wordt aangevraagd. Uit de omstandigheid dat de tweede evaluator initieel niet aanwezig was bij het evaluatiegesprek blijkt volgens verzoeker het reeds door hem aangevoerde “patroon van de schending van de hoorplicht”.

IX-8873-35/53

Verzoeker heeft evenwel niet het rechtens vereiste belang bij deze bedenkingen – ze kunnen immers niet tot de nietigverklaring van de bestreden beslissing leiden – nu blijkt dat het evaluatiegesprek op 8 januari 2016 plaatsvond in aanwezigheid van zijn beide evaluatoren, zoals hij het wenste, en hij aldus de kans kreeg om tijdens dit gesprek zijn standpunt aan beide evaluatoren kenbaar te maken.

18.6.3. Verzoeker betwist voorts de vaststelling in het evaluatieverslag dat hij geen zelfevaluatie zou hebben ingediend en hij verwijst naar het schrijven van zijn raadsman van 7 januari 2016, waarin “als input duidelijk [werd] verwezen naar de beide dossiers, ingediend bij [de Raad van State], [en] naar het schrijven van 28 september 2015, 24 november 2015, 23 december 2015 en 7 januari 2016”.

In de bedoelde brief van 7 januari 2016 verwijst verzoeker naar diverse voorafgaande briefwisseling en naar zijn verzoekschriften tot nietigver-

klaring bij de Raad van State, hij voert de schending aan van de hoorplicht met betrekking tot de persoonlijke nota’s, hij formuleert onder meer bedenkingen bij de “refreshprocedure voor de laptop”, de “daaropvolgende overdracht van mails en mailboxen”, alsook het gebruik van “de Vlimpers-account” en hij verwijst met betrekking tot het overleg met de afdeling Kennisbeheer en met het team Efficiënte Dienstverlening opnieuw naar zijn verzoekschrift tot nietigverklaring van de tuchtschorsing en naar zijn memorie van wederantwoord inzake de evaluatie ‘onvoldoende’ voor het werkjaar 2014.

Uit een lezing van die brief kan allerminst worden afgeleid dat het gaat om een zelfevaluatie, zijnde een evaluatie van het eigen functioneren tijdens het voorbije werkjaar, zoals gevraagd in de uitnodiging voor het evalua-

tiegesprek.

18.6.4. Voorts maakt verzoeker in zijn inleidend verzoekschrift geens-

zins duidelijk dat de bedenkingen die hij formuleert met betrekking tot de voor-

bereiding van het evaluatiegesprek door zijn eerste evaluator en de uitweiding die

IX-8873-36/53

hij geeft over zijn “voorkeur […] aan een schriftelijke reactie”, tot het besluit kunnen leiden dat de bestreden beslissing onwettig is genomen.

18.6.5. Verzoeker merkt op, wat zijn “slechte prestaties” betreft, dat hij halverwege het werkjaar 2015 nog steeds niet over een planningsdocument be-

schikte, waarin zijn taakbeschrijving was opgenomen. Hij stelt voorts dat wanneer hij na zijn tuchtschorsing op 9 november 2015 het werk hervatte, het werkjaar nog een zevental weken telde, zodat de betwiste evaluatie in strijd is met artikel IV 1

van het Vlaams personeelsstatuut. Hij heeft immers na de ontvangst van het plan-

ningsdocument geen drie maanden prestaties meer verricht. Bovendien, zo stelt verzoeker, wordt hij beoordeeld op grond van een planningsdocument waarmee hij zich nooit akkoord heeft verklaard en waarbij hij opmerkingen maakte, zodat bezwaarlijk kan worden gesteld dat hem veel kansen werden geboden om aan dit planningsdocument tegemoet te komen.

Luidens artikel IV 1, § 1, van het Vlaams personeelsstatuut wordt elk personeelslid dat in de loop van een kalenderjaar gedurende ten minste drie maanden prestaties heeft geleverd, met betrekking tot deze prestaties en de wijze waarop ze werden geleverd, geëvalueerd. Verzoeker betwist niet dat hij in 2015 gedurende ten minste drie maanden prestaties heeft geleverd. Het valt niet in te zien waarom in dit geval geen rekening mocht worden gehouden met de pres-

taties die hij had geleverd voordat hem het planningsdocument definitief bij aan-

getekend schrijven van 8 juli 2015 werd toegezonden. Verzoeker vermeldt zelf in zijn brief van 28 september 2015 aan de secretaris-generaal van het departement EWI dat hij de ontwerpplanning reeds op 23 februari 2015 voorgelezen heeft ge-

kregen en “[n]a afloop” via e-mail heeft ontvangen. De omstandigheid dat ver-

zoeker dat planningsdocument weigerde te ondertekenen en dat hij daarbij op-

merkingen had, vermocht hem niet vrij te stellen van de periodieke evaluatie van zijn functioneren. Verzoeker toont overigens helemaal niet aan dat de tekortko-

mingen in zijn functioneren die door de verwerende partij in aanmerking zijn genomen, specifiek betrekking hebben op verplichtingen die louter uit het plan-

IX-8873-37/53

ningsdocument voortvloeien en waartegen hij precies bezwaar heeft gemaakt, terwijl de bewijslast nochtans bij hem ligt.

18.6.6. Verzoekers opmerking bij het evaluatieverslag dat daarin wordt vermeld dat de evaluatoren “maar weet hebben van 1 dossier Raad van State”, terwijl hijzelf en zijn raadsman ten aanzien van de verwerende partij steeds hebben gewezen op “de beide dossiers” die verzoeker bij de Raad van State aanhangig had gemaakt, is niet dienstig om de onwettigheid van de bestreden beslissing aan te tonen.

18.7.1. Verzoeker geeft vervolgens, voor de periode voorafgaand aan het voorstel van tuchtsanctie, zijn eigen uitleg aan de feiten die in het evaluatie-

verslag in aanmerking worden genomen als tekortkomingen in zijn functioneren, zonder evenwel in zijn inleidend verzoekschrift deze uitleg aan de hand van con-

crete stukken genoegzaam te staven en overtuigend te maken en ook zonder aan te tonen dat de verwerende partij niet zou zijn uitgegaan van de juiste feitelijke ge-

gevens of deze niet juist zou hebben beoordeeld. Vaak beperkt verzoeker zich tot vage en loutere beweringen en stellingen, waarvan de gegrondheid niet zonder meer blijkt.

Zo stelt verzoeker dat de verwerende partij wat de vastgestelde “weigering om taken uit te voeren” betreft, “flagrant de legaliteitsplicht en de uitzondering op de [...] veelvuldig ingeroepen gehoorzaamheidsplicht” negeert, maar laat hij na dit argument concreet toe te lichten. Voor zover verzoeker stelt dat hij verschillende pijnpunten “geïllustreerd [heeft] aan de hand van e-mails met zogezegde werkafspraken van het afdelingshoofd”, laat hij dan weer na aan te geven over welke e-mails het precies gaat. Verzoeker toont voorts evenmin met concrete stukken zijn bewering aan dat poststukken voor hem werden achterge-

houden en dat er “een historiek is van onregelmatigheden en schending van pro-

cedures door het management” door antidatering en druk tot antidatering.

IX-8873-38/53

De omstandigheid dat één en ander “vragen” bij verzoeker op-

riep (naar aanleiding van de nota “aangaande de juridische problemen m.b.t. de benoemingen KVAB”), dan wel “terughoudendheid” bij hem teweegbracht (sub-

sidieaanvraag door het IWT) of “zijn wantrouwen” versterkte (uitnodiging door de bedrijfsarts), doet geen afbreuk aan de vastgestelde tekortkomingen in verzoekers werkhouding. Verzoeker toont immers niet aan dat hij op grond daarvan mocht weigeren de hem opgedragen taken uit te voeren. Het feit dat verzoeker op 16 februari 2015 per e-mail vroeg of hij parlementaire vraag nr. 327 met betrek-

king tot “Innovatieve energiewinning Onderzoek” nog moest doorsturen of dat dit al gebeurd was, doet niets af aan de vaststelling van de verwerende partij dat verzoeker geen input leverde voor een antwoord op die parlementaire vraag. Wat de vervanging van de laptops betreft, impliceert de omstandigheid dat verzoeker zijn laptop uiteindelijk mocht behouden teneinde zijn rechten van verdediging in de lopende procedures te vrijwaren, niet dat de verwerende partij niet op goede grond kon vaststellen dat verzoeker nooit reageerde op e-mails dienaangaande en niet deelnam aan de vervanging van de laptops en het besturingssysteem en aan de opleiding daaromtrent.

Voor zover verzoeker tegen de hem verweten tekortkomingen betreffende zijn functioneren in het themateam ‘Efficiënte dienstverlening’ in-

brengt dat hij “zo goed als klokkenluider” was, blijft hij in gebreke duidelijk te maken welke invloed dit dan wel zou hebben gehad op de taken die hij binnen het voornoemde team diende te vervullen.

Bovendien blijkt uit het schrijven van de Vlaamse ombudsman van 20 mei 2015 dat hij “na onderzoek geen verband [kan] vaststellen tussen de negatieve evaluatie [voor het werkjaar 2014] en de voorgestelde tuchtstraf en de melding van de onregelmatigheid”. Hoe dan ook vermag verzoeker niet te steunen op zijn klacht bij de ombudsman, om te verantwoorden dat hij in 2015 zijn taken niet naar behoren heeft uitgevoerd. In de mate dat verzoeker de in zijnen hoofde vastgestelde tekortkomingen beoogt te verklaren door de melding die hij als klokkenluider deed en hij ervan uitgaat dat zijn weigering om bepaalde taken uit te

IX-8873-39/53

voeren aldus terecht was, vermocht de verwerende partij dan ook, op grond van de voorliggende gegevens, anders te oordelen.

Gelet op wat voorafgaat, kan niet worden aangenomen dat de vaststellingen omtrent verzoekers functioneren tijdens de periode voorafgaand aan het voorstel van tuchtsanctie, die steun vinden in het administratief dossier, geen deugdelijk motief van de evaluatie ‘onvoldoende’ kunnen zijn.

18.7.2. Ook wat de hem verweten feiten betreft tijdens de periode tussen het voorstel van tuchtsanctie en de aanvang van de tuchtschorsing, geeft verzoeker aan elk daarvan zijn eigen uitleg, zonder evenwel één en ander met concrete stukken aan te tonen. Zo stelt hij dat hij “reeds maanden dovemansgesprekken voerde met het afdelingshoofd”, maar deze vage bewering ontkracht niet de vast-

stelling in het evaluatieverslag dat verzoeker ondanks zijn belofte, geen nieuwe datum voor werkoverleg bezorgde, dat dit overleg uiteindelijk door zijn afde-

lingshoofd zelf diende te worden vastgesteld en dat verzoeker dit geplande overleg opnieuw weigerde. Ze neemt ook niet weg dat het KVAB-dossier aan een collega van verzoeker moest worden gegeven voor verdere opvolging en afhandeling. Dat verzoeker “de nodige twijfels [heeft] omtrent dit zgn. ‘dringend karakter’ van het dossier”, doet daar niets aan af en is niet meer dan een eigen kijk van verzoeker op de zaken. Het komt immers aan de verwerende partij toe om te oordelen of een zaak dringend is. Dat zij dit afleidt uit de omstandigheid dat “beide organisaties intussen nagevraagd hebben waar hun subsidie 2015 bleef”, is alvast niet onrede-

lijk.

Verzoekers opmerking dat omtrent het niet uitvoeren van be-

paalde taken geen persoonlijke nota werd opgesteld, neemt dan weer niet weg dat hij niet ontkent dat hij geacht werd deze taken uit te voeren, maar ze niet tot een goed einde bracht. Dat de arbeidsgeneesheer vaststelt dat een onmogelijke werk-

situatie voorligt, betekent niet dat de in het evaluatieverslag gedane vaststellingen onjuist of onredelijk zouden zijn.

IX-8873-40/53

Verzoeker stelt dat met zijn argumentatie geen rekening is ge-

houden, maar hij geeft niet in concreto en duidelijk aan welke argumentatie hij ten aanzien van de verwerende partij precies ontwikkelde met betrekking tot de feiten die tijdens de bedoelde periode werden vastgesteld en waarmee deze geen rekening zou hebben gehouden.

18.7.3. Wat de feiten betreft die werden vastgesteld tijdens de periode na de tuchtschorsing, wijst verzoeker er vooreerst op dat het werk hem, ondanks zijn constructief voorstel van een bijkomende personal computer, een bijkomend profiel en een bijkomend e-mailadres, nogmaals onmogelijk werd gemaakt.

Dat zijn constructieve houding en “de controle van [zijn]

e-mailverkeer” “verdraaid [werden] in een probleem inzake de toegang tot zijn account en de goede werking van de laptop” en dat ook “dossiers van verzoeker willens wetens (verder) in de soep [werden] gedraaid”, zijn vage beweringen die verzoeker niet met concrete gegevens staaft en die dan ook geen afbreuk kunnen doen aan de wettigheid van de evaluatiebeslissing. Verzoeker verwijst andermaal naar “de lopende procedures bij [de Raad van State]” en naar bepaalde e-mails en brieven, zonder evenwel concreet en duidelijk toe te lichten welke argumenten hij daaruit beoogt te putten die zouden kunnen aantonen dat de bestreden beslissing niet op juist vastgestelde feiten steunt.

19.1. Een schending van de artikelen IV 3 en IV 6 van het Vlaams personeelsstatuut kan evenmin worden aangenomen.

19.2. Artikel IV 3, eerste lid, van het Vlaams personeelsstatuut, waarop verzoeker zich beroept, luidt als volgt:

“De personeelsleden worden geëvalueerd door ten minste twee functionele chefs, tenzij een afwijking functioneel noodzakelijk is. Tenminste één evaluator is een ambtenaar van een hogere rang of van dezelfde rang met een hogere trap in de functionele loopbaan, dan de geëvalueerde.”

IX-8873-41/53

De toelichting bij deze bepaling stelt:

“Elke personeelslid wordt geëvalueerd door ten minste twee personen (als waarborg voor objectiviteit en ondersteuning van conflictsituaties; status quo).

De eerste evaluator zal rechtstreeks leiding geven aan de geëvalueerde, en aangezien het om 2 (functionele) chefs gaat, zal de tweede in regel de chef van de eerste evaluator zijn. Niettemin dient terzelfdertijd met de voorwaarde van ‘beiden zijn functionele chef’ – en dus in principe ongeacht hun statuut – ten-

minste 1 van hen een ambtenaar te zijn met een hogere rang of van dezelfde rang met een hogere trap in de functionele loopbaan.

Aangezien ook de tweede evaluator de facto ‘functionele chef’ is staat hij in de hiërarchie van de werkvloer boven de geëvalueerde.”

Met de verwerende partij moet worden vastgesteld dat P.V., die afdelingshoofd is in het departement waar verzoeker functioneert, voldoet aan de aldus gestelde en toegelichte voorwaarde om als tweede evaluator van verzoeker te kunnen optreden. De omstandigheid dat P.V. binnen hetzelfde departement hoofd is van een andere afdeling dan deze van verzoeker neemt niet weg dat hij “in de hiërarchie van de werkvloer boven de geëvalueerde” staat.

19.3. Artikel IV 6 van het Vlaams personeelsstatuut luidt als volgt:

“Alle personeelsleden of personen onder wiens functioneel gezag het te evalueren personeelslid prestaties heeft verricht, kunnen gunstige of ongunstige feiten met betrekking tot het presteren van het personeelslid vaststellen.

Ongunstige feiten worden schriftelijk vastgesteld, indien mogelijk na een gesprek. Het te evalueren personeelslid kan opmerkingen toevoegen aan het document. Het personeelslid bezorgt het document, gebeurlijk met zijn op-

merkingen, terug binnen de 15 kalenderdagen na het ontvangen van het docu-

ment.”

Hieruit blijkt dat ongunstige feiten schriftelijk worden vastge-

steld “indien mogelijk na een gesprek” en dat het betrokken personeelslid zijn opmerkingen kan toevoegen aan dit document. Het horen van de betrokkene voorafgaand aan het opstellen van een persoonlijke nota is met andere woorden niet noodzakelijk.

IX-8873-42/53

In dit geval blijkt dat verzoeker met persoonlijke nota’s van 12 mei 2015, 1 juni 2015, 30 november 2015, 7 en 21 december 2015 meermaals werd gewezen op verscheidene tekortkomingen in zijn functioneren. In deze per-

soonlijke nota’s werd duidelijk aangegeven dat het afdelingshoofd een signaal wilde geven dat de werkhouding van verzoeker niet acceptabel was, dat van ver-

zoeker werd verwacht dat hij de met zijn afdelingshoofd gemaakte werkafspraken en de deontologische code nakwam en dat hij geen werkoverleg meer weigerde teneinde de verdere opvolging van zijn taken en inhoudelijke dossiers mogelijk te maken. In deze nota’s werd ook uitdrukkelijk vermeld dat de erin genoemde feiten geen verband hielden met de bij de Vlaamse ombudsman in 2014 ingediende klacht waarvoor verzoeker onder de bescherming van deze ombudsman viel.

Verzoeker heeft op deze nota’s kunnen reageren, wat hij ook effectief heeft gedaan.

Daarenboven blijkt uit de opgestelde nota’s genoegzaam dat verzoekers disfunctioneren niet beperkt is tot geïsoleerde feiten, maar dat zijn algemene werkhouding problematisch is.

20. Voor zover verzoeker de schending aanvoert van het redelijk-

heidsbeginsel en hij daarmee beoogt te laten gelden dat de opgelegde maatregel “onredelijk zwaar” en met andere woorden onevenredig is, dient te worden op-

gemerkt dat er van een schending van het evenredigheidsbeginsel slechts sprake kan zijn wanneer een beslissing steunt op feitelijk juiste en op zich rechtens rele-

vante motieven, maar er een wanverhouding bestaat tussen die motieven en de genomen maatregel.

Uit het evaluatieverslag over het werkjaar 2015 blijkt dat aan verzoeker een evaluatie ‘onvoldoende’ wordt toegekend omdat door hem geen enkele input werd geleverd in zijn dossiers, er van een normale werkrelatie geen sprake meer is en hij “de verwachtingen inzake persoonlijke competenties, welke behoren bij zijn functie”, niet heeft ingelost. Hij heeft geen enkele verantwoorde-

IX-8873-43/53

lijkheid opgenomen in zijn dossiers, noch meegewerkt aan “enig streven naar voortdurend verbeteren”. Hij toont geen klantvriendelijkheid en hij weigert sa-

menwerking binnen en buiten de eigen afdeling en entiteit. Hij neemt inzake zijn takenpakket geen initiatief meer en hij heeft zijn werk niet uitgevoerd. Dit herhaald en volgehouden gedrag wordt “onacceptabel” geacht.

Gelet op deze vaststellingen in het evaluatieverslag omtrent het functioneren van verzoeker tijdens het werkjaar 2015, gaat de verwerende partij de grenzen van haar discretionaire beoordelingsbevoegdheid niet te buiten wanneer zij op grond van deze vaststellingen tot een evaluatie ‘onvoldoende’ besluit. De verwerende partij heeft aldus geen onevenredige beslissing genomen, in die zin dat het in redelijkheid ondenkbaar zou zijn dat enige andere overheid ze in dezelfde situatie zou hebben genomen. De omstandigheid dat er geen sanctiecultuur zou bestaan binnen het departement EWI, doet daar niets aan af. Voorts blijkt uit niets dat deze maatregel ten aanzien van verzoeker het gevolg zou zijn van zijn klacht bij de ombudsman of dat de verwerende partij sedert die klacht “alles in het werk stelt” om hem te ontslaan.

21. Voor zover verzoeker in het middel aanvoert dat de bestreden maatregel niet met de vereiste zorgvuldigheid tot stand is gekomen, blijkt uit wat voorafgaat dat verzoeker zijn standpunt over de evaluatie van zijn functioneren kenbaar heeft kunnen maken tijdens het evaluatiegesprek op 8 januari 2016. De evaluatoren hebben zowel de vastgestelde tekortkomingen als verzoekers repliek daarop in overweging genomen en hun bevindingen vinden steun in het ad-

ministratief dossier, zodat niet kan worden aangenomen dat de evaluatoren en, in navolging van hen, de raad van beroep hun respectieve beslissingen niet zorgvuldig hebben voorbereid en genomen.

22. Het eerste middel is derhalve in genen dele gegrond.

IX-8873-44/53

B. Tweede middel

Uiteenzetting van het middel

23. Verzoeker voert in een tweede middel de schending aan van het onafhankelijkheids- en het onpartijdigheidsbeginsel. Hij voert tevens machtsaf-

wending aan.

24. Het eerste middelonderdeel spitst hij toe op de schending van het onafhankelijkheids- en het onpartijdigheidsbeginsel.

Verzoeker betoogt dat “de evaluatieprocedure werd gekleurd door een evaluator die, gelet op de lopende procedure bij de Ombudsman, bewust verzoeker in diskrediet wil brengen”. Hij wijst erop dat zijn eerste evaluator de facto vorm en inhoud heeft gegeven aan de evaluatieprocedure en een direct per-

soonlijk belang heeft bij zijn negatieve evaluatie en ontslag, aangezien deze eva-

luator “in de eerste plaats de verantwoordelijke [is] voor de ongeoorloofde druk die werd uitgeoefend om contra legem bepaalde adviezen te verlenen en voor mil-

joenen euro’s aan subsidies uit te keren” en verzoeker daarvan op de hoogte was.

Verzoeker betwist dat zijn klacht bij de Vlaamse ombudsman niet gericht zou zijn geweest tegen de persoon van de evaluatoren, maar slechts handelde over een interpretatieverschil. Hij is van oordeel dat de Raad van State minstens dient vast te stellen dat het wel zeer toevallig is dat hij vanaf het indienen van deze klacht plots slecht zou zijn gaan functioneren.

Verzoeker ontkent voorts dat het dossier van de Vlaamse om-

budsman al op 2 juli 2014 zou zijn afgesloten. Volgens hem werd het nooit afge-

sloten. Alleszins werd hij niet op de geijkte manier in kennis gesteld van de for-

mele beëindiging ervan.

IX-8873-45/53

Verzoeker benadrukt nogmaals dat zijn legitieme opmerkingen permanent werden genegeerd. Hij wijst erop dat hij in zijn inleidend verzoekschrift reeds meermaals wees op de tekortkomingen van de verwerende partij en op de diverse initiatieven die hij heeft ondernomen om een verbetering van zijn werk-

situatie te verkrijgen, terwijl op geen enkel moment een ernstige, ondersteunende of positieve actie werd ondernomen door het management. Verzoeker bekritiseert de “inspanningen” vanwege de verwerende partij waaraan de raad van beroep refereert en hij stelt dat de raad van beroep zich heeft vergenoegd met het over-

nemen van de motivering van het evaluatieverslag zonder enige toetsing van de “waarheidswaarde” ervan en zonder na te gaan of de evaluatie objectief gebeurde.

25. In een tweede middelonderdeel laat verzoeker gelden dat uit het evaluatieverslag van de evaluatoren en de beslissing van de raad van beroep min-

stens twee elementen blijken die onmiskenbaar op machtsafwending wijzen.

Een eerste element betreft, aldus verzoeker, de manifeste schending van de hoorplicht, waarbij zijn legitieme opmerkingen werden gene-

geerd. Verzoeker betoogt dat hij voor voldongen feiten werd gesteld op het ogen-

blik dat de negatieve evaluatie hem werd voorgesteld, reden waarom hij weigerde het evaluatieverslag voor ontvangst te ondertekenen. Hij stelt dat de tweede eva-

luator zelfs geen aanstalten maakte om hem te horen, maar gewoon het evalua-

tieverslag ondertekende, wat tevens een schending van het zorgvuldigheidsbe-

ginsel inhoudt. Verzoeker wijst er nogmaals op dat hij op geen enkel ogenblik door zijn eerste of tweede evaluator werd gehoord over de persoonlijke nota’s in 2014, de negatieve evaluatie van het werkjaar 2014, het planningsdocument voor het werkjaar 2015 of de persoonlijke nota’s in 2015. Volgens verzoeker heeft ook de raad van beroep geen rekening gehouden met zijn verweermiddelen. Verzoeker wijst erop dat hij in zijn beroepschrift tegen de tuchtstraf reeds opmerkte dat er blijkbaar niet alleen geen plaats meer voor hem was in het departement EWI, maar dat ook de basis voor een ontslag werd gelegd. Deze intentie wordt volgens ver-

zoeker met de thans voorliggende tweede negatieve evaluatie bevestigd.

IX-8873-46/53

Een tweede element dat volgens verzoeker op machtsafwending wijst, is het plotse karakter van zijn beweerdelijk disfunctioneren. Niettegen-

staande hij een vlekkeloze loopbaan achter de rug heeft, “getuige daarvan zijn opeenvolgende uitmuntende evaluaties”, krijgt hij merkwaardig genoeg sedert zijn klacht bij de ombudsman en zijn bescherming als klokkenluider persoonlijke no-

ta’s, negatieve evaluaties en een tuchtstraf. Verzoeker benadrukt nogmaals dat zijn klacht bij de Vlaamse ombudsman geenszins beperkt was tot de foutieve telme-

thode die gehanteerd werd in het IOF-dossier, maar tevens tot doel had de gedra-

gingen en de ongeoorloofde druk die door het afdelingshoofd werden opgelegd, aan te kaarten. Niettemin mocht dit afdelingshoofd als evaluator blijven optreden en werd plots elk handelen van verzoeker als problematisch bestempeld. Verzoe-

ker meent dat dit laatste geen toeval is. Het afdelingshoofd nam elke gelegenheid te baat om een dossier samen te stellen met als doel hem onderuit te halen.

26. In zijn memorie van wederantwoord laat verzoeker nog gelden dat het onafhankelijkheidsbeginsel en het onpartijdigheidsbeginsel twee met elkaar samenhangende beginselen van behoorlijk bestuur zijn en dan ook samen dienen te worden begrepen. Hij stelt dat het onafhankelijkheidsbeginsel onder meer inhoudt dat de overheid die bevoegd is om een bepaalde beslissing te nemen, die beslissing zonder ongeoorloofde druk van buitenaf moet kunnen nemen, terwijl in onderha-

vig dossier wel dergelijke druk aanwezig was. Verzoeker wijst op de “gelijkenis met het ontslag van [P.B.]”, nu hij in “[h]et belang van een goede reputatie” in de richting van een ontslag werd gestuurd. De verregaande partijdigheid van de evaluatoren liet volgens hem geen faire behandeling door de raad van beroep meer toe.

27. Verzoeker bekritiseert in zijn laatste memorie ook de beoorde-

ling van het tweede middel in arrest nr. 236.723 van 12 december 2016 over zijn vordering tot schorsing. Volgens hem wordt eraan voorbijgegaan dat de tweede evaluator mede het voorwerp uitmaakt van de formele klacht bij de Vlaamse ombudsman. Volgens verzoeker wordt de conclusie van de Raad van State ge-

steund op het oordeel van de Vlaamse ombudsman dat hij betwist.

IX-8873-47/53

Beoordeling

28.1. Anders dan de verwerende partij opwerpt, is in het eerste mid-

delonderdeel voldoende duidelijk uitgelegd waarom verzoeker de schending van het onafhankelijkheidsbeginsel en het onpartijdigheidsbeginsel inroept.

28.2. Wat het door verzoeker ingeroepen onafhankelijkheidsbeginsel betreft, moet wel worden opgemerkt dat, buiten de gevallen waarin uit de regel-

geving zelf blijkt dat een bepaald orgaan is opgevat als een “onafhankelijk” or-

gaan, het bedoelde beginsel binnen het bestuur slechts een beperkte draagwijdte kan hebben. Ambtenaren zijn in de regel niet onafhankelijk, in die zin dat zij ge-

organiseerd zijn in een hiërarchische structuur, waarin zij onderworpen zijn aan de orders van hun hiërarchische oversten en van de personen die de politieke ver-

antwoordelijkheid dragen voor de werking van de dienst.

Waar kan worden aangenomen dat het onafhankelijkheidsbe-

ginsel inhoudt dat de overheid die bevoegd is om een bepaalde beslissing te nemen, die beslissing ook zelf moet nemen, zonder ongeoorloofde druk van buitenaf, moet in dit geval worden vastgesteld dat verzoeker niet aantoont dat de bestreden be-

slissing onder dergelijke druk werd genomen.

De aangevoerde schending van het onafhankelijkheidsbeginsel faalt.

28.3. Wat de door verzoeker aangevoerde partijdigheid, in het bij-

zonder van de eerste evaluator, betreft, blijkt dat verzoeker medio 2014 in een brief aan de Vlaamse ombudsman een onregelmatigheid meldde, waarvoor een proce-

dure werd opgestart die verzoeker onder de bescherming van de ombudsman plaatste. Deze klacht van verzoeker hield in dat de telmethode voor de toekenning van subsidies aan “de Industriële Onderzoeksfondsen van de Vlaamse associaties”

aan de kaak werd gesteld, evenals de situatie op de werkvloer. Uit die klacht blijkt dat verzoekers kritiek op zijn afdelingshoofd erop neerkwam dat verzoeker onder

IX-8873-48/53

meer hem “op de hoogte bracht van het feit dat de aangeleverde cijfers niet in overeenstemming waren met het besluit (en het ontwerpbesluit) van de Vlaamse Regering”, maar dat niet corrigerend werd opgetreden en enkel “(verdere) druk op [hem werd uitgeoefend] om de toegezonden cijfers als correct te bevestigen”.

Uit een brief van 23 juni 2014 van de Vlaamse ombudsman aan de verwerende partij blijkt dat de ombudsman, wat de door verzoeker gemelde onregelmatigheid betreft, voorlopig concludeerde dat werd gehandeld “in strijd [...] met de voorwaarden van het BVR”. Hij voegde de bedenking eraan toe “dat de onregelmatigheid louter betrekking heeft op de verdeling van de middelen tussen de associaties onderling, maar zonder invloed is op het totaalbedrag van de subsi-

die lastens de Vlaamse begroting”. Voorts vermeldde hij dat verzoeker onder zijn bescherming valt vanaf 23 juni 2014 en stelde hij overleg voor met de verwerende partij opdat hij zich zou kunnen uitspreken over de beweerde onregelmatigheid en de situatie op de werkvloer.

Na het bedoelde overleg stelde de Vlaamse ombudsman in een brief van 2 juli 2014 aan de verwerende partij vast dat hij het met de bestuursin-

stantie erover eens was dat het aanbeveling verdiende om de vastgestelde onre-

gelmatigheid te regulariseren “via een begrotingsruiter” en dat, wat de bescher-

ming van verzoeker als klokkenluider en de situatie op de werkvloer betrof, een medewerker van de ombudsdienst het overleg zou faciliteren tussen verzoeker en zijn afdelingshoofd over de communicatie en het vertrouwen op de werkvloer.

Aldus werd vooreerst een oplossing gevonden voor de door verzoeker aangekaarte onregelmatigheid. Verzoeker toont niet aan dat daarna, tijdens het jaar 2015 waarop de thans bestreden evaluatie slaat, nog steeds een verkeerde toepassing zou zijn gemaakt van de regelgeving en druk op hem zou zijn uitgeoefend.

Voorts, wat de door verzoeker in zijn klacht bij de ombudsman aangekaarte situatie op de werkvloer betreft, blijkt uit niets dat de ombudsman van

IX-8873-49/53

oordeel zou zijn geweest dat het afdelingshoofd dan wel enig ander persoon van het departement EWI schuld trof aan die situatie. Uit het administratief dossier blijkt bovendien dat de ombudsdienst tussen verzoeker en zijn afdelingshoofd het overleg poogde te vergemakkelijken over de communicatie en het vertrouwen op de werkvloer, maar dat dit overleg – althans voor verzoeker – niet het gewenste resultaat opleverde. Uit het e-mailverkeer dat daarover tussen de ombudsdienst en de verwerende partij werd gevoerd en uit het e-mailverkeer van de verwerende partij zelf, kan alleen maar worden opgemaakt dat deze partij steeds haar volledige medewerking heeft verleend aan het zoeken naar een oplossing.

Alzo is er dan ook geen reden om aan te nemen dat verzoekers afdelingshoofd, onder wiens gezag verzoeker tijdens het werkjaar 2015 heeft ge-

functioneerd, omwille van verzoekers vroegere klacht bij de Vlaamse ombudsman niet op een onbevooroordeelde wijze een oordeel heeft kunnen vellen over dit functioneren.

In dit verband dient er overigens op gewezen dat de Vlaamse ombudsman reeds met betrekking tot de evaluatie ‘onvoldoende’ die aan verzoeker werd toegekend voor het werkjaar 2014 en de aan verzoeker opgelegde tuchtstraf stelde dat hij “na onderzoek geen verband [kon] vaststellen tussen de negatieve evaluatie en de voorgestelde tuchtstraf en de melding van de onregelmatigheid” en dat verzoeker voor de thans bestreden evaluatie ‘onvoldoende’ die hem voor het werkjaar 2015 werd toegekend, zelfs geen gebruik heeft gemaakt van de moge-

lijkheid geboden door artikel II 4, § 2, van het Vlaams personeelsstatuut om aan de Vlaamse ombudsman te vragen het verband te onderzoeken tussen die evaluatie en de gemelde onregelmatigheid.

Verzoeker mag dan al wel beweren dat hij het voormelde standpunt van de Vlaamse ombudsman betwist, de Raad van State ziet geen enkele reden waarom het zou moeten worden opzijgezet.

IX-8873-50/53

Daarbij komt nog dat de ongunstige evaluatie van verzoekers functioneren tijdens het werkjaar 2015 bijval heeft gekregen van de tweede eva-

luator en helemaal niet blijkt dat daarover enig meningsverschil tussen de evalu-

atoren zou hebben bestaan. Verzoeker beweert weliswaar dat de tweede evaluator mede het voorwerp uitmaakt van de klacht bij de Vlaamse ombudsman, maar hij verduidelijkt niet op welke wijze die daarbij betrokken zou zijn geweest.

Ten slotte heeft de raad van beroep met zijn unanieme beslissing van 30 maart 2016 verzoekers evaluatie voor het werkjaar 2015 opnieuw beoor-

deeld en heeft hij diens evaluatie ‘onvoldoende’ gegrond bevonden. Verzoeker maakt niet aannemelijk dat de beweerde partijdigheid van zijn afdelingshoofd zou hebben afgekleurd op de beslissing van de raad van beroep.

De aangevoerde schending van het onpartijdigheidsbeginsel faalt evenzeer.

28.4. Het eerste middelonderdeel is niet gegrond.

29.1. Er is sprake van machtsafwending wanneer een overheid de bevoegdheid die haar tot het bereiken van een bepaald oogmerk van algemeen belang is gegeven, gebruikt voor het nastreven van een ander doel. Om tot een nietigverklaring te kunnen leiden, moet het ongeoorloofde oogmerk het enige doel van de bestreden handeling zijn. In dit geval zou dit betekenen dat de verwerende partij haar evaluatiebevoegdheid heeft uitgeoefend met als enig oogmerk verzoe-

ker te treffen omwille van de klacht die hij bij de ombudsman indiende.

Volgens verzoeker blijkt machtsafwending vooreerst uit de niet-naleving van de hoorplicht en van het zorgvuldigheidsbeginsel en voorts uit het plotse karakter van zijn beweerdelijk disfunctioneren.

Wat het eerstgenoemde aspect betreft, valt verzoekers grief samen met zijn eerste middel. Uit de bespreking daarvan is reeds gebleken dat de

IX-8873-51/53

bestreden beslissing de hoorplicht en het zorgvuldigheidsbeginsel niet schendt, zodat uit de beweerde niet-naleving van die beginselen ook geen machtsafwending kan worden afgeleid.

Wat het laatstgenoemde aspect betreft, overtuigt verzoeker er niet van dat de hem toegekende evaluatie ‘onvoldoende’ louter een gevolg is van de klacht die hij eerder bij de Vlaamse ombudsman heeft ingediend. In dit verband zij het overigens herhaald dat de Vlaamse ombudsman geen verband heeft vast-

gesteld tussen de voornoemde klacht en de ongunstige evaluatie van verzoekers functioneren tijdens het werkjaar 2014 en dat verzoeker geen gebruik heeft ge-

maakt van de mogelijkheid om door de ombudsman het verband te laten onder-

zoeken tussen de voornoemde klacht en zijn ongunstige evaluatie voor het werk-

jaar 2015.

29.2. Het tweede middelonderdeel is derhalve evenmin gegrond.

30. Het tweede middel is in geen van zijn onderdelen gegrond.

BESLISSING

1. De Raad van State verwerpt het beroep.

2. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring en van de vordering tot schorsing, begroot op een rolrecht van 400 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 840 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij.

IX-8873-52/53

Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 28 juni 2018, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit:

Geert Van Haegendoren, kamervoorzitter, Bruno Seutin, staatsraad, Bert Thys, staatsraad, bijgestaan door Tiny Temmerman, griffier.

De griffier De voorzitter

Tiny Temmerman Geert Van Haegendoren

IX-8873-53/53

PDF document ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.241.983