Court dismisses suspension request for wind turbine permit enforcement due to lack of proven urgency.
Synthèse Legislator
Généré par l'IAThe Council of State rejected the applicants' request to suspend the enforcement of a wind turbine permit decision. The court found that the applicants failed to demonstrate concrete facts proving the works had commenced or would start imminently, which is required to establish urgency. Consequently, the court ruled that the potential environmental harm was not immediate enough to justify suspending the permit's execution.
Regeste Legislator
Généré par l'IAArt. 17, § 1, of the Coordinated Laws on the Council of State; A suspension of enforcement is only granted if the case is urgent, requiring concrete proof that irreversible damage will occur if the administrative appeal is not expedited.
Mots-clés
Généré par l'IADispositions légales citées
Généré par l'IAJurisprudence citée
Généré par l'IADécisions connexes
Généré par l'IATexte complet
RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK
VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER
nr. 241.976 van 28 juni 2018
in de zaak A. 224.810/VII-40.235.
In zake : 1. Jos MARTENS
2. Monica RIGHELLI
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Pieter Jongbloet kantoor houdend te 3010 Leuven Oude Diestsesteenweg 13
bij wie woonplaats wordt gekozen
tegen :
het VLAAMSE GEWEST
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Steve Ronse en Isabelle Verhelle kantoor houdend te 8500 Kortrijk Beneluxpark 27B
bij wie woonplaats wordt gekozen
I. Voorwerp van de vordering
1. De vordering, ingesteld op 19 maart 2018, strekt tot de schorsing van de tenuitvoerlegging van het besluit van de Vlaamse minister van Omgeving, Natuur en Landbouw van 18 januari 2018 waarbij het beroep ingesteld tegen de beslissing van de deputatie van de provincieraad van Limburg van 13 december 2012 houdende toekenning van een milieuvergunning voor het exploiteren van een windturbinepark met drie windturbines gelegen langsheen de N80 te Sint-Truiden, gedeeltelijk gegrond wordt verklaard en de beroepen beslissing wordt gewijzigd.
II. Verloop van de rechtspleging
2. De verwerende partij heeft een nota ingediend.
VII-40.235-1/7
Eerste auditeur Rita Van Den Eeckhout heeft een verslag opgesteld.
De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 21 juni 2018.
Kamervoorzitter Eric Brewaeys heeft verslag uitgebracht.
Advocaat Pieter Jongbloet, die verschijnt voor de verzoekende partijen, en advocaat Meindert Gees, die loco advocaat Steve Ronse verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord.
Eerste auditeur Rita Van Den Eeckhout heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven.
Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.
III. Feiten
3.1. De CVBA Ecopower dient op 28 augustus 2012 bij de deputatie van de provincieraad van Limburg een aanvraag in tot het verkrijgen van een milieuvergunning klasse 1 voor de exploitatie van drie windturbines te Sint-Truiden langsheen de N80.
3.2. Op 13 december 2012 verleent de deputatie van de provincieraad van Limburg de vergunning.
VII-40.235-2/7
3.3. Hiertegen worden, onder meer door de verzoekende partijen, bestuurlijke beroepen aangetekend bij de Vlaamse minister van Omgeving, Natuur en Landbouw.
3.4. Op 18 januari 2018 verklaart de minister de beroepen gedeeltelijk gegrond en zij verleent de vergunning onder een bijzondere voorwaarde inzake het uitvoeren van een controlemeting geluid binnen zes maanden na ingebruikname van de turbines.
Dit is de bestreden beslissing.
3.5. De stedenbouwkundige vergunning werd verleend op 22 mei 2015. Bij arrest nr. RvVb/A/1617/0961 van 20 juni 2017 verwerpt de Raad voor Vergunningsbetwistingen het beroep tot vernietiging van deze vergunningsbeslissing. Het cassatieberoep dat daartegen werd ingesteld door eerste verzoeker, werd door de Raad van State verworpen bij arrest nr. 241.683 van 31 mei 2018.
IV. Voorwaarden van de vordering tot schorsing
4. Luidens artikel 17, § 1, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, kan slechts tot de schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat de zaak te spoedeisend is voor een behandeling ervan in een procedure tot nietigverklaring én dat minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van het besluit prima facie kan verantwoorden.
V. Spoedeisendheid
Standpunt van de verzoekende partijen
5. De verzoekende partijen zetten hierover het volgende uiteen:
VII-40.235-3/7
“Beroepers vorderen bij onderhavig verzoekschrift ook de schorsing van tenuitvoerlegging van het bestreden besluit.
De tegenpartij beschikt immers over een stedenbouwkundige vergunning voor het project, die niettegenstaande het feit dat er [e]en cassatieprocedure loopt tegen het arrest waarbij het beroep tot nietigverklaring ervan werd verworpen, uitvoerbaar is.
Beroepers hebben ook de stedenbouwkundige vergunningen steeds aangevochten voor de daarvoor bevoegde Raad. Dit hoefde niet met een procedure tot schorsing omdat op dat ogenblik de titularis niet beschikte over een milieuvergunning, zodat deze stedenbouwkundige vergunningen niet uitvoerbaar waren.
Door de aflevering van het bestreden besluit kan de titularis ervan aldus de werken aanvatten.
De behandeling van de zaak wordt daarom dan ook spoedeisend.
Een zaak is spoedeisend, en dus vatbaar voor beoordeling in kort geding, zodra de vrees voor schade van enig belang, of zelfs voor ernstige nadelen, een onmiddellijke beslissing wenselijk maakt. Bijgevolg mag het kort geding worden gehanteerd wanneer het geschil niet met de gewone procedure binnen de gewenste tijdspanne opgelost kan worden.
Het spreekt voor zich dat de plaatsing van 3 windturbines voltooid kan zijn binnen de periode waarover de Raad van State dient te beschikken om over het beroep tot nietigverklaring tegen het bestreden besluit een uitspraak te doen.
Zoals uit de middelen blijkt werd het bestreden besluit afgeleverd zonder dat er enige toetsing is gebeurd van de vergunde exploitatie aan de in de omgeving bestaande ruimtelijke ordening, en al zeker niet op het vlak van de cultuurhistorische aspecten en het bodemreliëf.
Indien de tenuitvoerlegging van de vergunning niet wordt geschorst, zullen de vier vergunde windturbines er staan op het ogenblik dat de Raad van State over het ingestelde beroep tot nietigverklaring uitspraak doet. Beroepers zullen op dat ogenblik moeten kijken op de aanwezigheid van deze rij van drie 150 m hoge windturbines op amper enkele honderden meter van hun woning, die manifeste verstoring vormen van het bestaande ongerepte landschap.
Bovendien zullen beroepers ‘s nachts geconfronteerd worden met de manifeste geluidsoverlast die de exploitatie van die windturbines veroorzaakt, nu uit het bestreden besluit zelf blijkt dat, enerzijds, de exploitatie van de windturbines de geldende geluidsnormen bij nacht overschrijdt, en dat anderzijds in de vergunning geen enkele voorwaarde wordt opgelegd die garandeert dat de exploitatie de geldende geluidsnormen kan respecteren.
Er wordt weliswaar vermeld dat dit zou kunnen door de turbines in ‘reduced noise modus’ te laten draaien, doch er wordt helemaal niet opgelegd dat dit moet. De enige voorwaarde die de vergunning op dit vlak bevat is een verplichte controle na 6 maanden, die ter kennisname en evaluatie moet worden overgemaakt aan verschillende instanties, doch zonder dat op enige wijze wordt bepaald wat het gevolg is wanneer uit deze studie blijkt dat de geldende geluidsnormen worden overschreden.
Het is bovendien zo dat, eens de windturbines opgericht en in exploitatie, het zeer moeilijk tot onmogelijk zal zijn om, zelfs bij nietigverklaring van de vergunning, de exploitatie van deze windturbines te doen stopzetten.
VII-40.235-4/7
Uit dit alles blijkt dat er met de behandeling van onderhavige zaak een spoedeisendheid is gemoeid die de schorsing van tenuitvoerlegging ervan, voorafgaand aan de behandeling van het beroep tot nietigverklaring verantwoordt”.
Beoordeling
Krachtens artikel 17, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan de schorsing van de tenuitvoerlegging slechts worden bevolen indien, onder meer, “de zaak te spoedeisend is voor een behandeling ervan in een beroep tot nietigverklaring”.
Een zaak is spoedeisend, en dus vatbaar voor beoordeling in kort geding, zodra de vrees voor schade van enig belang, of zelfs voor ernstige nadelen, een onmiddellijke beslissing wenselijk maakt. Bijgevolg mag het kort geding worden gehanteerd wanneer het geschil niet met de gewone procedure binnen de gewenste tijdspanne kan worden opgelost. Het komt er daarbij voor een verzoekende partij die beweert dat de zaak te spoedeisend is om de uitkomst van het annulatieberoep te kunnen afwachten, op aan om van die urgentie te overtuigen aan de hand van concrete feiten die zij in haar vordering aanvoert.
De raadsman van de verzoekende partijen verklaart ter terechtzitting dat de werken nog niet zijn aangevat. Bij gebrek aan concrete elementen die erop wijzen dat het bouwproces binnen afzienbare tijd zal worden opgestart, kan de zaak op dit ogenblik niet als spoedeisend worden beschouwd.
Een schorsing is bijgevolg thans niet noodzakelijk om de beweerde ernstige dan wel schadelijke gevolgen te voorkomen, voortvloeiende uit beweerde omgevingshinder waarvan momenteel nog geen sprake is en dit in afwachting van de behandeling van het annulatieberoep.
VII-40.235-5/7
Het gegeven op zich dat de uitspraak in de annulatieprocedure te laat zou kunnen komen aangezien de werken al voltooid zouden zijn, is geen doorslaggevend argument nu een vordering tot schorsing op elk moment van de procedure kan worden ingesteld, indien zich nieuwe elementen voordoen.
De verzoekende partijen maken in de huidige stand van de procedure niet aannemelijk dat er, lopende de duur van de annulatieprocedure, onherroepelijke schadelijke gevolgen zullen tot stand komen die slechts kunnen worden vermeden mits het schorsen van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing.
De spoedeisendheid van de vordering is niet aangetoond.
Er is bijgevolg niet voldaan aan één van de voorwaarden van artikel 17, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State. Dit volstaat om de vordering tot schorsing te verwerpen zonder dat het nodig is de opgeworpen ontvankelijkheidsexceptie te onderzoeken.
BESLISSING
De Raad van State verwerpt de vordering.
VII-40.235-6/7
Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van achtentwintig juni tweeduizend achttien, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit:
Eric Brewaeys, kamervoorzitter, bijgestaan door Bart Tettelin, griffier.
De griffier De voorzitter
Bart Tettelin Eric Brewaeys
VII-40.235-7/7
PDF document ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.241.976