Court suspends annulment case regarding military suspension extension due to potential damages claim.
Synthèse Legislator
Généré par l'IAThe Council of State suspended the annulment proceedings against a royal decree extending a military officer's suspension. The applicant argued for damages due to premature retirement, while the state contended no current legal interest remained. The court decided to refer the case to the plenary assembly to evaluate whether the new possibility for the Council to award damages directly alters the established legal interest requirement.
Regeste Legislator
Généré par l'IAArticles 11bis and 92 of the Council of State laws; The possibility for the Council of State to award damages directly does not automatically negate the requirement of current legal interest for annulment actions, necessitating a plenary evaluation of established case law.
Mots-clés
Généré par l'IADispositions légales citées
Généré par l'IAJurisprudence citée
Généré par l'IADécisions connexes
Généré par l'IATexte complet
RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK
VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER
nr. 241.905 van 26 juni 2018
in de zaak A. 216.462/XIV-36.571
In zake: Chretien MOORS
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Pascal Malumgré kantoor houdend te 3980 Tessenderloo Lichtveld 38/001
bij wie woonplaats wordt gekozen
tegen:
I. Voorwerp van het beroep
1. Het beroep, ingesteld op 15 juli 2015, strekt tot de nietigverklaring van het koninklijk besluit nr. 786 van 25 mei 2015 ‘betreffende een verlenging van een schorsing bij ordemaatregel van een beroepsofficier’.
II. Verloop van de rechtspleging
2. Bij arrest nr. 232.638 van 20 oktober 2015 is de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing verworpen.
De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend.
Eerste auditeur Geert De Bleeckere heeft een verslag opgesteld.
XIV-36.571-1/7
Verzoeker heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verwerende partij heeft een laatste memorie ingediend.
De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 23 mei 2018.
Staatsraad Patricia De Somere heeft verslag uitgebracht.
Advocaat Pascal Malumgré, die verschijnt voor verzoeker, en majoor van het Vliegwezen Maarten Kerckhofs, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord.
Eerste auditeur Geert De Bleeckere heeft advies gegeven.
Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.
III. Feiten
3.1. Verzoeker was beroepsofficier niveau B, in de graad van kapitein-commandant.
3.2. Bij ministerieel besluit nr. 93240 van 11 augustus 2014 wordt verzoeker bij ordemaatregel geschorst voor een periode van drie maanden naar aanleiding van een opsporingsonderzoek lastens hem wegens “ernstige feiten”.
Deze ordemaatregel wordt achtereenvolgens verlengd voor telkens drie maanden met koninklijke besluiten van 23 november 2014 en 22 februari 2015.
Met een koninklijk besluit van 25 mei 2015 wordt de schorsing bij ordemaatregel een derde maal verlengd voor een periode van drie maanden.
XIV-36.571-2/7
Dit is de thans bestreden beslissing.
3.3. Bij koninklijk besluit nr. 965 van 23 augustus 2015 wordt de schorsing bij ordemaatregel opnieuw verlengd voor een periode van drie maanden.
Het beroep tot nietigverklaring tegen deze beslissing is bij de Raad van State bekend onder nr. A. 217.129/XIV-36.692.
IV. Ontvankelijkheid van het beroep
Exceptie
4. In haar laatste memorie stelt de verwerende partij dat verzoeker geen actueel belang meer heeft bij de nietigverklaring van de bestreden beslissing aangezien de minister van Defensie heeft beslist de schorsing bij ordemaatregel niet te verlengen en hij vanaf 1 juni 2016 met pensioen is gesteld. Als gevolg van de beslissing tot niet-verlenging van de schorsing bij ordemaatregel heeft verzoeker zich in de periode van 29 augustus 2014 tot en met 28 november 2015 in werkelijke dienst bevonden en zijn hiertoe de nodige (financiële en administratieve) regularisaties uitgevoerd. Volgens de verwerende partij heeft verzoeker ook geen moreel nadeel ondervonden aangezien de schorsing bij ordemaatregel louter een bewarende maatregel is en niet van tuchtrechtelijke aard.
Bovendien is verzoeker sinds 1 juni 2016 op pensioen gesteld en heeft hij zijn eenheid niet meer moeten vervoegen.
5. Verzoeker stelt ter zitting dat het strafonderzoek op 8 april 2018
zonder gevolg is geklasseerd bij gebrek aan bewijs. Hij betoogt dat de bestreden maatregel hem een moreel nadeel heeft toegebracht aangezien hij vervroegd met pensioen is vertrokken en met smaad op zijn naam. De minister van Defensie heeft verzoeker te snel, louter op grond van een klacht, bij ordemaatregel geschorst en de schorsing verlengd, terwijl reeds uit de beslissing van de onderzoeksraad van Defensie van 21 april 2015 om zijn gemotiveerd advies uit te stellen tot na een definitieve beslissing van Justitie, blijkt “dat er niets van aan is”. Verzoeker wijst
XIV-36.571-3/7
er voorts op dat hij door de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing schade heeft geleden en dat hij overweegt een “vordering tot schadevergoeding” in te stellen. Op vraag van de kamer bevestigt verzoeker dat hij nog geen dergelijke vordering heeft ingesteld.
Beoordeling
6. Luidens artikel 19, eerste lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan een annulatieberoep zoals bedoeld in artikel 14, § 1, van deze wetten, voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State worden gebracht door elke partij die doet blijken van een benadeling of een belang.
Het staat aan de Raad van State te oordelen of een verzoeker die een zaak voor de Raad brengt, doet blijken van een belang bij zijn beroep. De Raad van State dient er evenwel over te waken dat de belangvereiste niet op een buitensporig restrictieve of formalistische wijze wordt toegepast (GwH 30 september 2010, nr. 109/2010, punt B.4.3).
7. De bestreden beslissing is een tijdelijke ordemaatregel in het belang van de dienst, in afwachting van het resultaat van het strafrechtelijk onderzoek en een eventueel tuchtrechtelijk onderzoek. Luidens de bestreden beslissing zelf is de schorsing bij ordemaatregel een voorlopige maatregel “waarbij er geen uitspraak wordt gedaan over schuld of onschuld, maar die enkel tot doel heeft de goede naam van de krijgsmacht en de tucht binnen de militaire gemeenschap te vrijwaren”.
Verzoeker heeft tegen de initiële beslissing van 11 augustus 2014
om hem voorlopig te schorsen voor een duur van drie maanden geen annulatieberoep bij de Raad van State ingesteld, evenmin als tegen de verlengingen van de voorlopige schorsing bij koninklijke besluiten van 23 november 2014 en 22 februari 2015, omdat, naar zeggen van verzoeker, “hij in de overtuiging
XIV-36.571-4/7
verkeerde dat het gerechtelijk onderzoek binnen de kortste termijnen zou afgerond worden en hij vrijuit zou gaan”.
Voorts blijkt uit stukken 41 en 44 van het administratief dossier dat de minister van Defensie heeft beslist “hoewel het onderzoek nog steeds lopende is” de schorsing van verzoeker bij ordemaatregel niet te verlengen “gezien het gebrek aan nieuwe concrete elementen, verschaft door Justitie”, zodat de voorlopige schorsing bij ordemaatregel is beëindigd op 28 november 2015 en dat er geen statutaire maatregel wordt opgelegd aan verzoeker. Nog blijkt uit het dossier dat verzoeker reeds op 14 januari 2014 (d.i. vóór de initiële voorlopige schorsing bij ordemaatregel) de verbreking van de vrijwillige verlenging van zijn loopbaan vanaf 1 juli 2015 had aangevraagd en hij op 1 juni 2016 met pensioen is.
Ten slotte is intussen, naar zeggen van verzoeker, het strafonderzoek zonder gevolg geklasseerd.
In die gegeven omstandigheden wordt vastgesteld dat de derde verlenging van de voorlopige schorsing, zijnde de thans bestreden beslissing, aan verzoeker geen definitief moreel nadeel meer berokkent.
8. Verzoeker betoogt ter zitting dat hij ingevolge de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing vervroegd met pensioen is gegaan “hoewel hij nog een verlenging van zijn loopbaan kon aanvragen” en hij voor de geleden schade een “vordering tot schadevergoeding” wenst in te stellen.
Wat dit nadeel betreft, heeft de Raad van State in zijn arrest nr. 132.915 van 23 juni 2004 in algemene vergadering geoordeeld dat “in zoverre een annulatiearrest een vordering tot schadevergoeding voor de justitiële rechter zou kunnen vergemakkelijken, zulks maar een afgeleide is van het belang dat in de eerste plaats gericht is op het doen verdwijnen van de bestreden akte uit de rechtsorde, wat de finaliteit is van het vernietigingsberoep bij de Raad van State;
dat ook de justitiële rechter vermag na te gaan of de administratie haar macht niet heeft overschreden en aldus een fout heeft begaan”. De mogelijkheid die een
XIV-36.571-5/7
nietigverklaring biedt aan de rechtzoekende om zich tot de burgerlijke rechter te wenden met het oog op een schadevergoeding, volstaat met andere woorden niet om het actueel belang van een verzoekende partij aan te tonen.
Sinds dit arrest is het vaste rechtspraak dat het belang om bij een arrest van de Raad van State de bestreden beslissing onwettig te horen verklaren om vervolgens op grond van deze met gezag van gewijsde beklede uitspraak een vordering tot schadevergoeding voor de gewone rechter kracht bij te zetten, een voordeel betreft dat niet verbonden is met het doen verdwijnen van de bestreden beslissing uit het rechtsverkeer, maar uitsluitend met het gegrond horen verklaren van een middel, en dat een dusdanig, alleen als onrechtstreeks te kwalificeren belang, niet volstaat voor de ontvankelijkheid van een annulatieberoep.
De vraag rijst evenwel of ingevolge het invoegen, in artikel 11bis van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, van de mogelijkheid voor de Raad van State om zelf een schadevergoeding tot herstel toe te kennen, een nieuwe juridische toestand is geschapen die desgevallend zou kunnen inhouden dat de voormelde vaste rechtspraak moet worden geëvalueerd.
9. Met het oog op de eenheid van de rechtspraak, is er derhalve reden om de zaak voor te leggen aan de eerste voorzitter van de Raad van State die de afdeling Bestuursrechtspraak tot zijn verantwoordelijkheid heeft, voor een eventueel bevel, overeenkomstig artikel 92, §1, eerste lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, tot verwijzing naar de algemene vergadering van de afdeling Bestuursrechtspraak.
BESLISSING
1. Het debat wordt heropend.
2. De zaak wordt voorgelegd aan de eerste voorzitter van de Raad van State.
XIV-36.571-6/7
Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van zesentwintig juni tweeduizend achttien, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit:
Geert Debersaques, kamervoorzitter, Carlo Adams, staatsraad, Patricia De Somere, staatsraad, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier.
De griffier De voorzitter
Joris Casneuf Geert Debersaques
XIV-36.571-7/7
PDF document ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.241.905