Court orders immediate suspension of slaughterhouse license revocation due to extreme urgency and irreparable image damage.
Synthèse Legislator
Généré par l'IAThe Council of State ordered the immediate suspension of the Federal Minister's decision to revoke the slaughterhouse license at Slachthuis Geel. The applicant argued that the revocation would cause irreparable financial losses and destroy the business's reputation, while the government contended the suspension was too late and the damage was already done. The court accepted the applicant's evidence as concrete and sufficient to prove extreme urgency, ruling that the loss of reputation cannot be restored.
Regeste Legislator
Généré par l'IAArticles 10 and 11 of the Code of Administrative Justice; The court must grant a suspension of execution when the applicant demonstrates extreme urgency and that the enforcement of the contested decision would cause irreparable harm.
Mots-clés
Généré par l'IADispositions légales citées
Généré par l'IADécisions connexes
Généré par l'IATexte complet
RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK
VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER
nr. 241.751 van 11 juni 2018
in de zaak A. 225.340/VII-40.289.
In zake : de NV SLACHTHUIS GEEL
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Dirk De Keuster en Uschi Steurs kantoor houdend te 2980 Sint-Antonius-Zoersel Handelslei 60
bij wie woonplaats wordt gekozen
tegen :
de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Middenstand, Zelfstandigen, KMO’s, Landbouw en Maatschappelijke Integratie bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Rik Depla kantoor houdend te 8310 Brugge - Sint-Kruis Karel van Manderstraat 123
bij wie woonplaats wordt gekozen
I. Voorwerp van de vordering
1. De vordering, ingesteld op 31 mei 2018, strekt tot de schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de beslissing van de Federale minister van Middenstand, Zelfstandigen, KMO’s, Landbouw en Maatschappelijke Integratie van 29 mei 2018 betreffende de intrekking van erkenning 1.1.1 als slachthuis met als activiteit Slachthuis runderen (PL1, AC4, PR40) en Slachthuis varkens (PL1, AC2, PR118) onder het nummer 130, van Slachthuis Geel, Winkelom 52, 2440 Geel, (van de onderneming met Ondernemingsnummer 0463.772.242 en vestigingsnummer 2.087.804.244).
VII-40.289-1/14
II. Verloop van de rechtspleging
2. De verwerende partij heeft een nota ingediend.
De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 7 juni 2018.
Kamervoorzitter Eric Brewaeys heeft verslag uitgebracht.
Advocaten Dirk De Keuster en Uschi Steurs, die verschijnen voor de verzoekende partij, en advocaten Joost Hoste en Frédérick Valcke, die loco advocaat Rik Depla verschijnen voor de verwerende partij, zijn gehoord.
Auditeur Anja Somers heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven.
Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.
III. Bestreden beslissing
3. Deze luidt als volgt:
“In toepassing van het Koninklijk Besluit van 16 januari 2006 tot vaststelling van de nadere regels van de erkenningen, toelatingen en voorafgaande registraties afgeleverd door het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen werd uw inrichting Slachthuis Geel (met ondernemingsnummer 0.463.772.242 en vestigingseenheidnummer 2.087.804.244), gelegen te Winkelom 52 te 2440 Geel, op 1 januari 1999 erkend als slachthuis (erkenning 1.1.1) met als activiteiten en producten Slachthuis runderen (PL1 AC2 PR40)
en Slachthuis varkens (PL1 AC2 PR118) onder nummer 130.
In de periode januari 2016 - december 2017 werden er verschillende inbreuken vastgesteld inzake hygiëne en infrastructuur, overschrijding van de norm voor Salmonella, identificatie en registratie van runderen, autocontrole en de keuring van het vlees.
VII-40.289-2/14
Op grond van de vastgestelde inbreuken tijdens de inspecties van 10 en 28 november 2017 werd u bij wijze van aangetekende brief op 15 december 2017 in kennis gesteld van het voornemen van het FAVV om uw erkenning in te trekken, gebaseerd op artikel 15 § 1, punten 1, 2 en 10 van het Koninklijk besluit van 16 januari 2006.
Op 21 december 2017 heeft u, in toepassing van artikel 16 §2 van het koninklijk besluit van 16 januari 2006, tegen dit voornemen tot intrekking van uw erkenning bezwaar ingediend bij het FAVV. Het FAVV heeft toen u gehoord en uw bezwaren onderzocht. Omdat de non-conformiteiten niet opgelost worden in de vooropgestelde termijn die de procedure voorschrijft, werd er een actieplan opgesteld tussen u en de LCE Antwerpen op 2 maart 2018.
Bij de inspectie op 15 maart 2018 werden echter nog tal van inbreuken inzake hygiëne, infrastructuur en autocontrole vastgesteld. Het Agentschap was hierdoor van oordeel dat er niet werd voldaan aan de vereisten met betrekking tot:
- de exploitatievoorwaarden die van toepassing zijn op de inrichting;
- de infrastructuur en uitrusting en waaraan niet binnen een redelijke termijn kon worden tegemoet gekomen;
- de verplichtingen uit het Koninklijk besluit van 14 november 2003, in het bijzonder de implementatie van het autocontrolesysteem.
U werd hiervan in kennis gesteld via een aangetekend schrijven van 26 maart 2018.
Op 27 april 2018 vond er een ongunstige hercontrole plaats in uw inrichting.
In toepassing van artikel 16 §5 van het Koninklijk besluit van 16 januari 2006 tekende u beroep aan tegen de beslissing op 30 maart 2018. U diende eveneens een aanvullende nota met bijlagen in op 8 mei 2018. Een beroepscommissie werd samengesteld en vond plaats op 14 mei 2018. Tijdens deze beroepscommissie kreeg u de gelegenheid om uw bezwaren uiteen te zetten en de nodige stukken neer te leggen.
De beroepscommissie was van oordeel dat:
Zij vaststelde dat zowel naar aanleiding van de vele standaardcontroles in het kader van de opvolging van de salmonellaproblematiek als naar aanleiding van de controles en hercontroles in het kader van het controleplan frequent dezelfde non-conformiteiten werden vastgesteld. Hoofdzakelijk de problematiek van niet conforme temperaturen van de sterilisatoren en mestbezoedeling van de karkassen omwille van slechte slachttechniek. Tevens werd een onvoldoende monitoring en aandacht hiervoor door de verantwoordelijke vaak vastgesteld. Daarnaast werd er ook te weinig aandacht besteed aan infrastructurele mankementen (slachtvoer, muurtegels, plafonds en leidingen) en gaven de processen-verbaal blijk dat de aan een externe firma uitbestede pre-operationele reininging niet voldeed. Alhoewel de operator deze firma in gebreke heeft gesteld, vinden de commissieleden evenwel dat de verantwoordelijkheid hiervan bij de verantwoordelijke van het slachthuis ligt en dat hiervoor te weinig structurele stappen en eigen checks werden uitgevoerd.
De commissie was dan ook van oordeel dat de intentie tot intrekking van de
VII-40.289-3/14
erkenning van 15 december 2017 en de beslissing tot intrekking van de erkenning van 26 maart 2018 terecht werden genomen en stelt een ontbreken vast aan pro-activiteit: het onvoldoende zelf opmerken van mankementen in de infrastructuur, de opvolging van de non-conformiteiten met betrekking tot de temperatuur van de sterilisatoren en de preoperatieve controle. De commissie is dan ook van oordeel dat een mentaliteitswijziging noodzakelijk was, meer bepaald een engagement en doortastendheid om zelf de problemen op te lossen.
De commissie nam eveneens kennis van het door de verantwoordelijke aangehaalde feit dat er lange tijd een plan was om de slachtactiviteiten op een andere locatie onder te brengen, en dat er pas sinds juli 2017, toen het duidelijk was dat er toch geen verhuis kwam van het slachthuis, werd overgegaan tot investeringen. Ook nam zij kennis van de tijdelijke aanwervingsproblematiek voor de technische diensten, waardoor bepaalde slachtactiviteiten en non-conformiteiten nog verslechterden.
Anderzijds kwam uit de neergelegde stukken duidelijk naar voor dat sedert kort voor de meeste inbreuken ernstig gewerkt is naar een structurele oplossing die kansen op duurzaamheid inhoudt En dat er initiatieven genomen zijn die duidelijk aangeven dat een mentaliteitswijziging werd ingezet. De commissie nam ook akte van de opmerkingen van de controleur in het missierapport van 27 april 2018, betreffende de duidelijke verbetering met betrekking tot de reiniging en ontsmetting van de verschillende slachtvloeren, de veel uitgebreidere en grondigere autocontrole opstart en bijhorende registraties en de bevordering van ervaren slachters tot lijnverantwoordelijke, die sinds 23/4 uitsluitend toezicht moeten houden op de verschillende slachtvloeren en de slachters dienen aan te sturen waar nodig, en hoe het opvolgingssysteem ULTIMO wordt aangevuld met een nieuwe sectie’tegels’ en ‘vloeren’ zodat men kan aanduiden waar de technische dienst dient reparaties uit te voeren. De commissie neemt evenwel ook akte van de non-conformiteiten die nog dienen opgelost te worden.
Er is volgens de commissie effectief een verbetering merkbaar in de aanpak, spijtig genoeg pas na de intrekking van de erkenning die zich opdrong en die zich naar aanleiding van de laatste uitgevoerde hercontrole heeft doorgezet. De verantwoordelijke heeft tijdens de hoorzitting aangetoond dat er op verscheidene vlakken waar de belangrijkste non-conformiteiten werden vastgesteld grote structurele inspanningen zijn gedaan om proactief deze punten aan te pakken.
De commissie neemt kennis van de mening dat volgens de verantwoordelijke de meeste tekortkomingen zo goed mogelijk werden en worden verholpen, wat blijk geeft van een oplossingsgerichte aanpak. Zowel het engagement van de directie dat doorstroomt naar alle medewerkers, het engagement en het ter beschikking stellen van de nodige financiële middelen, het opzij zetten van de vorige kwaliteitsverantwoordelijke,de uitbreiding van de kwaliteitsdienst, het inroepen van de expertise van consultans en het op poten zetten van een zero tolerance systeem getuigen van de ingeslagen koerswijziging, alsook de actieplannen naar aanleiding van de vastgestelde non-conformiteiten en het Ultimo systeem om de infrastructurele mankementen op te volgen.
Wat betreft de condensatieproblematiek en de problematiek inzake
VII-40.289-4/14
sterilisatoren nam de commissie kennis van het innovatieve systeem dat ondertussen operationeel is alsook van de gevorderde werken aan het luchtbehandelingssysteem dat eveneens deel uit maakt van de infrastructurele wijzigingen.
Het is voor de commissie evenwel duidelijke dat op korte termijn de onderneming moet aantonen dat de inwerking gestelde en voorgenomen maatregelen effectief worden toegepast en vervolgens duurzaam ingebed zijn in de dagdagelijkse werking van haar werknemers.
Op basis hiervan adviseerde de beroepscommissie dan ook het volgende:
‘De beslissing tot intrekking van de erkenning 1.1.1 als slachthuis met als activiteit Slachthuis runderen (PL1, AC4, PR40) en Slachthuis varkens (PL1, AC2, PR118 onder het nummer 130, van Slachthuis Geel, Winkelon 52 te 2440 Geel, (van de onderneming met Ondernemingsnummer 0463.772.242 en Vestigingseenheidnummer 2.087.804.244) te schorsen onder de volgende voorwaarden:
1) In de maand september 2018 zal een betalend controlebezoek (standaardcontrole) worden uitgevoerd om de aanpassingen te evalueren die werden uitgevoerd om de condensatie te vermijden zoals gestipuleerd in het contract van 2 maart 2018 (bijlage 40). Ook de nog openstaande inbreuken vermeld in het missierapport van 27 april 2018 (bijlage 46) ‘dieren’ tijdens dit controlebezoek te worden geëvalueerd teneinde na te gaan dat alle correctieve maatregel genomen werden om deze non-conformiteiten te verhelpen alsook de effectieve corrigerende maatregelen om deze in de toekomst te vermijden. In het bijzonder zal aandacht besteed worden aan de pre-operationele reiniging en ontsmetting en de maatregelen om mestbezoedeling te voorkomen.
2) Naast dit controlebezoek onder 1) zal vanaf eind september 2018 tot en met eind december 2018 maandelijks een betalende controle worden uitgevoerd met checklisten PR1 3288 en PR1 3383 met het oog op de evaluatie van de opstartcontroles, de externe reiniging en de observaties op de werkvloer. Het bedrijf dient hierbij aan te tonen dat de opstartcontroles, externe reiniging en de observaties op de werkvloer door het bedrijf worden aangepakt en zelf proactief de eventuele tekortkomingen vaststelt en oplost.
3) Zodra enig resultaat van de inspectie bedoeld onder 1) de beoordeling ‘ongunstig’ wordt vastgesteld of zodra enig resultaat van de inspecties bedoeld onder 2) bij toepassing van enige onder 2) opgenomen checklist gestuurde controle de beoordeling ‘ongunstig’ wordt vastgesteld, wordt de intrekking van de erkenning 1.1.1 als slachthuis met als activiteit Slachthuis runderen (PL1, AC4, PR40) en Slachthuis varkens (PL1, AC2 PR118) onder het nummer 130 definitief.
Indien voor of tijdens de voorziene periode de versies van checklisten aangepast worden, zijn het de nieuwe versies die gehanteerd worden en van tel zijn tijdens deze inspectie.
Indien de resultaten van de inspectie bedoeld onder 1) of van de inspecties bedoeld onder 2) voor enig checklist hernomen 2) gunstig of gunstig met opmerkingen beoordeling worden en dus als conform kunnen worden beschouwd, wordt de procedure tot intrekking van de erkenning zonder voorwerp per 31 december 2018.’ Het betrokken advies wordt als bijlage van deze brief gevoegd.
VII-40.289-5/14
Na grondig onderzoek van uw dossier besluit ik het advies en de motieven van de beroepscommissie niet te volgen voor volgende redenen.
De onregelmatigheden in uw bedrijf slepen reeds aan sinds januari 2016 en bovendien worden de engagementen die u in het verleden hebt aangegaan niet nageleefd. Er werden tijdens een controle op 27 april 2018 nogmaals tal van structurele onregelmatigheden op vlak van hygiëne en infrastructuur vastgesteld die hebben geleid tot een ongunstig controleresultaat. Ik ben dan ook van oordeel dat de door u aangebrachte elementen niet van aard zijn om al deze ernstige non-conformiteiten zoals onvoldoende implementatie van het autocontrolesysteem, het gebrek aan hygiëne, het gebrek aan infrastructuur alsook mestbezoedeling weg te werken.
In het controleverslag van 27 april 2018 en in het proces-verbaal van overtreding (PV/2683/18/0025/ANT) van 7 mei 2018 worden in het bijzonder de volgende non-conformiteiten vermeld: contaminatie van karkassen, onvoldoende reiniging en ontsmetting van de varkens en kalverslachtvloer en aanwezige gereedschap, onvoldoende hygiëne van het personeel, vlees ongeschikt voor menselijke consumptie (Categorie 2-materiaal) verzamelen als vlees geschikt voor menselijke consumptie, …
Gelet op het feit dat u reeds over een redelijke tijd beschikte om al de vastgestelde structurele tekortkomingen in orde te brengen ben ik van mening dat, in het kader van het beleid dat waarborgen wil bieden voor de consumenten, het niet aangewezen is nog een bijkomende termijn te geven om in deze omstandigheden uw activiteiten verder te zetten.
Bijgevolg beslis ik om de erkenning 1.1.1 als slachthuis met als activiteit Slachthuis runderen (PL1, AC4, PR40) en Slachthuis varkens (PL1, AC2, PR118) onder het nummer 130, van Slachthuis Geels, Winkelom 52 te 2440 Geel, (van de onderneming met Ondernemingsnummer 0463.772.242 en Vestigingseenheidnummer 2.087.804.244), in te trekken.
[…]”.
IV. Schorsingsvoorwaarden
4. Krachtens artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid slechts worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden en dat een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is die onverenigbaar is met de behandelingstermijn van de gewone vordering tot schorsing.
VII-40.289-6/14
V. Middelen
Eerste middel
Standpunten van de partijen
5. In een eerste middel voert de verzoekende partij de schending aan van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, de materiëlemotiveringsplicht en de zorgvuldigheidsplicht als algemene beginselen van behoorlijk bestuur.
Zij zet uiteen dat de verwerende partij in de bestreden beslissing afwijkt van het advies van de beroepscommissie. In dergelijk geval rust op de minister een verhoogde zorgvuldigheids- en motiveringsplicht. Hij dient het advies grondig te onderzoeken en kan enkel anders beslissen na dit zorgvuldig onderzoek en op basis van deugdelijke motieven die in de beslissing zelf zijn opgenomen. De minister is zijn zorgvuldigheids- en motiveringsplicht niet nagekomen.
De verzoekende partij zet uiteen dat er niets vermeld wordt over de volgende opmerkingen van de beroepscommissie:
- de grote structurele inspanningen die gedaan zijn om pro-actief de punten aan te pakken;
- dat de meeste tekortkomingen zo goed mogelijk werden verholpen wat blijkt geeft van een oplossingsgerichte aanpak;
- het engagement van de directie dat doorstroomt naar alle medewerkers;
- het ter beschikking stellen van bijkomende financiële middelen;
- de uitbreiding van de kwaliteitsdienst;
- het inroepen van de expertise van consultants;
- het op poten zetten van een zero tolerance systeem;
- afwezigheid van het gevaar voor de voedselveiligheid;
VII-40.289-7/14
- de actieplannen;
- nieuw en innovatief systeem voor de condensatie en de sterilisatoren;
- het Ultimo systeem om de infrastructurele mankementen op te volgen.
6. De verwerende partij merkt op dat het advies van de beroepscommissie een niet-bindend advies is, dat de verzoekende partij kennis heeft van de formele motieven, nu ze een zeer lange inhoudelijke kritiek kan leveren, dat beweren dat er geen motieven zijn en tegelijk deze bekritiseren uiteraard niet mogelijk is, dat de bestreden beslissing correct en “meer dan volledig” is gemotiveerd, zeker door de verwijzing naar de tot op heden bestaande niet-conformiteiten en concrete vaststellingen en inbreuken. Volgens de verwerende partij heeft de minister geoordeeld op basis van de gegevens van het dossier.
Beoordeling
7. De uitdrukkelijke motiveringsplicht heeft tot doel de burger in kennis te stellen van de redenen waarom de administratieve overheid een beslissing heeft genomen, zodat hij kan oordelen of het nuttig is zich hiertegen te verweren met de middelen die het recht hem verschaft. De bestuurlijke overheid moet in de akte op een afdoende wijze de juridische en feitelijke overwegingen opnemen die aan de beslissing ten grondslag liggen. Het begrip afdoende impliceert enerzijds dat de opgelegde motivering in rechte en in feite evenredig moet zijn met het belang van de genomen beslissing en anderzijds dat zij draagkrachtig moet zijn. De motieven moeten de beslissing kunnen dragen.
Wanneer de overheid afwijkt van doorheen de administratieve procedure uitgebrachte adviezen, geldt in principe een verstrengde motiveringsplicht.
De motivering mag niet beperkt blijven tot een louter tegenspreken van het advies. Uit het bestreden besluit moet duidelijk blijken
VII-40.289-8/14
waarom de beslissende overheid meent de in het advies geformuleerde argumenten niet te kunnen volgen. Het bestreden besluit dient dus aan te geven om welke reden het advies niet werd gevolgd en integendeel juist in de tegenovergestelde zin werd beslist.
De bestreden beslissing lijkt op het eerste gezicht vooral rekening te houden met elementen uit het verleden zonder evenwel uiteen te zetten waarom de bovenstaande recente inspanningen en de huidige situatie waarbij er geen reden meer is om aan te nemen dat de voedselveiligheid in gevaar is, zoals besproken in het advies van de beroepscommissie, niet dienen meegenomen te worden in de beoordeling en waarom het advies van de beroepscommissie niet kan worden gevolgd.
De bestreden beslissing vermeldt enkel dat de aangebrachte elementen niet van aard zijn om de ernstige non-conformiteiten weg te werken.
Volgens de verwerende partij kreeg de verzoekende partij reeds voldoende tijd en is het niet aangewezen om een bijkomende termijn te geven om in deze omstandigheden de activiteiten verder te zetten. De bestreden beslissing verwijst echter enkel naar omstandigheden waarvoor volgens het advies van de beroepscommissie het engagement en de maatregelen genomen zijn om een duurzame oplossing te bieden aan de vastgestelde non-conformiteiten. Uit de bestreden beslissing blijkt echter niet waarom dit engagement en deze maatregelen niet volstaan en de intrekking van de erkenning alsnog op dit moment, terwijl er geen gevaar meer is voor de voedselveiligheid, noodzakelijk is.
De conclusie is dat in de bestreden beslissing op het eerste gezicht niet op afdoende wijze wordt gemotiveerd op grond van welke redenen het advies van beroepscommissie niet kan worden gevolgd en waarom de opgesomde maatregelen en het ontbreken van gevaar voor de voedselveiligheid niet volstaan om de intrekking van de erkenning te schorsen.
VII-40.289-9/14
Bij het onderzoek van de vraag naar de materiële motivering van de bestreden beslissing moet de Raad van State onderzoeken of de concrete gegevens van het dossier de vermelde motieven op een deugdelijke wijze onderbouwen.
Zoals de verzoekende partij aangeeft baseert de verwerende partij de bestreden beslissing op gegevens die weerlegd worden door het administratief dossier. Zo verwijst de bestreden beslissing naar het controleverslag van 27 april 2018 in verband met de non-conformiteit van het autocontrolesysteem. Op het eerste gezicht lijkt het verslag op punt 27 en 28 te vermelden dat de autocontrole in orde is. Als commentaar vermeldt het verslag dat de autocontrole opstart nu veel uitgebreider en grondiger gebeurt. De bijhorende registraties zijn eveneens duidelijker en uitgebreider.
Met betrekking tot het gebrek aan hygiëne vermeldt het genoemde controleverslag dat er een duidelijk verbetering merkbaar is wat betreft de reiniging en ontsmetting van de verschillende slachtvloeren. Het gereedschap daarentegen moet nog beter gereinigd en ontsmet worden.
Het motief betreffende het gebrek aan infrastructuur houdt eveneens geen rekening met de vaststellingen in het administratief dossier.
Volgens de beroepscommissie werden grote structurele inspanningen geleverd, er wordt onder meer verwezen naar het innovatieve systeem om een oplossing te bieden aan de condensatieproblematiek en de problematiek inzake de sterilisatoren en de gevorderde werken aan het luchtbehandelingssysteem.
De motieven van de bestreden beslissing lijken op het eerste gezicht geen rekening te houden met deze gegevens.
Het eerste middel is ernstig.
VII-40.289-10/14
VI. Uiterst dringende noodzakelijkheid
Standpunten van de partijen
8. De verzoekende partij zet hierover het volgende uiteen:
“[…] De bestreden beslissing houdt in dat de bedrijfsactiviteiten onmiddellijk moeten worden gestopt. Dit houdt concreet in dat vanaf 30 mei 2018 de slachtactiviteiten moeten worden stilgelegd. In dat opzicht kan al verwezen worden naar de telefoon op dinsdag 29 mei 2018 van de Heer Ronny Jacobs van de Lokale Controle Eenheid Antwerpen van het FAVV die meedeelde dat de slachtactiviteiten moeten worden stopgezet vanaf 30 mei 2018 en dat om die reden de keurders van het FAVV niet meer aanwezig zullen zijn in het slachthuls, Er wordt derhalve niet meer geslacht vanaf 30 mei 2018.
Het slachthuis van Geel slacht per dag gemiddeld tussen de 400 à 500 kalveren, een 1.000-tal varkens en op weekbasis een 120-tal runderen. Ten behoeve van uw Raad worden de slachtgegevens van 2018 meegedeeld […].
Deze slachtactiviteit komt volledig stil te vallen. Deze dieren dreigen ook bij de landbouwers geblokkeerd te geraken.
Het stopzetten van de bedrijfsactiviteiten lijdt tot een zwaar financieel verlies dat de continuïteit van de onderneming kan bedreigen. De verzoekende partij heeft een berekening gemaakt van het financieel verlies […]. De verzoekende partij lijdt op dagbasis een financieel verlies van 9.850 Euro. De zustervennootschap, Belbesca NV, die instaat voor de eigenlijke slachtactiviteit realiseert een verlies van 19.960 Euro op dagbasis. Deze berekening werd voorgelegd aan de bedrijfsrevisor die deze berekening heeft gevalideerd […]:
‘...Wij hebben geen opmerkingen over de berekeningen die zijn gebruikt bij het vaststellen van de raming van het verlies ...’. Uit de laatst neergelegde jaarrekening toegevoegd onder stuk nr. 19 bedraagt het eigen vermogen van de verzoekende partij in 2016 een bedrag van 198.265 Euro. In het boekjaar 2015
was er nog een negatief eigen vermogen van 90.539 Euro. Indien we rekening houden met een eigen vermogen van ongeveer 200.000 Euro en een verlies per werkdag van 10.000 Euro dan is de financiële buffer nauwelijks voldoende om een verlies van 20 werkdagen op to vangen, zijnde ongeveer een maand. De financiële situatie van de zustervennootschap Belbesca NV is nog nijpender.
Het eigen vermogen bedraagt slecht 96.191 Euro en het financieel verlies per dag bedraagt 19.960 […]. De financiële buffer is enkel voldoende voor enkele dagen.
De verzoekende partij maakt deel uit van de groep Sopraco. Indien omwille van imagoschade (zie verder onder randnummer 36) de vleesverkoop van de groep stil vast, kan dit leiden tot een verlies voor de totale groep van 202,73miljoen Euro.
De slachtactiviteit is goed voor een tewerkstelling van 159 FTE’s (verzoekende partij en Belbesca NV samen en zelfstandigen […]. Deze 159 FTE’s zijn minstens tijdelijk werkloos en dreigen hun tewerkstelling te
VII-40.289-11/14
verliezen, De totale Sopraco-groep stelt in Geel en Olen in totaal 612 personen te werk.
De spoedeisendheid kan niet worden weggenomen door een nieuwe erkenning aan te vragen. De erkenningsprocedure betreft een zware procedure […] die minstens drie maanden in beslag neemt.
[…] De intrekking van de erkenning leidt onmiddellijk tot een immens imago-verlies. Als stuk nr. 18 wordt een e-mail van Delhaize toegevoegd waarin Delhaize aan haar leveranciers opdraagt om geen producten van de Sopacro-groep meer aan te kopen naar aanleiding van de sluiting van het slachthuis te Geel.
De sluiting is ook uitgelekt in de pers. Er verscheen op 31 mei 2018 ander meer een bericht in Het Laatste Nieuws en in De Morgen […] en ook op de radio in De Ochtend werd op 31 mei 2018 het nieuws gemeld. Hier zal een cascade-effect ontstaan. Een Dergelijk imago-verlies is niet herstelbaar. Uw Raad erkende reeds in zijn rechtspraak dat imagoverlies een schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid rechtvaardigt.
[…] Verzoekende partij heeft zich uiterst diligent opgesteld. Het verzoekschrift aan uw Raad werd ingediend op 31 mei 2018 terwijl de bestreden beslissing per post werd ontvangen op 29 mei 2018.
[…] Een gewone schorsingsprocedure komt onmiddellijk te laat. De financiële verliezen zullen dan te sterk zijn opgelopen […]. Bovendien zal de ingetreden imagoschade met het verlies van klanten zoals Delhaize enorm zijn […]”.
9. De verwerende partij repliceert:
“Dat verwerende partij vaststelt dat verzoekende partij haar uiteenzetting, waar zij stelt dat de financiële verliezen dermate zijn en deze maximaal een maand kunnen opgevangen worden, voornamelijk steunt op een eigen berekening van haar schade en kosten, dewelke ‘gevalideerd’ werd in algemene bewoordingen door haar bedrijfsrevisor.
Dat verzoekende partij stelt dat zij 159 mensen tewerkstelt doch dit wellicht het totaal aantal werknemers betreft dewelke tewerkgesteld worden in de SOPRACO groep/site te GEEL met diverse zustervennootschappen. (zoals overigens blijkt uit haar eigen overzicht)
Dat verzoekende partij dan ook verwijst naar louter eenzijdige stukken (eigen berekening) zonder dat het voor verwerende partij mogelijk is deze te verifiëren en het overigens tevens bijzonder onduidelijk is, en niet wordt uiteengezet, of een sluiting niet tijdelijk kan opgevangen worden binnen het geheel van de SOPRACO - groep en al haar diverse vennootschappen.
De vordering dient dan ook bij gebreke aan uiterst dringende noodzakelijkheid verworpen te worden”.
VII-40.289-12/14
Beoordeling
10. De uiteenzetting van de verzoekende partij is voldoende concreet, onderbouwd en gestaafd, zodat zij overtuigt. Er kan te dezen worden aanvaard dat, in het belang van het voortbestaan van de onderneming van de verzoekende partij, de zaak dermate spoedeisend is dat een onmiddellijke schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden ingrijpende maatregel verantwoord is.
BESLISSING
1. De Raad van State beveelt de schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de beslissing van de Federale minister van Middenstand, Zelfstandigen, KMO’s, Landbouw en Maatschappelijke Integratie van 29 mei 2018 betreffende de intrekking van de erkenning Slachthuis Geel waarbij de erkenning 1.1.1 als slachthuis met als activiteit Slachthuis runderen (PL1, AC4, PR40) en Slachthuis varkens (PL1, AC2, PR118) onder het nummer 130, van Slachthuis Geel, Winkelom 52, 2440
Geel, (van de onderneming met Ondernemingsnummer 0463.772.242 en vestigingsnummer 2.087.804.244).
2. Dit arrest dient bij uittreksel te worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als de bij uiterst dringende noodzakelijkheid geschorste beslissing.
VII-40.289-13/14
Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van elf juni tweeduizend achttien, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit:
Eric Brewaeys, kamervoorzitter, bijgestaan door Bart Tettelin, griffier.
De griffier De voorzitter
Bart Tettelin Eric Brewaeys
VII-40.289-14/14
PDF document ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.241.751