Belgian court dismisses asylum seeker's appeal on age verification under guardianship law.
Synthèse Legislator
Généré par l'IAThe Council of State rejected the applicant's petition for annulment and suspension regarding his removal from guardianship. The applicant argued that medical evidence of his age was flawed, but the court held that the final medical conclusion, supported by multiple tests, was decisive and not arbitrary. Consequently, the court found the administrative decision valid and dismissed the applicant's claims.
Regeste Legislator
Généré par l'IAArticles 5 and 7, § 3, of Title XIII, Chapter 6 of the 2002 Program Law; In cases of doubt regarding the outcome of a medical age assessment, the youngest age must be taken into account, and the final medical conclusion prevails over individual test results unless proven arbitrary.
Mots-clés
Généré par l'IADispositions légales citées
Généré par l'IADécisions connexes
Généré par l'IATexte complet
RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK
VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER
nr. 241.730 van 7 juni 2018
in de zaak A. 223.537/XIV-37.539
In zake: Ali SHEHROZ
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Meral Kalin kantoor houdend te 3520 Zonhoven Hulsbergweg 7A
bij wie woonplaats wordt gekozen
tegen:
de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Justitie bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Stefaan Verbouwe kantoor houdend te 1150 Brussel Tervurenlaan 270
I. Voorwerp van het beroep
1. Verzoeker dient met een enig verzoekschrift op 16 oktober 2017
een vordering tot schorsing en een beroep tot nietigverklaring in van de beslissing van de Federale Overheidsdienst Justitie, dienst Voogdij, van 23 augustus 2017
waarbij wordt vastgesteld dat verzoeker niet voldoet aan de voorwaarden zoals bedoeld in artikel 5 van Titel XIII, Hoofdstuk 6 “Voogdij over niet-begeleide minderjarige vreemdelingen”, van de programmawet van 24 december 2002, waardoor zijn plaatsing onder de hoede van de dienst Voogdij van rechtswege vervalt op de datum van de kennisgeving van de bestreden beslissing.
XIV-37.539-1/13
II. Verloop van de rechtspleging
2. De verwerende partij heeft een nota en een administratief dossier ingediend.
Eerste auditeur Marijke Sterck heeft een verslag opgesteld over het beroep tot nietigverklaring overeenkomstig artikel 93, eerste lid, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’, en over de vordering tot schorsing met toepassing van artikel 12 van het koninklijk besluit van 5 december 1991 ‘tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State’.
De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 25 april 2018.
Staatsraad Carlo Adams heeft verslag uitgebracht.
Advocaat Meral Kalin, die verschijnt voor verzoeker, en advocaat Stefaan Verbouwe, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord.
Eerste auditeur Marijke Sterck heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven.
Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.
III. Feiten
3. Verzoeker komt op 1 augustus 2017 België binnen en dient op 3 augustus 2017 een asielaanvraag in. Hij verklaart alsdan van Pakistaanse
XIV-37.539-2/13
nationaliteit te zijn en geboren te zijn op 15 juni 2001. Verzoeker wordt onder de hoede geplaatst van de dienst Voogdij doch de dienst Vreemdelingenzaken uit twijfels over de leeftijd van betrokkene.
In het Militair Hospitaal Koningin Astrid te Neder-Over-Heembeek ondergaat verzoeker op 18 augustus 2017 een medisch onderzoek om na te gaan of hij al dan niet de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt. De arts besluit dat verzoeker ouder is dan 18 jaar.
Op 23 augustus 2017 beslist de dienst Voogdij dat verzoeker “niet voldoet aan de voorwaarden zoals bedoeld in artikel 5 van Titel XIII, Hoofdstuk 6 ‘Voogdij over niet-begeleide minderjarige vreemdelingen’ van de programmawet van 24 december 2002. Bijgevolg vervalt de plaatsing onder de hoede van Jongeheer Ali SHEHROZ door de dienst Voogdij van rechtswege op de datum van de kennisgeving van deze beslissing.” Dit is de bestreden beslissing.
IV. Onderzoek van de middelen
A. Eerste middel
Uiteenzetting van het middel
4. Verzoeker werpt in een eerste middel de schending op van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van administratieve bestuurshandelingen’ en van artikel 62 van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ (hierna: de vreemdelingenwet).
Hij licht dit als volgt toe:
“De verwerende partij dient zijn beslissing op gemotiveerde wijze te nemen.
De uitdrukkelijke motiveringsplicht vervat in de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen heeft tot doel de belanghebbende in kennis te stellen van de redenen waarom de desbetreffende administratieve overheid tot de bestreden beslissing is gekomen
XIV-37.539-3/13
zodat de betrokkene in staat is te weten of het wenselijk is zich tegen die handeling te verweren met de middelen die het recht hem verschaft.
In de akte moeten de juridische en feitelijke overwegingen worden vermeld die aan de bestreden beslissing ten grondslag liggen en deze moeten afdoende zijn, wat betekent dat de motivering pertinent en draagkrachtig moet zijn. Het eerste houdt in dat de redengeving duidelijk in verband moet staan met de bestreden beslissing, het tweede dat de aangehaalde redenen moeten volstaan om de beslissing te dragen.
Dat dit niet geschied is, minstens op zeer gebrekkige wijze, blijkt uit het feit dat de bestreden beslissing geen exacte informatie meedeelt over welke medische onderzoeken werden uitgevoerd om de leeftijd van verzoeker vast te stellen;
De bestreden beslissing stelt immers enkel het volgende:
‘Overwegende dat de dienst Voogdij een medisch onderzoek liet uitvoeren op 18 augustus 2017 door het Militair Hospitaal Koningin Astrid, Dienst Radiologie, 1120 Neder-Over-Heembeek, teneinde na te gaan of betrokkene al dan niet jonger is dan 18 jaar.’;
Vervolgens wordt het volgende gesteld:
‘Overwegende dat de conclusie van het medisch onderzoek als volgt luidt: Op basis van het voorgaande onderzoek kunnen we besluiten met een redelijke wetenschappelijke zekerheid dat Shehroz Ali op datum van 18.08.2017 een leeftijd heeft van ouder dan 18 jaar, waarbij 20,8 jaar een goede schatting is.’ De resultaten van het onderzoek werden niet in detail betekend aan de jongeheer Shehroz Ali, samen met de bestreden beslissing.
Hij kon bijgevolg op dat moment deze resultaten niet verifiëren.
Er is bijgevolg zeker een gebrekkige motivering van de bestreden beslissing minstens een schending van het zorgvuldigheidsbeginsel aangezien de resultaten niet in detail kunnen worden nagekeken.
Bovendien dient de beslissing ook te motiveren in welke mate de resultaten van de desbetreffende onderzoeken kunnen worden aanvaard rekening houdende met hun beperkte betrouwbaarheid, zeker voor wat betreft de verschillende resultaten voor personen met een andere afkomst.
De motivering van de bestreden beslissing schiet hierin tekort.
De omstandigheid dat de resultaten niet samen met de bestreden beslissing werden betekend, zodat verzoekende partij onmogelijk kon weten op welke motieven exact de bestreden beslissing is gemotiveerd, maakt de schending van de formele motiveringsplicht uit.
De jongeheer Shehroz Ali verwijst in dit kader ook naar het resultaat van het leeftijdsonderzoek van 21.08.2017 […].
Deze werd opgevraagd door de raadsvrouw van verzoekende partij.
De raadsvrouw [ontving] het resultaat via email op 05.10.2017.
Uit het leeftijdsonderzoek blijkt dat er 3 onderzoeken werden uitgevoerd die elk een verschillend resultaat van de leeftijdsschatting tot gevolg hadden.
Op basis van de orthopantomogram wordt de leeftijd geschat op 21,39 jaar, zonder vermelding van een standaarddeviatie.
Op basis van de handpolsradiografîe wordt de leeftijd geschat op 19 jaar, waarbij een standaarddeviatie van 1,5 jaar in acht wordt genomen.
Op basis van de radiografie van het sleutelbeen wordt de leeftijd geschat op 20 jaar, waarbij een standaarddeviatie van 2 jaar in acht wordt genomen.
Hoewel er 3 volledig uiteenlopende resultaten zijn, gaat de arts niet uit van de laagste leeftijd en concludeert deze dat 20,8 jaar zonder standaarddeviatie een goede schatting zou zijn.
Dit kan niet.
De jongste leeftijd dient in aanmerking te worden genomen.
In elk geval wordt niet gemotiveerd waarom enkel [e]en soort van gemiddeld[e]
XIV-37.539-4/13
zonder een standaarddeviatie op te geven een goede schatting zou zijn.
Dit is vanzelfsprekend onaanvaardbaar en onredelijk.
In het licht van bovenstaande argumenten zijn de redenen die worden aangegeven noch voldoende noch afdoende gemotiveerd zodat men kan besluiten dat de beslissing de motiveringsplicht heeft geschonden.”
Beoordeling
5. De schending van artikel 62 van de vreemdelingenwet kan niet dienstig worden aangevoerd tegen de bestreden beslissing, die met toepassing van Titel XIII, hoofdstuk 6, “voogdij over niet-begeleide minderjarige vreemdelingen”, van de programmawet (I) van 24 december 2002 en dus niet van de vreemdelingenwet is genomen.
Het eerste middel is in die mate niet-ontvankelijk.
6. Wat het medisch onderzoek betreft, is de bestreden beslissing formeel afdoende gemotiveerd wanneer het resultaat van dat onderzoek in de bestreden beslissing wordt vermeld. Het is hierbij niet vereist dat de beslissing eveneens aangeeft welke medische onderzoeken werden uitgevoerd noch dat de resultaten van het medisch onderzoek samen met de bestreden beslissing worden betekend. Te dezen geeft de bestreden beslissing de conclusie van dat onderzoek weer, waaruit blijkt dat verzoeker meer dan 18 jaar oud is. Bovendien heeft verzoeker kennis van het leeftijdsonderzoek vermits hij er een kopie van heeft gevoegd bij het verzoekschrift tot nietigverklaring en hij in het huidige en het derde middel zelf uiteenzet welke drie onderzoeken zijn uitgevoerd en welke de resultaten ervan zijn, om vervolgens de eindconclusie ervan te betwisten. Wat betreft verzoekers kritiek dat de “jongste leeftijd” niet in aanmerking zou zijn genomen, kan worden verwezen naar de behandeling van het derde middel.
Het eerste middel is ongegrond wat de aangevoerde schending van de in de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’ vastgelegde formelemotiveringsplicht betreft.
XIV-37.539-5/13
B. Tweede middel
Uiteenzetting van het middel
7. Verzoeker werpt in een tweede middel de schending van het zorgvuldigheidsbeginsel op. Hij licht dit als volgt toe:
“Verzoekende partij benadrukt andermaal dat de resultaten van de onderzoeken niet in detail en samen met de bestreden beslissing werden betekend aan verzoekende partij.
Het is hem bijgevolg ook niet mogelijk om deze resultaten te gaan weerleggen.
De bestreden beslissing stelt immers enkel het volgende:
‘Overwegende dat de dienst Voogdij een medisch onderzoek liet uitvoeren op 18 augustus 2017 door het Militair Hospitaal Koningin Astrid, Dienst Radiologie, 1120 Neder-Over-Heembeek, teneinde na te gaan of betrokkene al dan niet jonger is dan 18 jaar.’;
Verzoekende partij bekritiseert de gehanteerde methode.
Op medisch vlak bestaan er (in theorie) diverse methodes om de leeftijd van een bepaalde persoon te onderzoeken. Een van de oudste methodes betreft het leeftijdsonderzoek via een röntgenfoto van de linker hand en de pols, op basis waarvan, aan de hand van de atlas van Greulich en Pyl, iemands zogenaamde skeletleeftijd wordt vastgesteld (de rijping of volgroeiing van het skelet), waaruit men vervolgens de reële (of zogeheten chronologische) leeftijd van de betrokkene inschat. Nauw hiermee verwant zijn de medische testen waarmee iemands (skelet)leeftijd wordt nagetrokken via een onderzoek van de gebitsontwikkeling (volgroeiing van de wijsheidstanden). Andere leeftijdsonderzoeken zijn veeleer gericht op de externe kenmerken van de lichaamsbouw in het algemeen of op de ontwikkeling van de secundaire geslachtskenmerken. Er zijn ook sociaalpedagogische leeftijdsonderzoeken, waarbij hoofdzakelijk via vraag-
gesprekken, gepeild wordt naar het intellectuele ontwikkelingsniveau, evenals de psychologische en emotionele maturiteit van een persoon.
In de beslissing wordt niet gemeld welke methode er specifiek werd gehanteerd om een leeftijdsonderzoek te doen, terwijl we verschillende vormen van onderzoeken hebben.
Omtrent het inzetten van deze methodes om de leeftijd van niet-begeleide minderjarige vreemdelingen vast te stellen, bestaat er nogal wat verzet in de medische wereld zelf. De aangevoerde bezwaren zijn zowel medisch-wetenschappelijk als medisch-ethisch van aard.
Een eerste bezwaar, van wetenschappelijk-methodologische aard, luidt dat de medische leeftijdsonderzoeken, an sich niet ontwikkeld werden met de bedoeling om de reële leeftijd van een bepaalde persoon zo precies mogelijk te kunnen vaststellen.
Een tweede wetenschappelijk bezwaar houdt verband met het risico op een te grote foutenmarge. Nogal wat van de leeftijdsonderzoeken zijn geschraagd op onderzoeksgegevens van vaak tientallen jaren geleden. Sindsdien verloopt de lichaamsontwikkeling van jongeren in het algemeen echter in een verhoogd tempo.
Specifiek naar niet-begeleide minderjarige vreemdelingen toe stelt zich bovendien het probleem dat de ontwikkeling van de botstructuur mede afhangt van factoren die verband houden met de levenswijze, de voedingsgewoonten en vooral de etnische
XIV-37.539-6/13
afkomst. Hetzelfde geldt voor de ontwikkeling van het gebit. Aangezien omzeggens alle medische leeftijdsonderzoeken (op basis van fysieke lichaamskenmerken)
stoelen op onderzoeksgegevens omtrent de lichaamsontwikkeling van blanke Amerikaanse of Engelse jongeren uit de middenklasse en de biologische ontwikkeling van met name negroïde jongeren gemiddeld een sneller verloop kent, is het risico reëel dat men de leeftijd op basis van de thans gehanteerde onderzoeksgegevens onnauwkeurig vaststelt. Bijkomen[d] zouden de (fysieke)
leeftijdsonderzoeken in onvoldoende mate rekening houden met groeistoringen op grond van ondervoeding, of ziekte, of nog met het verrichten van zware (fysieke)
arbeid en de invloed daarvan op de lichaamsontwikkeling.
Er is ook een gelijkaardig bezwaar: de onderzoeksmethode houdt onvoldoende rekening met de specifieke achtergrond van niet-begeleide buitenlandse minderjarigen, wordt ook geuit ten overstaan van het zogenaamd sociaal-pedagogische leeftijdsonderzoek. Dergelijk onderzoek vereist allereerst en in nog sterkere mate dan hij lichamelijke leeftijdstesten, een kwaliteitsvolle communicatie tussen de onderzoeker en de betrokken minderjarige, hetgeen bij niet-begeleide buitenlandse minderjarige er helaas niet is.
De kritiek op de uitgevoerde methode/test was jaren geleden reeds een punt van grote discussie maar de dag van vandaag is dit ook nog steeds het geval.
Verzoekende partij verwijst hiervoor naar volgende passage (De waarde van medische beeldvorming bij de bepaling van de skeletleeftijd – 2009-2010;
http://lib.ugent.be/fulltxt/RUG01/001/458/904/RUG01-001458904_2011_0001_A
C.pdf, geraadpleegd op 16.10.2017):
‘7. Conclusies 1. Er bestaan veel leeftijdsschattende methoden met elk hun eigen specifieke voor- en nadelen. De kwaliteit van de manuele methoden zijn meestal zeer vergelijkbaar. De grootste verschillen tussen de methoden zijn vaak te wijten aan de verschillen tussen de referentiepopulaties waarop ze gebaseerd zijn.
2. Vooral de nutritionele toestand en de socio-economische status beïnvloeden de skeletale maturatiesnelheid. Een etnische invloed is nog niet volledig uitgesloten.
3. De ontwikkelingsfasen van de mediale epifyse van de clavicula zijn zeer gespreid over verschillende jaren. Dit zorgt ervoor dat de meerwaarde van de techniek beperkt is. Preciezere resultaten kunnen verkregen worden door resultaten van soortgelijke maturiteitsindicatoren te combineren of verdere stratificatie van de ontwikkelingsfasen.’ En volgende passage in Niet-Begeleide minderjarige in België, Onthaal, terugkeer en Integratie (https://dofi.ibz.be/sites/dvzoe/NL/Documents/
Brochure_mineur_NL.pdf, p. 28, geraadpleegd 16.10.2017):
‘Er moet ook opgemerkt worden dat de test voor leeftijdsbepaling controversieel is. Sommige ngo’s zijn er tegen omdat er wetenschappelijk bewijs bestaat dat de medische tests niet betrouwbaar zijn omdat er vaak een foutenmarge van twee jaar is en omdat factoren zoals de socio-economische situatie, etnische of geografische afstamming, ziekte e.d. de ontwikkeling van een kind kunnen beïnvloeden. Er wordt gezegd dat de dienst Voogdij met deze medische test doorgaat omdat er geen alternatieven zijn. Momenteel zijn wetenschappers en medische onderzoekers met aanvullend onderzoek bezig.’ Dus in hoeverre zijn de leeftijdsonderzoeken betrouwbaar als er van de medische wereld zelf er zoveel bezwaar en kritiek op is.
De arts en de verwerende partij zijn onzorgvuldig en onredelijk geweest door de leeftijd te schatten op 20,8 jaar en bovendien zonder vermelding van een standaarddeviatie.
Dat ze onredelijk zijn geweest, wordt ondersteund door stukken 4-5 en 6 die aan
XIV-37.539-7/13
huidig verzoekschrift worden toegevoegd en welke bevestigen dat verzoekende partij minderjarig is […].
Stuk 5 is een officieel stuk over de familiale situatie met vermelding van de kinderen en waarop zijn geboortedatum 15.06.2001 wordt vermeld.
Stuk 6 is een leerlingenkaart van het middelbaar onderwijs waaruit blijkt dat hij in 2014 in het 7de jaar was en dan is men 13 jaar oud (het 1ste jaar begint immers op de leeftijd van 6 jaar).”
Beoordeling
8. Kritiek op de wijze van betekening van de bestreden beslissing, in de zin dat het medisch verslag van het leeftijdsonderzoek niet samen met de bestreden beslissing werd betekend, houdt geen verband met een voorgehouden onzorgvuldigheid bij het nemen van die beslissing.
Uit geen enkel stuk van het administratief dossier blijkt, en verzoeker laat ook niet gelden, dat zijn “officieel stuk over de familiale situatie” en zijn “leerlingenkaart” aan de verwerende partij werden meegedeeld alvorens de bestreden beslissing werd genomen. Verzoeker kan zich dan ook niet dienstig beroepen op deze stukken om te besluiten tot een onzorgvuldig onderzoek bij het nemen van de bestreden beslissing.
Het tweede middel is in die mate niet-ontvankelijk.
9. Bij de behandeling van het eerste middel is reeds gesteld dat het niet is vereist dat de beslissing eveneens aangeeft welke medische onderzoeken werden uitgevoerd noch dat de resultaten van het medisch onderzoek samen met de bestreden beslissing worden betekend. Verzoeker blijkt overigens kennis te hebben van de uitgevoerde onderzoeken vermits hij ze in het derde middel zelf vermeldt en er de eindconclusie van betwist.
Naar luid van artikel 7, §1, van Titel XIII, Hoofdstuk 6 “Voogdij over niet-begeleide minderjarige vreemdelingen” van de programmawet (I) van 24 december 2002 laat de dienst Voogdij, indien hij twijfel koestert omtrent de leeftijd van de betrokken persoon, onmiddellijk een medisch onderzoek door een
XIV-37.539-8/13
arts uitvoeren teneinde na te gaan of die persoon al dan niet jonger is dan 18 jaar.
Nu de wet zelf het medisch onderzoek als bewijsmiddel heeft ingesteld wanneer twijfel over de leeftijd van de betrokkene bestaat, blijkt geen schending van het zorgvuldigheidsbeginsel uit het feit dat de dienst Voogdij de bestreden beslissing heeft genomen op grond van dergelijk leeftijdsonderzoek.
Anders dan verzoeker in het middel laat uitschijnen, dient de dienst Voogdij een bijgebrachte geboorteakte niet te laten primeren op de resultaten van het medisch onderzoek. Hiervoor kan, onder meer, worden gewezen op artikel 28, § 2 van de wet van 16 juli 2004 ‘houdende het Wetboek van internationaal privaatrecht’, naar luid waarvan het tegenbewijs van de door de buitenlandse overheid vastgestelde feiten met alle middelen mag worden aangebracht. Het resultaat van een medische leeftijdsbepaling vormt dergelijk (tegen)bewijsmiddel.
Verzoeker weidt uit over de (on)betrouwbaarheid van het medisch onderzoek en de kritiek erop uit een deel van de medische wereld. Hij beperkt zich tot algemene kritiek doch hij toont niet aan dat het medisch onderzoek te dezen ondeskundig, onbetrouwbaar of niet correct is. De wetgever heeft met de medische leeftijdstest overigens niet de bedoeling gehad de exacte leeftijd van de betrokkene te laten achterhalen doch enkel uitsluitsel te krijgen of de betrokkene al dan niet de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt.
Verzoeker ontkracht aldus niet dat het medisch onderzoek met de vereiste deskundigheid is gebeurd en dat de arts bij de beoordeling van de objectieve gegevens die hem voorlagen, rekening heeft gehouden met alle gegevens die in de huidige stand van de wetenschap gemeenzaam worden aanvaard. Hij toont derhalve niet aan dat het zorgvuldigheidsbeginsel wat dat betreft met de bestreden beslissing is geschonden.
Het tweede middel is in die mate ongegrond.
XIV-37.539-9/13
C. Derde middel
Uiteenzetting van het middel
10. Verzoeker werpt in een derde middel de schending op van artikel 7, § 3, van Titel XIII, Hoofdstuk 6 “Voogdij over niet-begeleide minderjarige vreemdelingen” van de programmawet (I) van 24 december 2002. Hij licht dit als volgt toe:
“Vernoemd artikel 7, §3 bepaalt het volgende:
‘§ 1. Wanneer de dienst Voogdij of de overheden bevoegd voor asiel, toegang tot het grondgebied, verblijf en verwijdering twijfel koesteren omtrent de leeftijd van de betrokken persoon, laat de dienst Voogdij onmiddellijk een medisch onderzoek door een arts uitvoeren teneinde na te gaan of deze persoon al dan niet jonger is dan 18 jaar.
Het medisch onderzoek geschiedt onder toezicht van de dienst Voogdij.
De kosten van dat medisch onderzoek zijn ten laste van de overheid die het heeft gevraagd. Ingeval de dienst Voogdij uit eigen beweging een onderzoek laat verrichten, zijn de kosten ten laste van die dienst.
§ 2. Wanneer uit het medisch onderzoek blijkt dat betrokkene minder dan 18 jaar oud is, wordt gehandeld overeenkomstig artikel 8.
Wanneer uit het medisch onderzoek blijkt dat betrokkene meer dan 18 jaar oud is, vervalt de hoede door de dienst Voogdij van rechtswege. De dienst Voogdij stelt daarvan onmiddellijk de betrokkene in kennis, alsook de overheden bevoegd voor asiel, toegang tot het grondgebied, verblijf en verwijdering, en iedere andere betrokken overheid.
§ 3. Ingeval van twijfel over de uitslag van het medisch onderzoek, wordt met de jongste leeftijd rekening gehouden.’ Stuk 3 betreft het resultaat van het leeftijdsonderzoek en is gedateerd 21.08.2017. Deze werd opgevraagd door de raadsvrouw van verzoekende partij en werd ontvangen bij mail van 05.10.2017 waarna ook zo spoedig mogelijk het nodige werd gedaan om huidige procedure in te leiden.
Uit het leeftijdsonderzoek blijkt dat er 3 onderzoeken werden uitgevoerd die elk een verschillend resultaat van de leeftijdsschatting tot gevolg hadden.
Op basis van de orthopantomogram wordt de leeftijd geschat op tenminste 21,39 jaar.
Op basis van de handpolsradiografie wordt de leeftijd geschat op 19 jaar waarbij een standaarddeviatie van 1,5 jaar in acht wordt genomen.
Op basis van de radiografîe van het sleutelbeen wordt de leeftijd geschat op 20 jaar waarbij een standaarddeviatie van 2 jaar in acht wordt genomen.
Hoewel er 3 volledig uiteenlopende resultaten zijn, gaat de arts niet uit van de laagste leeftijd en concludeert deze dat 20,8 jaar zonder een standaarddeviatie een goede schatting zou zijn.
Dit is volledig in strijd met artikel 7, §3 van Titel XIII - Hoofdstuk VI ‘Voogdij over niet-begeleide minderjarige vreemdelingen’ van de programmawet van 24.12.2002.
In geval van twijfel wat betreft de leeftijd moet met de jongste leeftijd rekening
XIV-37.539-10/13
worden gehouden.
En de jongste leeftijd is 17,5 jaar.
In casu betreft dit het resultaat van de handpolsradiografie. Op basis van de handpolsradiografie wordt de leeftijd immers geschat op 19 jaar, waarbij een standaarddeviatie van 1.5 jaar in acht wordt genomen.
Verzoekende partij dient te worden aanzien als iemand van de leeftijd van ten hoogste 17.5 jaar.
In casu verwijst verzoekende partij ook nog naar het arrest van de Raad van State van […] 9 juni 2015, nr. 231.491 (A.215.324/XI-20.571) die deze stelling eveneens onderschrijft en bevestigt dat met de jongste leeftijd rekening moet worden gehouden.
Het derde middel is dus ernstig en gegrond.”
Beoordeling
11. Naar luid van artikel 7, § 3, van Titel XIII, Hoofdstuk 6
“Voogdij over niet-begeleide minderjarige vreemdelingen” van de programmawet (I) van 24 december 2002 wordt ingeval van twijfel over de uitslag van het medisch onderzoek rekening gehouden met de jongste leeftijd.
Uit het verslag van het medisch onderzoek blijkt dat de arts zich steunt op een drieledig onderzoek, waarvan elk deelonderzoek individueel wordt geïnterpreteerd en waarna een algemene conclusie wordt getrokken met de eigenlijke leeftijdsschatting. Bij het bepalen in de bestreden beslissing of verzoeker al dan niet de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt, is de eindconclusie van de arts op basis van die deelonderzoeken relevant en niet het resultaat van een afzonderlijk deelonderzoek. Die eindconclusie is derhalve ook bepalend voor de in het voornoemde artikel 7, § 3, bedoelde “jongste leeftijd”. Indien de arts voor zijn eindconclusie een deviatiefactor vermeldt, wordt de ondergrens in aanmerking genomen voor het bepalen van de leeftijd.
Te dezen wordt in de eindconclusie van het medisch onderzoek besloten tot een leeftijd van 20,8 jaar. Anders dan verzoeker voorhoudt, valt niet in te zien waarom deze conclusie in strijd zou zijn met de resultaten van de afzonderlijke onderzoeken. Zo wordt met betrekking tot de handpols-radiografie aangegeven dat er “een volledige fusie [is] van de distale diaphyse en epiphyse van
XIV-37.539-11/13
de radius, wat overeenkomt met een volwassen skelettale leeftijd”, dat op basis daarvan de skelettale leeftijd kan worden geschat “met een redelijke zekerheid op 19 jaar of ouder”, dat een standaarddeviatie van ongeveer 1,5 jaar geldt voor de benedengrens doch dat de bovengrens veel hoger kan liggen. Uit de beide andere onderzoeken blijkt geen leeftijd, jonger dan 18 jaar. Verzoeker beperkt zich tot het in vraag stellen van de eindconclusie doch hij brengt geen concrete en wetenschappelijk onderbouwde elementen aan waaruit kan blijken dat die eindconclusie, na een weging van de verschillende onderzoeksresultaten, willekeurig, foutief of onbetrouwbaar zou zijn.
Het derde middel is ongegrond.
V. De vordering tot schorsing
12. Deze zaak vereist slechts korte debatten zodat er grond is om toepassing te maken van artikel 93 van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’. Er is bijgevolg geen grond meer om de vordering tot schorsing verder te onderzoeken.
BESLISSING
1. De Raad van State verwerpt het beroep tot nietigverklaring.
2. De Raad van State verwerpt de vordering tot schorsing.
3. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro.
XIV-37.539-12/13
Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van zeven juni tweeduizend achttien, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit:
Carlo Adams, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier.
De griffier De voorzitter
Joris Casneuf Carlo Adams
XIV-37.539-13/13
PDF document ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.241.730