Court dismisses appeal as ministerial letter is merely informational, not a binding budget decision.
Synthèse Legislator
Généré par l'IAThe Council of State dismissed the applicant's appeal against a ministerial letter regarding hospital bed financing. The applicant argued the letter constituted a final budget decision, but the court found it was merely an informational statement reflecting an existing administrative stance. Consequently, the letter lacked the legal characteristics of an actionable administrative act.
Regeste Legislator
Généré par l'IAArticles 87, 88, 93, 100 to 104 and 106 of the Hospitals Act; A ministerial letter informing an entity of the application of existing recognition rules to federal funding constitutes an informational communication rather than a binding administrative act and is therefore inadmissible for annulment.
Mots-clés
Généré par l'IADispositions légales citées
Généré par l'IADécisions connexes
Généré par l'IATexte complet
RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK
VIIe KAMER
nr. 241.784 van 14 juni 2018
in de zaak A. 221.103/VII-39.875.
In zake : de VZW JESSA ZIEKENHUIS
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Sarah Van Haute kantoor houdend te 3700 Tongeren Vlasmarkt 4
bij wie woonplaats wordt gekozen
tegen :
de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Emmanuel Jacubowitz en Anthony Poppe kantoor houdend te 1160 Brussel Tedescolaan 7
bij wie woonplaats wordt gekozen
I. Voorwerp van het beroep
1. Het beroep, ingesteld op 29 december 2016, strekt tot de nietigverklaring van “de beslissing van de minister […] van 7 november 2016
waarbij 20A-bedden in aanmerking komen voor financiering in toepassing van de artikelen 87, 88, 93, 100 tot 104 en 106 van de wet op de ziekenhuizen met ingang van 10 juli 2016”.
II. Verloop van de rechtspleging
2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend.
VII-39.875-1/9
Eerste auditeur Jozef Stevens heeft een verslag opgesteld.
De verzoekende partij heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verwerende partij heeft een laatste memorie ingediend.
De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 31 mei 2018.
Kamervoorzitter Eric Brewaeys heeft verslag uitgebracht.
Advocaat Sarah Van Haute, die verschijnt voor de verzoekende partij, en advocaat Wafae Abakkach, die loco advocaat Emmanuel Jacubowitz verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord.
Eerste auditeur-afdelingshoofd Ann Eylenbosch heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven.
Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.
III. Feiten
3.1. Het Agentschap Zorg & Gezondheid van de Vlaamse Gemeenschap deelt op 22 mei 2015 aan de verzoekende partij mee dat het een vergunning verleent tot opname in de programmatie van 20 A-bedden mits afbouw van 27 niet-verantwoorde C/D-bedden. Er wordt tevens gemeld dat de planningsvergunning geen enkel akkoord inzake enige vorm van overheidssubsidies omvat.
3.2. Het koninklijk besluit van 9 november 2015 tot vaststelling van nadere regelen in verband met het aantal bijkomende bedden die erkend en in
VII-39.875-2/9
gebruik mogen worden genomen in diensten neuro-psychiatrie voor observatie en behandeling van volwassen patiënten (kenletter A) in algemene ziekenhuizen (hierna: koninklijk besluit van 9 november 2015), bepaalt dat het aantal op het ogenblik van zijn bekendmaking erkende en in gebruik genomen bedden van de bedoelde categorie, per dienst en per ziekenhuis niet mag worden verhoogd. Dit besluit treedt in werking op 23 november 2015.
3.3. De verzoekende partij dient een annulatieberoep in tegen dit besluit.
3.4. Op 10 februari 2016 verleent de Administrateur-generaal van voormeld Agentschap een voorlopige erkenning voor 20 A-bedden vanaf 20 november 2015 tot en met 19 mei 2016, onder voorbehoud van de naleving van het koninklijk besluit van 30 januari 1989 houdende vaststelling van de aanvullende normen voor de erkenning van ziekenhuizen en ziekenhuisdiensten alsmede tot nadere omschrijving van de ziekenhuisgroeperingen en van de bijzondere normen waaraan deze moeten voldoen.
3.5. Het Agentschap verleent op 30 april 2016 een verlenging van de voorlopige erkenning vanaf 20 mei 2016 tot en met 31 augustus 2016.
3.6. Op 20 juni 2016 vraagt de verzoekende partij een definitieve erkenning vanaf 1 september 2016.
3.7. Met een koninklijk besluit van 27 juni 2016 wordt voormeld koninklijk besluit van 9 november 2015 opgeheven. Dit besluit treedt in werking op 10 juli 2016.
3.8. De FOD Volksgezondheid deelt aan de verzoekende partij het budget van financiële middelen mee dat haar op 1 juli 2016 wordt toegekend. De brief vermeldt tevens dat “dit voorstel het voorwerp kan uitmaken van een annuleringsberoep voor de Raad van State”.
VII-39.875-3/9
3.9. De verzoekende partij dient hiertegen geen beroep in bij de Raad van State, maar dient met een brief van 21 september 2016 bezwaar in tegen dat voorstel. Zij is van oordeel dat in een bijkomende financiering dient te worden voorzien voor de periode november 2015 tot en met juni 2016.
3.10. De FOD antwoordt dat de wettelijke termijn van 30 dagen voor het maken van opmerkingen op het budget van financiële middelen op 1 juli 2016
nog niet lopende is, aangezien het laatste koninklijk besluit ter zake nog dient te verschijnen in het Belgisch Staatsblad.
3.11. De minister deelt met een brief van 7 november 2016 betreffende “Toepassing van artikel 30 van de wet op ziekenhuizen. Aanpassing van erkenning” aan de verzoekende partij mee:
“Gevolggevend aan het besluit van de regionaal bevoegde gemeenschapsautoriteit in verband met de aanpassing van erkenning:
[…]
20A-bedden waardoor het aantal van 30 naar 50 aangepast wordt vanaf 10 juli 2016, heb ik de eer te berichten dat deze bedden vanaf de vermelde datum in aanmerking komen voor de toepassing van de artikelen 87, 88, 93 tot 98, 100 tot 104 en 106 van de wet op de ziekenhuizen”.
Dit is het voorwerp van het annulatieberoep.
3.12. Bij arrest nr. 235.952 van 4 oktober 2016 verwerpt de Raad van State het beroep tegen het koninklijk besluit van 9 november 2015 als doelloos wegens de opheffing ervan door het besluit van 27 juni 2016 met de overweging dat “de verzoekende partij geen concrete elementen aanbrengt waaruit zou blijken dat zij vooralsnog haar belang bij een eventuele nietigverklaring van het bestreden besluit behoudt”.
3.13. Met een brief van 15 november 2016 dient de verzoekende partij bij de FOD bezwaar in tegen het voorstel inzake het budget van financiële
VII-39.875-4/9
middelen.
3.14. Op 20 maart 2017 verleent het voormeld Agentschap aan de verzoekende partij, gelet op de aanvraag van 20 juni 2016, een erkenning voor 20 A-bedden vanaf 1 september 2016.
IV. Ontvankelijkheid
Standpunten van de partijen
4. De verwerende partij werpt als exceptie op dat de brief van 7 november 2016 geen aanvechtbare administratieve rechtshandeling uitmaakt, maar een loutere mededeling vormt die aan de verzoekende partij buiten enige wettelijk vastgelegde procedure om werd overgemaakt.
5. De verzoekende partij stelt hier tegenover dat “de bestreden beslissing” geen loutere informatieve mededeling is, en wel degelijk rechtsgevolgen creëert.
Zo wordt vooreerst het voorlopig voorstel tot vaststelling van het budget van financiële middelen van 26 juli 2016 aangepast, aangezien er niet langer vanaf 1 juli 2016 financiering wordt verleend, maar pas vanaf 10 juli 2016, wat de bestreden beslissing volgens haar maakt tot een vaststelling van het budget van financiële middelen.
Voorts wordt volgens de verzoekende partij de erkenning zelf aangepast, aangezien de verwerende partij door de bestreden beslissing de ingangsdatum van de voorlopige erkenning verplaatst van 20 november 2015 naar 10 juli 2016, wat ook uitdrukkelijk erkend wordt door de verwerende partij.
Een derde rechtsgevolg van de bestreden beslissing betreft volgens de verzoekende partij het feit dat er reeds een beslissing wordt genomen
VII-39.875-5/9
met betrekking tot de opmerkingen die zij maakte op 21 september 2016 en 15 november 2016 conform artikel 108 van de Ziekenhuiswet. Ook dit rechtsgevolg wordt uitdrukkelijk erkend door de verwerende partij.
De verzoekende partij wijst er tevens op dat de verwerende partij expliciet aangeeft dat de bestreden beslissing een definitief voorstel tot vaststelling van het budget van financiële middelen inhoudt en uitdrukkelijk aangeeft dat de beslissing een weigering tot financiering inhoudt voor de periode 20 november 2015 - 9 juli 2016.
De verzoekende partij wijst er ten slotte op dat de verwerende partij in de memorie van antwoord vermeldt:
“In het besluit waarin het (budget van financiële middelen) definitief zal worden vastgesteld, zal worden vastgelegd dat er slechts rekening gehouden wordt met de convertering van 27 C- en D-bedden naar 20 A-bedden vanaf 10 juli 2016”.
Zij wenst “voor zover als nodig” haar beroep tot nietigverklaring uit te breiden tot deze kennisgeving. Minstens zou er aan haar “voorbehoud (...)
moeten worden verleend om beroep aan te tekenen wanneer het (meer uitgebreid en hopelijk rechtsgeldig) definitief voorstel tot vaststelling van het (budget van financiële middelen) formeel wordt betekend”.
6. In haar laatste memorie voegt de verzoekende partij toe dat de bestreden beslissing niet de uitwerking van de erkenning op het vlak van de financiering betreft, en dat de verwerende partij zelf haar beslissing heeft benoemd als een aanpassing van de erkenning. Dit blijkt uit de hoofding van de bestreden beslissing die luidt:
“Betreft: Toepassing van artikel 30 van de wet op de ziekenhuizen.
Aanpassing van de erkenning”.
VII-39.875-6/9
Zij merkt daarbij op dat zij er gerechtvaardigd kon van uitgaan dat de verwijzing naar de wet op de ziekenhuizen betrekking heeft op de versie van die wet, gecoördineerd op 10 juli 2008, waarin artikel 30 “de centrale ziekenhuisaansprakelijkheid regelt en niets bepaalt aangaande de financiering van erkende bedden”.
Daarnaast betoogt de verzoekende partij dat zij er uiteraard akkoord mee was dat er in de voorlopige vaststelling van het budget van financiële middelen werd voorzien vanaf 1 juli 2016 en dat het enkel is omdat de bijpassing voor de periode van 20 november 2015 tot en met 9 juli 2016 niet werd bepaald in die voorlopige vaststelling, dat zij bezwaar heeft ingediend. Volgens haar wordt met de bestreden beslissing haar bezwaar en de gevraagde bijpassing afgewezen, en werd bovendien de datum van 1 juli 2016 verschoven naar 10 juli 2016.
7. De verwerende partij voegt in haar laatste memorie toe dat uit niets blijkt dat de bestreden beslissing een antwoord zou zijn op het ingediende bezwaar. Met de verwijzing naar artikel 30 van de ziekenhuiswet in de hoofding van de bestreden beslissing wordt volgens haar immers gewezen op het feit dat het schrijven de weerslag van de erkenning op de financiering betreft, en bovendien wordt de brief geduid als “gevolggevend aan het besluit van de regionaal bevoegde gemeenschapsautoriteit, in verband met de aanpassing van de erkenning van ...”.
Beoordeling
8. De brief van de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid van 7 november 2016 is een mededeling van het standpunt van de verwerende partij betreffende de uitwerking van de erkenning van de verzoekende partij op de financiering door de verwerende partij van de werkingskosten, een standpunt dat de verwerende partij reeds toegepast heeft bij de voorlopige vaststelling van het budget van financiële middelen dat op 1 juli 2016 aan de verzoekende partij is toegekend - waartegen de verzoekende partij bezwaar heeft ingediend bij de FOD -
en dat de verwerende partij van plan is toe te passen bij de definitieve vaststelling
VII-39.875-7/9
van het budget van financiële middelen voor de verzoekende partij door de bevoegde minister.
Die melding is geen aanpassing van de voorlopige vaststelling van het budget van financiële middelen en is dus geen beslissing tot - voorlopige of definitieve - vaststelling van dat budget. Het is evenmin een aanpassing van de erkenning, aangezien het de uitwerking ervan op het vlak van de financiering door de federale overheid betreft.
De brief van 7 november 2016 is een mededeling buiten enige wettelijk vastgelegde procedure om en geen aanvechtbare administratieve rechtshandeling: de budgetten worden immers vastgelegd in het budget van financiële middelen, eerst voorlopig en dan definitief.
De exceptie is gegrond. Het beroep is niet ontvankelijk.
BESLISSING
1. De Raad van State verwerpt het beroep.
2. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro verschuldigd aan de verwerende partij.
VII-39.875-8/9
Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van veertien juni tweeduizend achttien, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit:
Eric Brewaeys, kamervoorzitter, Pierre Lefranc, staatsraad, Peter Sourbron, staatsraad, bijgestaan door Bart Tettelin, griffier.
De griffier De voorzitter
Bart Tettelin Eric Brewaeys
VII-39.875-9/9
PDF document ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.241.784