Legislator Jurisprudence & Législation
ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.241.900 ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.241.900 Généré par l'IA

Court dismisses police disciplinary dismissal appeal due to failure to meet cumulative suspension conditions under administrative law.

Numéro de cause ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.241.900
Autorité / Tribunal
Juridiction Belgique (BE)
Date de la décision
Issue du litige Rejeté (Dismissed)

Synthèse Legislator

Généré par l'IA

The Council of State rejected the applicant's request to suspend the enforcement of his dismissal from the police force. The applicant argued procedural violations regarding the timeline of the disciplinary council's advice and notification methods, but the court found no factual basis for these claims. Consequently, the court ruled that the statutory conditions for granting a suspension were not cumulatively met, leading to the dismissal of the appeal.

Regeste Legislator

Généré par l'IA

Art. 17 § 1 of the Council of State Rules; A suspension of enforcement requires the cumulative fulfillment of specific statutory conditions, and the absence of one or more grounds precludes the measure regardless of other procedural irregularities.

Mots-clés

Généré par l'IA
administrative suspension police disciplinary action procedural timeline notification requirements cumulative conditions dismissal enforcement Council of State faute policière

Dispositions légales citées

Généré par l'IA
Art. 17 § 1 of the Council of State Rules
Art. 55 of the Police Disciplinary Code
Art. 57ter of the Police Disciplinary Code
Généré par l'IA

Vous souhaitez savoir comment cet arrêt s'applique à votre dossier ?

Analysez cette décision avec la législation fédérale, le droit cantonal, la doctrine et la jurisprudence subséquente dans Legislator AI.

Ouvrir dans Legislator →

Texte complet

RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK

VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER

nr. 241.900 van 26 juni 2018

in de zaak A. 224.136/XIV-37.603

In zake : Andy VERVOORT

bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Iris Exelmans kantoor houdend te 3290 Diest Schellekensberg 28

bij wie woonplaats wordt gekozen

tegen :

de GEMEENTE HEIST

bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Ann Coolsaet kantoor houdend te 2018 Antwerpen Arthur Goemaerelei 69

I. Voorwerp van de vordering

1. De vordering, ingesteld op 12 december 2017, strekt tot de schorsing van de tenuitvoerlegging van de beslissing van de hogere tuchtoverheid van de politiezone Heist van 12 oktober 2017, waarbij aan verzoeker als tuchtsanctie het ontslag van ambtswege wordt opgelegd.

II. Verloop van de rechtspleging

2. De verwerende partij heeft een nota ingediend.

Eerste auditeur Geert De Bleeckere heeft een verslag opgesteld.

De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 18 april 2018.

XIV-37.603-1/38

Kamervoorzitter Geert Debersaques heeft verslag uitgebracht.

Advocaat Peter Crispyn, die loco advocaat Iris Exelmans verschijnt voor verzoeker, en advocaat Ann Coolsaet, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord.

Eerste auditeur Geert De Bleeckere heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven.

Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.

III. Feiten

3.1. Verzoeker was inspecteur van politie bij de politiezone Heist.

3.2. Met het inleidend verslag van 1 juli 2016 stelt de burgemeester van de gemeente Heist-op-den-berg, optredend als de hogere tuchtoverheid, voor om verzoeker de zware straf van het ontslag van ambtswege op te leggen. In dat verslag wordt een uiteenzetting gegeven van de feiten, omstandigheden en gevolgen, van de datum van kennisneming van de feiten en van het vaststaan, de kwalificatie en de toerekening van de feiten. Tevens bevat het een voorstel tot zware tuchtstraf, meer bepaald de zware tuchtstraf van “ontslag van ambtswege”

en wordt gewezen op het recht van verdediging.

3.3. Op 16 augustus 2016 neemt de hogere overheid een “ontwerp beslissing na verweer (voor advies parket)” en verzoekt zij op dezelfde datum het in artikel 24, tweede en derde lid, van de wet van 13 mei 1999 ‘houdende het tuchtstatuut van de personeelsleden van de politiediensten’ (hierna: de tuchtwet)

bepaalde advies van de procureur des Konings Antwerpen.

Op 29 augustus 2016 verleent de procureur des Konings advies.

XIV-37.603-2/38

3.4. Op 31 augustus 2016 stelt de hogere tuchtoverheid voor verzoeker de zware tuchtstraf van ontslag van ambtswege op te leggen.

3.5. Tegen dat voorstel dient verzoeker een verzoek tot heroverweging in bij de Tuchtraad.

Op 26 oktober 2016 oordeelt de Tuchtraad dat het gepast voorkomt tot de uitspraak nopens de schuldvraag onomstotelijk vaststaat. Hij schort vervolgens de procedure op.

3.6. Op 14 juni 2017 verklaart het hof van beroep, rechtdoende in hoger beroep tegen het door de rechtbank van eerste aanleg Antwerpen, afdeling Mechelen op tegenspraak gewezen vonnis van 28 juli 2016 - waarbij verzoeker werd veroordeeld voor de bewezen verklaarde enige tenlastelegging tot een werkstraf van 60 uren - verzoeker niet schuldig aan het feit van de enige tenlastelegging van de zaak. Het hof van beroep spreekt hem daarvan vrij.

De luidens het arrest aan verzoeker ten laste gelegde feiten in die zaak zijn:

“te Heist-op-den-Berg op 27 november 2015, Bij naamloos of ondertekend geschrift, zonder bevel of voorwaarde, de politiediensten van politiezone HEIST en in het bijzonder de genaamde [E.B.], geboren te [XX] op [XX], te hebben bedreigd met een aanslag op personen of eigendommen waarop een criminele straf gesteld is.”

Het hof van beroep beoordeelt de schuld als volgt:

“4.3. Beoordeling op strafgebied […]

4.3.2. Beoordeling van de schuld.

Door de elementen van het strafdossier die aan de beoordeling van het hof voorliggen, en na hernieuwd onderzoek door dit hof gedaan, is de schuld van de beklaagde aan het feit van de enige tenlastelegging niet bewezen gebleven.

Beklaagde wordt vervolgd voor het uiten van schriftelijke bedreigingen zonder bevel of voorwaarden met een aanslag op personen of eigendommen waarop een criminele straf is gesteld. Het vervolgde misdrijf is strafbaar gesteld door artikel 327 lid twee van het Strafwetboek.

Het geviseerde geschrift is gevoegd als bijlage aan het proces-verbaal ME 45.L7.00[XX]20/2015 van 27 november 2015, stuk 3 van het strafdossier. Het XIV-37.603-3/38

geschrift, een A4 document, bevat volgende geprinte vermeldingen: een Arabisch opschrift met daarnaast de Syrische vlag, de woorden ‘vuil flikken’, de vermelding ‘vervoort andy’ en ‘[E.B.]’ en de kentekens van twee Belgische nummerplaten.

Volgens de informatie verstrekt in het navolgend proces-verbaal 5[XX]0/15 zou het Arabisch opschrift moeten gelezen worden als ‘Aluha akbar’, de vermelde letter en cijfercombinatie van de nummerplaten zouden overeenkomen met het persoonlijk voertuig van [E.B.] en het persoonlijk voertuig van de vriendin van [verzoeker]. Zowel [E.B.] als [verzoeker] waren op dat ogenblik werkzaam als inspecteur bij de lokale politiezone Heist.

Het geviseerde geschrift bevat geen elementen die afzonderlijk of in samenlezing kunnen geïnterpreteerd worden als een ernstige bedreiging tegen personen of eigendommen waarop een criminele straf gesteld is. De zeer beperkte inhoud van het geschrift zoals hoger weergegeven is vaag, erg oppervlakkig en algemeen en bijgevolg niet van aard om een ernstige vrees voor een aanslag op personen of eigendommen waarop een criminele straf gesteld is te doen ontstaan.

Het hof is van oordeel dat het geviseerde geschrift niet beantwoordt aan de wettelijke omschrijving van een schriftelijke bedreiging met een aanslag op personen of eigendommen zoals bedoeld in artikel 327 tweede lid van het Strafwetboek. Het voldoet om dezelfde redenen ook niet aan enige andere strafrechtelijke kwalificatie zoals deze vermeld in artikel 328 van het Strafwetboek of deze vermeld in artikel 330 van het Strafwetboek.

De schuld van beklaagde is niet bewezen.

[…].”

Het voornoemde arrest trad in kracht van gewijsde op 30 juni 2017.

3.7. De hogere tuchtoverheid neemt de beslissing tot voortzetting van de procedure voor de Tuchtraad.

In zijn definitief advies van 20 juni 2017 adviseert de Tuchtraad dat de ten laste gelegde feiten, zoals hij die heeft heromschreven, bewezen zijn en aan verzoeker dienen te worden toegerekend, dat de feiten een tuchtinbreuk uitmaken in de zin van artikel 3 van de tuchtwet en dat de door hogere tuchtoverheid voorgestelde zware tuchtstraf van het ontslag van ambtswege een gepaste straf is.

In zijn advies heromschrijft de Tuchtraad de ten laste gelegde feiten als volgt:

“Op 27 november 2015 de waardigheid van het ambt in het gedrang te hebben gebracht en te kort zijn gekomen aan zijn beroepsplichten door het opmaken van een dreigbrief en het ophangen ervan aan de toegangspoort van het politie-

XIV-37.603-4/38

commissariaat waardoor commotie ontstond binnen het korps en waardoor een gerechtelijk onderzoek diende gevoerd te worden.”

3.8. De hogere tuchtoverheid legt op 12 oktober 2017 aan verzoeker de zware tuchtstraf van ontslag van ambtswege op.

Deze beslissing steunt op de volgende motivering:

“2. Uiteenzetting van de feiten De feiten die aan de grondslag van onderhavig dossier liggen, kunnen beknopt geschetst worden als volgt:

• Op 27 november 2015 maakte u met uw collega-inspecteur [E.B.] deel uit van de eerste interventieploeg op nachtdienst van 26 op 27 november 2015.

• Tijdens deze nachtdienst, op 27 november 2015, omstreeks 03.10 uur, in volle terreurdreiging, werd een document gevonden aan de toegangspoort van het commissariaat. Dit document was gericht aan u en uw voornoemde collega en werd tijdens de nachtdienst gevonden door een andere interventieploeg.

• De bedreigende brief bestond uit drie delen en bevat o de Syrische vlag, o het IS symbool, o de woorden ‘vuile flikken’ o de namen van u en voornoemde collega o de nummerplaten van de (persoonlijke) voertuigen waarmee u en voornoemde collega op dat ogenblik naar het werk waren gekomen.

• U en uw collega inspecteur [E.B.] waren die nacht zelf toegekomen op het commissariaat omstreeks 02 uur.

• Commissaris [E.T.] werd om 03.28 u in kennis gesteld en er werden politionele maatregelen genomen zoals het terugroepen van de ‘terreurploeg’ van wacht en het uitvoeren van opdrachten waaronder het nazicht van het commissariaat en de kloostersite waarin het commissariaat is gelegen.

• U stelde zelf het ambt van de procureur in kennis via de magistraat met nachtdienst, die opdrachten gaf. In de loop van de dag werd een gerechtelijk onderzoek gevorderd door het parket Antwerpen, afdeling Mechelen.

• Naar aanleiding van het gerechtelijk onderzoek dat vervolgens werd uitgevoerd, werd u destijds zelf in verdenking gesteld wegens schriftelijke bedreigingen met een aanslag op personen of eigendommen waarop een criminele straf is gesteld.

Uit het verdere gerechtelijk onderzoek bleek:

• dat omstreeks op 27 november 2015 omstreeks 02.08 uur een worddocument werd afgedrukt. Verder onderzoek door de RCCU van de federale politie stelt dat de drie delen van de dreigbrief werden opgezocht op een computer van de politie, die geplaatst is in de redactieruimte waar ook de printer staat waarmee omstreeks 02.08 u een Worddocument werd afgeprint. Ook werd vergelijkend onderzoek verricht door het centrale labo te Brussel van de federale politie wat uitwees dat de dreigbrief werd geprint op een printer zoals er één aanwezig is in de redactieruimte van de interventie gelegen in BLOK C van het politiecommissariaat van de politiezone Heist.

• Er werd onderzoek verricht naar de mogelijke aanwezigheid van personen in BLOK C tussen het ogenblik dat het alarm werd afgezet en de dreigbrief werd gevonden.

XIV-37.603-5/38

• Op 11 april 2016 werd u door de korpschef, in zijn hoedanigheid van gewone tuchtoverheid, verhoord in de procedure voorafgaand aan een mogelijke tuchtprocedure. U ontkent de feiten. Hiervan werd verslag opgesteld dat deel uitmaakt van het administratief dossier.

• Op 01 juni 2016 werd u op vordering van de procureur des Konings door de raadkamer doorverwezen naar de correctionele rechtbank om u te verantwoorden voor schriftelijke bedreigingen met een aanslag op personen of eigendommen waarop een criminele straf is gesteld.

Bovenstaande feitelijkheden worden op zich door u niet betwist.

Deze feiten maken met elkaar overeenstemmende vermoedens uit, op basis waarvan ten laste van betrokkene volgende feiten kunnen ten laste worden gelegd :

- op 27.11.2015, gebruik makend van de materialen van de overheid, een worddocument/brief te hebben opgemaakt dat als een bedreigende brief kan worden opgevat;

- deze brief in volle terreurdreiging achter te hebben gelaten aan de poort van het politiecommissariaat, gelegen langs de Kerkhofstraat;

- hierdoor werd commotie veroorzaakt binnen het korps en in het bijzonder bij de naaste collega, INP [E.B.].

Dit zijn de feiten die u ten laste worden gelegd.

3. Omtrent de procedure 3.1 Datum van kennisname van de feiten - artikel 56 tuchtwet Feiten kunnen slechts als vastgesteld of kennisgenomen worden beschouwd op het ogenblik dat de tuchtoverheid daarover voldoende nauwkeurige en bewijs-

krachtige gegevens heeft verzameld.

In casu werd de tuchtoverheid bij brief van de heer procureur-generaal bij het Hof van beroep te Antwerpen gedateerd op 29 december 2015 (referte 2015/PGA/4[XX]7 en 2015/UE38/[XX]8) met eraan gehecht de brief van dhr. [MVB], afdelingsprocureur des Konings d.d. 23 december 2015 (referte ME 45

L7 5[XX]0/12 en referte ME.T 1[XX]/15) en overgemaakt aan de vervangende korpschef op 6 januari 2016 ervan in kennis gesteld dat lastens u een gerechtelijk onderzoek werd geopend wegens schriftelijke bedreigingen met een aanslag op personen of eigendommen waarop een criminele straf is gesteld.

Op dat ogenblik bestond er twijfel over de feiten en de toerekenbaarheid lastens u. Op basis van voorgaande briefwisseling heeft de tuchtoverheid het verstandig en voorzicht geacht de procedure tot het nemen van een ordemaatregel op te starten en toepassing kunnen maken van artikel 56 2e lid tuchtwet.

Bij brief van de heer procureur-generaal bij het hof van beroep te Antwerpen van 28 april 2016 gericht aan de korpschef werd toelating verleend tot inzagerecht in en gebruik van het strafdossier.

Vanaf deze datum, 28 april 2016, had de tuchtoverheid gelegenheid kennis te nemen over voldoende nauwkeurige en bewijskrachtige gegevens om de tuchtprocedure aan te vatten en heeft zij de tuchtprocedure daadwerkelijk aangevat door de betekening op 6 juli 2016 van het inleidend verslag gedateerd op 1 juli 2016. Zij heeft hierbij de verdere gerechtelijke procedure niet afgewacht. De tuchtprocedure werd dan tijdig aangevat.

De stelling van u als zou de tuchtoverheid ten onrechte toepassing hebben gemaakt van artikel 56 tweede lid tuchtwet wordt niet enkel tegengesproken door voornoemde gegevens doch ook door de beslissing van de Tuchtraad die onderhavig dossier heeft opgeschort tot er in de gerechtelijke procedure een definitieve eindbeslissing werd genomen.

De tuchtoverheid heeft terzake zeer inert en diligent gehandeld.

Dit wordt in het deskundigenverslag van de Algemene Inspectie van de federale en lokale politie ook bevestigd.

Ook de tuchtraad komt na uitvoerig onderzoek (blz. 7 tot en met 10) tot de XIV-37.603-6/38

conclusie dat het vertrekpunt van de verjaring bepaald moet worden op 28 april 2016 en rekening houdend met de betekening van het inleidend verslag op 01.07.2016 de verjaringstermijn zoals voorzien in artikel 56 tuchtwet niet is ingetreden.

3.2 Artikel 38sexies tuchtwet Het parket Antwerpen, afdeling Mechelen heeft deze feiten verder strafrechtelijk gekwalificeerd. Op basis van voornoemd gerechtelijk dossier werd u 01 juni 2016 door de raadkamer doorverwezen naar de correctionele rechtbank om zich te verantwoorden voor schriftelijke bedreigingen met een aanslag op personen of eigendommen waarop een criminele straf is gesteld.

De tuchtoverheid heeft de strafrechtelijke procedure niet afgewacht. Zij heeft bovenstaande feiten gekwalificeerd als tuchtvergrijpen, met name als ernstige tekortkomingen op de beroepsplichten alsook feiten die de waardigheid van het ambt in het gedrang hebben gebracht. Op grond daarvan werd door de tuchtoverheid een tuchtprocedure opgestart.

De feiten die ten grondslag liggen van dit dossier waren op het ogenblik van de redactie van het inleidend verslag alsook op het ogenblik van de redactie van de voorlopige beslissing na verweer, eveneens voorwerp van een gerechtelijke procedure waarvan u voorwerp [van] was.

Mede door uw eigen handelingen in dit dossier (u heeft zelf het gehele gerechtelijke apparaat opgestart) was de kans op dat ogenblik reëel dat de kwestieuze feiten zouden kunnen gekwalificeerd worden als de uitvoering van opdrachten van gerechtelijke politie.

In deze context heeft de tuchtoverheid haar n.a.v. haar voorlopige eindbeslissing na verweer op 16.08.2016 het advies van de procureur des Konings zoals voorzien in artikel 24 tuchtwet in dit dossier gevraagd.

De correctheid van deze adviesaanvraag werd door u tijdens de tuchtprocedure nooit betwist.

Slechts na voortgang van de procedure voor de tuchtraad, met name ter zitting van 13 september 2017, werpt u voor het eerst op dat de tuchtoverheid onterecht gebruik zou hebben gemaakt hebben van artikel 24 tuchtwet met de bedoeling onrechtmatig haar antwoordtermijn te verlengen. Deze houding is weinig ernstig.

Deze stelling wordt niet alleen laattijdig geponeerd doch ook zonder enige aanwijzing laat staan motivering.

Om het advies van de procureur des Konings op te vragen, moet de tuchtoverheid haar voorlopige beslissing na verweer alsook alle verweermiddelen aan het parket overmaken. De overheid had haar beoordeling aldus op dat ogenblik - met name op 16.08.2016 en aldus binnen de wettelijke termijn zo zij géén advies zou hebben opgevraagd - al geformuleerd. Van enige verlenging van de beoordelingstermijn is dan ook geen sprake.

In casu was gelet op de omstandigheden van het dossier het vragen van het advies van de procureur des Konings een substantiële verplichting en verantwoord.

De raad van State heeft overigens zowel in de zaak […] als in de zaak […] en de zaak […] duidelijk het standpunt ingenomen dat wanneer de tuchtoverheid twijfelt aan de juridische verplichting om het advies van de procureur des Konings zoals voorzien in artikel 24 tuchtwet in te winnen, zij dit moet doen omwille van het feit dat de mogelijke inbreuk op de discretieplicht en/op de kleine termijnverlenging niet opweegt tegen de onregelmatigheid die de tuchtoverheid begaat wanneer zij het advies niet inwint in de gevallen waarin zulks noodzakelijk blijkt.

Terecht stelt de tuchtraad ook in haar definitief advies van 04.10.2017 :

‘Het inleidend verslag is op 06 juli 2016 ter kennis gebracht van verzoeker. Hij kon dus tot 05 augustus 2016 een verweerschrift indienen (hetgeen hij deed op 29 juli 2016 en dus tijdig).

Daags na 05 augustus 2016 ving de termijn aan waarbinnen de hogere XIV-37.603-7/38

tuchtoverheid een voorstel van tuchtstraf ter kennis van de verzoeker kon brengen.

In dit geval heeft de tuchtoverheid binnen die periode meer bepaald op 16 augustus 2016 onder verwijzing van artikel 24 van de tuchtwet het advies van de procureur des Konings ingewonnen.

Overeenkomstig artikel 38sexies, vierde lid van de tuchtwet beschikte de tuchtoverheid aldus over een langere termijn om zijn voorstel van tuchtstraf ter kennis van verzoeker te brengen. Blijkens de tekst van dit artikel bedraagt de verlenging van die termijn 20 dagen.

Berekend op 06 augustus 2016 liep de termijn waarbinnen de tuchtoverheid een strafvoorstel ter kennis van verzoeker diende te brengen dan ook tot en met 9 september 2016.

Aangezien verzoeker kennis gekregen heeft van het strafvoorstel op 01 september 2016 zijn de wettelijke termijnen nageleefd.

De wet maakt wat de termijn van 20 dagen betreft, geen onderscheid tussen het feit of de adviesaanvraag aan de procureur des Konings verplicht is of niet.

Ter zitting van de tuchtraad van 13.09.2017 hield de verzoeker voor dat aldus de vraag tot advies vanwege de tuchtoverheid er enkel toe strekte om de beoordelingstermijn voor het formuleren van een strafvoorstel te verlengen.

De tuchtraad wijst op het feit dat die stelling niet alleen niet werd uitgewerkt maar dat zij ook door geen enkele aanwijzing in het dossier wordt gedragen.

Het strafvoorstel dateert van 16 augustus 2016 en is nog binnen de termijn die voorzien wordt in geval geen advies van de procureur des Konings gevraagd wordt. Aldus wordt het beweerde geenszins bewezen door verzoeker.

De houding die de tuchtoverheid aangenomen heeft, aangenomen dat deze kon twijfelen over de juridische verplichting om dat advies in te winnen, is volstrekt gerechtvaardigd omdat de korte termijnverlenging die in het nadeel van verzoeker zou gespeeld hebben niet opweegt tegen de onregelmatigheid die de tuchtoverheid begaat wanneer deze het advies niet inwint in de gevallen waarin zulks noodzakelijk blijkt’.

Conclusie: ter zake werden de volledige tuchtprocedure alsook de wettelijke termijnen volledig gevolgd.

4. Wat het vaststaan en de toerekenbaarheid van de feiten betreft 4.1 Tussenkomst van het arrest van het Hof van Beroep Bij vonnis van de correctionele rechtbank Antwerpen, afdeling Mechelen werd u veroordeeld voor het bedreigen van de politiezone Heist en meer in het bijzonder INP [E.B.] met een aanslag op personen of eigendommen via een naamloos of ondertekend geschrift, zonder bevel of voorwaarden (artikel 327 lid 2 SW).

Hiertegen ging u in beroep.

Bij arrest van het Hof van Beroep te Antwerpen dd. 14.06.2017 werd u vrijgesproken op grond van volgende overwegingen:

‘het geviseerde geschrift bevat geen elementen die afzonderlijk of in samenlezing kunnen geïnterpreteerd worden als een ernstige bedreiging tegen personen of eigendommen waarop een criminele straf gesteld is. De zeer beperkte inhoud van het geschrift zoals hoger weergegeven is vaag, erg oppervlakkig en algemeen en bijgevolg niet van aard om een ernstige vrees voor een aanslag op personen of eigendommen waarop een criminele straf gesteld is te doen ontstaan.

Het hof is van oordeel dat het geviseerde geschrift niet beantwoordt aan de wettelijke omschrijving van een schriftelijke bedreiging met een aanslag op personen of eigendommen zoals bedoeld in artikel 327 tweede lid strafwetboek.

Het voldoet om dezelfde redenen ook niet aan enige andere strafrechtelijke kwalificatie zoals vermeld in artikel 328 van het strafwetboek of deze vermeld in artikel 330 van het strafwetboek’ Het Hof van Beroep heeft zich aldus enkel en alleen uitgesproken over het XIV-37.603-8/38

gegeven dat de feiten die u ten laste worden gelegd niet gekwalificeerd kunnen worden als een ‘misdrijf’. Het Hof van Beroep heeft zich niet uitgesproken over de feiten zelf noch over de toerekenbaarheid ervan.

Zoals ook in het deskundigenverslag van de Algemene Inspectie van de federale en lokale politie wordt gemeld, stelt het Hof van Beroep niet dat de feiten niet hebben plaatsgevonden.

Dit wordt door u ook erkend.

De beslissing van het Hof van Beroep te Antwerpen sluit de verderzetting van de tuchtprocedure alsook het opleggen van een tuchtmaatregel niet uit.

De tuchtrechtelijke aard van de feiten kan niet worden weerlegd door het feit dat ze niet strafrechtelijk strafbaar zijn of omdat ze geen onrechtmatig voordeel verschaffen aan de betrokkene of aan derden […].

In zijn verslag stelt de Algemene Inspectie van de federale en lokale politie dan ook terecht dat de tuchtoverheid in deze omstandigheden over de ruimte beschikt om de feiten in een eigen tuchtrechtelijke context te beoordelen.

In haar definitief advies treedt dat tuchtraad de stelling van de tuchtoverheid ook bij :

‘het is niet omdat verzoeker bij arrest van het Hof van Beroep te Antwerpen dd. 14.06.2017 werd vrijgesproken, daar het Hof oordeelde dat het geviseerde geschrift niet beantwoordt aan de wettelijke omschrijving van een schriftelijke bedreiging met een aanslag op personen of eigendommen, zoals bedoeld in artikel 327 tweede lid van het strafwetboek, dat dient besloten te worden dat de feiten als onbestaande moeten worden beschouwd en dat het tuchtvergrijp niet bestaat.

(...) Ook al was de ernstige vrees voor een aanslag op personen of eigendommen (waarop een criminele of correctionele straf gesteld is) niet concreet genoeg of te vaag dan nog kan niet ontkend worden dat, gelet op het constante dreigniveau van terreuraanslagen in België (en elders) de brief die door verzoeker werd opgesteld commotie veroorzaakte en als een dreigbrief ervaren werd door collega’s en onderzoekers, zeker gelet op de toen al bestaande terreurgevoelige context.’ 4.2 Vaststaan van de feiten 4.2.1 Algemeen Wat de ten laste gelegde feiten betreft, bestaat de discretionaire beoordelings-

bevoegdheid van de overheid erin dat zij de bewijswaarde van de gegevens uit het tuchtdossier beoordeelt om tot een bepaalde overtuiging te komen. Zij kan haar beslissing steunen op met elkaar overeenstemmende zwaarwichtige vermoedens die ernstig zijn. De vermoedens moeten dusdanig zijn dat het bestaan van de feiten naar behoren bewezen wordt. Daarnaast moet de feitenvergaring met de nodige zorgvuldigheid tot stand komen en de beslissing moet afdoende en concreet gemotiveerd worden ([…]).

In casu werd een zeer omstandige omschrijving gegeven van zowel de feiten als de verschillende administratieve en technische onderzoeken die voor de tuchtoverheid met elkaar overeenstemmende en zwaarwichtige vermoedens uitmaken op basis waarvan zij tot de conclusie is gekomen dat deze feiten u kunnen worden toegerekend.

4.2.2 Bestaan van de bedreigende brief Er is geen betwisting over het feit dat tijdens de nacht van 26 op 27 november 2015 omstreeks 03.10 uur een document werd gevonden in het ijzeren smeedwerk van de toegangspoort van het commissariaat gelegen langsheen de Kerkhofstraat.

4.2.3 de opmaak van de bedreigende brief in het commissariaat Er wordt niet betwist dat de brief opgemaakt werd in het commissariaat. Dit blijkt ook uit de stukken van het dossier.

• Door de RCCU van de federale politie Antwerpen, afdeling Mechelen werd XIV-37.603-9/38

vastgesteld op de aanwezige computer in de redactieruimte dat: (uren zijn opgegeven in UTC+1)

1) er opzoekingen werden gedaan via de zoekmachine Google naar de woorden ‘vlag syrie’ en ‘allahoe akbar’ op de aanwezige computer in de redactieruimte op 27 november 2015 tussen 02.02 u en 02.08 u (internethistoriek).

2) er werd gesurft en de afbeelding 1 allahu-akbar - zie bijlage bij deze beslissing - werd gedownload op 27 november 2015 te 02.07 uur.

3) er werd gesurft en de afbeelding 2 - Syrische vlag zie bijlage - werd gedownload op 27 november 2015 te 02.08 uur.

4) een tekst die in een ‘achtergebleven’ bestand werd aangetroffen op de computer komt overeen met afbeelding 3 die op 27 november 2015 is aangemaakt te 02.07 uur en gedeleted te 2.10 uur.

5) de internethistoriek werd gewist op 27 november 2015 te 02.09 uur.

6) er zijn geen wijzigingen vastgesteld dat de Windows systeemtijd was gewijzigd.

• Afbeelding 3 bevat een juiste schrijfwijze van collega [E.B.]. In de meeste gevallen wordt de voornaam als ‘Evi’ geschreven. Ook bevat afbeelding 3 de juiste nummerplaat van haar voertuig. Die kennis is niet voor de hand liggend.

• Afbeelding 3 bevat de juiste nummerplaat van het voertuig waarmee u zich op dat ogenblik verplaatste, weliswaar een voertuig dat op naam van uw vriendin staat.

Ook die kennis is niet voor de hand liggend.

• Door de centrale directie van de technische en wetenschappelijke politie van de federale politie werd vastgesteld dat de dreigbrief en de voorgelegde referentiedocumenten volgende kenmerken hebben:

1) de gebruikte inkten reageren identiek op infrarood licht en de kleurvorming is soortgelijk.

2) het gebruikte papier heeft dezelfde macroscopische kenmerken en transparantie.

3) Het document ‘dreigbrief’ werd geprint op een soortgelijke HPoffice 7110

printer.

• Een printer HPoffice 7110 is in het [de] redactieruimte van de interventiegroep in BLOK C opgesteld en verbonden met de standalone computer.

4.2.4 toerekening van de feiten In dit dossier zijn er met elkaar overeenstemmende gegevens en ernstige vermoedens waaruit ontegensprekelijk moet afgeleid worden dat de feiten enkel en alleen aan u kunnen toegerekend worden:

• Het alarm werd opgezet door inspecteur [A.D.] te 00.38 uur en afgezet bij aankomst op 27 november 2015 omstreeks 02 uur door inspecteur [E.B.].

(nachtploeg samen met u)

• Het administratief onderzoek wees uit dat er geen onregelmatigheden zijn vastgesteld inzake het alarm bij het opzetten.

• Uit het administratief onderzoek komt tot uiting dat op 27 november 2015, nadat het alarm werd opgezet (close) te 00.38 uur, niemand kan binnen getreden zijn in BLOK C tot omstreeks 2 uur ‘s nachts zonder dat het alarm zou in werking zijn getreden.

• U verklaart zelf dat u in BLOK C aanwezig was onmiddellijk na aankomst op het commissariaat omstreeks 02 uur en vervolgens na een beperkte tijd opnieuw vertrok vanuit blok C om naar blok A te gaan.

• Uit onderzoek blijkt dat u onmiddellijk heeft gebadged aan de binnentuin en aan de dienstinkom die toegang geeft tot het commissariaat BLOK C zodat u geenszins is blijven ‘hangen’ in de binnentuin.

• Uit onderzoek kan worden afgeleid dat u ongeveer 12 minuten aanwezig was in BLOK C.

• Tijdens uw aanwezigheid in BLOK C zijn de afbeeldingen opgezocht, de brief XIV-37.603-10/38

ontworpen, opgemaakt en afgeprint zoals hoger omschreven. De duurtijd hiervan is ongeveer 8 minuten die te situeren is binnen het tijdsbestek dat u aanwezig was.

• u verklaart dat u tijdens uw verblijf in BLOK C weliswaar in de toiletten een langere tijd hebt doorgebracht omdat u met zijn gsm opzoekingen zou hebben gedaan op internet.

• Uit het strafdossier blijkt dat er op dat ogenblik géén dataverkeer is met uw GSM.

• Uit onderzoek blijkt dat u langer heeft gedaan (1 min 22 seconden - normaal volstaat 26 seconden) om het traject via de tuin tussen het verlaten van de binnentuin naar de toegang tot BLOK A via de toegangsdeur ‘CELLEN’ te maken.

Dit is waar de combi staat opgesteld en waar collega [E.B.] aanwezig was. U had de gelegenheid om de bedreigende brief aan te brengen.

• Onmiddellijk na de kennisname van de bedreigende brief en in de uren die daarop volgden worden meerdere nazichten uitgevoerd in en om het commissariaat door verschillende medewerkers.

• Uit de verschillende verklaringen van de collega’s blijkt dat niemand ook maar enige eigenaardigheid heeft opgemerkt in of rond de kloostersite noch aan de deuren of ramen van het commissariaat op 27 november 2015.

• Niemand heeft de dag zelf (27 november 2015) noch de dagen die erop volgden iets gemeld dat ‘verdachts’ zou zijn overgekomen met betrekking tot het gebouw.

• De brief werd aangebracht aan de toegangspoort langs waar normaal de interventievoertuigen toekomen. Die toegangspoort is gelegen grenzend aan de Kerkhofstraat en zeer gemakkelijk te bereiken vanop de openbare weg.

• Die toegangspoort is gelegen op korte loopafstand van de toegang naar BLOK

A. De objectieve vaststellingen die uit de verschillende onderzoeken naar voren zijn gekomen, kan u niet ontkrachten.

U betwist de toerekenbaarheid door een theorie te poneren als zou een ‘onbekende derde’ het domein zijn binnengedrongen en na u BLOK C te hebben betreden om vervolgens het document te printen.

Deze hypothese wordt echter ook weerlegd door volgende met elkaar overeenstemmende elementen:

• De kloostersite is volledig omringd met hoge muren en poorten.

• De poorten zijn voorzien van batch of kunnen vanuit interventievoertuigen geopend worden. Er is/zijn geen batchregistratie(s) vast te stellen in de periode nadat de tweede interventieploeg het domein heeft verlaten omstreeks 00.38 uur en de aankomst van de ploeg bemand door u en [E.B.] omstreeks 2 uur op 27 november 2015 ’s nachts.

• De mogelijke derde zou aldus via inklimming over de omheiningsmuren aanwezig zijn geweest of al vele uren in de tuin van de kloostersite hebben doorgebracht wat gelet op het tijdstip van het jaar niet voor de hand liggend lijkt te zijn en moeilijk aanneembaar.

• De mogelijke derde zou vervolgens achter u mee naar binnen zijn geglipt in de binnentuin of indien onbekende derde al vroeger zou aanwezig zijn geweest over de muur van de binnentuin zijn geklommen om dan in de binnentuin te staan wachten(?)

• De mogelijkheid om vanuit de binnentuin toegang te verschaffen via de kelderdeur of via de nooddeur is zo onwaarschijnlijk en zou een zeer goede kennis vergen van het gebouw intern.

• De mogelijkheid dat de deuren niet-slotvast zouden geweest zijn, is theoretisch mogelijk maar de waarschijnlijkheid is zeer klein en praktisch niet realistisch. Dit blijkt uit het volgende:

Het openen van de deuren voordat het alarm werd afgezet omstreeks 02 uur zou XIV-37.603-11/38

het alarm in werking gesteld hebben. Dit is niet gebeurd.

• Het openen van de deuren nadat het alarm werd afgezet omstreeks 02 uur en waarbij u ook al aanwezig was in BLOK C binnen eenzelfde tijdsbestek zou betekenen dat:

- de onbekende derde via de kelderdeur zijn weg goed moet gekend hebben.

Indien de tussendeur in de kelder zou dicht geweest zijn tussen de CV ruimte en de andere ruimtes, kon een derde zelfs niet verder.

- de kelderdeur, waarvan ‘s morgens werd vastgesteld door collega’s dat deze slotvast was met de sleutel - dit is enkele uren na de feiten vastgesteld - zou geopend zijn met een passende sleutel. Het openen van de kelderdeur zou dan ook met een ‘beveiligde’ sleutel zijn gebeurd waarvan alleen collega’s van de eigen zone er één bezitten.

- de nooddeur, die in de winterperiode niet gebruikt wordt, zal door de aanwezigheid van de deurdranger altijd vanzelf sluiten en kan bijgevolg niet van buitenaf geopend worden. Uit onderzoek blijkt dat de deur - in tegenstelling tot wat normaal gebeurt - tot tegen de dagschoot kan geplaatst worden en hierdoor een opening van minder dan één centimeter creëren. Dit vergt de nodige kennis, inzicht en het voorafgaande opzet. Wanneer men binnen gaat, komt men in de gang die rechtstreeks toegang geeft aan de aansluitend gelegen toiletten waar u zich bevond.

- het tijdstip dat dit kon gebeuren door een mogelijke derde:

• zeer beperkt is in tijdsduur met name slechts enkele minuten • gesitueerd tijdens de nacht even na 02 u.

• De mogelijke derde zou vervolgens bij het verlaten van BLOK C over de muur zijn gekropen/weggegaan omdat er geen batchverrichtingen zijn waargenomen op de poort van de binnentuin (BLOK C) nadat u omstreeks 02.14 uur die had verlaten.

• het document werd in de redactieruimte van de interventiegroep, gelegen in BLOK C, (aan)gemaakt en geprint op het ogenblik dat u in BLOK C aanwezig was.

De redactieruimte bevat veel glasgedeelten waardoor ‘s nachts lichten of schermen van computers merkbaar zijn binnenin de gang/ruimte van Blok C of in de binnentuin, die u doorlopen heeft.

• In de redactieruimte staan verschillende pc’s waarvan slechts één verbonden is met het internet en de andere(n) gebruikt worden in het ISLP netwerk en geen google internetverbinding hebben. Dit is een zeer specifieke kennis. U behoort tot het team interventieleden die hun redactie in het redactielokaal van BLOK C

verrichten tijdens periodes van schrijfwerk.

• Een mogelijke derde kon veel veiliger een document elders ontwerpen en opmaken dan wel in het commissariaat die nacht en kon bovendien zonder of met zeer weinig risico op ontdekking een dreigbrief aanbrengen rechtstreeks vanop de openbare weg via de aangrenzende Kerkhofstraat en zo ongemerkt verdwijnen.

De thesis dat een onbekende derde het BLOK C zou zijn binnengedrongen verliest dan ook elke geloofwaardigheid.

Omwille van de ongeloofwaardigheid van uw stelling van de onbekende derde, heeft u in uw memorie voor de tuchtraad voor het eerst opgeworpen dat geen sprake zou zijn van een ‘onbekende’ derde doch dat deze ‘derde’ zou moeten gezocht worden onder de eigen collega’s.

Deze bewering is evenmin geloofwaardig en wordt door geen enkel concreet feit of gegeven plausibel gemaakt, laat staan bewezen !

De argumenten door u naar voren [ge]bracht in uw memorie, hebben meermaals betrekking op situaties die zich voordeden nadat de ‘bedreigende brief’ werd gevonden en bijkomende personeelsleden werden opgeroepen.

Deze situaties hebben zoals blijkt uit het dossier een andere finaliteit met name het nazicht van en rond het commissariaat en de omgeving en kunnen geenszins in een zelfde context gezet worden toen u en [E.B.] alleen in het gebouw waren voor XIV-37.603-12/38

dat de ‘bedreigende brief’ werd gevonden op 27 november 2015 omstreeks 03.10u.

Anderzijds brengen de argumenten, die u naar voren bracht en te situeren zijn voor 27 november 2015 met betrekking tot de kloostersite, niets substantieel bij tot de reële situatie op 27 november 2015.

Wat de toerekenbaarheid van de feiten betreft, stelt de Algemene Inspectie van de federale en de lokale politie (stelt) in haar deskundigenverslag:

‘De door de verdediging vooropgestelde pistes waarbij ‘derden’ zouden betrokken zijn, worden vanuit het strafdossier en de verschillende bijkomende nazichten van onderzoekspistes uitgesloten. Het leidt geen twijfel dat de handelingen in het kader van de feiten werden uitgevoerd door de heer Vervoort zoals omstandig in het tuchtdossier wordt beschreven.’ Na onderzoek van het volledige dossier is ook de tuchtraad van oordeel dat u de feiten heeft gepleegd en dat deze het gevolg zijn van een wetens en willens handelen en u geenszins aantoont dat de toestand te wijten is aan omstandigheden die volledig buiten uw wil gelegen zijn (blz. 23).

Conclusie : op grond van ernstige, met elkaar overeenstemmende vermoedens zoals in dit besluit uitvoerig beschreven komt ontegensprekelijk vast te staan dat de feiten u en u alleen kunnen worden toegerekend.

5. Kwalificatie van de feiten als tuchtvergrijpen Bovenstaande feiten maken volgend tuchtvergrijp uit :

5.1 Inbreuk op de integriteit Inbreuk op:

- Artikel 130 en 132 WGP

- Punt 28 deontologische code Integriteit heeft niet alleen te maken met onkreukbaarheid en onpartijdigheid maar ook met vakernst, geloofwaardigheid en vertrouwen en moet binnen de politieorganisatie aanzien worden als één van de belangrijkste pijlers waaraan alle handelingen of onthoudingen moeten getoetst worden. Artikel 130 WGP waarborgt deze integriteit, in haar maatschappelijke invulling nl. de wijze van handelen dat beantwoordt aan de waarden en normen die de omgeving, in casu de politieorganisatie en de burgers, verwacht van haar leden.

Het vertrouwen dat de overheid in haar politieambtenaren moet kunnen stellen gaat volledig teloor zo men niet blindelings en zonder twijfel op de integriteit van de ambtenaren mag vertrouwen.

Het persoonlijk opmaken van een bedreigende brief in volle terreurdreiging, het uithangen ervan aan de toegangspoort van het politiecommissariaat, het verwittigen van het ambt van de procureur des Konings, het onnodig laten uitvoeren van een gerechtelijk onderzoek en het onnodig betrekken van externe partners, het onnodig veroorzaken van commotie binnen en buiten het korps maakt in uw hoofde een ernstige tekortkoming uit op vlak van integriteit en de waardigheid van het ambt.

Een zekere naïviteit of misplaatste speelsheid kunnen deze acties misschien deels verklaren maar zeker niet rechtvaardigen.

Dergelijk optreden en handelen, zoals hiervoor vermeld, kan niet worden gedoogd, zowel in functie van het waarborgen en beschermen van de eigen integriteit als in functie van de integriteit en de waardigheid van het korps.

5.2 Inbreuk op de loyauteit Inbreuk op:

- Punt 29 deontologische code Uw handelen schendt niet enkel de integriteit maar tevens de normen die gelden voor de omgang met collega’s en externe partners inzonderheid met het ambt van de procureur des Konings en maken een ernstige tekortkoming op de beroepsplichten uit.

Collegialiteit is binnen de politiewerking geen ijdel begrip. Niemand werkt voor zichzelf en collega’s moeten elkaar kunnen vertrouwen, in het bijzonder bij het XIV-37.603-13/38

uitvoeren van hun wettelijke opdrachten. Het beschamen van dit vertrouwen of het ontbreken hiervan, kan nefast zijn voor de hele dienst of organisatie.

In casu zijn er m.i. met elkaar overeenstemmende vermoedens dat u in volle terreurdreiging zelf een bedreigende brief heeft ontworpen en aangemaakt en deze aan de toegangspoort van het politiecommissariaat heeft bevestigd. U heeft daarenboven hierdoor commotie veroorzaakt in het korps. U heeft zelf externe partners betrokken door het parket te verwittigen, een gerechtelijk onderzoek laten opstarten en externe partners (federale politie) betrokken in onderhavig dossier goed wetende dat de brief eigenhandig was. U heeft hierdoor het noodzakelijk en onontbeerlijk vertrouwen dat collega’s in elkaar moeten hebben alsook het noodzakelijke vertrouwen dat de overheid en externe partners in politieambtenaren moeten kunnen hebben, volledig geschonden en vrijwel geheel onmogelijk gemaakt.

5.3 Inbreuk op de algemene principes, normen en krachtlijnen Inbreuk op:

- punt 3 deontologische code - punt 14 deontologische code vermeldt dat de professionele relaties tussen personeelsleden zijn gebaseerd op onder meer wederzijds respect, ploeggeest, zelfdiscipline en dit onafhankelijk van het geslacht en dat personeelsleden zich onthouden van het in diskrediet brengen van een dienst of een persoon.

- punt 17 deontologische code van de politiediensten waar gesteld is dat personeelsleden de adequate initiatieven nemen met het oog op een goede uitvoering van hun opdrachten Van personeelsleden van politie wordt verwacht dat zij bij elk optreden of elke handeling de waarden van de geïntegreerde politie toepassen en onder meer zin voor verantwoordelijkheid tonen, vanuit wederzijds respect en waardering de interne relaties bevorderen en weloverwogen zijn in hun handelingen en acties.

Een politieambtenaar die in volle terreurdreiging zelf een bedreigende brief ontwerpt, opmaakt en uithangt aan de toegangspoort van het politiecommissariaat, hierdoor commotie veroorzaakt binnen het korps, een gerechtelijk onderzoek laat opstarten en externe partners hierbij betrekt en laat betrekken, getuigt van een zodanige normvervaging dat elk vertrouwen in zijn oordeelkundigheid, zin voor verantwoordelijkheid en correct optreden zoek is.

De acties die u heeft ondernomen getuigt van een dusdanig gebrek aan verantwoordelijkheid en normbesef en brengt de waardigheid van het ambt dusdanig in het gedrang dat deze een zware zo niet de zwaarste tuchtmaatregel verantwoorden.

Algemene conclusie:

Na onderzoek van alle stukken en gegevens in het dossier is de tuchtoverheid van oordeel dat de feiten zoals hierboven geschetst volgende tuchtvergrijpen uitmaken:

• Op 27 november 2015 in volle terreurdreiging o een bedreigende brief te hebben ontworpen en opgemaakt met middelen van de politieorganisatie o en het ophangen ervan aan de toegangspoort van het politiecommissariaat o waardoor commotie ontstond binnen het korps o en waardoor een gerechtelijk onderzoek diende gevoerd te worden.

Deze feiten houden een inbreuk in op de integriteit en brengen de waardigheid van het ambt in het gedrang.

• Bovenstaande feiten houden tevens een gebrek aan loyauteit en collegialiteit in alsook een miskenning van de algemene principes, normen en krachtlijnen, hetgeen een ernstige tekortkoming aan de beroepsplichten inhoudt.

6. Definitieve beslissing na definitief advies van de tuchtraad Gelet op art. 2, 3, 24, 38, 38sexies, 52, 56, 57, 57ter en 65 van de tuchtwet;

XIV-37.603-14/38

Gelet op het voorliggend tuchtdossier;

Bij de straftoemeting heeft de tuchtoverheid haar beslissing specifiek (heeft)

gesteund op de ernst en zwaarwichtigheid van de feiten, de weerslag ervan op het vertrouwen dat de tuchtoverheid in al haar personeelsleden moet kunnen stellen, de weerslag van de feiten op de werkvloer doch tevens ook aan de staat van dienst en evaluaties.

Bij de bepaling van de strafmaat wordt door de tuchtoverheid reeds rekening gehouden met volgende verzachtende omstandigheden:

• de inzet binnen het korps in het verleden, • evaluaties in het verleden, • de jonge leeftijd.

Het feitelijk gedrag van eenieder vormt een oriëntatiepunt voor de opinies en handelswijzen binnen alsook buiten het korps. Het spreekt voor zich dat gedragingen niet kunnen indruisen tegen de algemene principes van de waardigheid van het ambt en de integriteit die binnen onze organisatie mag en moet verwacht worden.

Door de Algemene Inspectie van de federale en lokale politie wordt in hun deskundigenverslag verwezen naar de verschillende aanslagen van de afgelopen jaren. Deze lijst beslaat 3,5 blz.

De tuchtoverheid is het eens met de conclusie van de Algemene Inspectie van de federale en lokale politie dat in tijden waarin politiediensten op de tippen van hun tenen lopen, massaal gemobiliseerd worden en niets aan het toeval kan worden overgelaten, de bedreigende brief niet kan worden afgedaan als een misplaatste grap.

Als politieambtenaar wordt van u voldoende maturiteit verwacht. Vanuit zijn functie mag van hem verwacht worden dat hij dergelijke feiten voldoende en degelijk kan inschatten en had hij moeten weten dat bij het minste en geringste vermoeden van dreiging, alles uit de kast zou worden gehaald. Daarnaast heeft hij als politieambtenaar ook een voorbeeldfunctie. De feiten - zelfs als deze louter als grap zouden zijn bedoeld geweest - zijn absoluut ontoelaatbaar.

De feiten die u ten laste worden gelegd zoals geschetst en als tuchtvergrijp omschreven zijn dusdanig ernstig dat thans elk vertrouwen onherstelbaar zoek is waardoor elke samenwerking binnen welke dienst van het korps dan ook onmogelijk wordt.

Gelet op het definitief advies van de tuchtraad dd. 04.10.2017:

‘beslissend bij meerderheid van stemmen, Dat de ten laste gelegde feiten zoals heromschreven in punt 5.2 bewezen zijn en aan verzoeker dienen te worden toegerekend;

Dat de feiten een tuchtinbreuk uitmaken in de zin van artikel 3 van de wet van 13 mei 1999 houdende het tuchtstatuut van de personeelsleden van de politiediensten;

Dat de door de hogere tuchtoverheid voorgestelde zware tuchtstraf van het ontslag van ambtswege een gepaste straf is’.

De tuchtoverheid volgt integraal het advies van de tuchtraad.

De tuchtoverheid is van mening dat de feiten zoals hoger beschreven (punt 2 en 4.2) vaststaan, ze u kunnen toegerekend worden zoals in punt 4.2.4 omstandig beschreven en een ernstig tuchtvergrijp uitmaken zoals in punt 5 gemotiveerd.

De feiten die u ten laste worden gelegd zoals geschetst en als tuchtvergrijp omschreven, zijn dusdanig ernstig dat thans elk vertrouwen onherstelbaar zoek is waardoor elke samenwerking binnen welke dienst van het korps dan ook onmogelijk wordt.

Rekening houdend met alle voornoemde gegevens leg ik u dan ook voor de voornoemde feiten, bij tuchtmaatregel de zware tuchtstraf van ontslag van ambtswege op.

XIV-37.603-15/38

Het ontslag gaat overeenkomstig artikel 65 tuchtwet in op de datum dat overeenkomstig 57ter tuchtwet de beslissing u is ter kennis gebracht.”

Dit is de bestreden beslissing.

IV. Ontvankelijkheid van de vordering

4. Vooralsnog bestaat er geen noodzaak om over de door de verwerende partij opgeworpen ontvankelijkheidsexceptie uitspraak te doen. Een onderzoek van en een uitspraak over de opgeworpen exceptie zou alleen nodig zijn indien zou komen vast te staan dat de grondvoorwaarden voor het toewijzen van de vordering tot schorsing vervuld zijn, wat, zoals hierna zal blijken, niet het geval is.

V. Schorsingsvoorwaarden

5. Krachtens artikel 17, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan de schorsing van de tenuitvoerlegging slechts worden bevolen onder de dubbele voorwaarde dat de zaak te spoedeisend is voor een behandeling ervan in een beroep tot nietigverklaring en indien minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden.

VI. Ernst van de middelen

A. Eerste middel

Uiteenzetting van het middel

6. In het eerste middel voert verzoeker de schending aan van de materiëlemotiveringsplicht, van de zorgvuldigheidsplicht, van artikel 3 van de wet van 13 mei 1999 ‘houdende het tuchtstatuut van de personeelsleden van de politiediensten’ (hierna: de tuchtwet), van de artikelen 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden,

XIV-37.603-16/38

ondertekend op 4 november 1950 te Rome en goedgekeurd bij de wet van 13 mei 1955 (hierna: het EVRM) en 14 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, opgemaakt te New York op 19 december 1966

en goedgekeurd bij wet van 15 mei 1981 (hierna: het BUPO-verdrag), het gezag van gewijsde van het arrest van het hof van beroep Antwerpen van 14 juni 2017, alsook artikel 4 van de voorafgaande titel van het wetboek van Strafvordering.

Verzoeker betoogt vooreerst dat de hogere tuchtoverheid steunt op vermoedens daar waar het hof van beroep oordeelde dat verzoeker onschuldig is. De feitelijke argumenten waarop de hogere tuchtoverheid zich steunt en die verzoeker in het middel detailleert, zijn volgens hem slechts vermoedens, die niet met zekerheid aantonen dat hij de dader is. Het hof van beroep heeft verzoeker vrijgesproken en dus geoordeeld dat de feiten niet bewezen waren. De tuchtoverheid blijft haar argumenten herhalen, die enkel vermoedens zijn en het hof van beroep heeft, na nieuw onderzoek ter terechtzitting, de feiten als niet bewezen beschouwd. De hogere tuchtoverheid schendt hiermee vooreerst artikel 3

van de tuchtwet aangezien zij de tuchtvergrijpen dient te bewijzen en als er geen tuchtvergrijpen zijn, kan er ook geen tuchtstraf worden opgelegd. De hogere tuchtoverheid schendt bovendien de zorgvuldigheidsplicht aangezien zij -

niettegenstaande het feit dat een arrest van het hof van beroep is tussengekomen waarbij werd geoordeeld dat de feiten niet bewezen zijn en er dient te worden vastgesteld dat hij minstens evenveel argumenten aanhaalt waarom hij de feiten niet zou hebben gepleegd - hiermee geen rekening houdt en zelfs niet aangeeft waarom die argumenten minder juist zouden zijn dan haar argumenten, aangezien de hogere tuchtoverheid zich enkel op vermoedens baseert die slechts een stelling weergeven, een mogelijkheid. Van verzoeker wordt bijna verwacht dat hij het negatief bewijs levert en hiermee worden de artikelen 6 van het EVRM en 14 van het BUPO-verdrag geschonden.

Verzoeker doet voorts gelden dat de bestreden beslissing de “kracht van gewijsde” schendt van het arrest van het hof van beroep van 14 juni 2017. De uitdrukking “gezag van gewijsde en kracht van gewijsde” houdt volgens verzoeker in dat de inhoud van het arrest onbetwistbaar vastligt en dat wat de XIV-37.603-17/38

rechter omtrent de feiten heeft beslist. Te dezen heeft het hof van beroep beslist dat “door de elementen van het strafdossier die aan de beoordeling van het hof voorliggen en na hernieuwd onderzoek door dit hof gedaan, is de schuld van beklaagde aan het feit van de enige tenlastelegging niet bewezen gebleven … de schuld van beklaagde is niet bewezen …”. Uit dat arrest, dat kracht van gewijsde heeft, kan iedereen opmaken dat de schuld van verzoeker niet is bewezen. Door dat naast zich neer te leggen, schendt de hogere tuchtoverheid “de kracht van gewijsde”, alsook haar bewijslast, alsook de zorgvuldigheidsplicht en artikel 4 van de voorafgaande titel van het wetboek van Strafvordering. Volgens verzoeker is de schuld niet bewezen en zijn dezelfde feiten, thans gekwalificeerd als tuchtvergrijpen, eveneens niet bewezen.

Verzoeker zet tot slot uiteen dat de bestreden beslissing “deze beginselen, de materiëlemotiveringsplicht”, op verschillende punten miskent. Hij kan immers niet opmaken waarom zijn argumenten niet zouden moeten worden aanvaard, terwijl de argumenten van de hogere tuchtoverheid net wel doorslaggevend zouden zijn ofwel de schuld zouden doen vaststellen. Het zijn volgens verzoeker allemaal indirecte aanwijzingen die eveneens op andere personen aanwezig in het gebouw van toepassing zouden kunnen zijn. Bovendien dient te worden vastgesteld dat het onderzoek werd gevoerd door de interne dienst van de politiezone zelf, “waardoor mogelijks bepaalde beïnvloeding heeft gespeeld of mogelijks bepaalde pistes niet werden onderzocht.” Dat schendt de door verzoeker aangehaalde bepalingen en beginselen.

Beoordeling

Inzake de schending van het gezag van gewijsde van het arrest van het hof van beroep

7. Ook al dient de tuchtoverheid rekening te houden met de beoordeling van de feiten door de strafrechter, toch blijven tuchtrecht en strafrecht autonoom ten opzichte van elkaar (GwH 16 februari 2012, nr. 20/2012, punt B.2.).

De tuchtoverheid dient bijgevolg rekening te houden met de beoordeling van de XIV-37.603-18/38

feiten door de strafrechter, doch uit de enkele omstandigheid dat de strafrechter oordeelt dat de aan de tuchtrechtelijk vervolgde persoon ten laste gelegde feiten geen misdrijf vormen, volgt niet noodzakelijk dat er in hoofde van de tuchtrechtelijk vervolgde persoon geen tuchtvergrijp zou kunnen vaststaan.

Verzoekers grief, die van een ander standpunt lijkt uit te gaan, faalt derhalve naar recht.

8. De uitspraak van het hof van beroep en de onverbrekelijk met het dictum verbonden motieven ervan, zijn hiervoor weergegeven (supra, punt 3.6.) Hieruit blijkt dat verzoeker een verkeerde lezing aan het arrest van het hof van beroep geeft. Het hof van beroep heeft immers met gezag van gewijsde geoordeeld dat de feiten die verzoeker strafrechtelijk ten laste waren gelegd, niet voldoen aan de strafrechtelijke kwalificaties waaraan het hof van beroep heeft getoetst. Het hof van beroep heeft hierbij geen uitspraak gedaan over het al dan niet bestaan en bewezen zijn van de (thans tuchtrechtelijk ten laste gelegde) feiten en al zeker niet, zoals verzoeker lijkt te begrijpen, dat “de feiten niet bewezen zijn en verzoeker onschuldig diende bevonden te worden.”

In de huidige stand van het geding lijkt het gezag van gewijsde van het arrest van het hof van beroep van 14 juni 2017 er zich niet tegen te verzetten dat de hogere tuchtoverheid aan de aan verzoeker ten laste gelegde feiten een tuchtrechtelijke kwalificatie geeft, het bestaan ervan aanneemt en ze als tuchtvergrijp toerekent aan verzoeker.

Aangezien geen schending van het gezag van gewijsde voorligt, ligt evenmin een schending voor van de zorgvuldigheidsplicht en van artikel 4 van de voorafgaande titel van het wetboek van strafvordering door het enkele feit van het arrest van het hof van beroep, naar verzoeker stelt, “naast zich neer te leggen”.

9. Het middel is in die mate niet ernstig.

XIV-37.603-19/38

Inzake de overige geschonden geachte bepalingen en beginselen

10. In de eerste plaats wordt hierna verzoekers kritiek getoetst aan het door verzoeker geschonden geachte artikel 3 van de tuchtwet en de materiëlemotiveringsplicht.

Artikel 3 van de tuchtwet definieert het begrip “tuchtvergrijp”

als volgt:

“Elke handeling of gedraging, zelfs buiten de uitoefening van het ambt, die een tekortkoming aan de beroepsplichten uitmaakt of die van aard is de waardigheid van het ambt in het gedrang te brengen, is een tuchtvergrijp en kan aanleiding geven tot het opleggen van een tuchtstraf.”

De materiëlemotiveringsplicht houdt in dat iedere administratieve rechtshandeling moet steunen op motieven waarvan het feitelijk bestaan naar behoren is bewezen en die in rechte ter verantwoording van die handeling in aanmerking kunnen worden genomen.

De tuchtoverheid heeft bij de uitoefening van haar tuchtbevoegdheid een discretionaire beoordelingsbevoegdheid, zowel op het vlak van de bewezenverklaring als op het vlak van de tuchtrechtelijke kwalificatie van de ten laste gelegde feiten. De tuchtoverheid die zich over het opleggen van een tuchtstraf wegens een bepaald feit moet uitspreken, vermag daarbij niet alleen te steunen op bekentenissen of vaststaande bewijzen, maar ook op getuigenissen, vermoedens, enz. Indien, zoals te dezen, een tuchtregeling geen bijzondere bewijswaardering voorschrijft, beoordeelt de tuchtoverheid op discretionaire wijze de bewijswaarde van de gegevens uit het tuchtdossier om tot een bepaalde overtuiging te komen.

De tuchtoverheid kan aldus het bewijs van de feiten steunen op vermoedens die gevolgtrekkingen zijn van bekende feiten om te besluiten tot een onbekend feit op voorwaarde dat die vermoedens gewichtig, bepaald en met elkaar overeenstemmend zijn.

XIV-37.603-20/38

Het komt aan de Raad van State binnen het raam van zijn wettigheidstoezicht niet toe om zelf een beoordeling te maken van het bewezen zijn van de ten laste gelegde feiten of van de kwalificatie ervan als tuchtvergrijpen in de zin van artikel 3 van de tuchtwet. De Raad van State is enkel bevoegd om desgevraagd na te gaan of de tuchtoverheid is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan binnen de perken van de redelijkheid tot haar besluit is gekomen.

11. In de mate dat verzoekers grief lijkt uit te gaan van het standpunt dat de bestreden beslissing enkel op vermoedens steunt en dat zulks ontoelaatbaar is, faalt die derhalve naar recht. De vaststelling dat de bestreden beslissing enkel op vermoedens steunt, kan derhalve op zich niet tot de onwettigheid van de bestreden beslissing leiden.

12. De formele motivering van de bestreden beslissing is hiervoor weergegeven (supra, punt 3.8). Hieruit blijkt dat tot het vaststaan van de feiten is besloten op grond van omstandige administratieve en technische onderzoeken die in de motivering van de bestreden beslissing zijn opgenomen en die steun vinden in het administratief dossier. Ook de toerekening van de tuchtrechtelijke feiten aan verzoeker wordt omstandig onderzocht, alsook de door verzoeker aangereikte hypothese van de “onbekende derde” die omstandig werd weerlegd in de bestreden beslissing.

Verzoeker voert vier kritieken aan inzake de feitenvinding op grond van vermoedens door de verwerende partij. Een eerste betreft het eigen standpunt van verzoeker betreffende de schrijfwijze van de naam van zijn collega en de nummerplaten van de wagens en het doorslaggevend karakter van dat gegeven. De Raad van State stelt vast dat uit het tuchtdossier blijkt dat verzoeker reeds dat argument heeft aangebracht voor de Tuchtraad en dat de Tuchtraad wat dat argument betreft, van advies is dat die vermeldingen geenszins tegenstrijdig zijn met hetgeen verzoeker nu voorhoudt noch en zelfs overbodige elementen zijn “nu uit de vaststellingen van de RCCU van de federale politie Antwerpen zelf al duidelijk blijkt dat de nodige opzoekingen voor het opmaken van de brief en het XIV-37.603-21/38

opmaken van de brief zelf geschiedden op de kwestieuze computer.” Daarenboven wijst de Tuchtraad erop dat nog andere elementen verzoeker als dader aanwijzen.

Uit de bestreden beslissing blijkt dat de tuchtoverheid integraal het advies van de Tuchtraad volgt. Verzoeker betrekt deze vaststellingen niet in zijn verzoekschrift, doch beperkt zich tot de blote bewering dat het feit dat hij de schrijfwijze van de naam van zijn collega kent alsook de nummerplaten van de wagens, voor de tuchtoverheid als doorslaggevend worden aangezien bij de besluitvorming. Deze eigen niet-gestaafde feitelijke appreciatie van de relevantie van die feiten, maakt prima facie niet aannemelijk dat de hogere tuchtoverheid in haar beoordeling van het bewijs van de feiten en de toerekening ervan, tot een conclusie is gekomen waaruit een schending van de materiëlemotiveringsplicht en van artikel 3 van de tuchtwet zou moeten blijken.

Eenzelfde conclusie geldt wat de bewering betreft dat hij niet het document voor de dreigbrief aanmaakte omdat hij met zijn GSM zat te spelen op het toilet en er opzoekingen deed op internet, zoals hij zelf aanvoert. Ook wat dat feit betreft, betrekt verzoeker niet de weerlegging van die bewering gedaan in de bestreden beslissing, namelijk dat uit het strafdossier blijkt dat er op dat ogenblik geen dataverkeer is met verzoekers GSM. In die context volstaat verzoekers blote bewering niet om te besluiten dat de hogere tuchtoverheid de perken van haar beoordelingsbevoegdheid is te buiten gegaan. Voorts getuigt verzoekers kritiek op het argument dat verzoeker onnodig lang heeft gedaan over de afstand tussen de poort en de toegang - argument dat ook door de Tuchtraad omstandig werd onderzocht - van een eigen feitelijke beoordeling, maar die maakt niet aannemelijk dat de hogere tuchtoverheid, door dat feitelijk gegeven in aanmerking te nemen, haar beoordelingsbevoegdheid heeft miskend. Evenmin leidt de kritiek dat niet is aangetoond welk document is aangemaakt op de computer, dat dit hetzelfde document is dat aan de toegangspoort werd opgehangen en dat verzoeker dat document heeft aangemaakt, tot die conclusie: in zijn kritiek betrekt verzoeker niet de technische vaststellingen gedaan door de RCCU van de federale politie Antwerpen inzake de opmaak van de bedreigende brief in het commissariaat en die zijn uiteengezet in de bestreden beslissing. Op basis van die vaststellingen en de door de hogere tuchtoverheid in aanmerking genomen gegevens inzake de XIV-37.603-22/38

toerekening van de feiten, is het in hoofde van de hogere tuchtoverheid niet onredelijk te besluiten dat op grond van die vaststellingen, tezamen met de andere feitelijke gegevens en vaststellingen, verzoeker de brief heeft aangemaakt op de computer van het commissariaat en hem aan de toegangspoort heeft opgehangen.

Uit het voorgaande volgt dat op het eerste gezicht de hogere tuchtoverheid de grenzen van de uitoefening van haar hiervoor nader bepaalde beoordelingsbevoegdheid niet te buiten is gegaan door op grond van de diverse feitelijke gegevens en vaststellingen opgenomen in de bestreden beslissing en die steun lijken te vinden in het dossier, te besluiten dat er met elkaar overeen-

stemmende en zwaarwichtige vermoedens bestaan dat de aan verzoeker ten laste gelegde feiten bewezen zijn en hem kunnen worden toegerekend.

Tot slot en anders dan hoe verzoeker het ziet, vindt verzoeker op het eerste gezicht in de bestreden beslissing een antwoord op de vraag welke feiten als tuchtfeiten worden beschouwd, op grond waarvan ze bewezen zijn en dus doorslaggevend zijn en waarom zijn verweerargumenten niet zijn gevolgd.

13. Verzoeker voert ook aan dat de zorgvuldigheidsplicht is geschonden.

De zorgvuldigheidsplicht volgt uit het zorgvuldigheidsbeginsel.

Het zorgvuldigheidsbeginsel houdt in dat het bestuur zijn beslissing op zorgvuldige wijze moet voorbereiden. Dit impliceert dat de beslissing dient te steunen op werkelijk bestaande en concrete feiten die met de vereiste zorgvuldigheid werden vastgesteld. De overheid is onder meer verplicht om zorgvuldig te werk te gaan bij de voorbereiding van de beslissing en de feitelijke en juridische aspecten van het dossier deugdelijk te onderzoeken, zodat zij met kennis van zaken kan beslissen.

De zorgvuldigheidsplicht houdt evenwel niet in dat van een tuchtoverheid moet worden verwacht dat zij een loutere suggestie of bewering die niet op een geloofwaardige wijze is ingeroepen, met de nodige zorgvuldigheid XIV-37.603-23/38

onderzoekt. Enkel wanneer de ingeroepen bewering niet is ontbloot van elk element van geloofwaardigheid, rust op de tuchtoverheid de hiervoor geschetste zorgvuldigheid bij het onderzoek van dit gegeven.

Door zich te steunen op de diverse feitelijke gegevens en vaststellingen opgenomen in de bestreden beslissing en die steun lijken te vinden in het dossier, en daaruit te besluiten dat er met elkaar overeenstemmende en zwaarwichtige vermoedens bestaan dat de aan verzoeker ten laste gelegde feiten bewezen zijn en hem kunnen worden toegerekend - en waarvan hiervoor de wettigheid is gebleken -, is de hogere tuchtoverheid op het eerste gezicht niet onzorgvuldig geweest in de feitenvinding en de toerekening van de feiten aan verzoeker. De enkele bewering van verzoeker dat de hogere tuchtoverheid zich bij de feitenvinding en toerekening op haar argumenten baseert en voorbij gaat aan die van verzoeker en aan het arrest van het hof van beroep, maakt op zich niet de besluitvorming onzorgvuldig.

14. Verzoeker doet ook gelden dat van hem bijna wordt verwacht dat hij een negatief bewijs levert, hetgeen een schending inhoudt van de artikelen 6 van het EVRM en 14 van het BUPO-verdrag.

Zonder dat de Raad van State in deze stand van het geding moet onderzoeken of de geschonden geachte bepalingen toepasselijk zijn, blijkt uit de grief dat verzoeker in wezen doelt op het beginsel van het vermoeden van onschuld. Dat houdt in dat eenieder tegen wie een tuchtvervolging is ingesteld, voor onschuldig wordt gehouden totdat zijn schuld in rechte is komen vast te staan.

Met zijn kritiek dat van hem bijna wordt verwacht dat hij het negatief bewijs levert, gaat verzoeker op het eerste gezicht uit van een verkeerde draagwijdte van het vermoeden van onschuld. Het vermoeden van onschuld staat er niet aan in de weg dat de tuchtoverheid bij de beoordeling van feiten, uit bepaalde gekende feiten - die in de bestreden beslissing zijn uiteengezet - bepaalde gevolgen trekt inzake het bewezen zijn van die feiten en zo besluit tot een voor haar onbekend feit - het bewijs van de feiten en de toerekening ervan aan XIV-37.603-24/38

verzoeker. Dat de tuchtoverheid aldus gebruik maakt van feitelijke vermoedens, houdt op zich niet in dat zij het vermoeden van onschuld miskent.

15. In een laatste grief ziet verzoeker een schending van de aangehaalde bepalingen in zijn vaststelling “dat het onderzoek gevoerd werd door de interne dienst van de politiezone zelf, waardoor mogelijks bepaalde beïnvloeding heeft gespeeld of mogelijks bepaalde pistes niet worden onderzocht”.

Het komt aan verzoeker toe precieze feiten of concrete aanwijzingen bij te brengen die deze “mogelijke” beïnvloeding aantonen.

Verzoeker levert die aanwijzingen niet. Bij gebreke van enig concreet gegeven lijkt de bewering van mogelijke beïnvloeding niet meer dan een op niets gebaseerde bewering die geen afbreuk doet aan de vaststellingen gedaan in het tuchtdossier. Overigens bemerkt de Raad van State dat op het eerste gezicht de feiten steun vinden in een gerechtelijk onderzoek dat wordt gevoerd onder leiding van een (onafhankelijke) onderzoeksrechter en dat verschillende technische vaststellingen inzake de opmaak van de bedreigende brief zijn gedaan door de technische en wetenschappelijke politie van de Federale Politie. Verzoeker betrekt zulks niet in zijn kritiek.

Conclusie

16. Het eerste middel is niet ernstig.

B. Tweede middel

Uiteenzetting van het middel

17. In het tweede middel voert verzoeker de schending aan van artikel 38sexies van de tuchtwet en van de zorgvuldigheidsplicht. Hij zet uiteen dat uit de stukken blijkt dat de tuchtoverheid aan de procureur des Konings advies vroeg en dat die op 29 augustus 2016 advies verleende. De tuchtoverheid paste de XIV-37.603-25/38

verlenging van 20 dagen toe voor het betekenen van het voorstel, terwijl er helemaal geen advies nodig was, zodat het voorstel aldus laattijdig werd betekend.

Verzoeker stelt vervolgens dat er te dezen geen feiten werden gepleegd die rechtstreeks betrekking hebben op een opdracht van gerechtelijke politie. Hij pleegde “in hoofdorde geen feiten, en zelfs indien wordt geoordeeld dat hij vooralsnog schuldig zou zijn, quod non gelet op de vrijspraak uitgesproken door het Hof van Beroep, dan nog was het advies conform artikel 24 van de tuchtwet niet van toepassing”. Volgens hem pleegde hij “in hoofdorde geen feiten”.

Het inleidend verslag is op 6 juli 2016 ter kennis gebracht van verzoeker. De termijn van 30 dagen verliep op 5 augustus 2016. Verzoeker diende tijdig een verweerschrift in, met name op 29 juli 2016. Vanaf 6 augustus 2016

begon de termijn van 15 dagen te lopen waarin de tuchtoverheid een voorstel van tuchtstraf ter kennis van verzoeker kon brengen. Die termijn liep af op 20 augustus 2016. Op 1 september 2016 werd het voorstel van straf aan verzoeker betekend wat te laat is.

Beoordeling

18. Artikel 38sexies van de tuchtwet luidt:

Art. 38sexies. Op grond van het volledige dossier en van het verweer, deelt de hogere tuchtoverheid haar beslissing mede door kennisgeving aan het betrokken personeelslid tegen een ontvangstbewijs of bij een ter post aangetekend schrijven.

De beslissing kan zijn, ofwel dat zij beslist heeft geen tuchtstraf uit te spreken, ofwel dat zij beslist heeft één van de lichte tuchtstraffen uit te spreken, ofwel dat zij beslist heeft een voorstel van één van de zware tuchtstraffen uit te spreken. De beslissing wordt aan het betrokken personeelslid medegedeeld, uiterlijk vijftien dagen na het verstrijken van de in artikel 38quater bedoelde termijn van dertig dagen en vermeldt het recht van de betrokkene om tegen het voorstel van zware tuchtstraf bij de tuchtraad overeenkomstig artikel 51bis een verzoek tot heroverweging in te stellen.

Wanneer geen verzoek tot heroverweging ingesteld wordt overeenkomstig artikel 51bis, bevestigt en deelt met een ter post aangetekend schrijven of door kennisgeving tegen een ontvangstbewijs, de hogere tuchtoverheid haar definitieve beslissing mede aan het betrokken personeelslid, zonder het voorstel tot zware tuchtstraf te kunnen wijzigen.

In de in artikel 24 bedoelde gevallen kan de hogere tuchtoverheid haar definitieve beslissing slechts mededelen na kennis genomen te hebben van de in artikel 24, eerste en tweede lid, bedoelde adviezen, of, bij ontstentenis, ten vroegste XIV-37.603-26/38

de dag na de periode waarin de betrokken overheid geacht wordt geen bijkomend advies te willen formuleren.

Wanneer geen enkele in het eerste lid bedoelde beslissing genomen wordt binnen de in het eerste lid bedoelde termijn van vijftien dagen, in voorkomend geval verlengd met de termijn bedoeld in artikel 24, derde lid, of verlengd met de noodzakelijke termijn om artikel 38quinquies toe te passen, wordt de hogere tuchtoverheid geacht af te zien van de vervolgingen voor de feiten die betrokkene ten laste gelegd werden.

De in het eerste lid bedoelde beslissingen en voorstellen van beslissingen van de hogere tuchtoverheid, worden formeel gemotiveerd.”

Artikel 24, tweede en derde lid van de tuchtwet luidt:

“Art. 24. […]

Wanneer feiten werden gepleegd die rechtstreeks betrekking hebben op de uitvoering van een opdracht van gerechtelijke politie kan een zware tuchtstraf slechts worden opgelegd na het advies van de procureur des Konings tot wiens ambtsgebied de lokale politie of de op arrondissementeel niveau gedeconcentreerde directie of dienst van de federale politie waarvan het betrokken personeelslid deel uitmaakt, behoort. Voor de overige personeelsleden van de federale politie is het advies van de federale procureur of zijn gemachtigde vereist.

De in het eerste en tweede lid bedoelde adviezen moeten gemotiveerd zijn en worden verleend binnen een termijn van twintig dagen te rekenen van de dag waarop het voorstel tot straf aan de betrokken overheid wordt toegestuurd en vooraleer de tuchtraad zich uitspreekt. Eens die termijn verstreken is, wordt de betrokken overheid geacht geen aanvullend advies te willen verstrekken.

De in het eerste en tweede lid bedoelde adviezen moeten eveneens aan het voorstel van zware tuchtstraf van de hogere tuchtoverheid toegevoegd worden.”

19. Op grond van artikel 38sexies, eerste lid, van de tuchtwet moet de hogere tuchtoverheid haar beslissing over de tuchtvordering, binnen een termijn van vijftien dagen na het verstrijken van de termijn van verweer, ter kennis brengen van de betrokken politieambtenaar.

Artikel 38sexies, vierde lid, van de tuchtwet voorziet in twee mogelijkheden om de termijn van vijftien dagen te verlengen. Eén daarvan is de te dezen toepasselijke mogelijkheid de termijn te verlengen “met de termijn bedoeld in artikel 24, derde lid.” Daarin is bepaald dat de procureur des Konings en de minister van Justitie hun advies verlenen binnen de 20 dagen na de verzending door de tuchtoverheid, van het voorstel van zware tuchtstraf.

XIV-37.603-27/38

Het niet-naleven van die verplichting om binnen de vijftien dagen die desgevallend is verlengd “met de termijn bedoeld in artikel 24, derde lid,” wordt gesanctioneerd door artikel 38sexies, vierde lid, van de tuchtwet: de hogere tuchtoverheid wordt geacht af te zien van de vervolgingen voor de feiten die betrokkene ten laste gelegd werden. De termijn om de uitspraak over de tuchtvordering mee te delen is aldus een vervaltermijn. Artikel 38sexies van de tuchtwet legt bijgevolg aan de hogere tuchtoverheid strikte termijnen op die bij niet-naleving leiden tot het verval van de tuchtvordering.

Artikel 24 van de tuchtwet bepaalt de gevallen waarin de hogere tuchtoverheid, alvorens zij een personeelslid van het operationeel kader van de politiediensten van ambtswege ontslaat, het advies moet inwinnen van de procureur des Konings. Deze adviesverplichting is een substantiële verplichting die ertoe strekt de mening van die overheid waaraan geen bestraffingsbevoegdheid is toegekend te doen kennen inzake een voorstel tot het opleggen van een zware tuchtstraf. Dat advies moet worden verleend binnen de twintig dagen na de verzending door de tuchtoverheid, van het voorstel van zware tuchtstraf.

Het advies van de procureur des Konings is enkel vereist wanneer de gepleegde feiten rechtstreeks betrekking hebben op de uitvoering van een opdracht van gerechtelijke politie. Noch artikel 24 van de tuchtwet zelf, noch de parlementaire voorbereiding ervan verduidelijkt wat hieronder moet worden verstaan. Op het eerste gezicht beschikt de hogere tuchtoverheid over een discretionaire beoordelingsbevoegdheid om te oordelen of al dan niet het advies van de procureur des Konings dient te worden gevraagd.

Het komt op het eerste gezicht aan de Raad van State in het raam van zijn wettigheidstoezicht niet toe om desgevraagd zelf een beoordeling te maken van de vraag of “de gepleegde feiten rechtstreeks betrekking hebben op de uitvoering van een opdracht van gerechtelijke politie”. De Raad van State is enkel bevoegd om na te gaan of de overheid is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan overeenkomstig de voormelde wettelijke bepalingen binnen de perken van de XIV-37.603-28/38

redelijkheid tot haar besluit is gekomen.

20. In de adviesaanvraag van 16 augustus 2016 wordt uitdrukkelijk verwezen naar de tekst van het tweede en derde lid van artikel 24 van de tuchtwet, alsook naar de omzendbrief COL 4/2003 van 20 mei 2003, waaruit duidelijk blijkt dat de burgemeester, als hogere tuchtoverheid, van oordeel was dat de feiten onder die bepaling vielen. Geen bepaling verplichtte hem op dat ogenblik zijn adviesaanvraag nader te motiveren.

Het komt aan verzoeker toe aannemelijk te maken dat de op dat ogenblik aan verzoeker tuchtrechtelijk ten laste gelegde feiten geen dergelijke feiten betreffen. Te dezen beperkt verzoeker zich tot de blote bewering, in hoofdorde, dat hij “geen feiten [pleegde] en, zelfs indien wordt geoordeeld dat hij vooralsnog schuldig zou zijn, quod non gelet op de vrijspraak uitgesproken door het hof van beroep, dan nog was het advies conform artikel 24 tuchtwet niet van toepassing”. Op het eerste gezicht volstaat die niet-uitgewerkte stelling niet om de Raad van State te doen besluiten dat de verwerende partij bij haar beoordeling het artikel 24 van de tuchtwet miskende. Het lijkt in deze stand derhalve een loutere bewering waarmee verzoeker de bewijslast die op hem rust, niet kan omkeren.

21. Het inleidend verslag is op 6 juli 2016 betekend aan verzoeker.

Hij kon dus tot 5 augustus 2016 een verweerschrift indienen. Daags nadien ving de termijn van vijftien dagen aan waarbinnen de hogere tuchtoverheid een voorstel van tuchtstraf ter kennis van verzoeker kon brengen. In dit geval heeft de tuchtoverheid, binnen die periode, op 16 augustus 2016 het advies van de procureur des Konings ingewonnen. Overeenkomstig artikel 38sexies, vierde lid, van de tuchtwet beschikte de tuchtoverheid daardoor over een bijkomende termijn van twintig dagen om haar voorstel van tuchtstraf ter kennis van verzoeker te brengen. Berekend vanaf 6 augustus 2016, liep de termijn waarbinnen de hogere tuchtoverheid een strafvoorstel ter kennis van verzoeker diende te brengen dan ook tot en met 9 september 2016. Op 1 september 2016 is het voorstel van zware tuchtstraf aan verzoeker betekend.

XIV-37.603-29/38

22. Uit wat voorafgaat volgt dat artikel 38sexies van de tuchtwet niet is geschonden.

Verzoeker acht in het middel ook het zorgvuldigheidsbeginsel geschonden, doch hij bouwt ter zake geen specifieke argumentatie op, zodat die grief geacht moet worden ofwel samen te vallen met wat hiervóór al is besproken, ofwel niet-ontvankelijk te zijn.

23. Het tweede middel is niet ernstig.

C. Derde middel

Uiteenzetting van het middel

24. Verzoeker voert in het derde middel de schending aan van artikel 56 van de tuchtwet, van de redelijke termijn en van de zorgvuldigheidsplicht. Volgens verzoeker staat het vast dat de tuchtoverheid op 31 december 2015, minstens vanaf 6 januari 2016, kennisnam van de feiten aan de hand van de brieven van het parket aan de korpschef. Hij doet gelden dat uit de stukken van het tuchtdossier blijkt dat de procureur des Konings op 23 december 2015 een brief richtte tot de procureur-generaal bij het hof van beroep te Antwerpen die op 29 december 2015 deze brief, tezamen met een voor eensluidend verklaard afschrift van het lopende dossier, overmaakte aan de burgemeester. Uit de bij die brief van 29 december 2015 gehechte inventaris blijkt dat 68 bladzijden van het strafdossier werden overgemaakt aan de tuchtoverheid en dat die dus voldoende kennis kon nemen van de feiten en die kon beoordelen. Er kan volgens verzoeker moeilijk worden voorgehouden dat het om een complex dossier zou gaan, of dat er nadien nog veel bijkomende onderzoeken zijn gebeurd.

Verzoeker betoogt dat de tuchtoverheid op dat ogenblik van mening was dat verzoeker schuldig was aangezien dezelfde overheid een maatregel oplegde tot voorlopige schorsing en dat zij dat niet deed ten aanzien van andere collegae die eveneens in het gebouw aanwezig waren op het ogenblik van de feiten. Uit de opgelegde ordemaatregel en de documenten en stukken die dienaangaande werden XIV-37.603-30/38

opgesteld, blijkt dat de tuchtoverheid reeds toen overtuigd was van zijn schuld en dit ook zo verwoordde in de beslissingen tot het opleggen van de maatregel tot voorlopige schorsing. Voorts kan het feit dat hij de feiten steeds heeft betwist, geen invloed hebben op het beoordelingsvermogen van een tuchtoverheid. De tuchtoverheid voerde zelf geen onderzoek uit of nodigde verzoeker en andere collegae niet uit ten einde enige daad te stellen. Verzoeker besluit dat, door slechts op 6 juli 2016 een inleidend verslag ter kennis te brengen, de tuchtoverheid artikel 56 van de tuchtwet heeft geschonden.

Beoordeling

De schending van de redelijketermijnvereiste en van het zorgvuldigheidsbeginsel -

exceptie obscurri libelli

25. De verwerende partij werpt in haar nota de exceptie obscuri libelli op. Uit de redactie van het middel blijkt niet duidelijk of verzoeker aanvoert dat de feiten verjaard zijn dan wel dat de redelijketermijneis is geschonden.

Nochtans is het volgens haar van tweeën een: ofwel zijn de feiten verjaard en rijst de vraag naar de schending van de redelijketermijneis niet, ofwel zijn de feiten niet verjaard en kan de vraag reizen naar de schending van de redelijketermijneis.

Verzoeker blijft hierover zeer algemeen. Ook wordt niet uiteengezet waarom de zorgvuldigheidsplicht zou zijn geschonden.

Verzoeker gaat ter terechtzitting niet in op die exceptie.

26. Verzoeker voert in het kopje van het middel weliswaar de schending aan van het beginsel van de redelijke termijn en van de zorgvuldigheidsplicht, doch hij zet niet uiteen op welke wijze die beginselen door de bestreden rechtshandeling zijn geschonden. In die mate is de exceptie ongegrond en is het middel niet-ontvankelijk.

Het middel wordt in deze stand van het geding enkel onderzocht in de mate het artikel 56 van de tuchtwet geschonden acht.

XIV-37.603-31/38

De schending van artikel 56 van de tuchtwet

Beoordeling

27. Artikel 56, eerste en tweede lid, van de tuchtwet luiden:

“Art. 56. De betekening van het inleidend verslag aan het personeelslid moet geschieden binnen zes maanden na de kennisneming of vaststelling van de feiten door een bevoegde tuchtoverheid. Bij ontstentenis en onder voorbehoud van het tweede lid, kan geen tuchtvordering meer worden ingesteld.

In het geval dat een opsporingsonderzoek loopt of de strafvervolging is ingesteld voor dezelfde feiten, begint die termijn te lopen de dag dat de tuchtoverheid door de gerechtelijke overheid ervan in kennis gesteld wordt dat er een gerechtelijke eindbeslissing werd genomen of dat het dossier geseponeerd is dan wel de strafvordering vervallen is.”

Artikel 56, eerste lid, van de tuchtwet verplicht de tuchtoverheid om binnen een bepaalde termijn de tuchtprocedure op te starten, hetgeen gebeurt met de kennisgeving van het inleidend verslag aan de betrokkene. Het gaat om een vervaltermijn waarna geen tuchtvordering meer kan worden ingesteld. Deze bepaling garandeert de politieambtenaar dat hij korte tijd nadat de tuchtoverheid op de in de wet bepaalde wijze kennis heeft van de feiten, uitsluitsel krijgt over zijn onzekere situatie. Van een kennisneming of vaststelling van tuchtfeiten in de zin van artikel 56, eerste lid, van de tuchtwet is slechts sprake op het moment dat de tuchtoverheid met betrekking tot die feiten over voldoende nauwkeurige en bewijskrachtige gegevens beschikt. Het is ook pas dan dat deze verjaringstermijn ingaat.

Bij de beoordeling van de vraag wanneer de gegevens waarover de (hogere) tuchtoverheid beschikt volstaan om de tuchtvordering op te starten en daartoe een inleidend verslag op te stellen, met andere woorden wanneer de tuchtoverheid zich een duidelijk beeld kan vormen omtrent het bestaan en de ernst van de feiten en de toerekening ervan aan de politieambtenaar, beschikt deze overheid over een ruime beoordelingsbevoegdheid. De Raad van State is bij de beoordeling hiervan enkel bevoegd om desgevraagd na te gaan of de tuchtoverheid is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij binnen de perken van de redelijkheid tot haar besluit is gekomen.

XIV-37.603-32/38

28. De bestreden beslissing neemt 28 april 2016, zijnde de datum waarop de procureur-generaal bij het hof van beroep te Antwerpen aan de korpschef de toelating verleent tot inzagerecht in en het gebruik van het dossier (zie supra, punt 3.8, punt 3.1. van de bestreden beslissing), als de datum die in aanmerking moet worden genomen voor het bepalen van de verjaringstermijn van de kennisgeving van het inleidend verslag. Zij wijst er inzonderheid op dat ook de Tuchtraad na een uitvoerig onderzoek tot de conclusie komt dat het vertrekpunt van de verjaring bepaald moet worden op 28 april 2016. Verzoeker van zijn kant plaatst zich op het standpunt dat de verwerende partij minstens vanaf 6 januari 2016 - de overmaking door de procureur-generaal bij het hof van beroep te Antwerpen van een gedeelte van het strafonderzoek - met voldoende zekerheid kennis had van het in het inleidend verslag aan verzoeker toegerekende tuchtfeit en waarvoor hij op grond van de bestreden beslissing is gestraft.

Centraal staat derhalve het gegeven of de mededeling door de procureur-generaal bij het hof van beroep te Antwerpen van 5 januari 2016 de vereiste voldoende zekerheid bood.

Zoals in de bestreden beslissing is aangehaald, werd dit argument ook reeds voor de Tuchtraad opgeworpen. Die deed de volgende vaststellingen:

“De verzoeker wierp op in zijn ‘memorie’, neergelegd op de zitting van de Tuchtraad van 26 oktober 2016, dat het inleidend verslag laattijdig is vermits de tuchtoverheid kennis nam van de feiten op 31 december 2015 en aldus op het ogenblik van betekening van het inleidend verslag meer bepaald 1 juli 2016 de termijn van zes maanden voorzien in art. 56 tuchtwet verstreken was.

Uit de stukken van het tuchtdossier blijkt dat op 23 december 2015 door de heer procureur des Konings een schrijven werd gericht aan de heer procureur-generaal bij het hof van beroep te Antwerpen (ontvangen door deze laatste op 24 december 2015), die deze brief samen met een eensluidend verklaard afschrift van het lopende strafdossier (ref. M845.[XXX]720/15 ME.T. 108.15) overmaakte aan de Burgemeester op 29 december 2015.

Uit de inventaris met ref. ME.45.[XXXX]/15 gehecht aan het schrijven van de heer procureur des Konings d.d. 23 december 2015 blijkt duidelijk dat slechts 68

pagina’s van het strafdossier op dat ogenblik overgemaakt werden aan de tuchtoverheid en dat het laatste gevoegde proces-verbaal dit was gekend onder nummer 005[XX]7-15 en dateerde van 5 december 2015.

Daaruit blijkt dat op 29 december 2015, ogenblik van de overmaking van het lopende strafdossier aan de tuchtoverheid, dit het chronologische op dat ogenblik

XIV-37.603-33/38

laatste, door de tuchtoverheid gekende, proces-verbaal uitmaakte.

De cruciale vraag die zich stelt, teneinde te kunnen oordelen over de al dan niet laattijdigheid van het inleidend verslag, is of op 29 december 2015 de tuchtoverheid wel reeds over voldoende nauwkeurige en bewijskrachtige gegevens beschikte van de constitutieve elementen die bij het opleggen van een tuchtstraf aan de orde zijn, te weten: het bewijs van de feiten die de betrokkene gepleegd heeft, de ernst van de feiten en de schuld van de betrokkene, de tuchtrechtelijke kwalificatie en de weerslag van de feiten op de werking van de dienst.

Terecht werd in het Verslag van de Algemene Inspectie d.d. 4 september 2017

gesteld dat met de brief van 29 december 2015 de tuchtoverheid wel inzicht kreeg in het lopende strafonderzoek, dat bijkomende informatie gaf over de gebeurtenissen, maar dat er op basis van de beschikbare informatie nog altijd diverse opties open bleven die toelieten dat de tuchtoverheid op dat moment nog steeds ernstige twijfels had over de feiten en de toerekenbaarheid ervan aan de verzoeker en dat ook de gerechtelijke overheden het opportuun vonden dat zij bijkomend onderzoek lieten voeren.

Daarbij tevens rekening houdend met het feit dat de verzoeker de feiten steeds betwist heeft.

Nadien, na de eerste overmaking van het lopende dossier op 29 december 2015, werden nog onder meer de processen-verbaal van volgende onderzoeken en vaststellingen gevoegd of opgesteld :

o resultaat onderzoek dataverkeer gsm verzoeker op 23 december 2015;

o documentonderzoek op 2 december 2015: document afgedrukt op soortgelijke printer HP;

o onderzoek mogelijkheden betreden bepaalde ruimtes in politiekantoor al dan niet zonder registratie met badge van 18 december 2015;

o nazicht internetaansluiting en gebruikte printer d.d. 21 december 2015;

o tweede nazicht databanken, afgesloten op 30 december 2015;

o analyse computer, proces-verbaal afgesloten op 31 december 2015;

o tweede verhoor verzoeker door de onderzoeksrechter op 27 januari 2016.

Van deze overige stukken kreeg de tuchtoverheid pas kennis op 28 april 2016

nadat de heer Procureur-generaal toestemming tot inzage had gegeven.

Samen met de Inspecteur-generaal en de tuchtoverheid, dient gesteld te worden dat zij pas op dat ogenblik, na kennisname van het gehele strafdossier, over voldoende nauwkeurige en bewijskrachtige gegevens beschikte over de constitutieve elementen die bij het opleggen van een tuchtstraf aan de orde zijn, zoals hierboven opgesomd.

[…].”

Verzoeker betwist in zijn verzoekschrift niet de voorgaande bevindingen door de Tuchtraad dat uit het overgemaakte (deel van het) strafdossier - 68 bladzijden - blijkt dat het laatst gevoegde proces-verbaal dateerde van 5 december 2015 en dat de door de Tuchtraad opgesomde navolgende processen-verbaal van navolgende onderzoeken en vaststellingen niet waren gevoegd of opgesteld. Te dezen beperkt verzoeker zich in het verzoekschrift immers tot het eigen standpunt of bewering dat er “moeilijk voorgehouden [kan]

worden dat het om een complex dossier zou gaan, of dat er nadien nog veel XIV-37.603-34/38

bijkomende onderzoeken zijn gebeurd”, zonder dat hij die stelling (feitelijk)

uitwerkt of aannemelijk maakt. Het is derhalve prima facie een loutere bewering.

Gelet op het feit dat verzoeker de hem ten laste gelegde feiten steeds heeft ontkend en gelet op de vaststelling dat uit wat voorafgaat blijkt dat het strafdossier nadien werd vervolledigd met nog heel wat onderzoeken en vaststellingen en waarvan verzoeker niet aanvoert en al zeker niet aannemelijk maakt dat die irrelevant zijn voor de bepaling van het tijdstip van de kennisneming of vaststelling van tuchtfeiten in de zin van artikel 56, eerste lid, maakt verzoeker in deze stand van het geding niet aannemelijk dat de hogere tuchtoverheid de perken van haar beoordelingsbevoegdheid te buiten is gegaan, door te oordelen dat zij pas bij de kennisneming op 28 april 2016 van het gehele strafdossier, over voldoende nauwkeurige en bewijskrachtige gegevens beschikte over de constitutieve bestanddelen die bij het opleggen van een tuchtstraf aan de orde zijn.

Uit wat voorafgaat volgt dat verzoeker op het eerste gezicht weliswaar blijk geeft van een eigen feitelijke beoordeling van het tijdstip waarop de hogere tuchtoverheid over voldoende gegevens beschikte wat de wezenlijke elementen betreft die in de voorliggende tuchtzaak aan de orde zijn, maar hij maakt niet aannemelijk dat de hogere tuchtoverheid door te wachten op de kennisgeving door de gerechtelijke overheid van het gehele strafdossier, de perken van haar beoordelingsbevoegdheid te buiten is gegaan.

29. Evenmin toont het argument, dat hij bij ordemaatregel preventief werd geschorst, aan dat de hogere tuchtoverheid op dat tijdstip reeds overtuigd was van zijn schuld en dus over voldoende inlichtingen beschikte om voor de feiten waarvoor verzoeker vervolgd werd, de tuchtvordering in te stellen.

Verzoeker gaat er in zijn kritiek immers aan voorbij dat bij het opleggen van een voorlopige schorsing bij ordemaatregel in de zin van artikel 59 van de tuchtwet, die een preventieve maatregel is, de overheid vooralsnog geen uitspraak doet over de schuldvraag of over de toewijsbaarheid van de ten laste gelegde tuchtfeiten. Uit het enkele feit dat aan verzoeker een ordemaatregel werd opgelegd kan op zich niet

XIV-37.603-35/38

worden afgeleid dat de hogere tuchtoverheid dan reeds overtuigd was van de schuld van verzoeker.

30. Het derde middel is, in de mate dat het ontvankelijk is, niet ernstig.

D. Vierde middel

Uiteenzetting van het middel

31. In het vierde middel voert verzoeker de schending aan van de artikelen 55 en 57ter van de tuchtwet. Hij zet uiteen, wat de schending van artikel 55 van de tuchtwet betreft, dat het advies van de Tuchtraad dateert van 4 oktober 2017 en dat hij “evenwel niet [kan] nakijken wanneer dit advies werd toegestuurd aan de tuchtoverheid”. Wat artikel 57ter van de tuchtwet betreft, stelt verzoeker vast dat de eerste aangetekende zending met betrekking tot de bestreden beslissing bij de post werd aangeboden op 12 oktober 2017. Een tweede aangetekende zending werd niet verzonden. Aangezien zulks niet is gebeurd, meent verzoeker dat de termijn voorzien in artikel 55 reeds lang is verstreken en de bestreden beslissing derhalve in strijd is met artikel 55 van de tuchtwet.

Beoordeling

32. In de mate dat verzoeker de schending van artikel 55 van de tuchtwet aanvoert, mist die kritiek feitelijke grondslag. Het advies van de Tuchtraad dateert van 4 oktober 2017 en de bestreden beslissing van 12 oktober 2017 werd aan verzoeker betekend bij ter post aangetekende zendingen van 12 en 13 oktober 2017. Los van de vaststelling dat artikel 55 van de tuchtwet een termijn van orde omvat en de miskenning ervan op zich niet tot onwettigheid van de bestreden beslissing leidt, staat aldus onmiskenbaar vast dat aan verzoeker de beslissing werd meegedeeld binnen de in artikel 55 van de tuchtwet bepaalde ordetermijn van 30 dagen.

XIV-37.603-36/38

33. In de mate dat verzoeker de schending van artikel 57ter van de tuchtwet aanvoert, mist ook die kritiek feitelijke grondslag en zulks los van de vaststelling dat artikel 57ter van de tuchtwet de afwezige ambtenaar geen recht op een dubbele kennisgeving verleent, maar enkel een vermoeden in het voordeel van de tuchtoverheid creëert om vertraging door de politieambtenaar tegen te gaan en dat dat vermoeden niet belet dat een aanzegging, die regelmatig gebeurt en terdege bewezen wordt, onmiddellijk gevolgen heeft, ook wanneer de ambtenaar de mededeling niet persoonlijk in ontvangst heeft genomen of de ontvangst heeft bevestigd.

Uit het administratief dossier blijkt immers dat de bestreden beslissing bij twee afzonderlijke ter post aangetekende zendingen van 12 en 13 oktober 2017 aan verzoeker werd betekend.

34. Het vierde middel is niet ernstig.

VII. Conclusie

35. Er is niet voldaan aan ten minste één van de voorwaarden gesteld in artikel 17, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State die cumulatief vervuld moeten zijn wil een vordering tot schorsing worden toegewezen.

BESLISSING

De Raad van State verwerpt de vordering.

XIV-37.603-37/38

Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van zesentwintig juni tweeduizend achttien, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit:

Geert Debersaques, kamervoorzitter, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier.

De griffier De voorzitter

Joris Casneuf Geert Debersaques

XIV-37.603-38/38

PDF document ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.241.900