Legislator Jurisprudence & Législation
ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.241.712 ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.241.712 Généré par l'IA

Belgian Court dismisses urgent suspension request for police promotion exam failure due to lack of urgency and merit.

Numéro de cause ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.241.712
Autorité / Tribunal
Juridiction Belgique (BE)
Date de la décision
Issue du litige Rejeté (Dismissed)

Synthèse Legislator

Généré par l'IA

The Council of State rejected the applicant's request for an urgent suspension of the execution of a decision declaring him failed a police promotion exam. The court found that the applicant failed to demonstrate either a prima facie ground for invalidity or the requisite extreme urgency required by law. Consequently, the request was dismissed, and the applicant was ordered to pay the associated court costs.

Regeste Legislator

Généré par l'IA

Articles 17, §§ 1 and 4 of the Coordinated Laws on the Council of State; An urgent suspension request requires both a prima facie ground for invalidity and extreme urgency incompatible with ordinary proceedings, both of which must be cumulatively proven.

Mots-clés

Généré par l'IA
urgent suspension request extreme urgency requirement prima facie invalidity police promotion exam administrative procedure law évaluation des aptitudes des candidats défaut de qualité du procureur congé en période d'essai

Dispositions légales citées

Généré par l'IA
Articles 17, §§ 1 and 4 of the Coordinated Laws on the Council of State
Généré par l'IA

Vous souhaitez savoir comment cet arrêt s'applique à votre dossier ?

Analysez cette décision avec la législation fédérale, le droit cantonal, la doctrine et la jurisprudence subséquente dans Legislator AI.

Ouvrir dans Legislator →

Texte complet

RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK

VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER

nr. 241.712 van 4 juni 2018

in de zaak A. 225.290/XIV-37.726

In zake: Eddy GEURTS

bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Erik Schellingen en Christophe Bodvin kantoor houdend te 3740 Bilzen Stationlaan 45

bij wie woonplaats wordt gekozen

tegen:

de BELGISCHE STAAT,vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken

I. Voorwerp van de vordering

1. De vordering, ingesteld op 25 mei 2018, strekt tot de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van “de beslissing van de Federale Politie, Algemene directie van het middelenbeheer en de informatie, directie van het personeel van 6 april 2018 houdende het niet slagen van de heer Eddy Geurts op de kennisproef in de zin van art. 11 van het KB

Directiebrevet en het bijgevolg niet in aanmerking nemen van de kandidatuur van de heer Geurts tot toelating tot de promotie-opleiding HCP - sessie 2018-2019.”

II. Verloop van de rechtspleging

2. De verwerende partij heeft een nota en een administratief dossier ingediend.

XIV-37.726-1/8

De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 1 juni 2018, om 11.30 uur.

Staatsraad Carlo Adams heeft verslag uitgebracht.

Advocaat Christophe Bodvin, die verschijnt voor verzoeker, en adviseurs Ruben Goosens en Kirsten Peeters, die verschijnen voor de verwerende partij, zijn gehoord.

Eerste auditeur Geert De Bleeckere heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven.

Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.

III. Feiten

3. Verzoeker is commissaris van politie. Hij stelt zich kandidaat voor de promotieopleiding tot het behalen van het directiebrevet dat vereist is voor de bevordering tot de graad van hoofdcommissaris van politie.

Op 27 februari 2018 neemt verzoeker deel aan de kennisproef bedoeld in artikel 11 van het koninklijk besluit van 12 oktober 2006 ‘tot bepaling van het directiebrevet dat vereist is voor de bevordering tot de graad van hoofdcommissaris van politie’ (hierna: het koninklijk besluit van 12 oktober 2006).

Met een ter post aangetekende brief van 6 april 2018 wordt aan verzoeker meegedeeld dat hij “een score van 89,54/150 (na toepassing correctiecoëfficiënt)” heeft behaald en dat hij “dus niet geslaagd voor deze kennisproef” is. Dit is de bestreden beslissing.

XIV-37.726-2/8

IV. De schorsingsvoorwaarden

4. Krachtens artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid slechts worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden en dat een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is die onverenigbaar is met de behandelingstermijn van de gewone vordering tot schorsing.

V. Uiterst dringende noodzakelijkheid

Uiteenzetting van de uiterst dringende noodzakelijkheid

5. Ter staving van de uiterst dringende noodzakelijkheid wijst verzoeker op het vervolg van de selectieprocedure dat is voorzien in de artikelen 16, 16/1 en 23 van het koninklijk besluit van 12 oktober 2006 en op de infofiche die werd bekendgemaakt bij de start van de selectieprocedure en waarin de volgende selectieproeven worden voorzien in de periode van half april tot einde juni 2018 en het begin van de eigenlijke promotie-opleiding wordt voorzien in december 2018. Verzoeker stelt dat de schorsing van de tenuitvoerlegging volgens de gewone procedure te laat zou komen om nog te kunnen deelnemen aan de promotie-opleiding voor hoofdcommissaris van politie, sessie 2018-2019.

Verzoeker voert aan dat hij diligent heeft gehandeld vermits hij met een e-mail van 12 april 2018 en, bij gebrek aan reactie, met een ter post aangetekende brief van 18 april 2018 heeft gevraagd om feedback te krijgen over de afgelegde kennisproef. Hij stelt het antwoord van de bevoegde dienst op zijn professioneel mailadres niet te hebben ontvangen wegens technische werkzaamheden bij de politiezone Limburg Regio Hoofdstad. Na een nieuwe vraag van verzoeker met een e-mail van 3 mei 2018 heeft de bevoegde dienst geantwoord dat een bespreking van het examen mogelijk was op 14 of 17 mei 2018

XIV-37.726-3/8

en het feedbackgesprek heeft uiteindelijk op deze laatste datum plaatsgevonden.

Verzoeker heeft na raadpleging van het examen onmiddellijk het nodige gedaan om de huidige procedure bij de Raad van State in te stellen en het kan hem bezwaarlijk worden verweten daartoe eerst het feedbackgesprek te hebben afgewacht. Tot slot wijst verzoeker op de drie verlengde weekends in de betrokken periode waardoor het feedbackgesprek ook vertraging opliep.

Beoordeling

6. De toepassing van de schorsingsprocedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid brengt een ernstige verstoring teweeg in het normale verloop van de rechtspleging voor de Raad van State, herleidt de mogelijkheden tot onderzoek van de zaak tot een strikt minimum en brengt de uitoefening van het recht van de verdediging van de verwerende partij aanzienlijk in het gedrang. Daarom moet de aanwending van die procedure zeer uitzonderlijk blijven.

De toepassing ervan kan alleen worden aanvaard indien de schorsing van de tenuitvoerlegging volgens de gewone schorsingsprocedure te laat zal komen. Dit impliceert dat de verzoekende partij met de vereiste spoed en diligentie moet optreden. Diligent optreden is vervat in de voorwaarde van de uiterst dringende noodzakelijkheid.

7. Een verzoekende partij - die haar belangen door de tenuitvoer-

legging van de bestreden beslissing immers dermate nadelig aangetast weet dat zij de afwikkeling van de procedure ten gronde en zelfs de gewone schorsing niet kan afwachten - dient al het nodige te doen om de schade te voorkomen en om de zaak zo spoedig mogelijk aanhangig te maken bij de Raad van State.

Weliswaar is de diligentie waarmee een verzoekende partij tegen een haar grievende rechtshandeling opkomt met een vordering tot schorsing of een schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, niet noodzakelijk af te lezen uit het tijdsverloop tussen de kennisname van de bestreden handeling en het instellen

XIV-37.726-4/8

van die vordering. De regelgeving laat immers toe dat de schorsing “op elk moment” wordt gevorderd (artikel 17, § 2, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State) en de situatie is denkbaar dat een zaak door gewijzigde omstandigheden pas dringend wordt - of zelfs uiterst dringend - nádat reeds eerder een annulatieberoep aanhangig werd gemaakt. Het is dus vanaf het ogenblik waarop de uiterst dringende noodzakelijkheid ontstaat, dat een verzoekende partij met passende voortvarendheid moet optreden. Dit ogenblik moet niet - maar kan nog wel - samenvallen met het ogenblik die verzoekende partij kennis krijgt van de bestreden rechtshandeling.

Het valt aan een verzoekende partij toe om op heldere en overtuigende wijze de (nieuwe of veranderde) feiten en omstandigheden, die tot gevolg hebben dat de zaak niet (langer) verenigbaar is met de behandelingstermijn van de gewone vordering tot schorsing, uiteen te zetten, ze aannemelijk te maken en ze in de tijd te situeren. Dit laatste is van belang omdat dan de tussenkomst van die gewijzigde feiten en omstandigheden het uitgangspunt vormt om de diligentie van de verzoekende partij te beoordelen.

8. In casu heeft verzoeker kennis gekregen van de bestreden beslissing met een ter post aangetekende brief van 6 april 2018 en heeft hij de huidige vordering op 25 mei 2018 ingesteld. Ter verantwoording voor dit tijdsverloop wijst hij erop dat hij vanaf 12 april 2018 meermaals een feedbackgesprek heeft gevraagd dat uiteindelijk op 17 mei 2018 heeft plaatsgevonden en dat hij daarna “onmiddellijk” de vordering heeft ingesteld.

Verzoeker somt in zijn e-mail van 12 april 2018 echter een aantal “consideraties” op waarbij hij eerst op zijn voorbereiding wijst, meer bepaald dat hij een overbodige toelatingsproef heeft afgelegd en zich pas nadien op de selectieproeven heeft kunnen focussen, dan op zijn verantwoordelijkheden als plaatsvervanger van de korpschef, zowel in zijn vroegere als zijn huidige politiezone, en daarna nogmaals op zijn voorbereiding, meer bepaald dat degenen die geen toelatingsproef moesten doen zich langer op de leerstof (voor de

XIV-37.726-5/8

kennisproef) konden focussen. Tot slot formuleert hij het “verzoek” om, gezien de voormelde omstandigheden en het feit dat zijn resultaat slechts 0,46 punt te laag is, de kennisproef opnieuw te evalueren, een nieuwe (controlerende) optelling te doen en het gezamenlijke resultaat van alle vragen af te ronden. Verzoeker verklaart zich bereid zijn dossier verder toe te lichten.

Anders dan verzoeker in het verzoekschrift tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid voorhoudt, vormt de e-mail van 12 april 2018

geen verzoek tot het verkrijgen van feedback of nadere informatie betreffende zijn examen maar slechts een soort verzoek tot heroverweging van het resultaat.

Verzoeker vraagt in die e-mail geen informatie, hij stelt zich enkel ter beschikking om zelf nadere informatie te geven. Een (aangetekende) brief van 18 april 2018

waarnaar verzoeker thans verwijst, bevindt zich noch bij zijn stukken noch in het door de verwerende partij overgelegd administratief dossier. In zijn e-mail van 3 mei 2018 verwijst verzoeker in hoofdzaak naar zijn e-mail van 12 april 2018 en zijn brief van 18 april 2018.

Wat zijn e-mail van 12 april 2018 en zijn voorgehouden brief van 18 april 2018 betreft, blijkt het derhalve niet te gaan om een vraag om feedback die kon verantwoorden dat verzoeker niet onmiddellijk de huidige vordering instelde.

In de mate dat verzoeker in zijn e-mail van 3 mei 2018 voor het eerst ook gewag maakt van de mogelijkheid om “bijkomende inlichtingen op te vragen” dient te worden vastgesteld dat hij deze – zeer algemene - vraag meer dan drie weken na de kennisname van de aanvankelijk bestreden beslissing formuleert, hetgeen geen blijk van diligentie vormt en ook niet wijst op hoogdringendheid.

Bovendien hebben verzoekers middelen in het verzoekschrift tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid op het eerste gezicht in hoofdzaak betrekking op het totale ontbreken van een formele motivering in de bestreden beslissing, zowel voor de score van 89,54 op 150 (eerste middel) als voor de toepassing van een correctiecoëfficiënt (tweede middel). Het valt niet in te zien

XIV-37.726-6/8

waarom verzoeker geen verzoekschrift met deze middelen kon indienen op het zicht van de bestreden beslissing, zonder verdere gesprekken af te wachten.

Tot slot geeft verzoeker niet aan en maakt hij dus niet aannemelijk dat de uiterst dringende noodzakelijkheid pas later na de kennisgeving van de bestreden beslissing is ontstaan en dat hij vanaf dat ogenblik wel voortvarend heeft gehandeld.

9. De uiterst dringende noodzakelijkheid is derhalve niet aangetoond.

VI. Conclusie

10. Er is niet voldaan aan ten minste één van de voorwaarden gesteld in artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State die cumulatief vervuld moeten zijn wil een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid worden toegewezen.

BESLISSING

1. De Raad van State verwerpt de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid.

2. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, begroot op een rolrecht van 200 euro en een bijdrage van 20 euro.

XIV-37.726-7/8

Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van vier juni tweeduizend achttien, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit:

Carlo Adams, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, bijgestaan door Johan Pas, griffier.

De griffier De voorzitter

Johan Pas Carlo Adams

XIV-37.726-8/8

PDF document ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.241.712