Cassation appeal dismissed for attempting to re-evaluate facts instead of reviewing legality of lower court decision.
Synthèse Legislator
Généré par l'IAThe Council of State dismissed the cassation appeal filed against a zoning permit decision. The applicant argued that the lower administrative court improperly re-evaluated factual evidence regarding the construction date of a house. The court ruled that its role is limited to reviewing the legality of the lower court's decision, not re-examining the facts themselves.
Regeste Legislator
Généré par l'IAArticles 14, § 2 and 4.2.14, § 2 of the Flemish Spatial Planning Code; The Council of State lacks jurisdiction to re-evaluate factual findings by the lower administrative court and may only review the legality of the decision.
Mots-clés
Généré par l'IADispositions légales citées
Généré par l'IADécisions connexes
Généré par l'IATexte complet
RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK
VIIe KAMER
nr. 241.682 van 31 mei 2018
in de zaak A. 223.611/VII-40.114.
In zake : Erik BOGAERTS
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Jan Stijns kantoor houdend te 3001 Leuven Philipssite 5
bij wie woonplaats wordt gekozen
tegen :
de DEPUTATIE VAN DE PROVINCIERAAD
VAN VLAAMS-BRABANT
I. Voorwerp van het beroep
1. Het cassatieberoep, ingesteld op 26 oktober 2017, strekt tot de nietigverklaring van arrest nr. RvVb/A/1718/0069 van de Raad voor Vergunningsbetwistingen (hierna: RvVb) van 19 september 2017 in de zaak RvVb/1415/0310/A/0303.
II. Verloop van de rechtspleging
2. Een beschikking van 23 november 2017 verklaart het cassatieberoep toelaatbaar.
De verwerende partij heeft een memorie van antwoord en verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend.
VII-40.114-1/6
Auditeur Wouter De Cock heeft een verslag opgesteld, op grond van artikel 16 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State (hierna: cassatieprocedurebesluit).
Verzoeker heeft een verzoek tot voortzetting van de procedure ingediend teneinde te worden gehoord.
De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 17 mei 2018.
Staatsraad Pierre Lefranc heeft verslag uitgebracht.
Advocaat Tina Merckx, die loco advocaat Jan Stijns verschijnt voor verzoeker, is gehoord.
Auditeur Wouter De Cock heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven.
Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.
III. Feiten
3. Met een besluit van 4 december 2014 weigert de deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant (hierna: deputatie) aan verzoeker een stedenbouwkundige vergunning te verlenen “voor het regulariseren van een eengezinswoning”.
4. Het bestreden arrest verwerpt de vordering van verzoeker tot vernietiging van deze vergunningsbeslissing.
VII-40.114-2/6
IV. Regelmatigheid van de rechtspleging
5. Verzoeker heeft een verzoek tot voortzetting ingediend waarin een repliek wordt gegeven op het auditoraatsverslag. Het cassatieprocedurebesluit voorziet na de kennisgeving van het auditoraatsverslag niet in de mogelijkheid om een laatste memorie neer te leggen. Wanneer de auditeur concludeert tot de verwerping van het cassatieberoep moet de verzoeker luidens artikel 18, § 1, van het cassatieprocedurebesluit, op straffe van de toewijzing van de afstand van geding, “vragen dat de procedure wordt voortgezet teneinde te worden gehoord”.
Het auditoraatsverslag concludeert tot de verwerping van het beroep van verzoeker. Het voormelde procedurestuk wordt alleen als zodanig in aanmerking genomen in zoverre wordt gevraagd de procedure voort te zetten en te worden gehoord.
V. Onderzoek van het enige middel
Uiteenzetting van het middel
6. Verzoeker voert de schending aan van artikel 4.2.14, § 2, juncto 7.5.1, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening (hierna: VCRO).
Hij zet uiteen dat “er 3 ‘rechtens toegelaten bewijsmiddelen’ voorhanden [waren] om het gebruik van het gebouw als woning vóór het kantelmoment van 09.09.1984, zijnde het vergunningsplichtig worden van de doorvoering van een functiewijziging, aan te tonen”, meer bepaald een verklaring van de heer [A.H.] van 11 juli 2006, een verklaring van de heer [R.S.] van 10 juli 2017 en een toelichting van landmeter [P.F.], en dat “bij correcte toepassing van art. 4.2.14, § 2 juncto [7.5.1] VCRO dan ook [diende] vastgesteld te worden dat de woonfunctie een vergund geacht karakter heeft daar dit door (zelfs 3) ‘enig rechtens toegelaten bewijs’ werd aangetoond” aangezien “[é]én van beide tegenbewijsmogelijkheden […] niet voorhanden” was. Hij stelt dat de deputatie “besloten [heeft] dat de woonfunctie op het kantelmoment […] niet aanwezig was”
VII-40.114-3/6
door “de getuigenverklaringen […] aan de kant te […] schuiven door te stellen dat de kadastrale legger (met toestand tot 1981) een grotere bewijskracht heeft” en dat de RvVb “de visie van de […] deputatie [heeft] bijgetreden”.
Verzoeker betoogt dat het bestreden arrest de ingeroepen bepalingen schendt “[d]oor te stellen dat in de eerste toetsfase, met name het bewijzen van het vergund geacht karakter, bewijzen […] tegen elkaar ‘afgewogen’ […] mogen worden”.
Hij voegt toe dat “een hiërarchische afweging” door de deputatie van “de voorhanden zijnde bewijsmiddelen […] dient te geschieden tussen temporeel relevante bewijsstukken” en dat het de deputatie “niet toekomt een hiërarchische afweging te maken - laat staan de hiërarchie bestaande in het burgerlijk recht”.
Beoordeling
7. Het middel gaat terug op de verwerping door de RvVb van het eerste middel van verzoeker waarin de schending van artikel 4.2.14 VCRO werd aangevoerd.
8. Als cassatierechter mag de Raad van State niet in tweede instantie de feitelijke beoordeling van de RvVb overdoen maar mag hij enkel nagaan of het hem voorgelegde arrest overeenkomstig de wet is genomen.
Luidens artikel 14, § 2, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973 treedt de afdeling bestuursrechtspraak in geval van cassatieberoep immers “niet in de beoordeling van de zaken zelf”.
In zoverre het middel niet gericht is tegen het bestreden arrest maar de feitelijke beoordeling door de RvVb van de vergunningsbeslissing van de deputatie wil laten overdoen, is de Raad van State niet bevoegd.
VII-40.114-4/6
9. Het bestreden arrest verwerpt het eerste middel van verzoeker op grond van volgende overwegingen:
- uit artikel 4.2.14 VCRO volgt dat indien een eigenaar kan bewijzen dat een constructie werd gebouwd in de periode vanaf 22 april 1962 tot de eerste inwerkingtreding van het toepasselijke gewestplan, de constructie geacht wordt vergund te zijn;
- dat bewijs kan enkel tegengesproken worden door een limitatief omschreven geldig tegenbewijs;
- het voorgaande belet niet dat de deputatie de bewijzen van verzoeker kan en moet beoordelen op hun bewijswaarde en de RvVb beschikt “terzake slechts over een marginale toetsing”;
- het onderzoek van de deputatie valt uiteen in twee fasen: in een eerste fase moet de deputatie de door verzoeker aangebrachte bewijzen beoordelen en moet zij nagaan of er overtuigend wordt aangetoond dat de constructie in de decretale referentieperiode werd opgericht en als woning werd gebruikt; in voorkomend geval, moet de deputatie in een tweede fase nagaan of er nog toelaatbare bewijsmiddelen zijn die dit aangetoonde vermoeden kunnen ontkrachten;
- de deputatie heeft “bij de eerste fase van haar onderzoek” aan “de kadastrale legger van 1981 die spreekt van een ‘landgebouw’ […] een grotere bewijswaarde toegekend dan aan de bijgebrachte getuigenverklaringen, om te besluiten dat het niet is aangetoond dat het gebouw in de decretale referentieperiode reeds een woonfunctie had”;
- verzoeker die stelt dat de deputatie “door de verwijzing naar de kadastrale legger van 1981, een niet-toegelaten bewijsmiddel zou hanteren om het geleverde bewijs van oprichting en ingebruikname als woning in de decretale referentieperiode te ontkrachten, gaat dan ook uit van een verkeerde premisse”.
10. Het middel dat ervan uitgaat dat het bestreden arrest aanneemt dat de deputatie in de eerste fase van haar onderzoek in het kader van artikel 4.2.14
VCRO toegelaten wordt dat “bewijzen […] tegen elkaar ‘afgewogen’ […] mogen worden”, mist feitelijke grondslag.
VII-40.114-5/6
Verzoeker toont de schending van artikel 4.2.14 samengelezen met artikel 7.5.1 VCRO niet aan.
Het enige middel wordt verworpen.
BESLISSING
1. De Raad van State verwerpt het cassatieberoep.
2. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het beroep, begroot op 200 euro.
Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van eenendertig mei tweeduizend achttien, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit:
Eric Brewaeys, kamervoorzitter, Pierre Lefranc, staatsraad, Peter Sourbron, staatsraad, bijgestaan door Bart Tettelin, griffier.
De griffier De voorzitter
Bart Tettelin Eric Brewaeys
VII-40.114-6/6
PDF document ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.241.682