Legislator Jurisprudence & Législation
ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.241.710 ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.241.710 Généré par l'IA

Belgian court annuls promotion decision due to administrative body's violation of its own selection procedure and equal access principles.

Numéro de cause ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.241.710
Autorité / Tribunal
Juridiction Belgique (BE)
Date de la décision
Issue du litige Admis (Allowed)

Synthèse Legislator

Généré par l'IA

The Council of State annulled the promotion decision made by the Social Security Service regarding Geert De Potter. The applicant argued that the agency violated the principle of *pater est legem quam ipse fecisti* by deviating from its own established selection procedure and denying him a chance to compete for vacant expert positions. The court found the agency's conduct breached both the principle of self-imposed procedural rules and the principle of equal access to public office, thereby granting the annulment.

Regeste Legislator

Généré par l'IA

Wet van 1999 tot vaststelling van de algemene wet op de openbare dienst; Wet van 1999 tot vaststelling van de algemene wet op de openbare dienst: An administrative body that deviates from its own established selection procedure violates the principle of *pater est legem quam ipse fecisti* and breaches the principle of equal access to public office.

Mots-clés

Généré par l'IA
administrative selection procedure equal access to public office pater est legem quam ipse fecisti promotion decision annulment public service selection rules absence de contestation des faits déclarations factuelles non crédibles état de fait pertinent

Dispositions légales citées

Généré par l'IA
Wet van 1999 tot vaststelling van de algemene wet op de openbare dienst
Généré par l'IA

Vous souhaitez savoir comment cet arrêt s'applique à votre dossier ?

Analysez cette décision avec la législation fédérale, le droit cantonal, la doctrine et la jurisprudence subséquente dans Legislator AI.

Ouvrir dans Legislator →

Texte complet

RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK

IXe KAMER

nr. 241.710 van 4 juni 2018

in de zaak A. 217.131/IX-8726

In zake : Jürgen VIJVERMAN

die woonplaats kiest bij de Algemene Centrale der Openbare Diensten (ACOD)

gevestigd te 1000 Brussel Fontainasplein 9-11

en bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Ingrid Martens kantoor houdend te 9000 Gent Gustaaf Callierlaan 291

tegen :

de RIJKSDIENST VOOR SOCIALE ZEKERHEID

bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Chris Van Olmen en Vincent Vuylsteke kantoor houdend te 1050 Brussel Louizalaan 221

bij wie woonplaats wordt gekozen

I. Voorwerp van het beroep

1. Het beroep, ingesteld op 30 september 2015, strekt tot de nietigverklaring van “de beslissing van (het beheerscomité van) de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid om per 1 augustus 2015 Geert De Potter te bevorderen via overgang naar het hogere niveau B in de graad van Administratief deskundige bij de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid in de betrekking van Expert-

Dossierbeheerder bij de directie Inspectie Sociale Dienstverrichters”.

IX-8726-1/15

II. Verloop van de rechtspleging

2. Bij arrest nr. 238.748 van 4 juli 2017 is het debat heropend.

Auditeur Melissa Celis heeft een aanvullend verslag opgesteld.

De verzoekende partij en de verwerende partij hebben een laatste memorie ingediend.

De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 5 maart 2018.

Staatsraad Bruno Seutin heeft verslag uitgebracht.

Advocaat Ingrid Martens, die verschijnt voor de verzoekende partij en advocaat Bart Vingerhoets, die loco advocaten Chris Van Olmen en Vincent Vuylsteke verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord.

Auditeur Melissa Celis heeft een met dit arrest andersluidend advies gegeven.

Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.

III. Feiten

3. De feitelijke gegevens van de zaak zijn uiteengezet in tussenarrest nr. 238.748 van 4 juli 2017.

IX-8726-2/15

IV. Ontvankelijkheid

Eerste exceptie

4. In hoofdorde werpt de verwerende partij op dat verzoeker in zijn verzoekschrift enkel de beslissing van 7 juli 2015 aanvecht waarbij Geert De Potter werd aangewezen om vanaf 1 augustus 2015 zijn aanpassingsperiode aan te vangen voor administratief deskundige bij de directie Inspectie Sociale Dienstverrichters. Zij stelt dat de griefhoudende beslissing voor verzoeker niet de bevordering van Geert De Potter is, maar haar beslissing om verzoeker niet als kandidaat te aanvaarden voor de twee vacant verklaarde betrekkingen van administratief deskundige bij de dienst Sociale Dienstverrichters.

Volgens de verwerende partij heeft zij op 9 juli 2015 aan verzoeker meegedeeld dat hij niet voldeed aan de gestelde bevorderingsvoorwaarden. Die “beslissing van 9 juli 2015” ontnam verzoeker de mogelijkheid om nog bevorderd te worden in de vacant verklaarde betrekkingen.

Verzoeker heeft deze beslissing niet aangevochten. Als verzoeker vond dat hij zich wel kandidaat moest kunnen stellen, dan had hij onverwijld hiertegen een beroep tot nietigverklaring moeten instellen.

Bovendien heeft verzoeker het feit dat hij zich geen kandidaat kon stellen, niet tot het voorwerp van zijn verzoekschrift gemaakt, hoewel deze beslissing nochtans griefhoudend voor hem was. Verzoeker vermeldt in zijn verzoekschrift evenmin enige onwettigheid met betrekking tot de voornoemde “beslissing van 9 juli 2015”.

Om die redenen dient het beroep volgens de verwerende partij onontvankelijk te worden verklaard.

IX-8726-3/15

Beoordeling

5. De beslissing dat verzoeker niet voldeed aan de gestelde bevorderingsvoorwaarden en die hem is meegedeeld op 9 juli 2015, is een voor verzoeker grievende vóórbeslissing en is een onderdeel van een complexe administratieve verrichting die finaal is uitgemond in de door hem bestreden eindbeslissing, namelijk de beslissing van 7 juli 2015 van het beheerscomité van de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid om per 1 augustus 2015 Geert De Potter te bevorderen via overgang naar het hogere niveau B in de graad van administratief deskundige bij de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid in de betrekking van expert dossierbeheerder bij de directie Inspectie Sociale Dienstverrichters.

Verzoeker mocht weliswaar op ontvankelijke wijze die vóórbeslissing met een annulatieberoep aanvechten, maar hoefde dit niet te doen.

De nietigverklaring van een vóórbeslissing dient namelijk niet met een afzonderlijk annulatieberoep te worden gevorderd om nadien op ontvankelijke wijze de nietigverklaring van de eindbeslissing te kunnen vorderen. Verzoeker kan de grieven die hij heeft tegen de vóórbeslissing hem meegedeeld op 9 juli 2015

eveneens aanvoeren in zijn annulatieberoep tegen de eindbeslissing van 7 juli 2015.

De exceptie is niet gegrond.

Tweede exceptie

6. In ondergeschikte orde werpt de verwerende partij op dat het verzoekschrift laattijdig is ingesteld.

Volgens de verwerende partij vindt de leer van de complexe rechtshandeling in het ambtenarenrecht geen toepassing, waardoor “de beslissing van 9 juli 2015” – waarbij aan verzoeker is meegedeeld dat hij niet voldeed aan de gestelde bevorderingsvoorwaarden – definitief geworden is. Verzoeker diende zijn

IX-8726-4/15

verzoekschrift pas op 30 september 2015 in en dit is meer dan zestig dagen na “de beslissing van 9 juli 2015”.

Beoordeling

7. Zoals sub 5 reeds uiteengezet, is de beslissing aan verzoeker meegedeeld op 9 juli 2015 een vóórbeslissing. Hij hoefde deze vóórbeslissing niet met een annulatieberoep reeds aan te vechten. Verzoeker heeft binnen de voorgeschreven termijn een annulatieberoep ingesteld tegen de eindbeslissing van 7 juli 2015 en kan de grieven die hij heeft tegen die vóórbeslissing eveneens aanvoeren in het annulatieberoep tegen de eindbeslissing van 7 juli 2015.

Ook deze exceptie is niet gegrond.

V. Tussenarrest nr. 238.748 van 4 juli 2017

8. In tussenarrest nr. 238.748 van 4 juli 2017 heeft de Raad van State onder meer geoordeeld dat de vraag of verzoeker zijn belang bij zijn beroep verliest omdat hijzelf heeft verhinderd dat hij voor een bevordering in de functie van ‘expert-dossierbeheerder bij de directie Inspectie Sociale Dienstverrichters’ in aanmerking kon komen, doordat hij heeft nagelaten deel te nemen aan de selectie voor ‘sectiechef bij de directie Inspectie Sociale Dienstverrichters (functie leidinggevend)’, samenhangt met de grond van de zaak aangezien verzoekers grieven net betrekking hebben op de beslissing van de verwerende partij om de bevordering open te stellen voor de geslaagden van de functie ‘leidinggevend’.

Aldus dient het enige middel te worden onderzocht, waaruit ook zal blijken of verzoeker al dan niet belang heeft bij zijn beroep.

IX-8726-5/15

VI. Onderzoek van het enige middel

Standpunt van de partijen

9. Het enige middel is ontleend aan de schending van het beginsel patere legem quam ipse fecisti en van het beginsel van de gelijke toegang tot het openbaar ambt.

Verzoeker voert aan dat, blijkens het toepasselijk selectiereglement bekendgemaakt bij dienstnota van 27 november 2012, het bijzonder gedeelte van de vergelijkende selectie voor overgang naar de graad van administratief deskundige (niveau B) bestaat uit twee delen. Het eerste deel behelst een door Selor georganiseerde test van de generieke competenties voor respectievelijk leidinggevende functies – waarbij de competenties ‘beslissen’ en ‘medewerkers aansturen’ worden getest – en voor expertenfuncties – waarbij de competentie ‘medewerkers ondersteunen’ wordt getest. Het tweede deel bestaat uit een test in de schoot van de RSZ waarbij middels een interview en eventueel een praktijkgeval de motivatie en de technische competenties voor de specifieke functie worden nagegaan. Vervolgens wordt per functie een rangschikking opgemaakt op basis van het resultaat van beide specifieke delen. Uit de bij de dienstnota gevoegde lijst van vacante bevorderingsfuncties in niveau B blijkt dat er vijftien verschillende functieprofielen bestaan (zeven leidinggevende functies en acht expertenfuncties), verdeeld over verschillende directies.

In de kennisgeving van 12 juni 2015 waarbij 24 betrekkingen van administratief deskundige vacant worden verklaard, worden in overeenstemming met het selectiereglement de vacante betrekkingen per functie binnen een bepaalde directie opgelijst – daarbij telkens het onderscheid makend tussen de leidinggevende functies en de expertenfuncties – en wordt voor elke functie verwezen naar de daarmee overeenstemmende bevorderingsselectie uit 2014. Enkel de laureaten van de desbetreffende bevorderingsselectie kunnen zich kandidaat stellen. Van deze regel wordt echter afgeweken voor wat betreft de twee

IX-8726-6/15

vacant verklaarde betrekkingen van ‘expert-dossierbeheerder bij de directie Inspectie Sociale Dienstverrichters’ (en voor de vacant verklaarde betrekking van ‘expert-dossierbeheerder bij de directie Risicobeheer’). Voor die expertenfuncties wordt vermeld dat de laureaten van de bevorderingsselectie ‘sectiechef bij de directie Inspectie Sociale Dienstverrichters (functie leidinggevend)’ kunnen kandideren. Dit is in strijd met de in het selectiereglement vastgelegde regel dat per functie een rangschikking zal worden opgemaakt op basis van het samengetelde resultaat van de twee delen van het bijzonder gedeelte van de selectie. Voor de voornoemde betrekkingen wordt voor wat betreft het eerste deel teruggegrepen naar een door Selor georganiseerde test voor een leidinggevende functie in plaats van voor een expertenfunctie en voor het tweede deel wordt teruggegrepen naar een test bij de RSZ voor een functie die weliswaar binnen dezelfde algemene directie te begeven was, maar waarbij de getoetste technische competenties en de motivatie betrekking hebben op een andere functie die bovendien een leidinggevende functie in plaats van een expertenfunctie is. Er is dus nooit onderzocht of en in welke mate de kandidaten over de generieke competenties voor een expertenfunctie beschikken en al evenmin of en in welke mate zij gemotiveerd zijn voor een expertenfunctie in het algemeen en de specifiek vacant verklaarde expertenfunctie in het bijzonder. Nochtans wordt aan de motivatie voor een welbepaalde betrekking steevast veel belang gehecht bij de beoordeling en de rangschikking van de kandidaten. Deze handelwijze is in strijd met het beginsel patere legem quam ipse fecisti.

Dat in 2014 geen specifieke selectie voor de voornoemde functies heeft plaatsgevonden kan niet worden ingeroepen als verantwoording om af te wijken van de vastgelegde regels. De verwerende partij had in de gegeven omstandigheden bijvoorbeeld een bijkomend tweede deel kunnen organiseren voor de bijkomende functieprofielen waaraan de geslaagden voor het eerste deel, onderdeel expertenfuncties, zouden kunnen deelnemen.

De handelwijze van de verwerende partij heeft ook tot gevolg dat verzoeker, die wel reeds was geslaagd voor het eerste deel als expert, niet de

IX-8726-7/15

mogelijkheid heeft gekregen om zich kandidaat te stellen voor een betrekking van expert binnen de algemene directie van de inspectiediensten waar hij momenteel werkzaam is en reeds de nodige technische competenties heeft verworven.

Hierdoor is ook het beginsel van de gelijke toegang tot het openbaar ambt geschonden.

10. De verwerende partij antwoordt dat in juni 2015 is beslist om een aantal functies vacant te verklaren zodat ambtenaren die hadden deelgenomen aan de vergelijkende selecties voor overgang naar niveau B zouden kunnen worden bevorderd. Omdat er te veel laureaten waren voor de leidinggevende functies en te weinig vacante betrekkingen, is besloten om de betrekkingen van ‘expert-dossierbeheerder bij de directie Inspectie Sociale Dienstverrichters’ open te stellen voor ambtenaren die geslaagd waren voor het bijzonder gedeelte van de bevorderingsselectie ‘sectiechef bij de directie Inspectie Sociale Dienstverrichters (functie leidinggevend)’. De technische competenties voor beide functies zijn immers dezelfde. Voorts is ook rekening gehouden met artikel 29bis, § 1 en § 5, van het koninklijk besluit van 7 augustus 1939 ‘betreffende de evaluatie en de loopbaan van het Rijkspersoneel’ (hierna: het koninklijk besluit van 7 augustus 1939) waaruit blijkt dat de geslaagde ambtenaar die binnen achttien maanden na de datum van het proces-verbaal van afsluiten van de vergelijkende selectie geen functie op niveau B wordt aangeboden, zijn functie op niveau C blijft uitoefenen maar hiervoor de wedde van een ambtenaar op niveau B ontvangt. De betrokkenen zouden dan evenveel moeten worden betaald als in niveau B terwijl zij taken van een lager niveau blijven uitoefenen, hetgeen uiteraard nadelig is. Bovendien is het ook logisch dat eerst de laureaten die zowel voor het algemeen deel als voor het bijzonder deel van het bevorderingsexamen zijn geslaagd, de mogelijkheid krijgen om te bevorderen.

Verzoeker heeft, ondanks zijn sollicitatie, ervoor gekozen om niet deel te nemen aan de proeven van het bijzonder gedeelte van de vergelijkende selectie voor de functie van ‘sectiechef bij de directie Inspectie Sociale Dienstverrichters (functie leidinggevend)’. Bijgevolg kon hij zich ook geen

IX-8726-8/15

kandidaat stellen voor de betrekking van ‘expert-dossierbeheerder bij de directie Inspectie Sociale Dienstverrichters’.

Het beginsel van gelijke toegang tot het openbaar ambt is niet geschonden. Verzoeker is er namelijk zelf de oorzaak van dat hij zich geen kandidaat kon stellen voor de graad van administratief deskundige bij de directie Inspectie Sociale Dienstverrichters. Had hij destijds wel deelgenomen aan het bijzonder gedeelte van de vergelijkende selectie voor de functie van ‘sectiechef bij de directie Inspectie Sociale Dienstverrichters (functie leidinggevend)’, dan had hij zich in juni 2015 wel kandidaat kunnen stellen.

11. In haar laatste memorie merkt de verwerende partij nog op dat artikel 29bis van het koninklijk besluit van 7 augustus 1939 niet verbiedt dat een overheid de laureaten voor leidinggevende functies toegang verleent tot functies voor experten.

Voorts stelt zij dat zij in alle redelijkheid heeft kunnen oordelen dat de laureaten voor de functie van leidinggevende eveneens hebben voldaan aan de generieke competenties voor experten aangezien de generieke bevorderingsselectie uit 2014 voor leidinggevende functies meer generieke competenties en ruimere competenties toetste dan de generieke bevorderingsselectie uit 2014 voor expertenfuncties.

De omstandigheid dat zij ook een specifieke selectie had kunnen organiseren voor de functie van ‘expert-dossierbeheerder bij de directie Inspectie Sociale Dienstverrichters’ belet volgens de verwerende partij niet dat zij ook ervoor kon kiezen om deze functie op een andere manier in te vullen, aangezien dit tot haar discretionaire beoordelingsbevoegdheid behoort en zij is van oordeel dat zij hierbij geen beoordelingsfout heeft gemaakt.

IX-8726-9/15

Beoordeling

12. Het beginsel dat vervat is in de rechtsspreuk patere legem quam ipse fecisti houdt in dat het bestuur en de organen die ervan afhangen ertoe verplicht zijn de algemene regels die zij zelf hebben vastgesteld, bij de concrete toepassing ervan te eerbiedigen.

Het gelijkheidsbeginsel inzake benoemingen en bevorderingen in een overheidsbetrekking, krachtens hetwelk iedere burger gelijke toegang heeft tot zulke ambten, houdt in dat de aanspraken en verdiensten van de kandidaten moeten worden onderzocht en vergeleken aan de hand van objectieve en pertinente criteria.

13.1. In dienstnota nr. 2012.01 van 27 november 2012 van de administrateur-generaal van de verwerende partij (hierna: de dienstnota) waarin de sollicitatieprocedure voor het bijzonder gedeelte van de vergelijkende selectie voor overgang naar de graad van administratief deskundige (niveau B) wordt aangekondigd en waarin de deelnemingsvoorwaarden worden vermeld, is bepaald dat een afzonderlijke reserve zal worden aangelegd voor de geslaagden van de selectie voor de leidinggevende functies enerzijds en voor de geslaagden van de selectie voor de expertenfuncties anderzijds. Er wordt in deze dienstnota de kandidaten uitdrukkelijk op gewezen dat zij bij de sollicitatie moeten aanduiden voor welke functie zij zich kandidaat stellen.

Volgens de dienstnota bestaat het bijzonder gedeelte van de selectieprocedure uit twee delen.

Het eerste deel behelst een door Selor georganiseerde test van de generieke competenties voor respectievelijk leidinggevende functies (selectie 1L)

– waarbij de competenties ‘beslissen’ en ‘medewerkers aansturen’ worden getest –

en voor expertenfuncties (selectie 1E) – waarbij de competentie ‘medewerkers

IX-8726-10/15

ondersteunen’ wordt getest. Er wordt een afzonderlijke reserve aangelegd voor de geslaagden van deze selecties.

Het tweede deel bestaat uit een test in de schoot van de RSZ

waarbij middels een interview en eventueel een praktijkgeval de motivatie en de technische competenties voor de specifieke functie worden nagegaan. Vervolgens wordt per functie een rangschikking opgemaakt op basis van het resultaat van beide specifieke delen.

Uit de bij de dienstnota gevoegde lijst van vacante bevorderingsfuncties in niveau B blijkt dat er vijftien verschillende functieprofielen bestaan (zeven leidinggevende functies en acht expertenfuncties), verdeeld over verschillende directies, die de RSZ binnen twee jaar vacant zal stellen. Bij elke functie wordt telkens vermeld of de belangrijkste rol eerder een leidinggevende rol dan wel een expertenrol is. Er wordt daarbij vermeld dat op basis van de voorkeuren men kan kiezen voor de selectie 1L of 1E of voor beide en dat bij de concrete vacature de laureaten van deel 1 zich effectief kandidaat kunnen stellen voor de functies die dan worden opengesteld. Benadrukt wordt wel dat enkel de geslaagden van deel 1 zich zullen kunnen inschrijven voor deel 2 van het bijzonder gedeelte, alsook dat de geslaagden van de selectie 1L zich kandidaat kunnen stellen voor één of meerdere functies met de leidinggevende rol als determinerende rol en de geslaagden van de selectie 1E zich kandidaat kunnen stellen voor één of meerdere functies met de expertenrol als determinerende rol.

13.2. Uit het voorgaande volgt dat de verwerende partij van in het begin steeds duidelijk het onderscheid heeft gemaakt tussen expertenfuncties en leidinggevende functies en zelfs voor elke concrete betrekking binnen een welbepaalde directie in een apart functieprofiel met bijbehorende selectieprocedure heeft voorzien.

14.1. De verwerende partij heeft de voormelde regels van de selectieprocedure voor vier van de vijf directies nageleefd. Enkel voor de drie

IX-8726-11/15

betrekkingen bij de algemene directie van de Inspectiediensten, waaronder ook de betrekking van ‘expert-dossierbeheerder bij de directie Inspectie Sociale Dienstverrichters’, is zij hiervan afgeweken door onder meer die expertenbetrekking alleen open te stellen voor de laureaten van de selectie voor een leidinggevende betrekking bij die inspectie.

Dit is in strijd met de in het selectiereglement vastgelegde regel, dat per functie een rangschikking zal worden opgemaakt op basis van het samengetelde resultaat van de twee delen van het bijzonder gedeelte van de selectie.

Dat in 2014 geen specifieke selectie voor de voornoemde functies heeft plaatsgevonden kan niet worden ingeroepen als verantwoording om af te wijken van de vastgelegde regels. De verwerende partij had in de gegeven omstandigheden bijvoorbeeld een bijkomend tweede deel kunnen organiseren voor de bijkomende functieprofielen waaraan de geslaagden voor het eerste deel, onderdeel expertenfuncties, zouden kunnen deelnemen.

14.2. In de mate dat de verwerende partij ter verantwoording van haar handelwijze stelt, dat zowel de leidinggevende functie als de expertenfunctie functies zijn bij eenzelfde dienst, namelijk bij de directie Inspectie Sociale Dienstverrichters, en dat de motivatie voor beide functies in grote mate overeenstemt en de technische competenties voor de functie ‘sectiechef bij de directie Inspectie Sociale Dienstverrichters (functie leidinggevend)’ en voor de functie ‘expert-dossierbeheerder bij de directie Inspectie Sociale Dienstverrichters’ dezelfde zijn, gaat zij voorbij aan de door haar vastgelegde selectieprocedure waarvan zij zelf heeft geoordeeld dat het noodzakelijk was dat zowel de motivatie als de technische competenties voor elk van deze functies afzonderlijk dienden te worden geëvalueerd.

14.3. In de mate dat de verwerende partij betoogt dat verzoeker er zelf de oorzaak van is dat hij zich geen kandidaat kon stellen voor de graad van

IX-8726-12/15

administratief deskundige bij de directie Inspectie Sociale Dienstverrichters, omdat hij niet heeft deelgenomen aan het bijzonder gedeelte van de vergelijkende selectie voor de functie van ‘sectiechef bij de directie Inspectie Sociale Dienstverrichters (functie leidinggevend)’, moet worden gesteld dat verzoeker niet kon en niet hoefde te weten dat de verwerende partij van de vastgelegde selectieprocedure zou afwijken en zou beslissen om voor de toewijzing van de betrekking van ‘expert-dossierbeheerder bij de directie Inspectie Sociale Dienstverrichters’ te putten uit de laureaten van de selectie voor een leidinggevende betrekking bij die dienst.

14.4. In zoverre de verwerende partij in haar memorie van antwoord en in haar laatste memorie aanvoert dat er teveel laureaten waren voor leidinggevende functies in verhouding tot het aantal vacante betrekkingen waardoor deze na achttien maanden gerechtigd zouden zijn op de wedde van niveau B, alsook dat het op dat moment van kracht zijnde artikel 29bis van het koninklijk besluit van 7 augustus 1939 ‘betreffende de evaluatie en de loopbaan van het Rijkspersoneel’ niet verbood dat een overheid de laureaten voor leidinggevende functies toegang verleende tot functies voor experten, kan dit niet verantwoorden dat ten onrechte is afgeweken van de vastgelegde selectieprocedure.

14.5. Door af te wijken van de door haarzelf vastgelegde selectieprocedure, heeft de verwerende partij het beginsel dat vervat is in de rechtsspreuk patere legem quam ipse fecisti geschonden.

15. De handelwijze van de verwerende partij heeft ook tot gevolg dat verzoeker, die reeds was geslaagd voor het eerste deel voor de functie van expert, niet de mogelijkheid heeft gekregen om zich kandidaat te stellen voor een betrekking van expert binnen de algemene directie van de inspectiediensten waar hij momenteel werkzaam is. Hierdoor is ook het beginsel van de gelijke toegang tot het openbaar ambt geschonden.

IX-8726-13/15

16. Uit wat voorafgaat volgt dat verzoeker belang heeft bij zijn beroep en dat het middel gegrond is.

VII. Kosten

17. Met een 21 maart 2017 gedateerde “nota tot vereffening van de kosten” vraagt de raadsvrouw van verzoeker om de verwerende partij te veroordelen tot de kosten van het geding met inbegrip van een rechtsplegingsvergoeding ten bedrage van 700 euro.

18. Gelet op het gegrond verklaren van het beroep is er aanleiding om de kosten ervan ten laste te leggen van de verwerende partij.

19. De rechtsplegingsvergoeding is een forfaitaire tegemoetkoming in de kosten en honoraria van de advocaat van de in het gelijk gestelde partij. Het verzoekschrift, de memorie van wederantwoord en de laatste memorie van verzoeker werden in deze zaak niet ingediend door een advocaat. Verzoeker – die woonplaatskeuze heeft gedaan bij zijn vakorganisatie – heeft deze stukken zelf ondertekend. Zijn raadsvrouw heeft zich slechts gemeld na het indienen van de laatste memorie en haar optreden is beperkt gebleven tot het neerleggen van de voornoemde nota om de rechtsplegingsvergoeding te vragen, alsook tot tussenkomsten op de openbare terechtzitting van 19 juni 2017 en 5 maart 2018.

Gelet op het gebrek aan complexiteit van de zaak, althans voor de advocaat, oordeelt de Raad van State dat geen gunstig gevolg kan worden gegeven aan verzoekers vraag om de verschuldigde rechtsplegingsvergoeding te bepalen op het basisbedrag van 700 euro. De voormelde reden verantwoordt daarentegen dat het bedrag van de gevorderde rechtsplegingsvergoeding wordt teruggebracht tot 280 euro.

IX-8726-14/15

BESLISSING

1. De Raad van State vernietigt de beslissing van het beheerscomité van de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid van 7 juli 2015 om Geert De Potter te bevorderen via overgang naar het hogere niveau B in de graad van administratief deskundige bij de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid in de betrekking van expert-dossierbeheerder bij de directie Inspectie Sociale Dienstverrichters.

2. De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 280 euro, die verschuldigd is aan de verzoekende partij.

Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 4 juni 2018, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit:

Geert Van Haegendoren, kamervoorzitter, Bruno Seutin, staatsraad, Bert Thys, staatsraad, bijgestaan door Vera Wauters, griffier.

De griffier De voorzitter

Vera Wauters Geert Van Haegendoren

IX-8726-15/15

PDF document ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.241.710