Legislator Jurisprudence & Législation
ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.241.911 ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.241.911 Généré par l'IA

Belgian Council of State dismisses appeal as the disciplinary suspension was legally terminated by a warning.

Numéro de cause ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.241.911
Autorité / Tribunal
Juridiction Belgique (BE)
Date de la décision
Issue du litige Rejeté (Dismissed)

Synthèse Legislator

Généré par l'IA

The Council of State declared the appeal inadmissible because the disciplinary suspension had been legally terminated by a warning. The applicant argued the suspension remained in force despite the warning, claiming unpaid interest on withheld wages constituted a continuing interest. The court ruled that the application of Article 65 of the Disciplinary Code automatically treats the suspension as withdrawn upon the imposition of a warning, thereby extinguishing the subject matter of the appeal.

Regeste Legislator

Généré par l'IA

Article 65, first paragraph of the Disciplinary Code; When a disciplinary sanction of warning or blame is imposed following a temporary suspension, the suspension is deemed withdrawn and the withheld salary must be returned.

Mots-clés

Généré par l'IA
disciplinary suspension temporary suspension disciplinary warning inadmissible appeal subject matter extinction withheld salary Belgian administrative law suspension de l'instruction

Dispositions légales citées

Généré par l'IA
Article 65, first paragraph of the Disciplinary Code
Généré par l'IA

Vous souhaitez savoir comment cet arrêt s'applique à votre dossier ?

Analysez cette décision avec la législation fédérale, le droit cantonal, la doctrine et la jurisprudence subséquente dans Legislator AI.

Ouvrir dans Legislator →

Texte complet

RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK

VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER

nr. 241.911 van 26 juni 2018

in de zaak A. 221.321/XIV-37.305

In zake: XXXX

bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Jean-François De Bock en Joy Moens kantoor houdend te 1050 Brussel Waterloosesteenweg 612

bij wie woonplaats wordt gekozen

tegen:

de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken die woonplaats kiest bij de Federale Politie DGR/JUR

gevestigd te 1050 Brussel Kroonlaan 145A

I. Voorwerp van het beroep

1. Het beroep, ingesteld op 24 januari 2017, strekt tot de nietigverklaring van “de beslissing van de Vice-Eerste Minister en Minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken en Gelijke Kansen van ongekende datum […]

waarbij de dringende voorlopige schorsing bij ordemaatregel van [verzoeker]

verlengd wordt voor een periode van vier maanden met een inhouding van 15 procent brutowedde”.

II. Verloop van de rechtspleging

2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend.

XIV-37.305-1/6

Eerste auditeur Geert De Bleeckere heeft een verslag opgesteld.

Verzoeker heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verwerende partij heeft een laatste memorie ingediend.

De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 23 mei 2018.

Staatsraad Patricia De Somere heeft verslag uitgebracht.

Advocaat Joy Moens, die verschijnt voor verzoeker, en adviseur Kirsten Peeters, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord.

Eerste auditeur Geert De Bleeckere heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven.

Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.

III. Feiten

3.1. Verzoeker is hoofdinspecteur van politie bij de Federale politie.

3.2. Op 11 augustus 2015 bekrachtigt de minister van Binnenlandse zaken “de beslissing van de gewone tuchtoverheid om [verzoeker] voorlopig te schorsen bij ordemaatregel voor een periode van vier maanden met een inhouding van 15 procent van de brutowedde.” Het beroep tot nietigverklaring tegen deze beslissing is bij de Raad van State bekend onder nr. A. 217.243/XIV-36.706.

XIV-37.305-2/6

De voorlopige schorsing bij ordemaatregel van verzoeker wordt voor een eerste maal verlengd bij beslissing van de minister van Binnenlandse zaken van 27 november 2015, voor een tweede maal bij beslissing van 30 maart 2016, en voor een derde maal bij beslissing van 27 juli 2016. De beroepen tot nietigverklaring tegen deze beslissingen zijn bij de Raad van State bekend onder nrs. A. 218.214/XIV-36.888, A. 219.376/XIV-37.054 en A. 220.357/XIV-37.206.

3.3. De voorlopige schorsing bij ordemaatregel van verzoeker wordt voor een vierde maal verlengd bij beslissing van de minister van Binnenlandse zaken van 21 november 2016, en voor een vijfde maal bij beslissing van 28 maart 2017.

Deze eerste beslissing betreft de thans bestreden beslissing.

IV. Ontvankelijkheid van het beroep - voorwerp

Exceptie

4. In haar laatste memorie stelt de verwerende partij dat verzoeker geen actueel belang meer heeft bij de nietigverklaring van de bestreden beslissing aangezien de minister van Binnenlandse Zaken op 28 april 2017 heeft beslist de voorlopige schorsing bij ordemaatregel van verzoeker met onmiddellijke ingang (vroegtijdig) te beëindigen. Als gevolg van deze beslissing wordt de ingehouden wedde gedurende de periode van de voorlopige schorsing geregulariseerd. Voorts verwijst de verwerende partij naar de brief van 12 oktober 2017 van de juridische dienst van de federale politie aan verzoeker waarin deze mededeelt dat artikel 65

van de wet van 13 mei 1999 ‘houdende het tuchtstatuut van de personeelsleden van de politiediensten’ (hierna: de tuchtwet) enkel voorziet in de uitbetaling van de ingehouden wedde en niet van de intresten hierop, en dat dit standpunt werd bevestigd door een arrest van het hof van beroep te Luik van 21 maart 2017. De verwerende partij besluit dat het beroep geen voorwerp meer heeft.

XIV-37.305-3/6

Ter zitting bevestigt de verwerende partij dat, ook al werd de voorlopige schorsing niet uitdrukkelijk ingetrokken bij de beslissing van 28 april 2017, er toepassing wordt gemaakt van betreffende bepaling van de tuchtwet luidens dewelke de voorlopige schorsing als ingetrokken wordt beschouwd en de eventueel ingehouden wedde door de overheid aan de betrokkene wordt terugbetaald wanneer geen enkele tuchtstraf wordt uitgesproken. Bovendien is verzoeker met ingang van 1 september 2017 eerst voor een periode van zes maanden en met ingang van 1 maart 2018 definitief aangesteld bij de algemene directie van de gerechtelijke politiedienst DVI.

5. Verzoeker stelt in zijn laatste memorie dat met de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 28 april 2017 de voorlopige schorsing werd beëindigd, maar niet ingetrokken, zodat het beroep nog steeds een voorwerp heeft. Bovendien werd de hoofdsom betaald, maar niet de verwijlintresten.

Beoordeling

6. Artikel 65, eerste lid, van de tuchtwet luidt:

“Indien, in aansluiting op een voorlopige schorsing, de tuchtstraf waarschuwing of blaam wordt opgelegd, dan gaat de tuchtstraf in op de dag dat ze uitgesproken wordt; in dat geval evenals wanneer geen enkele tuchtstraf wordt uitgesproken, wordt de voorlopige schorsing als ingetrokken beschouwd en de eventueel ingehouden wedde wordt door de overheid aan de betrokkene terugbetaald.”

7. Ook al is er in de beslissing van 28 april 2017 nog sprake van een “eventuele verdere tuchtrechterlijke vervolging” wat het dossier DIRGEN/202

betreft, wordt heden vastgesteld, zoals door de verwerende partij bevestigd, dat deze toepassing heeft gemaakt van artikel 65, eerste lid, van de tuchtwet, zodat de voorlopige schorsing als ingetrokken wordt beschouwd.

Het beroep heeft geen materieel voorwerp meer.

XIV-37.305-4/6

Voor zover verzoeker aanvoert dat hij nog een belang behoudt bij de vernietiging van de bestreden beslissing omdat de verwijlintresten op de ingehouden wedde niet werden terugbetaald, is deze argumentatie, bij gebrek aan voorwerp van het beroep, niet meer aan de orde.

8. De exceptie is gegrond. Het beroep is niet-ontvankelijk geworden.

V. Kosten

9. Verzoeker vraagt om de kosten ten laste van de verwerende partij te leggen.

10. Aangezien het teloorgaan van het voorwerp van het beroep rechtstreeks volgt uit de toepassing van artikel 65 van de tuchtwet en niet aan verzoeker is te wijten, is het gepast om de kosten ten laste te leggen van de verwerende partij.

VI. Anonimisering

11. Verzoeker vraagt de anonimisering van het arrest, bij de publicatie ervan.

Luidens artikel 2, eerste lid, van het koninklijk besluit van 7 juli 1997 ‘betreffende de publicatie van de arresten en de beschikkingen van niet-toelaatbaarheid van de Raad van State’ kan bij de publicatie van de beschikking of van het arrest de identiteit van natuurlijke personen, op uitdrukkelijk verzoek van een natuurlijke persoon die partij is bij een geschil dat bij de Raad van State aanhangig is, worden weggelaten.

De vraag wordt ingewilligd.

XIV-37.305-5/6

BESLISSING

1. De Raad van State verwerpt het beroep.

2. De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan verzoeker.

3. Bij de publicatie van dit arrest door de Raad van State wordt de identiteit van verzoeker weggelaten.

Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van zesentwintig juni tweeduizend achttien, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit:

Geert Debersaques, kamervoorzitter, Carlo Adams, staatsraad, Patricia De Somere, staatsraad, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier.

De griffier De voorzitter

Joris Casneuf Geert Debersaques

XIV-37.305-6/6

PDF document ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.241.911